CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

4w. Activiteitenplan_Schoterlandseweg_22_Katlijk_def (geanonimiseerd)

Raadsvergadering 18 maart 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de Schoterlandseweg 22 Katlijk - Moskoupleats5.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Activiteitenplan Wet natuurbescherming Schoterlandseweg 22 te Katlijk

Ecologisch onderzoek en advies

2

Colofon

Titel: Activiteitenplan Wet natuurbescherming. Schoterlandseweg 22 te Katlijk

Opdrachtgever:

Auteur:

, Gorissen Ruimtelijk Advies

- DoornEco

Versie: 3 Definitief

Datum: 27 oktober 2020

3

4

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................. 7 2. Locatie .................................................................................................................................... 8 2.1 Afbakening plangebied ..................................................................................................... 8 2.2 Beschrijving locatie .......................................................................................................... 9 3. Werkzaamheden ................................................................................................................... 13 3.1 Beschrijving werkzaamheden ......................................................................................... 13 3.2 Planning .......................................................................................................................... 13 4. Ecologisch onderzoek .......................................................................................................... 15 4.1 Quickscan ....................................................................................................................... 15 4.2 Nader onderzoek kerkuil ................................................................................................

15 4.2.1 Methodiek ................................................................................................................ 15 4.2.2 Resultaten ................................................................................................................. 16 4.3 Nader onderzoek huismus .............................................................................................. 17 4.3.1 Methodiek ................................................................................................................ 17 4.3.2 Resultaten ................................................................................................................. 17 4.4 Nader onderzoek vleermuizen ........................................................................................ 17 4.4.1 Methodiek ................................................................................................................ 17 4.4.2 Resultaten ................................................................................................................. 18 5. Effectbeoordeling en maatregelen kerkuil ........................................................................... 19 5.1 Effectbeoordeling kerkuil zonder maatregelen ...............................................................

19 5.2 Mitigatieplan kerkuil ...................................................................................................... 19 5.2.1 Tijdelijke voorzieningen .......................................................................................... 19 5.2.2 Ongeschikt maken bebouwing ................................................................................. 20 5.2.3 Permanente voorziening kerkuil in de nieuwbouw .................................................. 20 5.3 Effectbeoordeling kerkuil met maatregelen.................................................................... 22 5.3.1 Effect beoordeling .................................................................................................... 22 5.3.2 Beoordeling staat van instandhouding ..................................................................... 22 6. Effectbeoordeling en maatregelen vleermuizen ................................................................... 24 6.1 Effectbeoordeling vleermuizen zonder maatregelen ...................................................... 24 6.2 Mitigatieplan vleermuizen .............................................................................................. 24 6.2.1 Tijdelijke voorzieningen ..........................................................................................

24 6.2.2 Ongeschikt maken bebouwing ................................................................................. 24

5

6.2.3 Permanente voorziening vleermuizen in de nieuwbouw ......................................... 25 6.3 Effectbeoordeling vleermuizen met maatregelen ........................................................... 26 6.3.1 Effect beoordeling .................................................................................................... 26 6.3.2 Beoordeling staat van instandhouding ..................................................................... 26 7 Voorzieningen steenuil – ecologische plus ........................................................................... 29 8. Belang en alternatieven ........................................................................................................ 31 8.1 Onderbouwing belang..................................................................................................... 31 8.2 Afgewogen alternatieven ................................................................................................ 32

6

1. Inleiding Aan de Schoterlandseweg 22 te Katlijk is een woonboerderij aanwezig. Deze is lange tijd bewoond geweest door twee gezinnen. Door omstandigheden werd de woonboerderij tot het recente verleden nog maar bewoond door één gezin, een ouder paar. De onderhoudskosten waren voor hen niet langer op te brengen. De panden op het terrein hebben derhalve te leiden onder ernstig achterstallig onderhoud. Voor de locatie is inmiddels een koper gevonden. De laatste bewoners zijn inmiddels ook vertrokken, waardoor de locatie inmiddels leeg staat. De nieuwe eigenaar wil op de locatie 24 zorgappartementen realiseren. Hierdoor dient de locatie grondig te worden verbouwd, waarbij alleen geveldelen en mogelijk delen van het de dakconstructies kunnen worden gebruikt. Op de locatie is een nestplaats van kerkuil (Tyto alba) aanwezig. Op de locatie zijn twee zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) aanwezig. Door het uitvoeren van de werkzaamheden wordt: • Een jaarrond beschermde nestplaats van kerkuil (Tyto alba), verstoord en aangetast; • Twee zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) verstoord en aangetast. Er wordt daarom ontheffing aangevraagd voor: 1. Artikel 3.1 lid 2 ten aanzien van kerkuil.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 2. Art 3.1 lid 4 en lid 5 ten aanzien van kerkuil. Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 3. Art. 3.5 lid 2 ten aanzien van gewone dwergvleermuis. Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren. 4. Art. 3.5 lid 4 ten aanzien van gewone dwergvleermuis. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Voorliggend Activiteitenplan is een bijlage voor een aanvraag Wnb. Het Activiteitenplan beschrijft het plangebied, de werkzaamheden, planning en de maatregelen ten aanzien van de aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Het uitgevoerde ecologisch onderzoek maakt ook onderdeel uit van deze rapportage. In voorliggende rapportage wordt dit in beknopte vorm weergegeven. Tevens is een losse rapportage aanwezig van het volledige onderzoek. Tot slot wordt in gegaan op het belang van de ontwikkeling en de beschikbare alternatieven.

