1b. Bijlage_4_-_Ecologische_quickscan (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Ecologische quickscan Schoterlandseweg 22 te Katlijk
Ecologisch onderzoek en advies
2
Colofon
Titel: Ecologische quickscan Schoterlandseweg 22 te Katlijk
Opdrachtgever: (Gorissen Ruimtelijk Advies)
Auteur:
Versie 2 - definitief
Datum: 12-12-2019
Contactgegevens: contact@doorneco.nl
3
4
Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................. 7 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................ 7 1.2 Plangebied ........................................................................................................................ 7 1.2.1 Ligging plangebied .................................................................................................... 7 1.2.2 Beschrijving plangebied ............................................................................................. 7 1.3 Methodiek ....................................................................................................................... 10 2. Natuurwetgeving en -beleid ................................................................................................. 11 2.1 Soortenbescherming ....................................................................................................... 11 2.2 Natura 2000 .................................................................................................................... 13 2.3 Houtopstanden ................................................................................................................
14 2.4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) .................................................................................. 14 3. Resultaten ecologische quickscan ........................................................................................ 16 3.1 Flora ................................................................................................................................ 16 3.2 Vogels ............................................................................................................................. 16 3.2.1 Vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen .............................................. 16 3.2.2 Overige broedvogels ................................................................................................ 17 3.3 Zoogdieren ...................................................................................................................... 17 3.3.1 Vleermuizen ............................................................................................................. 17 3.3.2 Overige zoogdiersoorten .......................................................................................... 19 3.4 Amfibieën, reptielen en vissen .......................................................................................
20 3.5 Ongewervelden ............................................................................................................... 20 4. Conclusies en vervolgstappen .............................................................................................. 21 4.1 Samenvatting resultaten .................................................................................................. 21 4.2 Conclusies en vervolgstappen ........................................................................................ 21 Bijlage 1. Beschermde soorten Wnb ........................................................................................ 24 Bijlage 2. Overzicht vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen .............................. 26 Bijlage 3. Beschermde soorten die zijn vrijgesteld door de provincie Fryslân ........................ 27
5
6
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Schoterlandseweg 22 te Katlijk ligt een woonboerderij. Op het adres woonden meerdere gezinnen. In de huidige situatie is er nog slechts sprake van bewoning op één locatie. De onderhoudskosten zijn voor hen niet langer op te brengen en daarom is er voor de locatie naar een andere invulling gezocht. Op de locatie staat de realisatie van 24 zorgappartementen gepland. Hierdoor dient de locatie grondig te worden verbouwd. Gorissen Ruimtelijk Advies verzorgt de ruimtelijke procedures voor deze ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Voorliggende ecologische quickscan biedt inzicht in de (mogelijke) aanwezigheid van onder de Wnb beschermde soorten op de locatie. Hiermee wordt bepaald of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn om de geplande werkzaamheden binnen de kaders van de Wnb uit te voeren.
1.2 Plangebied 1.2.1 Ligging plangebied
Het plangebied bestaat uit het perceel Schoterlandseweg 22 te Katlijk (provincie Fryslân). Figuur 1 geeft de begrenzing van het plangebied weer. De locatie is gelegen aan de Schoterlandseweg, de doorgaande weg van Heerenveen naar Nieuwehorne en uiteindelijk Donkerbroek. De locatie bevindt zich ongeveer 2 kilometer ten oosten van de kern van Mildam.
