9.2.4. Bijlagen bij toelichting ontwerpbestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde.pdf
Tekst van het document
1.6 Overzicht: Toelichting (motivering) bomenontwerp | Handboek Bomen 2018
1.7 Bomenbalans: in de toelichting van het ontwerp moet een ‘bomenbalans’ worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoeveel bomen er volgens het beoogde ontwerp worden aangeplant, gehandhaafd blijven, worden verplant en zullen (moeten) worden geveld. BOMENBALANS • Totaal aan bomen binnen het ontwerpplan • Aantal ‘te handhaven bomen’ (zonder specifieke maatregelen tot behoud) • Aantal ‘te handhaven bomen’ (met specifieke maatregelen tot behoud) • Aantal ‘te vellen bomen’ • Aantal ‘te verplanten bomen’ • Aantal ‘nieuwe aanplant bomen’
1.8 Voor bestaande bomen moet in de toelichting van het ontwerp een nadere uitwerking worden opgenomen van beschermingsmaatregelen en randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van deze bomen (art. 1.18). Voor het opstellen van beschermingsmaatregelen en randvoorwaarden gelden (als uitgangspunt) de eisen Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen. 1.8a Optioneel (Vooronderzoek ‘Bestaande bomen’): indien specifiek voorgeschreven maakt voor bestaande bomen het (laten) opstellen van een (goedgekeurde) BEA (‘Boom Effect Analyse’) als vooronderzoek, integraal deel uit van het op te stellen bomenontwerp.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
21
Een BEA geeft inzicht in de huidige kwaliteit ‘nulsituatie’ van bestaande bomen en de invloed van het ontwerpplan op deze bomen. Een BEA geeft eveneens inzicht op de vraag of, en op welke wijze handhaving van bestaande bomen binnen het ontwerp boomtechnisch wenselijk en/of mogelijk is en welke randvoorwaarden en maatregelen daarvoor noodzakelijk zijn.
Voor het opstellen van een BEA gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H16 | Bomen Effect Analyse (BEA).
1.9 Beleidsstatus: indien bomen of bomengroepen binnen het ontwerp een bijzondere boomwaarde of benoemde (beleids)status hebben of krijgen, dan moet dit zowel op de tekeningen als binnen de toelichting van het ontwerp worden vermeld en weergegeven volgens de indeling in overzicht 1.9.
Beleidsstatus: de beleidsstatus van een boom of bomengroep maakt het controleerbaar (inzichtelijk) of de keuzes binnen het ontwerp overeenstemmen met de beleidsstatus. BELEIDSSTATUS Indeling beleidsstatus: indeling volgens Handboek Bomen 2018 | H14 | Dataregistratie bomen I. Beschermwaardige/monumentale bomen met een specifiek benoemde beleidsstatus II. Structuurbepalend/hoofdstructuur, belangrijke bomen met een specifiek benoemde beleidsstatus III. Functionele (laan-, straat- en park)bomen zonder een specifiek benoemde beleidsstatus IV. Bomen met korte omloop ≤ 20 jaar (incl. bomen 3e grootte) zonder specifiek benoemde beleidsstatus
1.9 Overzicht: Indeling beleidsstatus | Handboek Bomen 2018
1.10 (Voor)onderzoek ‘Groei en standplaats’: voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven en indien niet bij de uitvraag van het ontwerp ter beschikking gesteld, maakt het hieronder genoemde (voor)onderzoek in het kader van de groei- en standplaats integraal deel uit van het op te stellen bomenontwerp. VOORONDERZOEK: GROEI- EN STANDPLAATS Een vooronderzoek groei- en standplaats geeft inzicht in de groei- en ontwikkelingsmogelijkheden van de bomen binnen het ontwerp en eventueel benodigde maatregelen. Voor het opstellen van een ontwerp moeten ten minste de onderstaande onderdelen van de groei- en standplaats bekend zijn: • Specifieke omgevingsfactoren (boven- en ondergronds; o.a. temperatuur, zon, wind en ‘zoute’ zeewind, zoute kwel etc.) • Type maaiveld en het actuele en toekomstige gebruik van het maaiveld (art. 1.22) • Benodigde en beschikbare vrije doorgang toekomstig maaiveld (art. 1.19) • Ondergrondse en bovengrondse obstakels en obstakelvrije zone(s) (art. 1.19) • Bodemsamenstelling (klei, veen, zand etc.) • Bodemstructuur, bodemverdichting en storende lagen • Zuurstof-, waterhuishouding en zuurgraad (pH-waarde) van de bodem • Noodzaak van bodembewerking of gronduitwisseling met bomensubstraten (art. 1.24) • Actuele en toekomstige waterhuishouding (hangwater- | grondwater- | contactprofiel) en grondwaterstanden: ‘GWST-actueel en GHVG’ in cm -m.v.
(GHVG = Gemiddelde Hoogste Voorjaars Grondwaterstand) • Geschiktheid grondwater (zoet, zout, brak, kwel) • Beschikbare en benodigde doorwortelbare ruimte (m3/m2) en doorwortelbare diepte in cm -m.v. (art. 1.20 en 1.21)
1.11 Plantmaat: van de in het ontwerp opgenomen nieuwe aanplant moet in de toelichting van het ontwerp de plantmaat vermeld worden volgens de indeling van overzicht 1.11. De keuze voor een plantmaat 20 - 25 of zwaarder moet in de toelichting van het ontwerpplan specifiek gemotiveerd worden. Voor het plantmateriaal gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H5 | Leveren (laan)bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
VOORONDERZOEK: BEA (BESTAANDE BOMEN)
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
22
PLANTMAAT ‘KWEKERIJ’ (STAMOMTREK GEMETEN IN cm’s OP 1,0 m BOVEN WORTELHALS) • plantmaat: • plantmaat: • plantmaat: • plantmaat:
14-16 | 16-18 of 18-20 20-25 | 25-30 of 30-35 35-40 | 40-45 of 45 -50 50-60 | 60-80 | 80-100 of > 100
indicatie stam Ø ca. 5 tot 6 cm indicatie stam Ø ca. 8 tot 10 cm indicatie stam Ø ca. 10 tot 15 cm indicatie stam Ø ca. 20 tot 30 cm
1.11 Overzicht: Keuze en motivering plantmaat | Handboek Bomen 2018
AFSTEMMINGSCRITERIA BOMENONTWERP A. Doel, uitgangspunten en randvoorwaarden van het bomenontwerp Vermelding van het doel van het ontwerp, de (voorgeschreven) uitgangspunten, de randvoorwaarden en het beoogde eindbeeld, alsmede vermelding van de van toepassing zijnde (plaatselijke) wet- en regelgeving, keuren etc. (art. 1.6). B. Aan te planten bomen | bestaande (te handhaven) bomen Keuzeopties: Boomgrootte (eindbeeld) ‘sortimentafhankelijk’ (figuur 1.12)
• Boom 1e grootte (boomhoogte > 15 m) Kroonbreedte: smal 5 - 10 m | normaal 10 - 15 m | breed 15 > 20 m • Boom 2e grootte (boomhoogte 8 - 15 m) Kroonbreedte: smal 5 - 8 m | normaal 8 - 12 m | breed > 15 m • Boom 3e grootte (boomhoogte < 8 m) Kroonbreedte: smal 3 - 5 m | normaal 5 - 7 m | breed 8 - 10 m • Vorm of knotboom (boomhoogte ≤ 3 m of > 3 m) Kroonbreedte: smal 2 - 3 m | normaal 3 - 5 m | breed 5 - 7 m
Keuzeopties: Beoogde omlooptijd (beoogd eindbeeld)
• Regulier groeiende boomsoorten (o.a. linde, beuk, eik en esdoorn): Beoogde omlooptijd: 20 jaar | 40 jaar | 60 jaar of 80 - 120 jaar • Snel groeiende (pionier)boomsoorten (o.a. populier, wilg en els): Beoogde omlooptijd: 15 jaar | 25 jaar | 35 jaar of 45 - 60 jaar
Boomsoort (sortiment)
• Wetenschappelijke en Nederlandse naam (NAAMLIJST HOUTIGE GEWASSEN) • Diversiteit: motivering keuze van (verschillende) boomsoorten • Relevante soortspecifieke eigenschappen boomsoort keuze
Keuzeopties: Beplantingsstructuur
• Solitaire boom, meerstammige boom • Bomenrij, bomenlaan of bomengroep (met open of gesloten kronenstructuur)
Keuzeopties: Boomtype
• Wel of niet vrij uitgroeiende boom Bij een niet vrij uitgroeiende boom is er sprake van een minimum vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang (art. 1.19)
Plantmaat ‘kwekerij’
• Plantmaat ‘aan te planten bomen’ (art. 1.11)
Bestaande bomen
• Bestaande bomen (weergave maatvoering): - actuele stamomvang (gemeten in centimeters op 1,3 m +m.v.) - actuele kroondiameter en boomhoogte in meters - toekomstige kroondiameter en boomhoogte (eindbeeld) in meters
C. Groei en standplaats • Specifieke omgevingsfactoren: zonlichtreflectie, zeewind, zoute kwel etc. (art. 1.10) • Vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang en obstakelvrije zones: ondergronds en bovengronds (art. 1.19) • Bestaande bodem: noodzaak bodembewerking of gronduitwisseling met bomensubstraat (art. 1.24) • Waterhuishouding: hangwater-, grondwater-, contactprofiel (art. 1.10) • Doorwortelbare diepte (cm -m.v.) en doorwortelbare ruimte: m3/m2 (art. 1.20 en 1.21) • Maaiveld: type en gebruik (art. 1.22) • Boomspiegel: maatvoering en afwerking: open, boomrooster etc. (art. 1.22) • Specifieke (aanvullende) voorzieningen (art. 1.23)
1.12 Overzicht: Afstemmingscriteria: Bomenontwerp | Handboek Bomen 2018 HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
23
Keuze, motivering en afstemming moeten plaatsvinden op basis van de (voorgeschreven) uitgangspunten, randvoorwaarden, het beoogde eindbeeld en de (beschikbare) groei- en standplaats en wel zodanig dat een boomtechnisch, duurzaam beheerbaar ontwerp(plan), afgestemd op het beoogde eindbeeld wordt gewaarborgd (art. 1.4). De boomgroottes (eindbeeld) zijn indicatief weergegeven in figuur 1.12. Voor de benodigde (doorwortelbare en obstakelvrije) ruimte van de groei- en standplaats gelden als leidraad de ontwerpnormen in art. 1.25. Boomsoort (sortiment): bij de keuze en motivering van de boomsoort is afstemming noodzakelijk op eventuele specifieke eisen en de gebruiksfunctie van de boomsoort. Relevante zaken hierbij zijn onder andere diversiteit, bodem-, grondwater- en klimaateisen alsook soortspecifieke eigenschappen zoals de gevoeligheid voor (zee)wind en/of takbreuk, de gevoeligheid voor aantasting of ziekte, potentiële overlast door bestratingsopdruk, vruchtdracht, aantastingen als luis en meeldauw et cetera. Groei en standplaats: voor een afstemming en keuze voor de groei- en standplaats zijn de gegevens van het ‘vooronderzoek Groei- en standplaats’ van toepassing (art. 1.10).