7

2. Locatie 2.1 Afbakening plangebied Het plangebied bestaat uit het perceel Schoterlandseweg 22 te Katlijk (provincie Fryslân). Figuur 1 en 2 geven de ligging en begrenzing van het plangebied weer. De locatie is gelegen aan de Schoterlandseweg, ongeveer halverwege de doorgaande weg tussen Mildam en Nieuwehorne.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (ondergrond: © OpenStreetMap-auteurs)

Figuur 2. Begrenzing van het plangebied (ondergrond: © OpenStreetMap-auteurs)

8

2.2 Beschrijving locatie Het plangebied bestaat uit de locatie Schoterlandseweg 22 te Katlijk (provincie Fryslân). De locatie bestaat uit een boerderijwoning en twee grotere stenen bijgebouwen. Daarnaast zijn op het terrein een houten schuurtje en een klein huisje aanwezig. De gebouwen bevinden zich op een vrij ruim erf. Een deel hiervan bestaat uit boomgaard. Ook is een mooie rij beuken aanwezig in een laanvorm. Direct naast de woning loopt een laan het veld in. De locatie wordt omringd door een kleinschalig landschap. Dit maakt onderdeel uit van het NNN. De woonboerderij (figuur 3) is opgetrokken uit baksteen, met een dakbekleding bestaande uit dakpannen en riet. Aan de veldzijde is nog sprake van bewoning, het woongedeelte aan de wegzijde staat leeg. Tussen beide woondelen ligt een schuurgedeelte. Dit betreft een grote open ruimte. Het dak is inmiddels in verval geraakt (figuur 4). Rietbedekking en dakpannen zijn deels afwezig, resulterend in lekkage. In de westelijke helft van het schuurgedeelte zijn nog voormalige veeplaatsen aanwezig. De tussenwanden hier zijn mengsel van stro en klei/leem, waardoor er hier sprake is van een redelijk gebufferd gedeelte van het gebouw. De nok kent aan de veldzijde een opvallend en karakteristiek dakornament, de zogenaamde ûleboerd (uilenbord).

Figuur 3a en b. Woonboerderij gezien vanaf de veldzijde (links) en wegzijde (rechts, Streetview)

9

Figuur 4. In verval geraakte dakconstructie van de woonboerderij

Figuur 5. Bijgebouw aan de oostzijde van de woonboerderij (gezien vanaf de veldzijde)

10

Direct naast de woonboerderij staat een bijgebouw dat dienst heeft gedaan als spreekkamer (figuur 5). Ook dit bijgebouw kent een grotere ruimte tot aan het dak. Het dak van dit gebouw bestaat net als de woonboerderij uit een combinatie van dakpannen en riet. Dit gebouw verkeert nog in vrij goede staat. Ook de nok van het bijgebouw kent een ûleboerd. Aan de zuidzijde van de woonboerderij staat een tweede, kleiner bijgebouw (figuur 6). Deze is opgetrokken uit enkelsteens muren. Het dak is bedekt met dakpannen. Een deel hiervan ontbreekt. In deze schuur zijn voormalig veeplaatsen aanwezig. Aan de westzijde van de boerderij staat nog een houten schuurtje (figuur 7). Het is een laag gebouwtje, volledig opgetrokken uit hout. Tot slot staat er aan de wegzijde nog een klein stenen gebouwtje. Deze staat al geruime tijd leeg en hiervan ontbreekt de dakbekleding geheel.

Figuur 6. Bijgebouw aan de zuidzijde van de woonboerderij

11

Figuur 7a en b. Houten schuurtje en klein huisje op het terrein

12

3. Werkzaamheden 3.1 Beschrijving werkzaamheden Op de locatie staat de ontwikkeling van 24 zorgappartementen gepland. Hiervoor wordt de bestaande woonboerderij en het oostelijke bijgebouw deels gesloopt en deels gebruikt in het nieuwe ontwerp. Welke delen van beide gebouwen exact kunnen worden hergebruikt is niet volledig duidelijk, daarom wordt uitgegaan van een worst case scenario waarbij alleen de fundering van beide gebouwen hergebruikt zal worden. Er is sprake van twee fasen in het project. Het zuidelijke bijgebouw zal in eerste instantie gehandhaafd blijven (ten behoeve van kerkuil). Na oplevering van de nieuwbouw en in gebruik name ervan dient het zuidelijke schuurtje alsnog volledig te worden gesloopt. Aangezien de ontwikkeling zal plaatsvinden op de bestaande fundering kan een groot deel van het erf ongewijzigd blijven. Aan de wegzijde zal wel een klein oppervlak aan (half)verharding worden toegevoegd, ten behoeve van parkeergelegenheid.

3.2 Planning Voor het project dienen de vergunningen nog te worden verleend. Ontwikkeling kan derhalve niet eerder starten dan in eind 2020 of begin 2021. Naar verwachting is de nieuwbouw gereed eind 2021, uiterlijk begin 2022. Het zuidelijke bijgebouw maakt geen onderdeel uit van de nieuwbouwplannen en kan tijdens de herontwikkeling van de overige gebouwen behouden blijven. Deze zal pas na oplevering van de twee nieuwe gebouwen worden gesloopt.

