CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

9.2.11. Bijlage 7.1 - Ecologische Quickscan Parallelweg 8 te Wapenveld V1.1

Raad 6 mei 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Vaststelling TAM-omgevingsplan Parallelweg 8 Wapenveld6.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

0

Quickscan en voortoets Wet natuurbescherming – De Beeldentuin te Garderen

Ruimte voor Advies 12 september 2021

22 september 2022

Titel Betreft

Ecologische quickscan Parallelweg 8 te Wapenveld in het kader van sloop woonhuis Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie

Parallelweg 8 te Wapenveld

Uitvoering

Ruimte voor Advies Deventerstraat 179 8171 NS Vaassen

Contactpersoon Rapportage

R. Harleman, natuur- en landschapsdeskundige r.harleman@ruimtevooradvies.nl – 06 51 61 35 92 S. Boucherie

Opdrachtgever

De heer D. Buter – 06 48 98 78 88

Datum

22 september 2022

Status

Versie 1.1

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

4

1.2

Beschrijving locatie en ingreep

4

1.3

Opzet onderzoek

4

1.4

Kwaliteitsborging

4

Soortbescherming en beoordeling

7

2.1

Vaatplanten

7

2.2

Broedvogels

7

2.3

Vleermuizen

9

2.4

Grondgebonden zoogdieren

11

2.5

Amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden

12

2.6

Algemeen

12

Gebiedsbescherming

14

3.1

Natura 2000

14

3.2

Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)

14

Conclusies

16

4.1

Overzicht van de bevindingen

16

4.2

Conclusies en aanbevelingen

16

Bijlage A - Wettelijk Kader

3

4

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

18

22 september 2022

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de heer D. Buter voerde Ruimte voor Advies een ecologische quickscan uit op de locatie Parallelweg 8 te Wapenveld. De initiatienemer is voornemens om op de locatie een woonhuis te slopen, het perceel bij het naastgelegen perceel (Parallelweg 7) te betrekken en als tuin in te richten. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, onderdelen ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk.

1.2 Beschrijving locatie en ingreep Het plangebied betreft een woonhuis, welke is gelegen in het landelijke gebied ten zuiden van de bebouwde kom van Wapenveld (gemeente Heerde). Het onderzoeksgebied vormt het woonhuis met het omliggende terrein . Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 465 m2, het woonhuis ongeveer 105 m2 (zie afbeelding 1.1 en 1.2). Het omliggende terrein bestaat uit een verwilderde tuin met algemene tuinplanten, een toegangspad en verharding. Het woonhuis is gedateerd en staat al minimaal 3 jaar leeg. Het bestaat uit met baksteen opgetrokken, halfsteense muren met spouw en deels een hellend pannendak met afgetimmerd dakbeschot. Het achterste deel van de woning heeft een plat dak. Aan de achterzijde is de aangebouwde, houten opslag reeds verwijderd. De gemetselde schoorsteen staat aan de achterzijde van het hellende dak. Het woonhuis heeft één woonlaag met een lage zolder (zie afbeelding 1.3 t/m 1.7). In het onderzoeksgebied zijn houtopstanden aanwezig in de vorm van (verwilderde) tuinplanten en hoge coniferen op de erfgrens naar de aanliggende weide. Aan de voorzijde staat eveneens een haag van Conifeer en markeren twee grote berken de hoeken van het perceel. De berken blijven gehandhaafd. De voorgenomen ingrepen zijn als volgt: • • •

Asbestsanering Sloop van bestaande woning Opschonen en herinrichten terrein

De ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”.

1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en een rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 12 augustus 2022 bezocht. Tijdens dit veldbezoek is de locatie verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van marterachtigen, jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen en de geschiktheid van het gebied als foerageergebied voor verschillende soorten.

1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Ruimte voor Advies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente, provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren zijn niet te geven. Daarvoor is de aard en de 4

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

Afbeelding 1.1 - Luchtfoto plangebied; met rode cirkel wordt globaal het plangebied weergegeven. Bron ondergrond: https://app.pdok.nl/viewer/.