KEUZE: BOOMGROOTTE (EINDBEELDEN) BOMEN 1E GROOTTE
BOMEN 2E GROOTTE
BOMEN 3E GROOTTE
VORMBOMEN
20m
20m
20m
10m
10m
10m
10m
0m
0m
0m
0m
Boom 1e grootte (brede kroon)
Boom 2e grootte (brede kroon)
Boom 3e grootte (brede kroon)
Vormboom (brede kroon)
20m
20m
20m
10m
10m
10m
10m
0m
0m
0m
0m
Boom 2e grootte (normale kroon)
Boom 3e grootte (normale kroon)
Vormboom (normale kroon)
20m
20m
20m
10m
10m
10m
10m
0m
0m
0m
0m
Boom 2e grootte (smalle kroon)
Boom 3e grootte (smalle kroon)
Vormboom (smalle kroon)
FIGUUR 1.12 Weergave boomgrootte (eindbeelden) | Handboek Bomen 2018 | bron: Boommonitor (art. 1.26)
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
SMALLE KROON
20m
Boom 1e grootte (smalle kroon)
NORMALE KROON
20m
Boom 1e grootte (normale kroon)
BREDE KROON
20m
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
1.12 Afstemmingscriteria: voor de in het ontwerp opgenomen bomen moeten de afstemmingscriteria volgens overzicht 1.12 in de toelichting van het ontwerpplan (art. 1.6) vermeld, afgestemd en gemotiveerd zijn.
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
24
ONTWERPTEKENINGEN 1.13 Alle bomen binnen het ontwerp moeten op schaal en juist gepositioneerd op de tekening(en) zijn weergegeven en zijn voorzien van een, binnen het ontwerp, (uniek) in de toelichting herleidbaar boomnummer (Boom-ID). 1.13a Optioneel, indien specifiek voorgeschreven, moeten bestaande bomen binnen het ontwerpplan landmeetkundig worden ingemeten. 1.14 Alle tekeningen moeten op schaal zijn getekend en ten minste (per kaartlaag) zijn voorzien van een projectnaam of -code, naam tekenaar, geografische noordpijl, schaal, tekeningnummer, dagtekening en de actuele ontwerpstatus (Status: Schetsontwerp SO | Voorlopig ontwerp VO | Definitief ontwerp DO). 1.15 De ontwerptekeningen (‘bovenaanzicht’ 1.16 en ‘dwarsprofiel’ 1.17) moeten op schaal de juiste positionering en omvang (inclusief maatvoeringen) weergeven van relevante boven- en ondergrondse infrastructuur en fysieke bovengrondse en ondergrondse obstakels waaronder bebouwing, gevels, openbare verlichting (OV), bovenleidingen (tram of trolley), vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang, kabel- en leidingtracés (KLIC), alsook de huisaansluitingen, funderingen, straatkolken et cetera.
Dit zodanig dat inzichtelijk wordt of de ondergrondse en bovengrondse (ontwikkelings)ruimte voor in het ontwerp opgenomen bomen (eindbeeld) voldoende is en raakvlakken tussen obstakels en de groei- en standplaats van de bomen knelpunten veroorzaken. Om de verschillende markeringen, objecten en obstakels zichtbaar te maken en overzichtelijk te houden (art. 1.15, 1.16 en 1.17) moet indien noodzakelijk de kaartschaal worden aangepast en moeten voor zover nodig verschillende (digitale) kaartlagen worden aangemaakt. 1.16 Elke boom binnen het ontwerp moet op de ontwerptekening ‘bovenaanzicht’ (zie voorbeeld figuur 1.15) worden aangeduid volgens overzicht 1.16. ONTWERPTEKENING: BOVENAANZICHT • Markering hart van de stamvoet (door middel van een stip met herleidbaar boomnummer-ID) • Markering kroonprojectie ‘actueel’ (actuele kroonomvang bestaande bomen middels doorgetrokken lijn) • Markering kroonomvang ‘eindbeeld’ (beoogd eindbeeld middels een ‘stippellijn’) • Markering omvang groeiplaats (omvang plantstrook of -vak middels een ‘stippellijn’) • Markering boven- en ondergrondse obstakelvrije zones en (relevante) obstakels (art. 1.19) • Vermelding eventuele beleidsstatus (art. 1.9) • Indien bestaande boom, dan met vermelding: ‘handhaven’ | ‘verplanten’ | ‘vellen’ (art. 1.7)
1.16 Overzicht: Aanduiding bomen op ontwerptekening | Handboek Bomen 2018
1.17 Dwarsprofiel (zijaanzicht): naast de ontwerptekening ‘bovenaanzicht’ geldt als eis één of meerdere (volgens de uitvraag) dwarsprofielen van het ontwerp (eindbeeld), zie voorbeeld figuur 1.16 ‘Ontwerptekening dwarsprofiel’. Deze ontwerpdwarsprofielen moeten voldoen aan dezelfde eisen en aanduidingen als de ontwerptekening ‘bovenaanzicht’ (art. 1.15 en 1.16). 1.18 Op een separate tekening (kaartlaag) moeten de beoogde werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone (= zone binnen bestaande kroon omvang + 1,5 m) voor bestaande (te handhaven) bomen worden aangegeven en moeten deze met de daarvoor benodigde beschermingsmaatregelen en randvoorwaarden (Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen) zijn opgenomen in de toelichting van het ontwerp (art. 1.8). 1.19 Obstakelvrije zone (boven en ondergronds): de obstakelvrije zone is de ruimte (boven- en ondergronds) rondom de boom die als uitgangspunt binnen het ontwerp vrij moet zijn van obstakels zodat de boom (in het beoogde eindbeeld) voldoende ‘vrije’ ontwikkelingsruimte heeft (figuur 1.18). Bomen van een beperkte omvang (‘kleine bomen’) hebben als regel minder (obstakelvrije) ruimte nodig. De maatvoering van de benodigde obstakelvrije zone(s) is weergegeven in art. 1.25.