Figuur 8. Impressie van de beoogde ontwikkeling (gezien vanaf de wegzijde)

13

Figuur 9. Indeling van de begane grond en eerste verdieping van de beoogde nieuwbouw

Figuur 10. Indeling van de verdieping en zolder van de beoogde nieuwbouw

14

4. Ecologisch onderzoek 4.1 Quickscan Voor de locatie is een ecologische quickscan uitgevoerd. Hiervoor heeft op 23 november 2019 een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Deze is uitgevoerd in de ochtend. De weersomstandigheden waren rustig, eerst was het fris (enkele graden boven het vriespunt) en bewolkt, gedurende het veldbezoek kwam de zon erbij. Er was nauwelijks wind. Tijdens het veldbezoek is het plangebied visueel onderzocht op aanwezigheid van beschermde soorten, dan wel potentie hiervoor. Gebouwen die als voldoende veilig werden beoordeeld, zijn ook intern onderzocht op aanwezigheid, sporen en/of potentie voor beschermde soorten. Met deze gegevens en beschikbare gegevens uit externe bronnen is vervolgens een beoordeling gemaakt van de locatie voor beschermde soorten. Tijdens het quickscan is vastgesteld dat de locatie potentie heeft voor: • Kerkuil. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van kerkuil gevonden. Enkel nestplaatsen van kerkuil zijn beschermd, niet de roestplaatsen. Een functie als jaarrond beschermde nestplaats is op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet uit te sluiten. • Steenuil. De planlocatie grenst aan het bekende verspreidingsgebied van steenuil en de locatie vormt redelijk optimaal leefgebied voor de soort. De gebouwen zijn allen geschikt als mogelijke nestplaats. • Huismus.

Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen, maar nestplaatsen van huismus kunnen op basis van het uitgevoerde veldbezoek buiten het broedseizoen ook niet worden uitgesloten. Er zijn potentiele nestplaatsen aanwezig in de schuur en onder de dakpannen van de woonboerderij. • Broedvogels uit categorie 5. Soorten die mogelijk op het terrein aanwezig zijn, zijn boerenzwaluw, spreeuw. • Vleermuizen (gebouw- en boombewonend). Alle gebouwen zijn goed toegankelijk voor vleermuizen en verspreid zijn spleetvormige ruimtes aangetroffen. Verspreid over het terrein (maar met name in de beukenlaan aan de oostzijde van de locatie) zijn bomen met holtes aanwezig, geschikt als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. De genoemde beukenlaan kan ook dienst doen als vliegroute van vleermuizen, net als de bomen langs de Schoterlandseweg. • Broedvogels in algemene zin. In het groen en in de te slopen gebouwen zijn nestplaatsen van diverse algemene broedvogels aangetroffen, die tijdens hun broedseizoen beschermd zijn.

4.2 Nader onderzoek kerkuil 4.2.1 Methodiek

Tijdens het veldbezoek werden in het schuurgedeelte van de woonboerderij en het naastliggende bijgebouw sporen van uilen waargenomen. Bij de woonboerderij betrof dit redelijk verse sporen (zie figuur 11). Hoewel intern onderzoek heeft plaatsgevonden, kon hierbij niet de gehele planlocatie in detail worden onderzocht omdat delen van de gebouwen onbereikbaar zijn (en niet te overzien). Volgens de huidige bewoners zouden er in ieder geval in 2018 nog jonge uilen aanwezig zijn geweest, duidend op een nestplaats.

15

In 2020 heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden naar kerkuil. Hiertoe zijn tijdens het begin van het broedseizoen twee veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel 1). Beide veldbezoeken zijn aan het begin van de avond gestart, rond zonsondergang. Hierbij is tevens de eventuele aanwezigheid van steenuil onderzocht. Een derde veldbezoek heeft plaatsgevonden in combinatie met het vleermuisonderzoek, in de maand juni als er jonge kerkuilen te verwachten zijn. Tijdens dit veldbezoek is ook een eerder in het jaar geplaatste kerkuilenkast (zie hoofdstuk 5) met een camera intern onderzocht.

Figuur 11. Redelijk versie sporen van kerkuil gevonden in het schuurgedeelte van het woonhuis tijdens de quickscan

Tabel 1. Samenvatting van het uitgevoerde uilenonderzoek

Ronde 1 Ronde 2 Ronde 3

Datum Tijd 04 maart 2020 18:10 19:30 07 april 2020 20:15 21:30 20 juni 2020 21:30 24:00

Weer Onbewolkt, droog, 6°C, wind W1 Onbewolkt, droog, 14°C, wind NO1 Onbewolkt, droog, 17°C, wind NW 1

4.2.2 Resultaten

Tijdens alle drie de veldbezoeken is ten minste één uitvliegende kerkuil vastgesteld. Tijdens het laatste bezoek werden een enkele roep vastgesteld. Ook keerde tijdens dit bezoek meerdere keren een vogel terug naar de woonboerderij. De enige verklaring hiervoor dat dit voedseltransport betrof. Op basis van deze waarnemingen is er in 2020 opnieuw sprake van 16

een broedgeval van kerkuil. De nestplaats bevindt zich in de grote ruimte van de woonboerderij. Tijdens geen van de bezoeken zijn steenuilen waargenomen, ook niet in de omgeving. Een nestplaats van steenuil kan om die reden worden uitgesloten binnen het plangebied.