Figuur 1. Begrenzing van het plangebied (ondergrond: © OpenStreetMap-auteurs)
1.2.2 Beschrijving plangebied
In de huidige situatie staan er drie gebouwen op het terrein. In het verleden werd zowel aan de voorzijde als de achterzijde van de woonboerderij gewoond. Inmiddels wordt alleen de achterzijde nog bewoond. Alle gebouwen kennen achterstallig onderhoud en sommige zijn al in verval. De figuren 2 tot en met 4 geven een impressie van de planlocatie. 7
De woonboerderij betreft het grootste gebouw op het terrein (figuur 2). Tussen beide woondelen ligt een schuurgedeelte. Dit betreft een grote open ruimte. Het dak is inmiddels in verval geraakt. Rietbedekking en dakpannen zijn deels afwezig, resulterend in lekkage. In de westelijke helft van het schuurgedeelte zijn nog voormalige veeplaatsen aanwezig. De tussenwanden hier zijn mengsel van stro en klei/leem, waardoor er hier sprake is van een redelijk gebufferd gedeelte van het gebouw. Direct naast de woonboerderij staat een bijgebouw dat dienst heeft gedaan als spreekkamer (figuur 3). Ook dit bijgebouw kent een grotere ruimte tot een het dak. Het dak van dit gebouw bestaat ook uit een combinatie van dakpannen en riet. Dit gebouw verkeert nog in vrij goede staat, al zijn meerdere plekken aanwezig met weggerot hout, waardoor dieren makkelijk toegang hebben tot het gehele gebouw. Aan de zuidzijde van de woonboerderij staat een kleinere losse schuur (figuur 4). Deze is niet intern onderzocht omdat de bewoners aangaven dat deze mogelijk niet veilig te betreden is. De dakbedekking bestaat uit dakpannen, waarvan velen niet meer aanwezig zijn. In deze schuur zijn ook nog voormalige veeplaatsen aanwezig. Op het omringende erf zijn nog wat losse schuurtjes aanwezig. Het erf kent diverse grotere bomen, veelal bestaand uit beuk, berk en zomereik.
Verder is de tuin behoorlijk verwilderd met overwoekering door braam. Aan de oostzijde van het erf is een beukenlaan aanwezig, die het veld inloopt. Aan het begin van de laan staat een gebouwtje van een nutsbedrijf.
Figuur 2. Impressie van de woonboerderij, met op de voorgrond het nog bewoonde gedeelte hiervan
8
Figuur 3. Gebouw met werkplaats/atelier functie, nog in redelijk goede staat
Figuur 4. Losse schuur achterop het terrein
9
Op de locatie is de ontwikkeling van 24 zorgappartementen voorzien. Hiertoe worden de bestaande gebouwen zeer grondig verbouwd, waarbij vermoedelijk fundering en eventueel gevels en dakdraagconstructie kunnen worden behouden. De appartementen worden verdeeld over de drie bouwlagen van het hoofdgebouw. Op de begane grond komt tevens een kantoor, spreekkamer en verblijf voor de slaapwacht. In één van de bijgebouwen komt een woon- en eetkamer, keuken, dagbestedingsruimte, bijkeuken en opslagruimte. Een tweede, kleiner, bijgebouw wordt ingericht als spreekkamer. Eerstgenoemd bijgebouw wordt via een transparante hal verbonden met het hoofdgebouw. Figuur 5 geeft een impressie van de planontwikkeling. Ten behoeve van de bereikbaarheid zal aan de voorzijde van het perceel een parkeerplaats worden gerealiseerd.
Figuur 5. Planontwikkeling aan de Schoterlandseweg 22 te Katlijk
1.3 Methodiek Voor de locatie is een ecologische quickscan uitgevoerd. Hiervoor heeft op 23 november 2019 een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Deze is uitgevoerd in de ochtend. De weersomstandigheden waren rustig, eerst was het fris (enkele graden boven het vriespunt) en bewolkt, gedurende het veldbezoek kwam de zon erbij. Er was nauwelijks wind. Tijdens het veldbezoek is het plangebied visueel onderzocht op aanwezigheid van beschermde soorten, dan wel potentie hiervoor. Gebouwen die als voldoende veilig werden beoordeeld, zijn ook intern onderzocht op aanwezigheid, sporen en/of potentie voor beschermde soorten. Met deze gegevens en beschikbare gegevens uit externe bronnen is vervolgens een beoordeling gemaakt van de locatie voor beschermde soorten.
10
2. Natuurwetgeving en -beleid Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt hiermee de soorten- en gebiedsbescherming en tevens de Boswet. Tevens zijn de provincies verantwoordelijk voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de opvolger van de EHS.
2.1 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent dus drie categorieën beschermde soorten (zij bijlage 1 en 2): 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn (niet zijnde exoten), in totaal ca. 290 soorten.
Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De regelgeving aangaande vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen is onder de Wet natuurbescherming gecontinueerd. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Daarnaast kent de soortenbescherming ook de term zorgplicht. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorgplicht kan door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. In deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
11
Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals via een provinciale verordening. De vrijgestelde soorten zijn provincie afhankelijk en terug te vinden in bijlage 3. Voor handelingen is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig als: • Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; • Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Een ontheffing wordt aangevraagd door de initiatiefnemer waarna een besluit over de aanvraag wordt genomen door het bevoegd gezag (de betreffende provincie).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: • Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. • Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. De wet natuurbescherming kent een aanhaakverplichting. Indien de Wnb relevant is voor een project dient deze aan te haken bij de betreffende aan te vragen omgevingsvergunning indien vooraf geen losse aanvraag bij de provincie is ingediend. De betreffende provincie hoeft hierop nog niet te hebben besloten, enkel dient de aanvraag te zijn ingediend.