Obstakelvrije zones zijn soms lokaal voorgeschreven en in sommige gevallen is de aanplant van bomen op deze plaatsen niet of alleen onder specifieke restricties toegestaan (art. 1.6). Als een obstakelvrije zone binnen het ontwerp afwijkt of niet vrij is van obstakels, dan moet dit in de toelichting van het ontwerp vermeld en gemotiveerd worden.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
25
NORMINSTITUUT BOMEN H
BOVENAANZICHT KABEL / RIOOLTRACÉ
BEOOGD EINDBEELD 40 JAAR
ONDERGRONDS OBSTAKELVRIJ
OV
EINDBEELD KROONBREEDTE 7 m
BOOM
◆
❉
❇
❖
❑
❇
❖
▼
◆
HUISAANSLUITINGEN GEVELLIJN
GEVELLIJN
KROONBREEDTE 12 m
BOOM
VOETPAD (TEGELS)
RIJSTROOK (ASFALT)
1,2 m
5m
NR. 1
PLANTVAK 4X3m BOOMSPIEGEL 1,5 X 1,5 m
HUISAANSLUITINGEN
N
❆
2018 H1 BOMENONTWERP
NR. 2
BOVENGRONDS OBSTAKELVRIJ
BOVENGRONDS OBSTAKELVRIJ
NR. 3
PLANTAFSTAND 12M
KABELTRACÉ
BOOM
DOORLOPENDE PLANTSTROOK 3,5 m BREED
PARKEERSTROOK VOET-/FIETSSTROOK (KLINKERS) (KLINKERS) 3m
6m
GROENSTROOK (GRAS)
RIJSTROOK (ASFALT)
VOETPAD (TEGELS)
3,5 m
5m
1,2 m
Projectcode HB2018.1.16 | Projectnaam Bovenaanzicht (voorbeeld) | Tekenaar H. Boom | Tekeningnummer HB2018.1.16 | Status Voorlopig ontwerp | Datum 17/03/2018
FIGUUR 1.16 Ontwerptekening (bovenaanzicht): Voorbeeldtekening ‘actueel’ en ‘eindbeeld’ | Handboek Bomen 2018
DWARSPROFIEL DWARSPROFIEL BEOOGD BEOOGD EINDBEELD EINDBEELD 40 JAAR 40 JAAR
BEOOGD EINDBEELD 1e GROOTTE: 40 JAAR KROONBREEDTE 12 m
BEOOGD EINDBEELD 2e GROOTTE: 40 JAAR KROONBREEDTE 7 m
VRIJE DOORGANG 4,5 m +m.v.
+ SANDWICHCONSTRUCTIE
BOMEN ZAND
VOETPAD (TEGELS) 1,2 m
RIJSTROOK (ASFALT) 5m
KABEL TRACÉ
EXTRA VRIJE DOORGANG 6,5 m +m.v.
RIOOL
OV
PARKEERSTROOK VOET-/FIETSSTROOK (KLINKERS) (KLINKERS) 3m 6m
BOMEN GROND
GROENSTROOK (GRAS) 3,5 m
DOORWORTELBARE DIEPTE 100 cm -m.v.
RIJSTROOK (ASFALT) 5m
VOETPAD (TEGELS) 1,2 m
GWST | GHG 110 cm -m.v.
Projectcode HB2018.1.17 | Projectnaam Dwarsprofiel (voorbeeld) | Tekenaar H. Boom | Tekeningnummer HB2018.1.17 | Status Voorlopig ontwerp | Datum 17/03/2018
FIGUUR 1.17 Ontwerptekening (dwarsprofiel)’: Voorbeeldtekening ‘eindbeeld’ | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
K OM N 2018 H1 BOMENONTWERP
26
✆
✄
✆
☎
✄
NORMINSTITUUT BOMEN H N
✂
✁
OBSTAKELVRIJE ZONES Bovengronds: de bovengrondse obstakelvrije ruimte moet zijn afgestemd op het beoogde eindbeeld (art. 1.25). Op plaatsen waar ook boven de boom obstakels zijn voorzien (bijvoorbeeld hoogspanningsleidingen) speelt de boomhoogte een belangrijke rol en moet ook boven de kroon een obstakelvrije zone in acht genomen worden en kan een specifiek boombeheer of boomtype gekozen worden (bijvoorbeeld bomen van de 3e grootte of specifieke vormbomen). In specifieke gevallen kan een obstakel (bijvoorbeeld tramleiding) binnen de obstakelvrije zone worden ingepast; dit vraagt (in de toelichting van het ontwerp) een specifieke motivering en afstemming met het (toekomstige) boombeheer (bijvoorbeeld extra opkroonhoogte).
ONTWERPRICHTLIJNEN MAATVOERING
A E
F
D B
C A. KROONDIAMETER | m (EINDBEELD) B. OBSTAKELVRIJE ZONE | m (ONDERGRONDS) C. DOORWORTELBARE RUIMTE | m3 D. KROONPROJECTIE | m2 E. OBSTAKELVRIJE ZONE | m (BOVENGRONDS) F. VEREISTE ‘WETTELIJKE’ VRIJE DOORGANG | m
Ondergronds: de ondergrondse groeiplaats (plantlocatie) moet ter hoogte FIGUUR 1.18 Maatvoering (zie overzicht art. 1.25) | Handboek Bomen 2018 van de boom als uitgangspunt een breedte hebben die minimaal 2x de ondergrondse obstakelvrije zone bedraagt (beoogd eindbeeld), zodat er direct rond de boom ruimte is voor het ontwikkelen van een stabiliteitskluit van voldoende omvang (overzicht 1.25). Ook ondergronds zijn alternatieven (aanvullende voorzieningen of maat regelen) mogelijk. Zo kunnen ondergrondse graafwerkzaamheden, bij bestaande bomen, ten behoeve van kabels en leidingen in veel gevallen binnen de obstakelvrije zone worden vervangen door gestuurd boren of kunnen er preventief (bij de aanleg van de groeiplaats) mantelbuizen worden geplaatst voor het gecontroleerd doorvoeren van kabels en leidingen binnen de beoogde doorwortelbare ruimte. Binnen de obstakelvrije zone kunnen zwevende of op palen gefundeerde groeiplaats- of civiele constructies worden toegepast daar waar geen reguliere bewortelings- of funderingsruimte beschikbaar is. Specifieke voorzieningen of aanpassingen moeten in het ontwerpplan worden vermeld en gemotiveerd (maatwerk art. 1.23). Naast de obstakelvrije zones is er (bij niet vrij uitgroeiende bomen) ook sprake van een vereiste ‘wettelijke’ vrije doorgang voor het verkeer.
RICHTLIJN: VEREISTE (WETTELIJKE) VRIJE DOORGANG Extra vrije doorgang Auto(rij)weg Voet en fietspad
6,5 m +m.v. (alleen wanneer extra vrije doorgang expliciet is voorgeschreven) 4,5 m +m.v. 2,5 m +m.v.
De ‘wettelijk’ vereiste vrije doorgang wordt gemeten vanaf het maaiveld of bij een verharding loodrecht boven de verharding, vanaf de doorgetrokken streep (of opstaande rand) langs de wegzijde (breedtemarkering) of de buitenzijde van de verharding indien een doorgetrokken breedtemarkering ontbreekt. Wanneer fiets- en voetpaden ook worden gebruikt door andere voertuigen (bijvoorbeeld hulpdiensten, veeg- en strooiwagens etc.) dat geldt daarvoor ook de vereiste vrije doorgang van rijwegen. Wanneer er sprake is van extra benodigde vrije doorgang, bijvoorbeeld vanwege een trolleybus- of tramleiding of langs specifieke ‘zwaarverkeerroutes’, dan kan de benodigde vrije doorgang bijvoorbeeld worden verruimd tot 6,5 m +m.v.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
27
1.20 Maatvoering groeiplaats: in het ontwerp moet de doorwortelbare ruimte (per boom) zowel in oppervlakte (L x B = m2) als inhoud (L x B x D = m3) worden vermeld en gemotiveerd. Hierdoor wordt de maatvoering en vorm en daarmee ook de ruimteclaim van de groei- en standplaats binnen het ontwerp inzichtelijk. In het ontwerp kan er sprake zijn van zelfstandige groeiplaatsen (plantvakken) of bijvoorbeeld een doorlopende plantstrook. VUISTREGELS: BENODIGDE DOORWORTELBARE RUIMTE Grove indeling: tot 5 m3 | 5 tot 10 m3 | 15 tot 25 m3 | 25 tot 50 m3 | 50 tot 75 m3 | > 75 m3 Hangwaterprofiel: als grove vuistregel geldt voor een boom van 1e grootte op een hangwaterprofiel ca. 0,75 tot 1,0 m3 doorwortelbare ruimte per groeijaar. Grondwater |contactprofiel: als grove vuistregel geldt voor een boom van 1e grootte op een grondwaterprofiel ca. 0,3 tot 0,5 m3 doorwortelbare ruimte per groeijaar.
1.20 Overzicht: Vuistregels doorwortelbare ruimte | Handboek Bomen 2018
Berekening doorwortelbare ruimte: de motivering en berekening van de benodigde doorwortelbare ruimte (per boom) moet plaatsvinden op basis van de ‘Leidraad Maatvoering Ontwerpnormen Bomen’ (overzicht 1.25) en het rekenprogramma ‘Boommonitor’ (art. 1.26). Netto doorwortelbare ruimte: de mate waarin de bodem (grondsoort) water en voeding kan binden alsook de netto doorwortelbare ruimte per m3 is mede bepalend voor de hoeveelheid benodigde doorwortelbare ruimte. Bomengrond kan bijvoorbeeld meer water en voeding binden dan bomenzand en bomengranulaat heeft per m3 netto minder doorwortelbare ruimte. In het rekenprogramma ‘Boommonitor’ kunnen deze verschillen worden doorberekend zodat de benodigde maatvoering van de groeiplaats in het ontwerp daarop kan worden afgestemd. Bruto maatvoering: wanneer bewortelingszones (bijvoorbeeld plantstroken of plantvakken) ondergronds grenzen aan funderingszones (bijvoorbeeld een wegcunet), dan geldt langs de randen van deze bewortelingszone een brutomaatvoering vanwege de insteek van de funderingszone binnen de bewortelingszone. De invloed van deze brutomaatvoering is sterk afhankelijk van de omvang van de funderingslaag en de benodigde maatvoering van de groeiplaats (indien van toepassing de brutomaatvoering motiveren in de toelichting).