4.3 Nader onderzoek huismus 4.3.1 Methodiek

De woonboerderij en naastliggende gebouw zijn intern onderzocht en hierbij zijn geen nesten van huismus gevonden. De schuur aan de achterzijde zou echter niet veilig te betreden zijn en hier heeft dus geen intern onderzoek plaatsgevonden. Deze schuur en de woonboerderij hebben voor de soort ook geschikte (losliggende) dakpannen. Nestplaatsen van huismus konden op basis van het quickscan niet geheel worden uitgesloten. In 2020 heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden naar de aan- of afwezigheid van huismus. Hiertoe zijn tijdens het broedseizoen twee veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel 2). Beide veldbezoeken zijn in de ochtenduren uitgevoerd, de periode van de dag waarop mussen het meest actief zijn. Tabel 2. Samenvatting van het uitgevoerde huismussenonderzoek

Ronde 1

Datum 06 april 2020

Ronde 2

08 mei 2020

Tijd 10:00 11:00 09:00 10:00

Weer Onbewolkt, droog, 14°C, wind ZO 2-3 Sluierbewolking, droog, 13°C, wind variabel 1-2

4.3.2 Resultaten

Tijdens de veldbezoeken zijn geen huismussen waargenomen. Aanwezigheid van nestplaatsen van huismus in een van de gebouwen op het terrein kan hiermee worden uitgesloten.

4.4 Nader onderzoek vleermuizen 4.4.1 Methodiek

Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd overeenkomstig Vleermuisprotocol 2017. Voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten dienen 4 bezoekronden, verspreid over het jaar te worden uitgevoerd. Het gaat hierbij om twee bezoekronden tijdens de kraamperiode (half mei – half juli) en twee bezoekronden tijdens de paarperiode (half augustus – begin oktober). Eén bezoekronde tijdens de kraamtijd betreft een ochtendronde. De overige 3 bezoeken zijn avondbezoeken. De avondbezoeken zijn gestart vanaf zonsondergang, het ochtendbezoek is gestart 2 uur voor zonsopkomst. De veldbezoeken zijn uitgevoerd voor een duur van ten minste 2 uur. Tijdens de veldbezoeken is gebruik gemaakt van een Pettersson D240X batdetector en opname apparatuur om geluidsfragmenten op te nemen om later eventueel te kunnen analyseren. In tabel 1 staan de gegevens van het uitgevoerde onderzoek samengevat.

17

Tabel 3. Samenvatting van het uitgevoerde vleermuisonderzoek

Ronde 1

Datum 20 juni 2020

Ronde 2

07 juli 2020

Ronde 3

14 september 2020 27 september 2020

Ronde 4

Tijd 21:30 24:00 03:20 05:20 19:50 21:50 19:15 21:15

Weer Onbewolkt, droog, 17°C, wind NW 1 Onbewolkt, droog, 11°C, wind NW1 Onbewolkt, droog, 20°C, wind NO 1-2 Bewolkt, droog, 13°C, wind NO 1

4.4.2 Resultaten

In de te vervangen gebouwen zijn twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen (zie figuur 12). Beide verblijfplaatsen zijn in gebruik als zomer- en paarverblijfplaats. De woonboerderij is door de huidige staat, zeer open en niet meer verwarmd, niet meer geschikt voor een functie als winterverblijfplaats. Een derde verblijfplaats (een zomerverblijfplaats) op het terrein bevindt zich in één van de als tijdelijke voorziening geplaatste kasten op het terrein.

Figuur 12. Locaties van vastgestelde verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied

18

5. Effectbeoordeling en maatregelen kerkuil 5.1 Effectbeoordeling kerkuil zonder maatregelen In de grote ruimte van de woonboerderij is een bezette nestplaats van kerkuil aanwezig. Kerkuil is een soort waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn. Met de beoogde werkzaamheden aan alle bebouwing wordt een jaarrond beschermde nestplaats vernietigd. Kerkuil is een gebouwbewonende soort. Nieuwbouw is zonder aanvullende voorzieningen dusdanig afgedicht, dat er geen ruimte meer is voor een nieuwe nestplaats. Hiermee zou er zonder aanvullende maatregelen sprake zijn van een permanent verlies van een nestplaats van kerkuil. Kerkuil is een soort die tot laat in het seizoen tot broeden komt en indien hier geen rekening mee wordt gehouden zouden door de sloop ook jonge vogels of eieren kunnen worden beschadigd.

5.2 Mitigatieplan kerkuil 5.2.1 Tijdelijke voorzieningen

Op vier februari 2020 is in het kleine schuurtje een speciale kast voor kerkuilen geplaatst (zie figuur 12). Deze is gemaakt door de lokale kerkuilenwerkgroep. Dit schuurtje kan in de eerste fase van het project gehandhaafd blijven. Deze kast kan daardoor dienen als tijdelijke voorziening. Er is één broedseizoen beschikbaar als gewenningstijd voor de kerkuilen. De staat van het schuurtje maakt het wel noodzakelijk om deze op termijn alsnog te slopen. Tegen die tijd zal echter de permanente voorziening geplaatst zijn (zie 5.2.3).