12
2.2 Natura 2000 De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten samen aan Natura 2000. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Een deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.
Het is verboden om zonder vergunning in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied activiteiten uit te voeren die de kwaliteit van een aangewezen gebied verminderen. Dit geldt 13
ook voor de aantasting, verslechtering of verstoring van de leefgebieden van plant- en diersoorten in het gebied. Er is een vergunning nodig als: • De initiatiefnemer een project wil realiseren of een handeling wil verrichten in een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied; • niet kan worden uitgesloten dat de activiteiten de kwaliteit aantasten van natuurlijke habitats of de habitats verslechteren; • niet kan worden uitgesloten dat de activiteiten een verstorend effect hebben op de plant- en diersoorten waarvoor het gebied is aangewezen; • deze activiteiten niet genoemd zijn in een natuurbeheerplan Vanwege de kleinschalige aard van de werkzaamheden zijn directe effecten op Natura 2000-gebieden of Habitattypen en Vogelrichtlijnsoorten op voorhand uit te sluiten. Een eventueel indirect effect op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000gebieden maakt geen onderdeel uit van deze quickscan.
2.3 Houtopstanden De wet natuurbescherming kent ook het onderdeel houtopstanden. Voor locaties binnen de bebouwde kom Boswet is de gemeente verantwoordelijk en gelden de gemeentelijke bepalingen in relatie tot het doen van een kapmelding. Voor locaties buiten de bebouwde kom boswet is de provincie Bevoegd Gezag. Een kapmelding bij de provincie dient minimaal 6 weken en maximaal 1 jaar voor de daadwerkelijke kap te zijn gedaan. Over het algemeen geldt een herplantplicht. De Wet natuurbescherming, onderdeel Houtopstanden is als volgt gedefinieerd: 1. Wanneer de te kappen bomen of omgevallen/beschadigde bomen door bijvoorbeeld storm buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen is de provincie Bevoegd Gezag. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Bij twijfel kunt u het beste navraag doen bij de gemeente; 2. Wanneer de te kappen of houtopstand onderdeel uitmaakt van een houtopstand van meer dan 10 are (1.000 vierkante meter) of wanneer deze bomen betreffen uit een rijbeplanting van 20 bomen of meer. Indien bomen gekapt worden op het terrein wordt aanbevolen de gemeente te raadplegen aangaande de begrenzing van de ‘bebouwde kom Boswet’ en de eventuele noodzaak voor een kapvergunning of melding.
2.4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied wordt aan alle zijden omringd door delen van het NNN van de provincie Fryslân (figuur 6). Figuur 7 geeft een overzicht van de aangewezen natuurdoeltypen voor de locatie. Deze bestaat enerzijds uit “fauna- en kruidenrijk grasland” en daarnaast uit “Houtwal en houtsingel”. De provinciale verordening van de provincie Fryslân kent wel een toetsing op een externe werking van een plan, indien dit niet agrarische activiteiten betreft. Aangezien er sprake is van een functieverandering met een toename van personen op het terrein (en vervoersbewegingen) dient aanvullend te worden getoetst of de ontwikkeling effect heeft op de aangewezen natuurdoelen van het omliggende NNN. 14
Figuur 6. Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN
Figuur 7. Aangewezen natuurdoeltypen rond het plangebied
15
3. Resultaten ecologische quickscan 3.1 Flora Binnen het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig. De vegetatie op het terrein is verruigd en zeer voedselrijk en deel overwoekerd door braamopslag. Dit vormt geen geschikte habitat voor beschermde plantensoorten. Bebouwing in het plangebied is ook niet geschikt voor muurplanten. Voorkomen van beschermde waterplanten kan worden uitgesloten omdat er geen permanent watervoerende elementen op het terrein aanwezig zijn.