Bodemdaling: op plaatsen waar de bodem (ondergrond) van nature inklinkt kan een bodemdaling van enkele centimeters per jaar plaatsvinden. Hierdoor verandert de afstand vanaf het maaiveld tot aan het grondwater doorlopend. Voor bomen zijn in deze situatie specifieke maatregelen noodzakelijk zoals bijvoorbeeld het (periodiek) lichten en vroegtijdig vervangen van de bomen. Het uitvoeren van een periodieke ophoging van het maaiveld rond bomen is doorgaans geen reële optie omdat een periodieke ophoging niet of slecht door bomen wordt verdragen (zie Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen). Dergelijke bijzondere (bodem)omstandigheden maken een aangepast ontwerp (maatwerk) met specifieke (groeiplaats)voorzieningen en een hierop afgestemde boomsoortkeuze in combinatie met een eventueel aangepaste (verkorte) omlooptijd noodzakelijk (art. 1.6 specifieke omstandigheden en randvoorwaarden motiveren in toelichting). 1.21 De doorwortelbare diepte van de beoogde groeiplaats moet in het ontwerp worden vermeld en gemotiveerd. De bodembewerkingsdiepte bedraagt bij groeiplaatsen voor bomen doorgaans maximaal 100 cm -m.v. De maximale doorwortelbare diepte is afhankelijk van de bodemstructuur en de zuurstof- en waterhuishouding van de bodem en kan dus meer of minder bedragen dan de genoemde 100 cm -m.v.
Met behulp van het plaatsen van speciale voorzieningen (bijvoorbeeld wortelpijlers) kan in sommige gevallen (indien nodig of gewenst) ook wortelontwikkeling tot grotere dieptes worden gerealiseerd (aanvullende voorzieningen art. 1.23).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
GROEIPLAATS
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
28 De maximale doorwortelbare diepte binnen een grondwaterprofiel is primair gerelateerd aan (lees: wordt beperkt door) de grondwaterstand (GWST). Op plaatsen waar sprake is van een hoge grondwaterstand wordt daarmee de doorwortelbare diepte (sterk) beperkt door de grondwaterstand (GWST gebaseerd op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) of de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG)). Hoge grondwaterstand: wanneer er sprake is van een GWST hoger dan 60 cm -m.v. (GHG of GVG ≤ 0,6 m m.v.), dan moet de keuze voor bomen in de verharding (zeer) terughoudend worden benaderd mede vanwege in de toekomst te verwachten onbeheersbare bestratingsopdruk. Optioneel onder deze omstandigheden is het gebruik van vochttolerante bomen met een (ver)korte omlooptijd of bomen van de 3e grootte en (kleine) vormbomen met een goede vochttolerantie. Alternatieven bij een hoge grondwaterstand zijn een aanpassing van het maaiveldniveau (bijvoorbeeld een opstaande rand), de toepassing van een (permanente) drainage of andere aanvullende technische voorzieningen (art. 1.23). Waterberging: de aanleg van groeiplaatsen binnen een slecht ontwaterde omgeving kan resulteren in een groeiplaats die ongewenst als afwateringsput gaat fungeren. Aandacht voor voldoende waterafvoer (bijvoorbeeld drainage) is dan essentieel.
Specifieke constructies kunnen de groeiplaats van bomen combineren met waterbuffering en wateropvang en daarmee mogelijke overlastproblemen van overtollig water (hevige regenbuien) juist voorkomen of beperken (maatwerk). 1.22 Type maaiveld: in het ontwerp moeten het type maaiveld en het gebruik ervan vermeld en gemotiveerd worden. Bomen zijn onder andere afhankelijk van voldoende intreding van water en bodemlucht via het maaiveld. Een juiste keuze van het type maaiveld is daarom belangrijk (overzicht 1.22). TYPE MAAIVELD, INFILTRATIE EN BOOMSPIEGEL TYPE MAAVELD Een gesloten verharding als maaiveld rond de boom blokkeert of beperkt de intreding van zuurstof en water en vraagt daarom binnen het ontwerp ondergrondse specifiek aanvullende voorzieningen (onder andere beluchtings- en infiltratiesystemen art. 1.23). Een alternatief is de toepassing van een open maaiveld, een half- of elementenverharding of poreuze verhardingsmaterialen. Een open maaiveld (bijvoorbeeld open grond, gras of grastegels) maakt doorgaans een goede infiltratie van (regen)water en diffusie van lucht in de bodem mogelijk, maar kan ook (onbedoeld) de oorzaak zijn van ongewenste infiltratie of instroming van bijvoorbeeld zout water (opgelost strooizout) doordat overvloedig of vervuild (zout) water van een omliggende verharding naar het open maaiveld van de boom afvloeit.
Een opstaande (beton)rand kan deze ongewenste infiltratie in veel gevallen beperken of voorkomen (art. 1.23). Een open maaiveld kan door verdichting of verslemping volledig zijn open structuur verliezen en is daarmee ongeschikt op plaatsen waar betreding of belasting van het maaiveld aan de orde is. Door de aanplant van een onderbeplanting of het toepassen van een mulchlaag (art. 1.23) kan betreding worden beperkt of voorkomen. Een halfverharding heeft een sterk open structuur en bestaat bijvoorbeeld uit grind of steenslag. Niet elke halfverharding is geschikt. Een halfverharding van bijvoorbeeld schelpen kan inspoeling van ongewenste kalk veroorzaken. Veel halfverhardingen (vooral leemhoudende materialen) slaan gemakkelijk dicht (verslempte toplaag) en zijn daarmee niet of slechts beperkt geschikt als maaiveld rond een boom. Grind en steenslag (hardsteen) zijn doorgaans als halfverharding wel geschikt, maar verdragen in de regel geen zwaardere drukbelastingen en zijn daarmee feitelijk alleen geschikt binnen een ‘wandelzone’. Een speciaal voor grind en steenslag beschikbare honingraatfundering kan het toelaatbare belastingsniveau aanzienlijk verhogen. Een elementenverharding ‘open voeg’ (bijvoorbeeld tegels of klinkers) maakt infiltratie via de voegen mogelijk mits deze voegen voldoende schoon en open blijven.
De infiltratiepercentages kunnen per type verharding sterk variëren (overzicht 1.22). De toepassing van een verbrede voeg en het toepassen van grovere voegmaterialen alsook een grovere funderingslaag kunnen de infiltratie aanzienlijk vergroten. Elementenverhardingen met een gesloten voeg (bijvoorbeeld natuursteen) hebben een infiltratie van 0% en zijn dus feitelijk een gesloten verharding. Open (elementen)verhardingen zoals bijvoorbeeld gras- of ventilatietegels hebben juist een hoge infiltratiewaarde. Boomspiegel: direct rond de boom moet in het ontwerp als uitgangspunt gekozen worden voor een (open) boomspiegel. De boomspiegel kan worden afgewerkt met een mulchlaag of binnen een verharding bijvoorbeeld worden voorzien van een boomrooster of een water- en luchtdoorlatende open of halfverharding. Een juist geplaatst boomrooster (zwevende constructie) kan effectief bestratingsopdruk rond de boom voorkomen (zie aanvullende voorzieningen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage 4.37l | Boomrooster). Een boomspiegel met open grond (zonder beplanting, mulch of boomrooster) is zeer gevoelig voor verdichting van de toplaag door bijvoorbeeld voetgangers. Gras direct rond de stam vergroot het risico op maaischade. Grote boomspiegels of plantstroken kunnen worden beplant met bijvoorbeeld heesters.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
29
(open grond, plantsoenstrook, beplantingsvak etc.) (grasberm ‘ruw gras’, grasstrook, gazon of grasveld etc.) (gebonden verharding zonder voegen, asfalt-beton etc.) (ongebonden verharding met open voegen; klinkers, tegels etc.) (ventilatie-/stoof-/grastegels etc.) (grind, steenslag etc.)
OVERZICHT MAAIVELD INFILTRATIE-% Type: • Gesloten verharding • Open maaiveld/gras • Halfverharding • Tegels 60 x 60 cm • Tegels 30 x 30 cm • Klinkers • Ventilatie-/stoof-/grastegels
infiltratie% 0% 100% (mits niet verslempt/niet geschikt voor belasting) 100% (mits niet verslempt/niet of zeer beperkt geschikt voor belasting) ca. 65% ca. 80% ca. 95% ca. 85 tot 95%
NB: Bij een sterk vervuilde voeg neemt het infiltratie-% evenredig af.