Figuur 12. Op 4 februari geplaatste kerkuilenkast welke reeds was voorzien van bodembedekking om de kast aantrekkelijker te maken om in gebruik te nemen

19

5.2.2 Ongeschikt maken bebouwing

1. Ten aanzien van kerkuil wordt met de sloop van de woonboerderij en de grote schuur gewacht tot na het broedseizoen. Het bepalen van een broedgeval geschiedt op basis van controle door een deskundige op gebied van kerkuilen 2. Gezien de staat van het gebouw is deze niet ontoegankelijk te maken voor kerkuil. 3. Buiten het broedseizoen worden eventueel aanwezige vogels verjaagd met menselijke aanwezigheid, geluiden en bewegingen. Er wordt gebruik gemaakt van strippend slopen. 4. Het kleine schuurtje waar de kast voor kerkuil is geplaatst wordt pas gesloopt / verbouwd na oplevering van de nieuwbouw hoofdgebouw met kerkuilenvoorziening. Indien de nieuwbouw wordt opgeleverd vlak voor of tijdens het broedseizoen van kerkuil, dan wordt het lopende broedseizoen nog gewacht met de sloop zodat de vogels de kans hebben om de permanente nestgelegenheid te ontdekken 5. Voorafgaand aan de sloop van het kleine schuurtje, wordt de kast als deze niet meer gebruikt afgesloten. Tevens worden eventuele aanwezige vogels verjaagd met menselijke aanwezigheid, geluiden en bewegingen. 5.2.3 Permanente voorziening kerkuil in de nieuwbouw

In het hoofdgebouw wordt op de zolderverdieping een permanente nestplaats voor kerkuil gerealiseerd. De invliegopening dient zich te bevinden in de nok van het dak aan de veldzijde (zuid oost zijde), zie figuur 14. Deze wordt gerealiseerd conform ontwerp van de Kerkuilenwerkgroep (zie figuur 15a). Het ontwerp is eerder succesvol toegepast (zie figuur 15b). De minimale maatvoering van de nestvoorziening is als volgt:

60 cm 60 cm

120 cm

Figuur 13. Minimale maatvoering van de kerkuilenvoorziening in de permanente situatie

20

Figuur 14. Locatie van de invliegopening naar de nestplaats van kerkuil aan de veldzijde (zuidoosten)

Figuur 15 a en b. Succesvol gebruikte nestlocatie op basis van een ontwerp van de Kerkuilenwerkgroep

21

5.3 Effectbeoordeling kerkuil met maatregelen 5.3.1 Effect beoordeling

In het zuidelijke schuurtje is in februari 2020 een (tijdelijke) kerkuilenkast geplaatst. De dieren hebben een broedseizoen gewenningstijd om de kast in gebruik te nemen. Aangezien er in deze schuur de nodige sporen van gebruik door kerkuil aanwezig zijn, wordt deze schuur ook regelmatig bezocht door het broedpaar. De aanwezigheid van de kast is voor de vogels dus een geheel broedseizoen bekend. Pas na het broedseizoen 2020 wordt de bebouwing gesloopt. In de nieuwbouw op de bestaande fundering wordt vervolgens een permanente voorziening ingebouwd. Dit betreft een nestruimte op de zolder. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van een constructie die succesvol is gebruikt door meerdere paartjes kerkuilen (mondelinge mededeling dhr. Veenstra, zie ook figuur 15). Hierdoor blijft de locatie duurzaam geschikt voor de soort. De nestlocatie zal een uitvliegopening kennen die aan de veldzijde komt, zodat jonge kerkuilen niet direct op de weg komen. Aangezien een nestconstructie wordt gerealiseerd die bewezen effectief is en in directe samenwerking met de Kerkuilenwerkgroep, is de nieuwe locatie kwalitatief minimaal vergelijkbaar aan de bestaande situatie. Vanwege de staat van de bebouwing is de nieuwe locatie duurzamer dan de bestaande situatie voor de soort.

Vanwege het handhaven van het zuidelijke schuurtje en de aanwezige nestkast hierin, zal het bestaande broedpaar zich duurzaam kunnen handhaven in het bestaande territorium. Doordat de vogels ook dit schuurtje bezoeken, is de kast ook daadwerkelijk voor de vogels bekend. 5.3.2 Beoordeling staat van instandhouding

Kerkuil kent een vrij brede verspreiding in Nederland, waarbij Fryslân bekend staat als een van de meer kerkuil rijke provincies van Nederland (zie figuur 16). Dit komt ook vanwege de actieve inzet van de Kerkuilenwerkgroep in de provincie. Er zijn veel vrijwilligers en kasten aanwezig. De staat van instandhouding van de soort wordt beoordeeld als gunstig (zie figuur 17a) en ook de populatie neemt toe (zie figuur 17b). De Kerkuilenwerkgroep is betrokken bij het plaatsen van de kerkuilenkast. Aangezien deze zich bevindt op het bestaande erf en ook de vogels dit schuurtje regelmatig bezoeken, zullen zij deze kast snel in gebruik kunnen nemen. Dan is er geen sprake van een tijdelijk of permanent effect en dus ook geen effect op de staat van instandhouding. Dit is het meest waarschijnlijke scenario. In een worst case scenario zou het bestaande broedpaar toch het territorium verlaten. In 2019 was er sprake van een zeer goed muizenjaar en zijn veel jonge uilen uitgevlogen. Zelfs in het uiterste geval dat het huidige paar het territorium zou verlaten, is het waarschijnlijk dat het territorium door de grote aanwas uit 2019 snel weer bezet zal raken. Het jaar 2019 heeft immers gezorgd voor een boost van de populatie. Bovendien bevindt de locatie zich direct aangrenzend aan optimaal foerageergebied en betreft het een zeer interessant territorium.

Tijdelijk verlies van een nestplaats is hiermee op dit moment in de tijd en in deze regio niet van invloed op de Staat van Instandhouding. Zonder ingreep zou de locatie bovendien binnen niet al te lange tijd ook in onbruik geraakt zijn, maar zou dit een permanent effect betreffen.