3.2 Vogels 3.2.1 Vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen
Tijdens het veldbezoek werden in het schuurgedeelte van de woonboerderij en het naastliggende bijgebouw sporen van uilen waargenomen. Bij de woonboerderij betrof dit redelijk verse sporen, de locatie wordt ook in de huidige staat gebruikt. Hierbij is er minimaal sprake van een roestplaats van kerkuil. Het staat niet vast of de locatie ook gebruikt wordt als nestplaats. Hoewel intern onderzoek heeft plaatsgevonden, kon hierbij niet de gehele planlocatie in detail worden onderzocht omdat delen van de gebouwen onbereikbaar zijn (en niet te overzien). Volgens de huidige bewoners zouden er in ieder geval in 2018 nog jonge uilen aanwezig zijn geweest, duidend op een nestplaats. Nestplaatsen van kerkuil zijn jaarrond beschermd (zie bijlage 2).
Figuur 8a en b. Sporen van kerkuil in de woonboerderij, links braakballen en poep, rechts een redelijk verse veer van kerkuil
De locatie ligt op de grens van het bekende verspreidingsgebied van steenuil (bron: SOVON, Vogelatlas). De planlocatie is vanwege het omringende kleinschalig landschap zeer geschikt als leefgebied voor de soort. Alle gebouwen zijn toegankelijk voor dit kleine uiltje. Ondanks intern onderzoek konden niet alle gebouwen volledig worden onderzocht omdat delen onbereikbaar zijn of niet veilig meer zijn. Aanwezigheid van kerkuil sluit voorkomen van steenuil niet uit. Tijdens het veldbezoek is geen huismus aangetroffen. Buiten het broedseizoen kunnen mussen in groepjes rondtrekken en zich buiten het broedgebied bevinden. De woonboerderij en naastliggende gebouw zijn intern onderzocht en hierbij zijn geen nesten van huismus gevonden. De schuur aan de achterzijde zou echter niet veilig te betreden zijn en hier heeft 16
dus geen intern onderzoek plaatsgevonden. Deze schuur en de woonboerderij hebben voor de soort ook geschikte (losliggende) dakpannen. Nestplaatsen van huismus zijn hiermee op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet geheel uit te sluiten. Aangezien het een locatie betreft in het buitengebied zijn nestplaatsen van gierzwaluw uit te sluiten. In de bomen op het terrein zijn geen nesten van roofvogels of uilen aangetroffen (of sporen hiervan), zodat voorkomen van deze soorten verder kan worden uitgesloten. Op het terrein kunnen diverse vogelsoorten uit categorie 5 worden verwacht. In het bijgebouw werd intern een nestkom van boerenzwaluw aangetroffen. Gezien de staat van de gebouwen kunnen in meerdere panden soorten als boerenzwaluw, spreeuw, etc worden verwacht.
Figuur 9. Kleinschalige agrarische omgeving, optimaal leefgebied voor steenuil
3.2.2 Overige broedvogels
In de gebouwen en het groen op het terrein kunnen tijdens het broedseizoen vele soorten broedvogels worden verwacht. Op het terrein dient derhalve rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels, zowel in het groen als de bebouwing.
3.3 Zoogdieren 3.3.1 Vleermuizen
De woonboerderij, het naastgelegen pand en de schuur achterop het perceel zijn allemaal toegankelijk voor vleermuizen. Hoewel twijfelachtig is of een van de gebouwen over een spouwmuur beschikt, zijn er echter in al deze gebouwen mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven. Voorbeeld hiervan zijn openingen naar ruimtes in plaatvorming materiaal (figuur 10) en openingen naar enkele andere typen spleetvormige ruimten (figuur 11). 17
Bovendien is het mogelijk dat vleermuizen verblijven in ruimtes tussen dakpannen en/of rieten dakbekleding. Hoewel nergens sporen van vleermuizen zijn aangetroffen, sluit dit het voorkomen van één of enkele verblijfplaatsen niet uit. Verspreid over het terrein zijn bomen aanwezig met holtes die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (zie figuur 12). Dit betreft met name bomen in de beukenlaan langs de oostzijde van de planlocatie.
Figuur 10 en 11. Voorbeelden van geschikte spleetvormige ruimtes in de gebouwen in het plangebied
Het terrein is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, echter vanwege de beperkte oppervlakte betreft dit geen essentieel foerageergebied. Langs de Schoterlandseweg staan bomenrijen, welke onderdeel kunnen uitmaken van een vliegroute van vleermuizen. Deze staan echter buiten de erfgrens en blijven naar verwachting dus behouden. De beukenlaan langs de oostgrens van het plangebied kan ook gebruikt worden als vliegroute voor vleermuizen.