BOOMSPIEGEL • Boomspiegel open grond (zonder beplanting, evt. voorzien van mulchlaag) • Boomspiegel open grond (met beplanting) • Boomspiegel met boomrooster (eventueel zwevende constructie ter voorkoming van wortelopdruk) • Boomspiegel met water- luchtdoorlatende open-, half- of elementenverharding
1.22 Overzicht | Type maaiveld, infiltratie en boomspiegel | Handboek Bomen 2018
1.23 Aanvullende voorzieningen: in het ontwerp moet op hoofdlijnen vermeld en gemotiveerd zijn welke (specifiek) aanvullende voorzieningen binnen het ontwerp zijn voorzien, zodat deze bij de nadere technische uitwerking in de besteksfase kunnen worden gewaarborgd. AANVULLENDE VOORZIENINGEN (BEKNOPT OVERZICHT) Mulchlaag: om verdamping van bodemvocht te beperken en het bodemleven te verbeteren, wordt een toplaag (5 tot maximaal 7 cm) van gecomposteerde houtsnippers of schimmeldominante compost opgebracht. Beluchtingssysteem: om de bodemzuurstof huishouding (bodemventilatie) te verbeteren, worden groeiplaatsen onder een (gesloten) verharding voorzien van een (samengesteld) beluchtingssysteem. Drainagezand: om bij een hoge grondwaterstand de capillaire nalevering te reduceren, wordt op de bodem van de groeiplaats een laag drainagezand aangebracht om zo ‘natte voeten’ te voorkomen. Mantelbuizen/kabelgoten: om binnen de groeiplaats (bewortelingszone) van bomen het doorvoeren van kabels en leidingen zonder graafwerkzaamheden mogelijk te maken, worden preventief mantelbuizen of kabelgoten geplaatst. Wortelbarrières: om wortelgroei buiten de beschikbare groeiplaats van de boom te voorkomen, wordt aan de rand van de groeiplaats een wortelbarrière geplaatst.
Opstaande (beton)rand: om ongewenste of overmatige invloeiing van water in een open boomspiegel te voorkomen, wordt rond de boomspiegel of het boomvak een opstaande c.q. verhoogde betonband geplaatst. Deze opstaande betonrand kan ook zeer effectief zijn als maatregel om aanrijschade door geparkeerde auto’s te voorkomen. Drukspreidende of zelfdragende groeiplaatsconstructies: door het plaatsen van een drukspreidende (bijvoorbeeld sandwich) of zelfdragende (bijvoorbeeld wortelbunker) constructie wordt de bodemverdichting vanaf het maaiveld in de bewortelingszone van bomen in grote mate of volledig geminimaliseerd (vergroten belastbaarheid maaiveld zie ook overzicht 1.24). Aanvullende voorzieningen: andere (specifieke) voorzieningen zijn bijvoorbeeld wortelstraten, wortelpijlers, drainagekokers, boomroosters, etc. Voor een overzicht en de toepassing van aanvullende voorzieningen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage: overzicht aanvullende voorzieningen 4.37.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H1 BOMENONTWERP
TYPE MAAIVELD • Open maaiveld • Gras • Gesloten verharding • Elementenverharding • Open verharding • Halfverharding
2018 H1 BOMENONTWERP
30
✞
☛
1.24 Bodem, bomensubstraten en belastbaarheid: in het ontwerp moeten de bodemsamenstelling en groeiplaatsinrichting en het gebruik en de geschiktheid ervan vermeld en gemotiveerd worden. Een goede motivering en afstemming van de boomsoortkeuze op de aanwezige bodem- of grondsoort zijn essentieel. TOEPASSING BODEMSUBTRATEN Bestaande bodem: op plaatsen waar de bestaande bodem (van nature) geschikt is voor de aanplant van bomen is gronduitwisseling niet nodig en kunnen de bomen rechtstreeks worden aangeplant of is eventueel vooraf een beperkte bodembewerking (bijvoorbeeld spitten van de bodem) benodigd, waarna de bomen in de bestaande bodem kunnen worden aangeplant.
✌
✡
✠
☞
☛
✡
✠
✟
✞
✝
NORMINSTITUUT BOMEN
❍
Gronduitwisseling: op plaatsen waar voor bomen onvoldoende ruimte beschikbaar is of de bodem of bovengrondse standplaats niet geschikt is, moet de aanplant van bomen worden heroverwogen of is een aanpassing van de boomgrootte of de groei- en/of standplaats noodzakelijk. Wanneer de bestaande bodem ongeschikt wordt geacht, kan de bestaande grond worden verbeterd of kan gronduitwisseling worden toegepast met specifiek voor bomen ontwikkelde bomensubstraten, zoals bomengrond, bomenzand of bomengranulaat. Bomensubstraten hebben ieder hun eigen, specifieke toepassingseisen. Bomengrond is hoogwaardige teelaarde, specifiek voor bomen samengesteld. Bomengrond verdraagt echter geen civiele belastingseisen en is daarmee ongeschikt voor de toepassing onder de verharding. Bomenzand en bomengranulaat zijn juist specifiek ontwikkeld voor toepassing onder verhardingen: beide maken wortelontwikkeling in combinatie met gecontroleerde civiele belastingseisen mogelijk. Door gebruik te maken van specifieke aanvullende voorzieningen (art. 1.23) kan de belastbaarheid en daarmee de toepassing van de substraten aanzienlijk worden beïnvloed, bijvoorbeeld door de toepassing van een drukspreidende (bijvoorbeeld ‘sandwichconstructie’) of zelfdragende groeiplaatsconstructie (bijvoorbeeld ‘wortelbunker’).
Wortelbunkers kunnen ook als (civiele) zwevende constructie worden toegepast (bijvoorbeeld op een parkeerdek): het creëren van een kunstmatig waterniveau onder in de (gesloten) wortelbunker is dan noodzakelijk (maatwerk) voor het waarborgen van de watervoorziening voor de boom.
Leverings en verwerkingseisen: eisen ten aanzien van constructies en de verwerking en de samenstelling voor bomengrond, bomenzand en bomengranulaat zijn complex en situatiespecifiek. Voor de levering en verwerking van bomensubstraten en specifieke constructies gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen. Figuur en overzicht 1.24 geven een beeld van de toepassingsmogelijkheden van de verschillende inrichtingsmaterialen.
GRONDUITWISSELING MET BOMENSUBSTRATEN: BOMENGROND, BOMENZAND OF BOMENGRANULAAT GEEN UITWISSELING NATUURLIJKE GROEIPLAATS BESTAANDE BODEM GEBRUIK BESTAANDE BODEM
BOMENGROND
BOMENGRANULAAT WORTELBUNKERS
BOMENZAND
OPEN PLANTSTROOK GEEN BELASTINGSEISEN
RIJWEGEN + PARKEERSTROKEN ZWARE TOT MAXIMALE BELASTINGSEISEN
FIETS+ VOETPAD LICHTE TOT MATIGE BELASTINGSEISEN
AANPLANTEN IN BESTAANDE BODEM INDIEN BODEM GESCHIKT
BOMENGROND
SANDWICH + BOMENZAND
BOMENGROND
BOMENGRANULAAT
CAPILLAIRE ZONE
BOMENZAND CAPILLAIRE ZONE GWST | GHG
WORTELBUNKER ZELFDRAGENDE CONSTRUCTIE INWENDIG ZONDER BELASTINGSEISEN
FIGUUR 1.24 Afstemming type maaiveld en bomensubstraten versus belastingseisen | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
31
Type maaiveld en belastingseisen
Bodem (bomensubstraat): toepassingsmogelijkheden
Open grond (open maaiveld): • Geen (civiele) belasting mogelijk - plantsoenstroken en beplantingsvakken - grasveld | grasstrook
• Bestaande bodem, indien geschikt (her)gebruiken - eventueel bestaande bodem bewerken • Bomengrond (gronduitwisseling)
Onder verhardingen: • Lichte belastingseisen - voet- en fietspaden
• Bomenzand (gronduitwisseling)
NORMINSTITUUT BOMEN
MAAIVELD EN BODEM VERSUS BELASTINGSEISEN
✍
✎
✏
✑
✒
✓
✔
✕
✒
✓
✖
• Bomenzand onder drukspreidende (sandwich)constructie • Bomengranulaat ‘lava’
• Zware belastingseisen - rijwegen
• Bomengranulaat ‘hardsteen’ (civiel zwaar belastbaar) • Zelfdragende constructie opgevuld met hoogwaardige bomengrond (wortelbunker/wortelbox)
Belastingseisen: de in dit overzicht opgenomen indeling van belastingseisen (indeling: geen, licht, matig en zwaar) is illustratief. In de praktijk zijn vaak zware (maximale) belastingseisen nodig omdat zwaar verkeer in veel gevallen ook gebruik maakt van minder zwaar te belasten verhardingen (te denken valt bijvoorbeeld aan een veegwagen op het voetpad of een zware strooiauto op het fietspad). Afstemming inrichtingsmateriaal en belastbaarheid in toelichting van het ontwerpplan nader motiveren.
1.24 Overzicht: Maaiveld en bodem versus belastingseisen | Handboek Bomen 2018
1.25 Maatvoering (leidraad) ontwerpnormen bomen: voor het bepalen van de benodigde ruimte voor bomen gelden art. 1.25 en overzicht 1.25 als leidraad. Met behulp van het rekenprogramma ‘Boommonitor’ (art. 1.26) moeten de betreffende kengetallen specifiek per situatie worden doorgerekend. LEIDRAAD: MAATVOERING ONTWERPNORMEN Obstakelvrije zones bovengronds (art. 1.19): minimale afstand hart van de boom (stamvoet) ten opzichte van bovengrondse obstakels. Rekenregel: kroondiameter (beoogd eindbeeld) x factor 0,6. Bij (bestaande) bomen met een sterk asymmetrische kroon of bomen met een aanzienlijke scheefstand kan de benodigde obstakelvrije zone (sterk) afwijken.
