CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

2e herziening Oude- en Nieuwehorne - De Fjilden

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘2e partiële herziening bestemmingsplan Oude- en Nieuwehorne- De Fjilden’ en beeldkwaliteitsplan De Fjilden Nieuwehorne24.093 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

blad 3 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.

Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het project-voornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.

1.4

Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Er wordt in deze QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en overige provinciaal beschermde gebieden). Het plangebied ligt binnen de door de gemeente Heerenveen vastgestelde Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Hierdoor zijn de voorwaarden van de Wet natuurbescherming, onderdeel Houtopstand, niet van toepassing. Echter is het bij het plegen van woningbouw noodzakelijk om een AERIUS-berekening te laten uitvoeren ten aanzien van de gebiedsbescherming. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname.

Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt,

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 4 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.

1.5

Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online- en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Jessica Hovius van JM ecologie b.v. op 16 april 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 08:30 tot 09:30 uur, bij 6⁰C en 2 Bft, op een zonnige en droge dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 5 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

2

Beschrijving locatie en ingreep

2.1

Locatie Het plangebied is gelegen aan de oostkant van het dorp Nieuwehorne en ten westen van het dorp Oudehorne in de gemeente Heerenveen, provincie Friesland. De omgeving wordt gekenmerkt door bebouwing met woonfunctie, bomenlanen, graspercelen en particuliere tuinen. De locatie bestaat uit een voormalig trainingsveld van het oude sportcomplex van Oude- en Nieuwehorne. Aan de randen van het plangebied staan bomensingels die voornamelijk bestaat uit eikenbomen. Langs de oostzijde is een wandelpad gelegen, achter dit wandelpad ligt een half droogstaande greppel en nog een voormalig sportveld waar tijdelijke natuur gerealiseerd wordt. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Heerenveen en wordt minimaal onderhouden.

Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rood kader) (Bron achtergrond: Esri).

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 6 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

2.2

Afbeelding 2.2. Wandelpad oostzijde plangebied.

Afbeelding 2.3. Westzijde plangebied.

Afbeelding 2.4. Noordoostelijke hoek plangebied.

Afbeelding 2.5. Half droogstaande greppel oostzijde plangebied.

Ingreep Het plan is om 20 nieuwe woningen en een huisartsenprakrijk te realiseren (afbeelding 2.6). Ten behoeve van de werkzaamheden zal de grond in september 2021 bouwrijp gemaakt worden. Er zullen 4 bomen worden verwijderd (afbeelding 2.7). De eerste woningen zullen op zijn vroegst in december 2021 gebouwd gaan worden.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 7 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Afbeelding 2.6. Tekening nieuwe situatie (Bron: gemeente Heerenveen).

Afbeelding 2.7. De te kappen bomen zijn rood omcirkeld (Bron: gemeente Heerenveen).

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 8 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

3

Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.

3.1

Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.

Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied. In de bomen, struiken, grasveld en greppel binnen de verstoringszone zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel zijn de huizen in de omgeving van het plangebied geschikt als broedplek voor huismus en gierzwaluw. Consequenties van de ingreep op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw staan beschreven in paragraaf 4.2. Algemene broedvogels Er is binnen het plangebied geschikt habitat aanwezig voor diverse soorten algemene broedvogels. In de oevervegetatie van de greppel langs de oostzijde van het plangebied kunnen soorten als wilde eend, meerkoet en waterhoen tot broeden komen. In de bomen en struiken kunnen soorten als houtduif, merel, koolmees, en vink tot broeden komen en in het grasveld kunnen grondbroeders als de scholekster tot broeden komen. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen rondom het plangebied meerdere nestkasten voor vogels waargenomen (afbeelding 3.1). Tevens is een nest van een houtduif in een boom in de zuidwestelijke hoek van het plangebied gevonden (afbeelding 3.2).

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 9 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Afbeelding 3.1. Nestkasten aan bomenlaan.

Afbeelding 3.2. Houtduifnest in boom zuidwestelijke hoek.

Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.

3.2

Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.

Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven De bomenlanen gelegen rondom het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holtes; deze zijn niet aangetroffen. Wel hangt er in de noordoosthoek van het plangebied een kleine vleermuiskast aan een boom.

Echter is deze ongeschikt geworden voor vleermuizen doordat er een specht gaten in heeft gemaakt waardoor er wind en licht naar binnen kan. De aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende soorten kan hiermee uitgesloten worden. Wel is een deel van de bebouwing in de

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 10 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

omgeving geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten. Zo is in een huis aan de westzijde van het plangebied een inbouwsteen voor vleermuizen aangetroffen. De aanwezigheid van gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger kan hierdoor niet worden uitgesloten.