18
Figuur 12. Indicatieve locaties van bomen met holtes verspreid op het terrein
3.3.2 Overige zoogdiersoorten
Op meerdere plekken op het terrein zijn sporen van egel aangetroffen (uitwerpselen, zie figuur 13). Opvallend hierbij was dat deze intern werden aangetroffen. Mogelijk dat het dier intern een plaats heeft gevonden voor de winterslaap. Egel is vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen. In de intern onderzochte gebouwen zijn geen sporen van steenmarter aangetroffen. Eventueel zou in de schuur achterop het terrein nog een verblijfplaats aanwezig kunnen zijn, deze kon uit veiligheidsoverwegingen niet worden onderzocht. Naast de hierboven genoemde soorten zijn op het terrein nog enkele andere algemene soorten te verwachten, zoals bosmuis en veldmuis. Het plangebied is echter ongeschikt voor andere zwaar beschermde soorten. Enerzijds kan dit worden veroorzaakt door de aanwezige habitat (geen aquatische of mariene milieus) maar mede ook door de nog resterende menselijke aanwezigheid waar een bepaalde mate van verstoring vanuit gaat (ongeschikt voor das).
19
Figuur 13. Op meerdere plekken in de bebouwing werden sporen van egel aangetroffen
3.4 Amfibieën, reptielen en vissen In het plangebied komt geen leefgebied van zwaar beschermde amfibieën of vissen voor. Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van poelen of watergangen met hoge waterkwaliteit. Er is hierdoor geen sprake van geschikt leefgebied voor deze zwaarder beschermde soorten. Aangezien op het terrein permanent watervoerende wateren ontbreken, is het terrein ook niet erg geschikt voor meer algemene soorten. Hiervoor geldt bij ruimtelijke ingrepen een vrijstelling binnen de provincie Fryslân. Het plangebied bevindt zich binnen het bekende verspreidingsgebied van levendbarende hagedis en adder. Rondom het plangebied is sprake van zeer extensief landgebruik (NNN) met elementen die met name voor levendbarende hagedis potentieel leefgebied zou kunnen vormen. De planlocatie zelf is echter marginaal geschikt voor reptielen, vanwege het grote aandeel bebouwing.
3.5 Ongewervelden In het plangebied kan voorkomen van beschermde ongewervelden worden uitgesloten. Binnen het plangebied en de directe omgeving is sprake van redelijk voedselrijke omstandigheden zonder poelen of watergangen met hoge waterkwaliteit. Er is hierdoor geen sprake van geschikt leefgebied voor deze soortgroep.
20
4. Conclusies en vervolgstappen 4.1 Samenvatting resultaten In het plangebied kunnen mogelijk onder de Wnb beschermde soorten worden verwacht. Het gaat hierbij om: • Kerkuil. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van kerkuil gevonden. Enkel nestplaatsen van kerkuil zijn beschermd, niet de roestplaatsen. Een functie als jaarrond beschermde nestplaats is op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet uit te sluiten. • Steenuil. De planlocatie grenst aan het bekende verspreidingsgebied van steenuil en de locatie vormt redelijk optimaal leefgebied voor de soort. De gebouwen zijn allen geschikt als mogelijke nestplaats. • Huismus. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen, maar nestplaatsen van huismus kunnen op basis van het uitgevoerde veldbezoek buiten het broedseizoen ook niet worden uitgesloten. Er zijn potentiele nestplaatsen aanwezig in de schuur en onder de dakpannen van de woonboerderij. • Broedvogels uit categorie 5. Soorten die mogelijk op het terrein aanwezig zijn, zijn boerenzwaluw, spreeuw. • Vleermuizen (gebouw- en boombewonend). Alle gebouwen zijn goed toegankelijk voor vleermuizen en verspreid zijn spleetvormige ruimtes aangetroffen. Verspreid over het terrein (maar met name in de beukenlaan aan de oostzijde van de locatie) zijn bomen met holtes aanwezig, geschikt als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen.