Afbeelding 1.2 - Plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Wapenveld. Ten zuiden van het plangebied ligt Heerde. Bron ondergrond: https://app.pdok.nl/viewer/.

5

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Afbeelding 1.3 – Woonhuis met (verwilderde) tuin

6

Afbeelding 3.4 – Verharding: toegangspad en terras

Afbeelding 2.5 – Aanzicht plangebied met coniferenhagen en berken op de perceelsgrens

Afbeelding 5.6 – Zicht over plat dak

Afbeelding 4.7 – Achterzijde woning

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

2 Soortbescherming en beoordeling De Wet natuurbescherming (Wnb) maakt onderscheid tussen soort- en gebiedsbescherming. Een quickscan ‘soortbescherming’ bestaat uit een verkennende inventarisatie naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect op deze soorten uitgaat. Is er sprake van (een mogelijke) aanwezigheid van een beschermde soort, dan is een vervolgonderzoek nodig.

2.1 Vaatplanten Beschermde soorten zijn niet waargenomen binnen het onderzoeksgebied. Ook zijn geen waarnemingen bekend in de NDFF van beschermde soorten in het onderzoeksgebied. De veldverkenning geeft geen aanwijzing dat dit wel het geval zou zijn. Geschikt biotoop voor dergelijke soorten ontbreekt rondom het woonhuis en de directe omgeving. Het is daarvoor te cultuurlijk ingericht met algemene tuinplanten en -struiken. Een natuurlijke vegetatie ontbreekt. Het onderhoud is achterstallig, waardoor een spontane vestiging van wilde soorten optreedt, dit zijn echter de algemene tuinkruiden en grassen, als Paardenbloem, Canadese fijnstraal en Straatgras (zie afbeelding 2.1). Het onderzoeksgebied leent zich niet voor bijzondere vegetaties. Door het huidige beheer, de voedselrijkdom en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten binnen het plangebied. Effect Binnen het plangebied komen geen beschermde vaatplanten voor en deze worden ook niet verwacht. Een negatief effect op beschermde plantensoorten is uitgesloten.

2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van Huismus in struiken en onder dakpannen. De locatie werd onderzocht op de (mogelijke) aanwezigheid van vogels met vaste, jaarrond beschermde rust- of nestplaatsen. Het gaat hierbij vooral om Huismus, Gierzwaluw, roofvogels en uilen. Binnen het plangebied zijn geen meldingen in de data van NDFF bekend van Huismus of Gierzwaluw. Voor Huismus geldt dat de verkenning in het veld nader uitsluitsel moet geven of het plangebied een geschikt biotoop is en/of geschikte verblijfplaatsen biedt. Het veldbezoek wijst uit dat het woonhuis geschikt is als verblijfplaats voor Huismus. Het pannendak met holle dakpannen geeft mogelijkheden om de holle ruimtes hieronder te betreden via de dakgoten. Tevens zijn de nokpannen toegankelijk.

Dit geeft voldoende mogelijkheden voor Huismus om zich onder de dakpannen te nestelen (zie afbeelding 2.2). Er zijn tijdens het locatiebezoek geen huismussen gezien of gehoord in het plangebied en rondom de bebouwing. Dit kan echter te maken hebben met het seizoen; het nestelen is voorbij en mussen kunnen zich dan verder in de omgeving ophouden. De echtgenote van de opdrachtgever heeft aangegeven wel Huismus te hebben gezien op het terrein. De aanwezigheid van beschermde nesten van Huismus kan niet worden uitgesloten. Volgens het Kennisdocument Huismus (BIJ12, juni 2022) kan aangenomen worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periodeperiode 1 april t/m 15 mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisaties moeten worden uitgevoerd door een erkend deskundige (voor definitie zie website van de Rijksoverheid) en onder geschikte omstandigheden. Indien nestplaatsen worden aangetroffen in de te slopen bebouwing leiden de werkzaamheden tot overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 7