Afbeelding 3.3. Inbouwsteen voor vleermuizen, westzijde plangebied.

Vliegroutes Rondom het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bomenlanen. Er is echter voldoende alternatief aanwezig voor deze potentiële vliegroute, in de vorm van andere bomenlanen en de aanwezige bebouwing in de directe omgeving. Deze potentiële vliegroute wordt daarom niet als essentieel aangemerkt. Foerageergebied De omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd. Consequenties van de ingreep op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen staan beschreven in paragraaf 4.2.

3.3

Overige zoogdieren In de omgeving van het plangebied komen diverse beschermde, niet vrijgestelde zoogdiersoorten voor, zoals de boommarter, damhert, das, eekhoorn en otter (NDFF, z.d.). Door het gebrek aan geschikte wateren kan de otter op voorhand worden uitgesloten. Boommarter De boommarter leeft, zoals de naam al aangeeft, bij voorkeur in bossen. Rustplaatsen van boommarters kunnen boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen (Zoogdiervereniging, z.d.). Op ruim twee kilometer afstand is één waarneming bekend van een (dode) boommarter. Gezien de afstand van deze waarneming tot het plangebied, en door het gebrek aan voldoende rustige schuilmogelijkheden en door verstoring van mensen, kunnen verblijfplaatsen van boommarters in het plangebied worden uitgesloten. Damhert Het damhert leeft bij voorkeur in loofbossen en gemengde bossen met een dichte ondergroei en voldoende grassen, maar ook in naaldbossen en randzones bij gras- en akkerlanden. Het damhert maakt geen gebruik van vaste verblijfplaatsen (Zoogdiervereniging z.d.). De dichtstbijzijnde waarneming van een damhert ligt op ongeveer één kilometer afstand richting het westen. Het plangebied vormt geen

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 11 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

geschikt leefgebied voor het darmhert, doordat er teveel verstoring is van mensen door omliggende woonwijken. Het plangebied vormt daarmee geen essentieel leefgebied voor het damhert. Das De das leeft bij voorkeur in kleinschalige landschappen met een afwisseling tussen open akkers en weides en voldoende dekking in de vorm van bosschages, houtwallen en heggen. Daarnaast kunnen meer natuurlijke terreinen zoals heidegebieden en rivierdalen functioneren als habitat voor de das. Belangrijk is daarbij dat er een goed vergraafbare bodem aanwezig is met een grondwaterstand van ten minste 1,5 meter onder het maaiveld. Dassen leven in familieverband in zogenaamde burchten, een stelsel van holen en gangen. Burchten bevinden zich op beschutte plaatsen zoals bosranden en houtwallen en houden niet van verstoring (Zoogdiervereniging, z.d.). Het plangebied voldoet niet aan deze eisen van het leefgebied van de das doordat er teveel verstoring is van mensen door omliggende woonwijken. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen sporen/burchten van de das waargenomen in en binnen de verstoringszone van het plangebied. Het plangebied vormt daarmee geen essentieel leefgebied voor de das. Eekhoorn Eekhoorns leven met name in bossen, maar ook in parken, tuinen en houtwallen in de buurt van bossen. De eekhoorn maakt nesten in bomen of gebruikt boomholtes als verblijfplaats (Zoogdiervereniging, z.d.).

Er zijn in en binnen de verstoringszone van het projectgebied geen nesten van de eekhoorn of geschikte holtes in bomen aangetroffen. Mogelijk wordt een deel van het gebied gebruikt als foerageergebied. Vanwege de kleine omvang hiervan en de aanwezigheid van voldoende even geschikt foerageergebied in de omgeving, is er echter geen sprake van een essentieel foerageergebied.