Om overlast van bomen voor aanwonenden te voorkomen is doorgaans een verruimde obstakelvrije zone ten opzichte van gevels en erfgrenzen noodzakelijk: soms is hierbij ook sprake van een wettelijk kader (art. 1.6). Obstakelvrije zone ondergronds (art. 1.19): minimale afstand tot hart van de boom (stamvoet) ten opzichte van ondergrondse obstakels. De ondergrondse groeiplaats moet ter hoogte van de boom een breedte hebben die ten minste 2x de ondergrondse obstakelvrije zone bedraagt (beoogd eindbeeld), zodat een stabiliteitskluit van voldoende omvang kan worden ontwikkeld.
Bij een beperkte bewortelingsdiepte (< 75 cm) of een hoge (lokale) windbelasting kan een verruiming van de ondergrondse obstakelvrije zone noodzakelijk zijn. Plantafstand (rekenregels): Gesloten kronenstructuur ‘eindbeeld’: Open kronenstructuur ‘eindbeeld’:
kroondiameter (beoogde eindbeeld) x factor 0,8 tot 1,0 kroondiameter (beoogde eindbeeld) x factor 1,5 tot 2,0
Bij een beperkte plantstrookbreedte kan voor een gewenste dubbele bomenrij (met inachtneming van de gestelde maatvoeringen) de aanplant in een driehoeksverband een alternatief vormen. Canyoneffect: op locaties waar hoge obstakels (bijvoorbeeld gevels) een beplanting insluiten, kan een meer open (transparante of ruimere) beplantingstructuur bijdragen aan een betere luchtverversing (luchtkwaliteit).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
✔
✏
2018 H1 BOMENONTWERP
• Matige belastingseisen - parkeervakken en -stroken
2018 H1 BOMENONTWERP
32
MAATVOERING: LEIDRAAD BOMENONTWERP (regulier groeiende & snel groeiende bomen) Boomgrootte Beoogde omloop (eindbeeld)
Kroondiameter (eindbeeld) (indicatief)
Stamdiameter
Optie 1:
15 tot > 20 m
60 tot > 80 cm
(indicatief)
Doorwortelbare ruimte (m3) (a. Grondwater) (b. Hangwater)
Breedte plantlocatie (m) ter hoogte van aanplant (ten minste)
Obstakelvrij ondergronds (m) afstand tot hart van de stam (ten minste)
a. 25 - 40 m3 b. 40 - 70 m3
4,0 - 5,0 m
2,0 - 2,5 m
3,0 - 4,0 m
1,5 - 2,0 m
2,5 - 3,0 m
1,25 - 1,5 m
2,0 - 2,5 m
1,0 - 1,25 m
1,5 - 2,5 m
0,75 - 1,25 m
✙
✢
✤
✜
✛
1e grootte, omloop: 80 - 120 jaar ✣
✢
✜
✛
✚
✙
✘
NORMINSTITUUT BOMEN
✗
Optie 1 = idem zeer snel groeiende (pionier)boomsoorten omloop 45 – 60 jaar
Optie 2:
10 - 15 m
40 - 60 cm
a. 20 - 30 m3 b. 30 - 50 m3
1e grootte, omloop: 60 jaar (of boom 2e grootte)
Optie 2 = idem zeer snel groeiende (pionier)boomsoorten omloop 35 jaar
Optie 3:
8 - 12 m
30 - 40 cm
a. 15 - 20 m3 b. 20 - 35 m3
1e grootte, omloop: 40 jaar
Optie 3 = idem zeer snel groeiende (pionier)boomsoorten omloop 25 jaar
Optie 4:
3-5m
15 - 20 cm
a. 5 - 10 m3 b. 10 - 20 m3
1e grootte, omloop: 20 jaar (of boom 3e grootte)
Optie 4 = idem zeer snel groeiende (pionier)boomsoorten omloop 15 jaar
Optie 5:
2-4m
20 - 40 cm
a. 3 - 5 m3 b. 4 - 8 m3
Vorm- of knotboom Omloop: Duurzaam ‘onbeperkt’
Regulier groeiende bomen, bijvoorbeeld eik, beuk, esdoorn, linde etc. Snel groeiende (pionier)soorten, bijvoorbeeld populier, wilg, els etc.
1.25 Overzicht: Maatvoering leidraad Bomenontwerp | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
33
NORMINSTITUUT BOMEN
1.26 Rekenprogramma ‘Boommonitor’: de benodigde doorwortelbare ruimte wordt aanzienlijk beïnvloed door de bodemsamenstelling of keuze van het bomensubstraat (art. 1.24). Overzicht 1.25 omvat gemiddelde waarden en dient als leidraad. Indien niet specifiek anders voorgeschreven moeten de benodigde doorwortelbare ruimte en de overige maatvoeringen, waaronder de obstakelvrije zone (boven- en ondergronds) et cetera per situatie berekend en afgestemd (getoetst) worden met behulp van het rekenprogramma ‘Boommonitor’. Als uitgangspunt geldt dat de ontwerpkeuze in relatie tot de gekozen omlooptijd (beoogd eindbeeld) binnen Boommonitor ten minste voldoet aan het minimum niveau ‘marginaal’.
✥
✦
✧
REKENPROGRAMMA: BOOMMONITOR ★
✩
✪
✫
✬
Het rekenprogramma ‘Boommonitor’ berekent de (benodigde) maatvoering van de groeiplaats en is specifiek afgestemd op de bodemsamenstelling, grondwaterhuishouding, boomgrootte en beoogde omlooptijd (zie voorbeeld in figuur 1.26). ✩
✪
✭
✫
✧
Boommonitor berekent de (benodigde) doorwortelbare ruimte (m ) op drie ambitieniveaus: • Optimaal optimale groeivoorwaarden ten behoeve van een hoog ambitieniveau • Redelijk reële groeivoorwaarden voor een gemiddeld ambitieniveau • Marginaal groeivoorwaarden voor een minimaal ambitieniveau
1e GROOTTE Benodigde doorwortelbare ruimte (m3) en grondvlak (m2):
Regulier (duurzaam groeiend), 1e grootte (eindhoogte > 15 m), Normale kroon
2e GROOTTE Benodigde doorwortelbare ruimte (m3) en grondvlak (m2):
Regulier (duurzaam groeiend), 2e grootte (eindhoogte 8 - 15 m), Normale kroon
3e GROOTTE Benodigde doorwortelbare ruimte (m3) en grondvlak (m2):
Regulier (duurzaam groeiend), 3 e grootte (eindhoogte < 8 m), Normale kroon
FIGUUR 1.26 Ontwerpberekeningen rekenprogramma ‘Boommonitor’
Boommonitor is voor licentiehouders beschikbaar via de login op www.norminstituutbomen.nl. HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
2018 H1 BOMENONTWERP
3
2018 H1 BOMENONTWERP
34
✲ ✷ ✹ ✶ ✴ ✸
H1 | BIJLAGE BOMENPOSTER: BOMENONTWERP
BOMENPOSTER
BOMEN ONTWERP TECHNISCHE ONTWERPRANDVOORWAARDEN ‘LAAN- & STRAATBOMEN’
✷ ✶ ✴ ✳
ONTWERPTEKENING RANDVOORWAARDEN
ONTWERP RICHTLIJNEN MAATVOERING
BEOOGD EINDBEELD: 1e GROOTTE OMLOOP 40 JAAR
ONTWERP EINDBEELD SORTIMENTAFHANKELIJK ♠
20
A
♠
E
10
OV-KABEL BOMENZAND
BOMENGROND SANDWICHCONSTRUCTIE
RIJSTROOK (ASFALT)
D
B
PARKEERSTROOK VOET-/FIETSSTROOK (KLINKERS) (KLINKERS)
DOORWORTELBARE DIEPTE
GROENSTROOK (GRAS)
GWST | GHG cm - m.v.
RIJSTROOK (ASFALT)
C
BOOM
1e grootte kroon Ø 12 ≥ 15m boomhoogte > 15m
KABELTRACÉ
EINDBEELD NR. 3
NR. 2
✮
20 GEVELLIJN
BOOM
BOVENGRONDS OBSTAKELVRIJ
BOVENGRONDS OBSTAKELVRIJ
PLANTAFSTAND 12M
KROONBREEDTE 12M
A. KROONDIAMETER | m. EINDBEELD B. OBSTAKELVRIJE ZONE | m. ONDERGRONDS C. DOORWORTELBARE RUIMTE | m3. D. KROONPROJECTIE | m2. E. OBSTAKELVRIJE ZONE | m. BOVENGRONDS
KROONBREEDTE 12M
A. KROONDIAMETER Ø ONTWIKKELING m / OMLOOP jaren
Omloop 1e grootte 2e grootte 3e grootte
20 8 6 4
40 12 8 6
60 15 10 7
80 jaar ≥ 15 ≥ 10 -
E. Obstakelvrij bovengronds = straalkroon (r) x 0,6
B. ONDERGRONDS OBSTAKELVRIJ (straal in m) Omloop 1e grootte 2e grootte 3e grootte
20 1,5 1,25 1,0
40 2,0 1,5 1,25
60 2,5 2,0 1,5
80 jaar 3,0 2,5 -
✵♠
ONDERGRONDS OBSTAKELVRIJ
O.V.