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

2 (vernielen of beschadigen nestplaatsen) en mogelijk lid 1 (doden) en lid 4 (opzettelijk storen). Er dient in dat geval een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. De ontheffingsaanvraag dient te worden vergezeld van een activiteitenplan waarin onder andere mitigerende en compenserende maatregelen beschreven worden om negatieve effecten tot een minimum te beperken. Maatregelen bestaan onder meer uit het tijdig treffen van tijdelijke en permanente alternatieve verblijfplaatsen en het werken buiten kwetsbare perioden (broedseizoen en strenge vorstperioden). In de beoordeling dient ook de functionele leefomgeving van huismussen (zoals slaapplekken, foerageergebied en schuilmogelijkheden) te worden meegenomen, omdat deze van belang is voor het functioneren van nestplaatsen. Voor Gierzwaluw ontbreken de mogelijkheden voor nest- en verblijfsplaatsen. De aanwezige spleten in de dakranden/boeiboorden zitten te laag boven de grond voor Gierzwaluw, waardoor deze ongeschikt zijn. Tevens is het omliggende gebied is te agrarisch. In het plangebied zijn de afgelopen jaren geen gierzwaluwen gezien, ook uit NDFF-data zijn geen gegevens bekend op deze locatie. De aanwezigheid van deze soort sluiten we uit.

De data uit NDFF vermelden verschillende roofvogels (Boomvalk, Buizerd, Havik, Sperwer, Torenvalk en Wespendief) en uilen (Bosuil, Kerkuil, Oehoe, Ransuil en Steenuil) in een straal van 5 kilometer rondom het onderzoeksgebied. Het veldbezoek wijst uit dat vaste verblijfplaatsen van roofvogels en uilen in het gebied ontbreken. Er zijn geen roestplekken, uitwerpselen, voedselresten, veren en/of braakballen aangetroffen. Ook zijn er geen nestkasten of geschikte nestholtes in de bomen. De woning is ongeschikt als nestlocatie door de afwezigheid van invliegmogelijkheden. Gezien het ontbreken van gebruikssporen kan worden vastgesteld dat het plangebied niet in gebruik is als jaarrond beschermde verblijfplaats van roofvogels of uilen. Het heeft geen wezenlijke functie voor bovengenoemde soorten. Naast de soorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 komen er ook broedvogels van categorie 5 in de omgeving voor. De data van NDFF vermeldt onder andere Boomklever, Boomkruiper, Groene specht, Grote bonte specht, Kleine bonte specht, Koolmees, Pimpelmees en Zwarte kraai nabij het plangebied. Van de soorten die zijn opgenomen in categorie 5 op de lijst met jaarrond beschermde nesten is het nest alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende ecologische redenen of omstandigheden dit rechtvaardigen.

Dit betekent in de praktijk vooral wanneer er weinig tot geen alternatieven in de omgeving zijn en/of wanneer het een relatief groot deel van de populatie betreft. In dit geval zijn er volop alternatieven in de omgeving beschikbaar waardoor de staat van instandhouding met zekerheid niet in het geding komt en de eventuele nesten van deze soorten niet jaarrond beschermd zijn. Van deze soorten is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent en vrijwillig verlaten hebben. Overige broedvogels De opgaande begroeiing op en rondom het terrein is geschikt voor algemene broedvogels zoals Merel, Roodborst, Winterkoning en Houtduif. Tijdens het broedseizoen is er een aanzienlijke kans op broedgevallen van deze soorten in de opgaande begroeiing in en rond het plangebied. Tevens is tijdens veldbezoek geconstateerd dat er nesten zitten in de luchtaanvoerkanalen in de muur (zie afbeelding 2.3). Werkzaamheden tijdens de broedperiode van de te verwachte soorten kunnen leiden tot sterk negatieve effecten op broedende vogels. Het verstoren of vernielen van bezette nesten is een overtreding van de Wet natuurbescherming artikel 3.1 lid 2 (opzettelijk vernielen, beschadigen of weghalen van nesten of rustplaatsen) en lid 4 (opzettelijk verstoren) en dient altijd voorkomen te worden.