22

Figuur 16. Verspreiding van kerkuil in Nederland (gegevens SOVON)

Figuur 17a en b. Beoordeling van de Staat van Instandhouding (links) van de soort en de aantalsontwikkeling (rechts) (allebei gegevens SOVON)

23

6. Effectbeoordeling en maatregelen vleermuizen 6.1 Effectbeoordeling vleermuizen zonder maatregelen In het hoofdgebouw bevinden zich twee zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis. Met de gedeeltelijke sloop / verbouw gaan zonder aanvullende maatregelen de verblijfplaatsen verloren. Dit betreft een permanent effect.

6.2 Mitigatieplan vleermuizen 6.2.1 Tijdelijke voorzieningen

Als preventieve maatregel zijn op vier februari 2020 totaal 8 vleermuiskasten verspreid over de locatie geplaatst. Deze zijn geplaatst op diverse windrichtingen. Twee kasten zijn geplaatst aan / in het te handhaven zuidelijke schuurtje. De overige 6 kasten zijn geplaatst verspreid aan bomen op het terrein. Figuur 18 geeft enkele voorbeelden van de geplaatste kasten. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebleken dat tenminste één van deze kasten (figuur 18 midden) al in juni in gebruik was door een dwergvleermuis.

Figuur 18. Voorbeelden van de 8 geplaatste vleermuiskasten op het terrein

6.2.2 Ongeschikt maken bebouwing

1. Alle af te sluiten potentiële verblijfplaatsen worden onder ecologische begeleiding ontoegankelijk worden gemaakt door het plaatsen van exclosure flaps i.c.m. met afdichtingsmaterialen. 2. Gezien de staat van de gebouwen zijn deze naar verwachting niet volledig ontoegankelijk te maken voor vleermuizen. 3. Er wordt daarom aanvullend gebruik gemaakt van strippend slopen, om eventueel aanwezige vleermuizen te verjagen. Onder strippend slopen wordt verstaan dat eerst dakranden en een deel van de dakpannen verwijderd worden alvorens enkele dagen later te starten met grootschaliger werkzaamheden.

24

6.2.3 Permanente voorziening vleermuizen in de nieuwbouw

In de nieuwbouw / verbouw worden acht nieuwe verblijfplaatsen voor vleermuizen gerealiseerd (zie figuur 19 en 20). Deze voorzieningen zijn als volgt samengesteld: 1. Nieuwbouw schoorsteen: op oost, zuid en west zijde wordt één inbouw vleermuisvoorziening geplaatst 2. Uilenbord (4x): achter de overige uilenborden (uitgezonderd die wordt gebruikt voor kerkuil) worden spleetvormige voorzieningen voor vleermuizen gerealiseerd. Hiervan zijn er twee gericht op het oosten en twee op het westen 3. Op het kleine bijgebouw aan de veldzijde wordt een externe houtbetonnen vleermuiskast geplaatst (type VMPM1 van Faunaprojecten.nl).

Figuur 19. Te realiseren permanente voorzieningen (veldzijde) voor vleermuizen; in geel aan te passen nieuwbouw schoorsteen, in rood drie voorzieningen achter ulenbord, groen externe platte vleermuiskast

25

Figuur 20. Te realiseren permanente voorzieningen (wegzijde) voor vleermuizen; in geel aan te passen nieuwbouw schoorsteen, in rood drie voorzieningen achter ulenbord, groen externe platte vleermuiskast

6.3 Effectbeoordeling vleermuizen met maatregelen 6.3.1 Effect beoordeling

Tijdens een veldbezoek in juni was één van de aangebrachte tijdelijke kasten reeds in gebruik genomen door dwergvleermuis. Aangezien tijdens het vleermuisonderzoek op het terrein enkel gewone dwergvleermuis is waargenomen, betrof dit vermoedelijk een gewone dwergvleermuis. Dit houdt in dat één van de exemplaren op de terrein de kasten al ontdekt heeft. De tijdelijke kasten hebben één geheel vliegseizoen op het terrein gehangen, waardoor alle op het terrein aanwezige vleermuizen ruim de tijd hebben gehad de kasten te ontdekken. Desondanks is een tijdelijke verstoring niet uit te sluiten. De permanente voorzieningen betreffen vrijwel allemaal constructieve aanpassingen, waardoor deze naar verwachting van hoogwaardige kwaliteit zullen zijn voor vleermuizen. Een permanent effect kan om die reden worden uitgesloten. 6.3.2 Beoordeling staat van instandhouding

Gewone dwergvleermuis kent in Nederland een brede verspreiding, zie figuur 21. Het is de meest wijdverbreide en algemeen voorkomende vleermuissoort die in Nederland voorkomt. Studie naar de populaties van vleermuizen vindt al jarenlang plaats door het uitvoeren van zoldertellingen en wintertellingen. Voor een soort als gewone dwergvleermuis waren dit geen geschikte methoden. Er is daarom een netwerk genaamd VleerMUS opgestart, in 2012, waarmee voor deze soorten gegevens worden verzameld. Inmiddels worden voor gewone dwergvleermuis hier trends mee berekend. Gezien het korte bestaan van VleerMUS, dienen deze trends echter nog met enige voorzichtigheid te worden behandeld. Uit de eerste trends zou de populatie van gewone dwergvleermuis toenemen, zie figuur 22. De populatie in Nederland wordt geschat op ca. 300.000 – 600.000 volwassen dieren.

26

Figuur 21. Verspreiding van gewone in Nederland

Figuur 22: Aantalsontwikkeling van vleermuizen o.b.v. methodiek NEM-VTT (ook VleerMUS genoemd) in Nederland (2013 – 2016), twee modellen links zogenaamde TRIM-model, rechts voor het N-mixture model; bron Zoogdiervereniging. Rode lijn gewone dwergvleermuis.