GEVELLIJN
NORMINSTITUUT BOMEN HA
✲
BOOM
✮
10 NR. 1
PLANTVAK 6 X 3M PLANTSPIEGEL 1,75 X 1,75M
N
RIJSTROOK (ASFALT)
DOORLOPENDE PLANTSTROOK 3M BREED
PARKEERSTROOK VOET-/FIETSSTROOK (KLINKERS) (KLINKERS)
GROENSTROOK (GRAS)
✯✮
RIJSTROOK (ASFALT)
WEERGAVE OP TEKENING OP SCHAAL • Keuze boomgrootte: 1e, 2e of 3e grootte (sortiment) • Kroonomvang eindbeeld (omloop: 20, 40, 60 of 80 jaar) • Beschikbare ondergrondse groeiplaats, -ruimte • Ondergrondse + bovengrondse obstakels • Obstakels en obstakelvrije zones: - ondergronds: kabels, leidingen, riool etc. - bovengronds: openbare verlichting, gevels etc.
2e grootte kroon Ø 8 ≥ 10m boomhoogte 8 - 15m ✰
20
✰
10
Obstakelvrij ondergronds = minimale graafafstand (bestaande boom)
C. BENODIGDE DOORWORTEL BARE RUIMTE (m3) OMLOOP (jaren)
✱✰
I GRONDWATERPROFIEL m3 Omloop 20 40 60 80 jaar 1e grootte 10 20 25 35 2e grootte 7,5 10 15 20 3e grootte 5 7,5 10 -
3e grootte kroon Ø 4 - 7m boomhoogte < 8m
II HANGWATERPROFIEL m3 Omloop 20 40 60 80 jaar 1e grootte 20 35 45 60 e 2 grootte 15 20 30 40 e 3 grootte 10 15 20 Benodigde doorwortelbare ruimte afhankelijk van type bodem(substraat). Voor snelgroeiende (pionier)soorten gelden bovenstaande richtlijnen op basis van een omloop van: 15, 25, 35 en 45 jaar Bron: Rekenprogramma Boommonitor Online ©
BOMENGROND
BOMENGROND
BOMENGRANULAAT
HANDBOEK BOMEN
BOMENZAND
CAPILLAIRE ZONE GWST GWST | GHG
WORTELBUNKER
KEUZE BODEMSUBSTRAAT GROEIPLAATS • Bestaande bodem (indien geschikt) • Bomengrond (opengrondsituatie) • Bomenzand (verharding | beperkte belasting) • Bomengranulaat (verharding | hoge belasting) • Wortelbunker (zelfdragende constructies) • Sandwichconstructies (drukspreidende constructies)
Goede technische randvoorwaarden borgen een beheerbaar ontwerp. In het Handboek Bomen vindt u een totaaloverzicht van (aanvullende) technische kwaliteitseisen voor een verantwoord bomenontwerp. Borg deze randvoorwaarden in uw uitvraag of gebruik ze als uitgangspunten binnen uw ontwerp! www.norminstituutbomen.nl
Deze uitgave is tot stand gekomen dankzij:
NVTL
nederlandse vereniging voor tuin- en landschapsarchitectuur
Kijk voor meer info op www.norminstituutbomen.nl
Bomenposters zijn beschikbaar via LOGIN op www.norminstituutbomen.nl
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
35
NORMINSTITUUT BOMEN H ✺
✻
✼
✽
✾
✿
❀
✽
✾
❁
✿
✻
2018 H1 BOMENONTWERP
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
37
ROND BOMEN
❲
❊
❂
❃
❊
❄
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 LICENTIEVOORWAARDEN
HOOFDSTUK 2
WERKEN ROND BOMEN Het aan de hand van een ‘Goedgekeurd Werkplan’ boomtechnisch verantwoord uitvoeren van (bouw)werkzaamheden rond bomen.
De uitvoering van werkzaamheden rond bomen moet zodanig plaatsvinden dat er sprake is van een verantwoorde inpassing van de te handhaven bomen. Deze werkzaamheden mogen nooit leiden tot een bedreiging van de beoogde duurzame instandhouding van de te handhaven bomen. Het werken rond bomen (H2) omvat en moet samenvattend voldoen aan: • uitgevoerd volgens de uitvraag en de eisen Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen • afgestemd op een verantwoorde duurzame inpassing van te handhaven bomen • gebaseerd op gerichte randvoorwaarden en beschermingsmaatregelen voor de te handhaven bomen • uitgevoerd aan de hand van een ‘Goedgekeurd Werkplan’. - werkplan ten minste voorzien van werktekening en toelichting - werkplan waar nodig voorzien van technische (detail)werktekeningen - werkplan opgesteld op basis van of afgeleid van een vooronderzoek van de bestaande bomen (BEA) • indien niet ter beschikking gesteld, inclusief vooronderzoek bestaande bomen: BEA (Bomen Effect Analyse) • werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone zijn zonder toestemming niet toegestaan! Aanvullend (indien specifiek voorgeschreven): • optioneel: bestaande bomen landmeetkundig ingemeten (art. 2.9a)
Uitvraagrelevante specificaties: • formuleren van de uitvraag • verwijzen in uitvraag naar eisen: Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen • voorschrijven dat Handboek Bomen 2018 bij tegenstrijdigheden in de uitvraag (indien niet specifiek anders is voorgeschreven) prevaleert • voorschrijven van specifieke uitgangspunten en randvoorwaarden • beschikbaarheid (ter beschikking stellen van) uitvraagspecifieke data, kaartmateriaal en overige stukken: - vooronderzoek bestaande bomen (BEA) en groei- en standplaats (indien beschikbaar) - projecttekening(en), bestaande en nieuwe situatie (indien beschikbaar) - overzicht bestaande bomen en beschikbare data (indien beschikbaar) - overzicht, te handhaven bomen (indien beschikbaar) Optionele (aanvullende) uitvraagspecificaties: • (optioneel) voorschrijven (bestaande) bomen landmeetkundig inmeten (art. 2.9a) • Indien BEA niet beschikbaar (gesteld) dan benadrukken in uitvraag dat opstellen BEA standaard onderdeel is van de de uitvraag
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
39
▲
P ◗
2.1 erken ond omen: het uitvoeren van (bouw)werkzaamheden (in de ruimste zin van het woord) in de (directe) omgeving van bomen mag alleen worden uitgevoerd door of onder directe begeleiding van vakbekwaam personeel dat specifiek en vakinhoudelijk op de hoogte is van de in het Handboek Bomen gestelde eisen ten aanzien van het werken rond bomen, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 6. Hij/zij moet in staat zijn om het werken rond bomen volgens de gestelde eisen zelfstandig uit te voeren, te controleren en, indien nodig, te corrigeren.
❘ ❚❡ ❯
❣ ❱ ♥▲
♥P ❞ ◗
♥❳ t❱
♥❨
itvoerin a erke on ome oe oldoe an de in hoofdstuk 2 van het Handboek Bomen 2018 2. gestelde eisen. Voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, zijn tevens de Algemene aanvullende bepalingen van het Handboek Bomen 2018 van toepassing als waren deze integraal opgenomen in dit hoofdstuk.
❚❡ ❩erkzaamhede♥ moeten zodanig plaatsvinden dat deze in relatie tot de (directe) omgeving schadevrij en veilig worden uitgevoerd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2 en 3. Onder schadevrij wordt tevens verstaan het voorkomen van schades aan (buur)bomen en beplantingen alsmede het voorkomen van schade aan de ondergrondse infrastructuur en de groei- en standplaats, zoals bodemverdichting, bodem- c.q. toplaagverslemping, rij- en inslagsporen et cetera. Bestaande schades dienen door de opdrachtnemer voorafgaand aan het werk gemeld te worden.
Voor de uitvoering van gestelde werkzaamheden kunnen op grond van landelijke wet- en regelgeving of lokale keuren of verordeningen verschillende (voor)onderzoeken, meldingen, vergunningen, ontheffingen, verklaringen et cetera benodigd zijn. Benodigde ‘vergunningen en ontheffingen’ dienen op het werk aanwezig te zijn, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 5.
❬❭ ❚❡ ❯
❣❱ ♥❩
♥P ❞ ◗
♥
itvoerin a erkzaamhede on ome moet zodanig plaatsvinden dat er sprake is van het waar2 borgen van een verantwoorde inpassing van te handhaven bomen en mag nooit leiden tot beschadigingen of een bedreiging van de ‘beoogde’ (duurzame) instandhouding van een te handhaven boom. Onder duurzame instandhouding wordt verstaan: de (oorspronkelijk) beoogde omlooptijd van de boom alsook de kwaliteit, functie of bijzonder boomwaarde mogen niet door de werkzaamheden worden bedreigd.