Negatieve effecten op broedvogels zijn te voorkomen door werkzaamheden binnen de invloedsfeer van nestplaatsen te starten buiten het broedseizoen. Tijdens het broedseizoen kunnen de werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat kort voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ecologische deskundige een broedvogelcheck heeft uitgevoerd en heeft bepaald dat binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden geen broedgevallen aanwezig zijn. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode, uitsluitend van belang is de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Indicatief wordt vaak de periode half maart – half augustus gehanteerd, omdat in deze 8

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

periode de kans op broedgevallen het grootst is, maar eerdere of latere broedgevallen van met name Houtduif kunnen voorkomen. Van de te verwachten broedvogels is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent en vrijwillig verlaten hebben. Worden toch bezette nesten aangetroffen dan dienen werkzaamheden met een mogelijk negatief effect te worden uitgesteld totdat de ouders klaar zijn met broeden en de jongen zelfstandig het nest definitief hebben verlaten. Effect De aanwezigheid van Huismus kan niet worden uitgesloten. Hierdoor kan een negatief effect op de jaarrond beschermde nesten van Huismus optreden. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om aan- of afwezigheid van vaste nestplaatsen vast te stellen. Zijn deze aanwezig dan leiden de sloopwerkzaamheden tot overtreding van één of meer verbodsbepalingen van de Wnb en is een ontheffing van de provincie Gelderland vereist. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op overige vogels met jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaatsen van categorie 1 t/m 4, doordat deze niet in de te slopen bebouwing of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden nestelen. Aanwezigheid van Gierzwaluw, uilen en roofvogels in de woning is uitgesloten.

Het plangebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor roofvogels en uilen, maar dit blijft in de nieuwe situatie eveneens het geval. Een negatief effect kan optreden voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen categorie 5 en algemene broedvogels wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. De kans op broedgevallen tijdens het broedseizoen is groot. Nesten kunnen worden vernield of dusdanig verstoord dat broedvogels hun nest definitief verlaten, dit leidt tot een verbodsbepaling zoals genoemd in artikel 3.1, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Het is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (in de periode half maart - half augustus) of om vlak voor de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te laten voeren door een ecologisch deskundige (volgens definitie van de RVO) om aan te tonen dat broedgevallen niet aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.

2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop, renovatie en bomenkap zijn de laatste decennia veel daadwerkelijke en potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn beschermd. Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF in de laatste 5 jaar waarnemingen bekend van Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Laatvlieger en Watervleermuis. Daarnaast is de bosrijke omgeving geschikt voor Gewone grootoorvleermuis, Meervleermuis en Brandts vleermuis. De verkenning in het veld moet uitwijzen of het plangebied mogelijk geschikte holten of sporen van een verblijfplaats vertoont. Van deze soorten zijn met name Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger gebonden aan gebouwen; de andere soorten komen ook of voornamelijk in holtes in bomen voor. Het plangebied kan daarom van betekenis zijn. Verblijfplaatsen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten wordt voornamelijk in gebouwen of holtes in bomen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn.

Daarnaast zijn er vleermuissoorten die hoofdzakelijk in bomen verblijven. Holten, scheuren en ruimtes achter losse stukken bast vormen bijvoorbeeld geschikte verblijfplaatsen. Er zijn ook soorten die zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen. Tijdens het locatiebezoek is de woning geïnspecteerd op aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen. De woning biedt mogelijk geschikte kraam-, zomer-, paar- en kleine winterverblijfplaatsen. Via onder 9