3.4

Libellen Uit de bureaustudie komt naar voren dat er drie beschermde libellensoorten voorkomen in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied. Dit zijn de gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker en de noordse winterjuffer. Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel leeft in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (Vlinderstichting, z.d.). Er zijn enkele waarnemingen bekend van de gevlekte witsnuitlibel op ongeveer circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied (NDFF, z.d.). Door het ontbreken van geschikt leefgebied kan de aanwezigheid van de gevlekte witsnuitlibel in en binnen de verstoringszone van het plangebied uitgesloten worden. Groene glazenmaker De groene glazenmaker heeft als eis aan de leefomgeving dat er krabbenscheervelden aanwezig zijn (Vlinderstichting, z.d.). In het plangebied is geen krabbenscheer waargenomen. Hierdoor kan de aanwezigheid van de groene glazenmaker uitgesloten worden. Noordse winterjuffer Op een afstand van circa twee kilometer van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van de noordse winterjuffer (NDFF, z.d.). Deze soort heeft stilstaande wateren als eis aan het habitat (Vlinderstichting, z.d.). In het plangebied zijn geen stilstaand wateren aanwezig. De aanwezigheid van de Noordse winterjuffer in het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.

3.5

Reptielen Uit de bureaustudie komt naar voren dat er drie beschermde reptielensoorten voorkomen in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied. Dit zijn de adder, levendbarende hagedis en de ringslang.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 12 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Adder In de wijde omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van de adder. De dichtstbijzijnde waarneming ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer van het plangebied, richting het oosten (NDFF, z.d.). Adders komen in Nederland voor op de hogere zandgronden. In de winter worden konijnenholen of holten tussen wortels van bomen gebruikt als winterverblijfplaats. Meestal zijn deze verblijfplaatsen gelegen op zuidhellingen die begroeid zijn met dichte, ondoordringbare vegetatie zoals bramenstruiken. Dit is gunstig in het voorjaar, omdat de adder dan op een veilige beschutte plek kunnen opwarmen in de zon. In de zomermaanden zijn adders erg actief en zijn maar kort op de favoriete zonplekken te vinden (RAVON, z.d.). In en binnen de verstoringszone ontbreekt geschikt leefgebied voor adders door het ontbreken van dicht begroeide zuidhellingen en rustplaatsen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen en essentieel leefgebied voor de adder in en binnen de verstoringszone van het plangebied kan hierdoor uitgesloten worden. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis prefereert heide en hoogveen als leefgebied. Daarnaast komt de soort voor in open bossen en ruige graslanden, en een beperkt deel in duingebied. Het is een vochtminnende soort die in voorgenoemde leefgebieden voorkomt op oevers en vochtigere delen (RAVON, z.d.).

Er zijn meerdere waarnemingen van de levendbarende hagedis richting het oosten vanaf het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming ligt op circa 800 meter afstand van het plangebied. Het plangebied voldoet niet aan de bovengenoemde eisen die de levendbarende hagedis aan het leefgebied stelt. De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de levendbarende hagedis is daarmee uitgesloten. Ringslang De ringslang is gebonden aan waterrijke leefgebieden die veelal op zandgronden en op de overgang van zandgrond naar veen- en kleigronden (RAVON, z.d.). Op circa 300 meter van het plangebied zijn twee dode ringslangen aangetroffen. De dichtstbijzijnde waarneming van een levende ringslang ligt op circa 800 meter van het plangebied. Rond het plangebied zijn geen geschikte wateren aanwezig die voldoen aan de eisen van de ringslang. De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de ringslang kan daarmee uitgesloten worden.

3.6

Overige fauna Overige beschermde diersoorten zoals amfibieën, dagvlinders, vissen, kreeftachtigen en weekdieren zijn niet bekend in de omgeving van het plangebied en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.

3.7

Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 13 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

4

Effecten en gevolgen

4.1

Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Soortgroep Jaarrond beschermde broedvogels

Soort(en) Huismus en gierzwaluw

Algemene broedvogels Diverse soorten Vleermuizen

Diverse gebouwbewonende vleermuizen (verblijfplaatsen)

Bescherming

Aanwezig

3.1

Waarschijnlijk

3.1

Potentieel

3.5

Waarschijnlijk

Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden.

4.2

Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Jaarrond beschermde broedvogels In de woonhuizen langs het plangebied broeden mogelijk huismussen en gierzwaluwen. Het verwijderen, ontoegankelijk maken of verstoren van dergelijke nestplaatsen is in strijd met de Wet natuurbescherming. Gezien de afstand en tijdelijke aard van de werkzaamheden, wordt een verstorend effect van de werkzaamheden op potentieel aanwezige huismus- en/of gierzwaluwnesten echter uitgesloten. Deze soorten zijn in hoge mate aangepast aan menselijke omstandigheden en bijbehorende verstoring. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van de huismus en gierzwaluw. Algemene broedvogels In het plangebied en binnen de verstoringszone hiervan kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, kan verstoring optreden. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 14 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Vleermuizen Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen gebouwen gesloopt of aangepast, waarin mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Wel kan er, indien ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode voor vleermuizen (circa 15 april t/m 15 oktober), lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen in de bebouwing nabij het plangebied. Een dergelijk effect is in strijd met de verbodsbepalingen in de Wet Natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 15 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

5

Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Soortgroep

Soort(en)

Bescherming

Aanwezig

Vervolgactie

Algemene broedvogels

Diverse soorten

3.1

Mogelijk

Mitigatie

Vleermuizen

Diverse gebouwbewonende soorten (verblijfplaatsen)

3.5

Mogelijk

Mitigatie

Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is.