De genoemde beukenlaan kan ook dienst doen als vliegroute van vleermuizen, net als de bomen langs de Schoterlandseweg. • Steenmarter. Er zijn geen sporen van steenmarter aangetroffen, maar de schuur achterop het terrein kon om veiligheidsredenen niet intern worden onderzocht. Een functie als verblijfplaats van steenmarter is op basis van het uitgevoerde veldbezoek daarom niet uit te sluiten. • Reptielen. Het plangebied bevindt zich binnen het bekende verspreidingsgebied van enkele soorten beschermde reptielen. De directe omgeving van het plangebied vormt geschikt leefgebied voor deze soorten. Derhalve kan het voorkomen van reptielen in het plangebied niet worden uitgesloten. • Broedvogels in algemene zin. In het groen en in de te slopen gebouwen zijn nestplaatsen van diverse algemene broedvogels aangetroffen, die tijdens hun broedseizoen beschermd zijn. Het plangebied wordt omringd door het NNN. Vanwege een functiewijziging op het terrein leidend tot een intensiever gebruik is een externe werking van het project op het NNN niet op voorhand uit te sluiten.
4.2 Conclusies en vervolgstappen Op basis van de resultaten van de quickscan wordt een advies gegeven over de benodigde vervolgstappen om een project binnen de kaders van de Wet natuurbescherming te kunnen uitvoeren. Soortenbescherming: • Kerkuil. Een functie als jaarrond beschermde nestplaats is op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet uit te sluiten. Nader onderzoek tijdens het broedseizoen van kerkuil (conform protocol in het kennisdocument Kerkuil van BIJ12) kan deze 21
•
•
• •
• •
•
•
functie vaststellen of uitsluiten. Op basis van de waarnemingen van de bewoners kan er ook vanuit worden gegaan dat een nestplaats aanwezig is. Deze gaat met de verbouwing zonder aanvullende maatregelen verloren. Voor de ontwikkeling is in dat geval het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk (op basis van een mitigatieplan). Steenuil. Een functie als jaarrond beschermde nestplaats is op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet uit te sluiten. Nader onderzoek tijdens het broedseizoen van steenuil (conform protocol in het kennisdocument Steenuil van BIJ12) kan deze functie vaststellen of uitsluiten. Huismus. Een functie als jaarrond beschermde nestplaats is op basis van het uitgevoerde veldbezoek niet uit te sluiten. Nader onderzoek tijdens het broedseizoen van huismus (conform protocol in het kennisdocument Huismus van BIJ12) kan deze functie vaststellen of uitsluiten. Broedvogels uit categorie 5. Soorten die mogelijk op het terrein aanwezig zijn, zijn boerenzwaluw, spreeuw. Onderzoek naar deze soorten kan gecombineerd worden uitgevoerd met het onderzoek naar huismus en steenuil. Vleermuizen (gebouw- en boombewonend). Alle gebouwen zijn goed toegankelijk en geschikt voor vleermuizen en verspreid zijn spleetvormige ruimtes aangetroffen. De gebouwen zijn jaarrond geschikt als verblijfplaats. Enkele bomen op het terrein zijn potentieel geschikt als verblijfplaats.
Eventueel aanwezige verblijfplaatsen gaan zonder aanvullende maatregelen met de uitvoering van de werkzaamheden verloren. Nader onderzoek kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vaststellen of uitsluiten. Om tot een juridisch houdbaar onderzoek te komen dient vleermuisonderzoek te worden uitgevoerd conform het meest actuele Vleermuisprotocol (op voorliggende locatie middels het uitvoeren van minimaal 4 bezoekronden). Steenmarter. Van de schuur achterop het terrein is een functie als verblijfplaats van steenmarter niet uit te sluiten. Onderzoek naar deze soort kan gecombineerd worden uitgevoerd met het onderzoek naar steenuil en vleermuizen. Reptielen. De planlocatie wordt omringd door geschikt leefgebied voor beschermde reptielen. De planlocatie zelf is verwaarloosbaar geschikt voor soorten als levendbarende hagedis. Aantasting van leefgebied door het uitvoeren van de werkzaamheden is daarom uit te sluiten. Afhankelijk van het seizoen en wijze van uitvoering kan het nodig zijn om tijdens de werkzaamheden rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van passerende dieren om doden of verwonden te voorkomen. De werkwijze kan daarom het beste worden afgestemd met een ecologisch deskundige. Aanvullende vervolgstappen zijn voor deze soortgroep niet noodzakelijk. Broedvogels in algemene zin.