❪❫ Pr P♥ t❴
2. oo ove ie pecifiek anders voorgeschreven vermeldt de opdrachtnemer, rekening houdend met de gestelde eisen, wanneer en op welke wijze de werkzaamheden worden gerealiseerd (Plan van Aanpak | Algemeen tijdschema aangevuld met een gedetailleerd ‘Goedgekeurd Werkplan’ (hierna te noemen ‘Werkplan’). Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 1. De opdrachtnemer borgt dat de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het goedgekeurde Werkplan.
Werkplan: het Werkplan vermeldt onder andere gedetailleerd per boom: wanneer, op welke wijze, volgens welke (uitgewerkte) randvoorwaarden, met welk materieel en met welke hulpmiddelen werkzaamheden (moeten) worden uitgevoerd. 2.5 Alle benodigde randvoorwaarden (zie art. 2.18 e.v.) voor, tijdens en indien relevant na de werkzaamheden, voor het waarborgen van een verantwoorde inpassing van de te handhaven bomen moeten nader worden uitgewerkt in het Werkplan (art. 2.8). Het Werkplan omschrijft tevens belangrijke start-, stop- en contactmomenten met betrekking tot de, voor de bomen, kritische werkzaamheden en geeft een overzicht van de binnen het project betrokken contactpersonen en hun contactgegevens, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 1.3. Als algemene regel geldt: zonder een (door de opdrachtgever of directie) ‘Goedgekeurd Werkplan’ mogen werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzones niet plaatsvinden!
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
❅❈ ❋ ●■❙●❏ WERKEN ROND BOMEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN
40 2❵6 ❛ V♦♦❜ )♦❝❢❤❜ z♦❤❦ ✐❥❤ staande ❧omen’: voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven en indien niet bij de uitvraag ter beschikking gesteld, maakt een goedgekeurde BEA (Bomen Effect Analyse) als vooronderzoek integraal deel uit van het Werkplan. ❥♣
A (BESTAANDE BOMEN)
Om inzicht te krijgen in en een betere waarborg te stellen voor de verantwoorde uitvoering van (bouw)werkzaamheden rond bomen, moeten de randvoorwaarden voor het Werkplan (art. 2.8) opgesteld of afgeleid worden op grond van een vooronderzoek middels een zogenoemde Bomen Effect Analyse (BEA). Voor het opstellen van de BEA gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H16 | Bomen Effect Analyse (BEA).
Toelichting BEA: een BEA geeft een overzicht van de binnen een project aanwezige bomen (nulmeting), de geplande (bouw) werkzaamheden en de gevolgen die de werkzaamheden hebben voor de binnen de reikwijdte van het project (c.q. werkzaamheden) aanwezige bomen. De BEA brengt risico’s en knelpunten in beeld en geeft een overzicht van de voor de te handhaven bomen benodigde (beschermende) maatregelen en randvoorwaarden.
2.7 Het Werkplan (art. 2.4) moet ten minste bestaan uit een (digitale) werktekening van het werkterrein bovenaanzicht) en een bij het Werkplan behorende toelichting (motivering). Het Werkplan moet zijn opgesteld op basis van een goedgekeurde BEA (art. 2.6). 2.8 In de toelichting (motivering) van het Werkplan moeten minimaal onderstaande gegevens, juist zijn opgenomen en eenduidig (ter goedkeuring art. 2.4) zijn uitgewerkt. WERKPLAN (TOELICHTING) A. Algemene projectgegevens: • Projectnaam (projectkenmerk) • Opdrachtgever en opdrachtnemer (rechtspersoon) en contactgegevens • Projectlocatie en plaats • Beknopte omschrijving en aanleiding van het project • Projectstatus B. Werktekeningen: (weergave op schaal en juist gepositioneerd) • Werkterrein van project (topografische ondergrond met omvang en grenzen van werkterrein) • Bomen binnen het project voorzien van uniek boomnummer (art. 2.9 en 2.13) • Bestaande inrichting werkterrein (actueel), inclusief relevante ondergrondse infrastructuur o.a. kabels en leidingen • Inrichting werkterrein tijdens projectfase (opslag, transport, tijdelijke infrastructuur, werkketen etc.) • Geplande toekomstige inrichting werkterrein volgens projectplan (nieuwbouw, infrastructuur etc.) • Weergave beoogde (project)werkzaamheden (indien van toepassing onderverdeeld in verschillende planfases) • Aanvullende (detail)tekeningen (art.
2.10) voor werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) C. Registratiekenmerken bomen: (volgens eisen Handboek Bomen 2018 | H14 | Dataregistratie bomen) • Boomnummer (Boom-ID) herleidbaar op werktekening (art. 2.9) • Boomsoort: wetenschappelijke naam en Nederlandse naam (volgens: Naamlijst Houtige Gewassen) • Specifiek benoemde beleidsstatus (art. 2.12) • Boomtype, actuele boomhoogteklasse, stamdiameterklasse en kroondiameterklasse • Conditie en toekomstverwachting (zie ook art. 2.3) • Bestaande schades en overige ‘noemenswaardigheden’ (waaronder afwijkingen, ziekten en aantastingen) D. Overige kenmerken bomen: (binnen kwetsbare boomzone = kroonprojectie +1,5 m) • Type maaiveld en het actuele en toekomstige gebruik van het maaiveld • Benodigde en beschikbare vrije doorgang en benodigde obstakelvrije zone(s) • Indien relevant voor het werk: - Ondergrondse en bovengrondse obstakels - Bodemsamenstelling (zand, klei, veen etc.) en bodemgeschiktheid (groeiplaats) - Actuele en toekomstige waterhuishouding (hangwater- | grondwater- | contactprofiel en GWST | GHVG in cm -m.v.) E. Maatregelen en randvoorwaarden te handhaven bomen • Vermelding en motivering: ‘te handhaven’, ‘te vellen’, ‘te verplanten’ of ‘nieuwe aanplant’ • Weergave bomenbalans (art. 2.11) • Uitwerking eisen, randvoorwaarden en (beschermings)maatregelen ‘te handhaven bomen’ (art.
2.5 en 2.18) • Start-, stop- en contactmomenten (art. 2.5) F. Bijlage: BEA-rapportage (art. 2.6)
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER:
41
Indien er binnen de beoogde werkzaamheden sprake is van een (tijdelijke) verlaging of verhoging van de grondwaterstand (art. 2.41 t/m 2.45) dan vallen mogelijk ook bomen buiten het directe werkterrein binnen de invloedsfeer van het werk. Een nadere inventarisatie van de werkelijke invloedsfeer en de daarbinnen betrokken bomen is dan noodzakelijk (art. 2.6). Afgestorven (‘dode’) bomen en bomen met ernstige afwijkingen of bomen met een toekomstverwachting van < 15 jaar moeten (vooraf) gemeld worden, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 4.1. 2q9a ⑨ ⑩⑤③✇②✉✉l, ③② dien ❶ pecifiek voorgeschreven, moeten bestaande bomen binnen de werktekening landmeetkundig worden ingemeten. 2.10 Indien voor de te handhaven bomen relevant (bijvoorbeeld wanneer kritische werkzaamheden moeten plaatsvinden binnen de kwetsbare boomzone, art. 2.15 en art. 2.16) moeten (ter verduidelijking) aanvullend in het Werkplan technische (detail)werktekeningen worden opgenomen. Deze technische (detail)werktekeningen (alsook dwarsprofielen) moeten (op schaal) zijn voorzien van de juiste positionering van de boom (incl. omvang van de kwetsbare boomzone). Tevens voorzien van maatvoeringen en een overzicht en toelichting van beoogde werkzaamheden en dienen als ‘engineeringstekening’ op basis waarvan het feitelijk uitvoeringsplan kan worden berekend en gerealiseerd.
Deze technische (detail)werktekeningen omvatten aanvullend ten minste één of meerdere ‘dwarsprofielen’ waarin de boom en de opbouw van de groei- en standplaatsen en het raakvlak van de beoogde werkzaamheden in detail zijn weergegeven. 2.11 Van bestaande bomen moet expliciet zowel op de werktekening als binnen de toelichting worden weergegeven of ze binnen het Werkplan wel of niet gehandhaafd blijven (keuzeopties: ‘handhaven’, ‘vellen’ of ‘verplanten’). Indien binnen het Werkplan sprake is van nieuw aan te planten bomen moeten deze als zodanig als ‘nieuwe aanplant’ op de werktekening worden aangeduid en in de toelichting worden vermeld. Bomenbalans: In het Werkplan moet een ‘bomenbalans’ worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoeveel bomen er volgens het beoogde werkplan worden aangeplant, gehandhaafd blijven, worden verplant of zullen (moeten) worden geveld. Voor de te handhaven bomen moet tevens worden vermeld bij hoeveel bomen specifieke maatregelen tot behoud nodig zijn. BOMENBALANS • Totaal aan bomen binnen het werkplan • Aantal ‘te handhaven bomen’ (zonder specifieke maatregelen tot behoud) • Aantal ‘te handhaven bomen’ (met specifieke maatregelen tot behoud) • Aantal ‘te vellen bomen’ • Aantal ‘te verplanten bomen’ • Aantal ‘nieuwe aanplant bomen’