5.1

Algemene broedvogels; mitigatie Algemene broedvogels Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. De voorkeur verdient om werkzaamheden altijd uit te voeren buiten het vogelbroedseizoen om negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten te voorkomen. Aangezien de opdrachtgever voornemens is om in september te starten met de werkzaamheden, vallen de werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels.

Wanneer in september gestart wordt met het bouwrijp maken van de grond, en vóór het vogelbroedseizoen van 2022 de 4 bomen zijn verwijderd en wordt gestart met het bouwen van de woningen, is er wat algemene broedvogels betreft, geen belemmering meer ten aanzien van de Wet Natuurbescherming.

5.2

Vleermuizen; mitigatie Gebouwen in de omgeving kunnen worden gebruikt als verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuissoorten. Om effecten van lichtuitstraling te voorkomen wordt geadviseerd om de gebruikte verlichting weg te draaien van de bebouwing in de omgeving. Dit is zeker noodzakelijk in de schemer en nacht (van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonsopkomst) gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april t/m 15 oktober). Dit houdt in dat de verlichting naar beneden gericht dient te zijn op de werkzaamheden en niet naar de omgeving mag uitstralen. In onderstaande figuur is een dergelijke werkwijze schematisch weergegeven. De V in de tekening geeft weer hoe de lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk kan worden beperkt kan worden. In de situatie met een X is er sprake van significante lichtuitstraling naar de omgeving waardoor een mogelijk effect op verblijfplaatsen van

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 16 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

vleermuizen niet is uit te sluiten. Bij voorkeur wordt er bij het plaatsen van een licht gekozen voor amberkleurige verlichting. Wanneer bovenstaande werkwijze toegepast wordt zijn er wat betreft vleermuizen geen belemmeringen ten aanzien van de Wet Natuurbescherming.

Afbeelding 5.1 Voorbeeld van toepassing bouwverlichting. X= verlichting veroorzaakt uitstraling naar omgeving, V= verlichting veroorzaakt geen uitstraling richting de omgeving (Bron: JM ecologie).

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 17 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

6

Conclusie In opdracht van de gemeente Heerenveen heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan De Fjilden te Nieuwehorne, gemeente Heerenveen, provincie Friesland. De opdrachtgever is voornemens om 21 nieuwe woningen te realiseren op een voormalig sportveld. De QuickScan is uitgevoerd om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen. Uit de QuickScan is gebleken dat er hoogstwaarschijnlijk algemene broedvogels en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen voor deze soortgroepen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Lichtverstoring op verblijfplaatsen van vleermuizen dient voorkomen te worden. De voorkeur verdient om werkzaamheden altijd uit te voeren buiten het vogelbroedseizoen om negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten te voorkomen. Aangezien de opdrachtgever voornemens is om in september te starten met de werkzaamheden, vallen de werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels.

Wanneer in september gestart wordt met het bouwrijp maken van de grond, en het verwijderen van de vier bomen en in december 2021 wordt gestart met het bouwen van de woningen, is er wat algemene broedvogels betreft, geen belemmering meer ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. Wel dienen de werkzaamheden nog getoetst te worden aan de gebiedsbescherming en dient er een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden ten aanzien van de stikstofdepositie.

Gorredijk, mei 2021 JM ecologie b.v.

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 18 van 19

Gemeente Heerenveen QuickScan Nieuwehorne, De Fjilden

Geraadpleegde bronnen • • • • •

Nationale Database Flora- en Fauna (NDFF), geraadpleegd op 16 april 2021. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021. Zoogdiervereniging (z.d.). Informatiepagina soorten. Geraadpleegd van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Datum: 7 mei 2021 rapport: R21.071, versie 2.0

blad 19 van 19

Regels

99/128

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=d038b988-e3f0-4126-b8d2-bde048cd0f88