In het groen en in de te slopen gebouwen zijn nestplaatsen van diverse algemene broedvogels aangetroffen, die tijdens hun broedseizoen beschermd zijn. Nader onderzoek is niet nodig. Indien de verbouw wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen (globaal buiten de periode 15 maart – 15 juli, maar een veilige periode is 1 maart – 1 september) zijn aanvullende maatregelen niet vereist. Anders dient een ecologisch deskundige te worden geraadpleegd hoe om te gaan met de verwachte aanwezigheid van broedvogels op het terrein. Overige soorten. Op het terrein kunnen diverse soorten voorkomen die niet beschermd zijn of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor al deze dieren geldt echter altijd de zorgplicht.
Gebiedsbescherming: • Het plangebied bevindt zich niet in directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Directe effecten kunnen daarom worden uitgesloten. Een indirect effect vanwege een 22
•
stikstoftoename door de verbouw of veranderd gebruik is niet getoetst. Dit kan door een berekening uit te voeren met het rekenprogramma Aerius. Het plangebied wordt omringd door het NNN. De provincie Fryslân kent een zogenaamde externe werking van projecten op direct nabij gelegen delen van het NNN. Derhalve dient aanvullend getoetst te worden of de functieverandering leidt tot aantasting van de natuurdoelen die gekoppeld zijn aan het naastgelegen NNN.
23
Bijlage 1. Beschermde soorten Wnb Soorten beschermd onder paragraaf 3.2 Wnb (artikel 3.5 en 3.8; zgn. Europees beschermde soorten) Drijvende waterweegbree Groenknolorchis Kruipend moerasscherm Zomerschroeforchis
Gladde slang Zandhagedis Muurhagedis Donker pimpernelblauwtje Grote vuurvlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Teunisbloempijlstaart Tijmblauwtje Zilverstreephooibeestje
Bever Hamster Hazelmuis Lynx Noordse woelmuis Otter Wilde kat Wolf
Bronslibel Gaffellibel Gevlekte witsnuitlibel Oostelijke witsnuitlibel Sierlijke witsnuitlibel Noordse winterjuffer Groene glazenmaker Rivierrombout
Alle in Nederland voorkomende soorten vleermuizen Bruinvis Gewone dolfijn Tuimelaar Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn
Brede geelgerande waterkever Gestreepte waterroofkever Heldenbok Juchtleerkever Vermiljoenkever
Houting Steur Heikikker Poelkikker Boomkikker Geelbuikvuurpad Kamsalamander Knoflookpad Rugstreeppad Vroedmeersterpad
Platte schijfhoren Bataafse stroommossel
24
Soorten beschermd onder paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming (artikel 3.10 en 3.11; zgn. overige beschermde soorten) 76 Soorten planten
Alpenwatersalamander Bruine kikker Gewone pad Meerkikker Bastaardkikker / middelste groene kikker Kleine watersalamander Vinpootsalamander Vuursalamander
Aardmuis Boommarter Bosmuis Bunzing Damhert Das Dwergmuis Dwergspitsmuis Edelhert Egel Eikelmuis Gewone bosspitsmuis Grote bosmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bisspitsmuis Veldmuis Veldspitsmuis Vos Waterspitsmuis Wezel Wild zwijn Woelrat
Adder Hazelworm Ringslang Levendbarende hagedis Beekdonderpad Beekprik Elrits Gestippelde alver Grote modderkruiper Kwabaal 20 Soorten vlinders Beekrombout Bosbeekjuffer Donkere waterjuffer Gevlekte glanslibel Gewone bronlibel Hoogveenglanslibel Kempsense heidelibel Speerwaterjuffer Vliegend hert
Gewone zeehond Grijze zeehond
Europese rivierkreeft
25
Bijlage 2. Overzicht vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen Steenuil
categorie 1
Huismus Gierzwaluw Roek
categorie 2 categorie 2 categorie 2
Grote gele kwikstaart Kerkuil Oehoe Ooievaar Slechtvalk
categorie 3 categorie 3 categorie 3 categorie 3 categorie 3
Boomvalk Buizerd Havik Ransuil Sperwer Wespendief Zwarte wouw
categorie 4 categorie 4 categorie 4 categorie 4 categorie 4 categorie 4 categorie 4
Categorie 5: Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Hop IJsvogel
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
26
Bijlage 3. Beschermde soorten die zijn vrijgesteld door de provincie Fryslân Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustela putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex araneus Lepus europeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Martes foina Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris
Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Triturus vulgaris Meerkikker Rana ridibunda Middelste groene kikker / Bastaardkikker Rana esculenta
27