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

andere de open stootvoegen in de muren, de spleten in de boeidelen, in de holtes tussen het plafond van de aanbouw, achter het zonnescherm en langs de dakpannen zijn op potentiële verblijfplaatsen te bereiken, bijvoorbeeld tussen pannen en dakbeschot, achter boeiplanken en in de spouw. De openingen zijn met name geschikt voor zowel Gewone dwergvleermuis als Ruige dwergvleermuis (zie afbeelding 2.4 en 2.5). Voor de grotere soorten als Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis en Meervleermuis is de bebouwing minder geschikt; het is een relatief klein object, laag en weinig oppervlak. De sloop van de woning leidt mogelijk tot verstoring of vernieling van jaarrond beschermde vaste rustof voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen kunnen gedood en verwond worden tijdens de werkzaamheden. De werkzaamheden kunnen daarom leiden tot overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden of verwonden), lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen) van de Wet natuurbescherming. Het uitvoeren van nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of vleermuizen daadwerkelijk verblijfplaatsen in de woning hebben en zo ja, om welke soort en welke functies (zomer-, kraam- en/of paarverblijfplaats) het gaat. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (opgesteld door onder andere Zoogdiervereniging, NGB en GAN).

Dit houdt in minimaal vijf gerichte nachtelijke inventarisaties tussen half mei en eind september, uitgevoerd door erkend deskundigen zoals genoemd in het protocol. Wanneer verblijfplaatsen worden aangetroffen, dient bij de provincie Gelderland een ontheffing aangevraagd te worden. In dat geval dient ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag een activiteitenplan te worden opgesteld om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het tijdig aanbieden van geschikte alternatieven, het werken buiten de kwetsbare perioden en het aanpassen van de werkwijze. Ook moet er sprake zijn van een in de Habitatrichtlijn genoemd wettelijk belang en moet alternatievenafweging plaatvinden. Tijdens het locatiebezoek werden er in de aanwezige bomen geen geschikte holten, scheuren of andere mogelijke verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten aangetroffen. Daarbij blijven de bomen behouden. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen de begroeiing rondom het plangebied gebruiken om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied. Vleermuizen gebruiken de lijnvormige landschappelijke structuren, zoals de hoge haag, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied. De begroeiing maakt mogelijk deel uit van een vliegroute van vleermuizen.

De bomen en daarmee de mogelijke functie als foerageergebied en vliegroute blijven echter behouden. Lichtverstoring van foeragerende vleermuizen kan zich voordoen wanneer tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van bouwlampen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Het is van belang om lichtverstoring op foeragerende vleermuizen te voorkomen. Door een toename van verlichting raken vleermuizen gedesoriënteerd en vinden hun weg niet terug naar hun verblijfplaatsen. Vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) dient een toename van verlichting voorkomen te worden tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Het voorkomen van lichtverstoring kan door zowel tijdens de realisatiefase als de gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen en buitenverlichting te voorkomen. Gebruik zo nodig afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik eventueel vleermuisvriendelijke verlichting (zogeheten ‘batlampen’) en plaats niet meer verlichting dan nodig. De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van april t/m november, waarbij ze tussen zonsondergang en zonsopkomst daadwerkelijk vliegen en gevoelig zijn voor verstoring. Te allen tijde mag de verlichting niet gericht zijn op de boomkronen.

Effect Het te slopen woonhuis is (mogelijk) geschikt als vaste rust- en voortplantingsplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om aan- of afwezigheid van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen vast te stellen. De bomen blijven behouden, waardoor 10

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

negatieve effecten op vleermuisverblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn uitgesloten. Het doen van nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet nodig. De voorgenomen ingreep heeft geen negatief effect op vaste vliegroutes of essentieel foerageergebied van vleermuizen. De bomen blijven behouden. Negatieve effecten op vaste vlieg- en migratieroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen zijn voor het plangebied uitgesloten. Voorkom vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming lichtverstoring op het niet essentieel foerageergebied en passerende vleermuizen tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Zorg dat te allen tijde geen verlichting gericht is op de boomkronen en gebouwen. Nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing zijn niet aan de orde wanneer lichtverstoring voorkomen wordt.