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Volgens de Habitatrichtlijn dienen soorten in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te worden gebracht of gehouden. Dit kan alleen als er sprake is van een stabiele of positieve trend én de waarde zich boven de gunstige referentiewaarde bevindt. Deze waarde is ten minste gelijk aan de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (in Nederland in 1994). Deze waarden zijn terug te vinden in tabel 4. Ingrepen mogen geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding. Uit de Habitatrichtlijn kan worden afgeleid dat de effecten van een ingreep hierbij en wellicht zelfs bij voorkeur op het schaalniveau van de populatie worden beoordeeld. Bij vleermuizen gaat het hierbij in het algemeen om netwerkpopulaties binnen een biogeografische regio. In tabel 2 is aangegeven wat voor Nederland de gunstige referentiewaarden zijn voor de populatie en of er wel of niet sprake is van één populatie (of gescheiden netwerkpopulaties). De staat van instandhouding van zowel gewone als ruige dwergvleermuis is beoordeeld als gunstig.

27

Tabel 4. Gehanteerde waarden voor vleermuizen bij de beoordeling van de staat van instandhouding

Soort

Gewone dwergvleermuis

Referentiewaarde ‘Verspreiding’ (FRR) Heel NL

Referentiewaarde ‘Populatie’ (FRP) 300.000

SvI beoordeling* o.b.v. factoren Verspreiding en Populatie gunstig

* Beoordeling landelijke SvI. Kennis van lokale of netwerkpopulaties ontbreekt

Gewone dwergvleermuis is een algemeen voorkomende soort. Hoewel op het terrein tijdelijke voorzieningen zijn aangebracht, is het niet uit te sluiten dat er een tijdelijk effect op de aanwezige verblijfplaats optreedt. Het effect is minimaal, want aangezien de locatie niet geschikt is als winterverblijfplaats, zou een aanwezig individu in het najaar de locatie toch ook verlaten en verblijfplaatsen in de omgeving moeten benutten. In de nieuwbouw komen constructieve permanente voorzieningen. Aangezien de locatie aan een vliegroute gelegen is (langs de doorgaande weg) en dieren frequent foerageren in de tuin, zullen de permanente voorzieningen naar verwachting redelijk snel in gebruik worden genomen. Op de langere termijn zal de locatie weer duurzaam geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Een effect op de Staat van Instandhouding van gewone dwergvleermuis kan om die reden worden uitgesloten.

28

7 Voorzieningen steenuil – ecologische plus Als preventieve maatregel zijn op vier februari 2020 twee steenuilenkasten op de locatie geplaatst. De kasten zijn geplaatst in overleg met de lokale uilenwerkgroep. Beide betreffen een steenmarterproof type kast (zie figuur 23). Eén kast is geplaatst in de boomgaard, de andere kast aan de rij bomen (zie figuur 24). Hoewel tijdens het onderzoek is gebleken dat er geen steenuil aanwezig is op de locatie, kunnen deze kasten op de locatie aanwezig blijven. De locatie vormt optimaal leefgebied voor steenuil. De locatie biedt perspectief op vestiging van steenuil op de locatie.

Figuur 23. Op de projectlocatie zijn in februari 2020 twee steenmarterproof type steenuilenkasten geplaatst

29

Figuur 24. Beide geplaatste steenuilenkasten op de projectlocatie

30

8. Belang en alternatieven 8.1 Onderbouwing belang Kerkuil valt onder paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming. Dit betreft soorten van de Vogelrichtlijn. Kerkuil is een soort waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn. Een ontheffing (of een vrijstelling) kan uitsluitend worden verleend wanneer er sprake is van een in de wet genoemd belang. Voor kerkuil (soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn) gelden bij ruimtelijke ingrepen, de volgende belangen: 1. In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 3. In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; Aangezien het belang de veiligheid van het luchtverkeer hier niet aan de orde zijn, wordt voor kerkuil ontheffing aangevraagd op basis van het belang: “volksgezondheid of openbare veiligheid” en “bescherming flora en fauna”. Gewone dwergvleermuis vallen onder paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming.

Dit betreft “de Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt.” Een ontheffing (of een vrijstelling) kan uitsluitend worden verleend wanneer er sprake is van een in de wet genoemd belang. Voor gewone en ruige dwergvleermuis (soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn bijlage IV) gelden bij ruimtelijke ingrepen, de volgende belangen: 1. In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Aangezien het belang bescherming van wilde flora en fauna hier niet aan de orde is, wordt voor vleermuizen ontheffing aangevraagd op basis van het belang: “volksgezondheid of openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”.

Volksgezondheid of openbare veiligheid Doordat de huidige bewoners niet in staat zijn geweest de onderhoudskosten voor de gebouwen op te brengen, kent de locatie achterstallig onderhoud. Het kleine schuurtje is, doordat hier af en toe dakpannen afwaaien, al onveilig te noemen. Door de in de loop van jaren ontstane situatie, is de locatie weinig aantrekkelijk voor verkoop. Zonder de beoogde herontwikkeling van de locatie, dreigt dan ook leegstand. Met leegstand dreigt ook verder verval. Hiermee ontstaat op de langere termijn op het terrein een onveilige situatie. De sloop is noodzakelijk om de gevaarlijke situatie teniet te doen en te voorkomen en dus uit het oogpunt van openbare veiligheid. Bescherming flora en fauna Kerkuil is een gebouwbewonende vogelsoort. Hiermee is de soort afhankelijk van de ‘ruimte’’ die de mens biedt om de soort te huisvesten. Zowel de woonboerderij als het 31

bijgebouw beschikken over een uilenbord, waardoor deze gebouwen ooit al zijn gebouwd met de optie dat uilen ze gingen gebruiken als nestplaats. De ontstane situatie is ook voor kerkuil niet duurzaam. Op korte termijn zijn de gebouwen juist extra goed toegankelijk voor de uilen. Echter met verder verval zouden er op de lange termijn ook geen geschikte nestruimten meer beschikbaar zijn. Hierdoor is er geen sprake meer van een duurzame situatie voor de kerkuil. Het opnieuw ontwikkelen van de locatie met hierin een geïntegreerde voorziening voor kerkuil is daarom ook voor kerkuil noodzakelijk voor een duurzaam behoud op de locatie. Hiermee kan de ontwikkeling ook gezien worden als een bijdrage in het duurzaam behouden van een nestlocatie van kerkuil.

8.2 Afgewogen alternatieven Het meest voor de hand liggende alternatief is niks doen. Op de korte termijn is dit voor de aanwezige natuurwaarden voordeliger, omdat de aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen behouden kunnen blijven. Gezien de staat van de bebouwing is dit echter voor de langere termijn niet positief omdat de aanwezige gebouwen op het terrein uiteindelijk verder in verval raken en hiermee ook ongeschikt worden voor de soort (eventueel zullen instorten). Zelfs voor de aanwezige soorten is dit scenario op de lange termijn een nadeel. Kerkuil heeft namelijk een donkere, beschutte en voor de soort veilige nestplek nodig. De staat waarin met name de woonboerderij nu verkeert, voldoet hier nog wel aan, maar binnen enkele jaren zeker niet meer. Vleermuizen prefereren tochtvrije ruimten De beoogde ontwikkelaar heeft een plan dat haalbaar is. Weliswaar moet de kerkuil hiervoor tweemaal van nestplaats wisselen, maar dit is binnen de bestaande locatie. Vanwege de aanwezige sporen van kerkuil in het kleine schuurtje met de kast, is de kast reeds ontdekt. De vogels geven op dit moment echter nog de voorkeur aan de ‘natuurlijke’ nestplaats. Hoewel niet volledig is uit te sluiten, dat de vogels deze nestplaats niet in gebruik willen nemen, is het waarschijnlijker dat ze deze kast wel zullen benutten als de bestaande nestplaats vervalt.

In de eerste nieuwbouw worden de nieuwe permanente voorzieningen gerealiseerd. Zou het plan afketsen dan is er geen alternatief, raakt de locatie in verder verval en ontstaat er discussie over de ontwikkeling van het terrein. Het is twijfelachtig of er dan voorzieningen terugkomen en dat zal dan nog meerdere jaren op zich laten wachten. Hiermee is dit scenario ‘niks doen’ mogelijk op de korte termijn wel beter, maar zeker niet op de lange termijn. Dat terwijl de nestlocatie grenst aan een zeer interessant leefgebied. Voor vleermuizen zijn er tijdelijke kasten opgehangen waarvoor de vleermuizen één volledig vliegseizoen de tijd hebben gehad ze te ontdekken. Ze zijn geplaatst binnen bestaande foerageergebied van de soort, de tuin is namelijk zeer aantrekkelijk om te foerageren en dit gebruik is tijdens het onderzoek ook vastgesteld. Het voorliggende scenario is gedeeltelijke sloop / verbouw. Voor de kerkuilen is de huidige opzet, met een geplaatste kast in het kleine schuurtje die dienst kan doen als tijdelijke nestplaats dan ook het meest optimale scenario. Deze kast is reeds ontdekt, alleen nog niet in gebruik genomen. De bestaande nestplaats is immers ook nog beschikbaar en kerkuilen zijn sterk gebonden aan de nestplaats wat dit kan verklaren. De permanente voorziening is groter dan een kerkuilen kast, waardoor de jongen kans hebben om o.a.

vleugeloefeningen te doen in de nestruimte. Doordat de invliegopening aan de veldzijde komt, is er geen risico dat de vogels direct op de doorgaande weg komen. Er is sprake van een hoogwaardig territorium met volop voedsel in het direct aangrenzende externe en kleinschalige landschap. De uilen zullen 32

naar verwachting op het terrein aanwezig blijven en tijdelijk in het kleine bijgebouw kunnen verblijven. Met de tijdelijke en permanente voorzieningen zoals opgenomen in voorliggende Activiteitenplan kan kerkuil de locatie duurzaam blijven gebruiken. Voor de uitvoering van de werkzaamheden inclusief de beoogde mitigerende en compenserende maatregelen zijn daarom geen haalbare en realistische alternatieven beschikbaar. Voor vleermuizen is er, ondanks dat één van de kasten al in gebruik was genomen, allicht sprake van een tijdelijke achteruitgang. Echter vleermuizen leven in een netwerk van verblijfplaatsen. Zij zouden tijdelijk hiernaar kunnen uitwijken. In de nieuwbouw komen constructieve aanpassingen terug, wat deze zeer duurzaam en hoogkwalitatief maakt. Voor de langere termijn is de situatie hiermee minimaal vergelijkbaar en zoniet beter als de bestaande situatie.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=03f72d58-87e6-456a-b737-6dcc9ca8a6d5