2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters, die vanuit de omgeving toegang hebben tot het terrein. In de omgeving van het plangebied zijn binnen de laatste 5 jaar vanuit de NDFF waarnemingen bekend van de volgende (niet-vrijgestelde) beschermde, grondgebonden zoogdiersoort: Boommarter, Bunzing, Das, Edelhert, Eekhoorn, Otter, Steenmarter, Wild zwijn en Wolf. Daarnaast komen diverse algemene grondgebonden zoogdieren voor in de omgeving van het plangebied, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt: Egel, Haas, Konijn, Ree, Vos en algemene (spits)muisachtigen. Het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats of leefgebied voor beschermde zoogdiersoorten door de cultuurlijke inrichting, het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen, de hoge mate van menselijke verstoring en het intensieve terreingebruik. In en rond het onderzoeksgebied zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van (vaste rust- of verblijfplaatsen) van beschermde soorten zoogdieren. De bomen zijn onderzocht op nesten van Eekhoorn; de opgehangen nestkast voor Eekhoorn blijft onbewoond. Steenmarter kan voorkomen op rommelige erven en kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden in de buurt.

Mogelijke potentieel geschikte plekken binnen het plangebied zijn onderzocht; dit zijn de ruimte tussen plafond en het platte dak aan de achterzijde van de woning en de zolder van de woning. Deze kunnen dienen als rust- of voortplantingsplaats voor Steenmarter. Tijdens de inspectie werden echter nergens uitwerpselen, prooiresten, krabsporen of andere sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van Steenmarter. De zolder is niet toegankelijk voor Steenmarter, deze is aan de binnenzijde afgetimmerd. De andere geschikte ruimte kon volledig worden geïnspecteerd. Vaste rust- of voortplantingsplaatsen van Steenmarter worden daarom als afwezig beschouwd. Voor de overige beschermde grondgebonden zoogdieren betreft het hier weinig geschikt foerageergebied en ongeschikt leefgebied en de aanwezigheid is uitgesloten. Het is niet uitgesloten dat Egel voorkomt in de verruigde delen op het terrein. Bosschages op en rondom het terrein kunnen gebruikt worden om te foerageren voor marterachtigen en Egel, maar is met zekerheid geen onderdeel van een essentieel foerageergebied gezien het beperkte oppervlak (hooguit enkele tientallen vierkante meters). Er zijn voldoende mogelijkheden in de omgeving. Rommelige plekken met afgevallen bladeren onder struiken en bosschages kunnen door Egel en kleine marterachtigen als vaste rust- en verblijfplaats en overwinteringsplaats dienen.

Het gebied verandert echter niet wezenlijk en er zijn geschiktere plekken in de bosranden en andere, rustigere terreindelen. Algemene zoogdiersoorten, zoals Veldmuis, Huisspitsmuis en Huismuis, komen vrijwel zeker op en rond het erf voor. De hoekjes met dichte, ruige begroeiing lenen zich als verblijfplaats voor deze soorten (zie afbeelding 2.6). Voor de te verwachten soorten geldt een provinciale vrijstelling van de ontheffingsplicht voor het overtreden van verbodsbepalingen in geval van ruimtelijke ingrepen.

11

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Effect Het plangebied is geen wezenlijk onderdeel van leefgebied van beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten. Hiervoor is het te cultuurlijk, te intensief in gebruik en is de mate van menselijke verstoring te hoog. In de woning zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van Steenmarter. Verruigde delen met afgevallen bladeren onder struiken en bosschages kunnen door Egel en kleine marterachtigen als vaste rust- en verblijfplaats en overwinteringsplaats dienen. Het gebied verandert echter niet wezenlijk en er zijn voldoende en geschiktere plekken te vinden in de nabije omgeving. De bomen en begroeiing blijven onaangetast. Negatief effect op vaste verblijfplaatsen en functionele leefomgeving van beschermde, grondgebonden zoogdieren door de voorgenomen ingrepen wordt uitgesloten. De effecten op overige, algemene kleine zoogdiersoorten die onbeschermd zijn of waarvoor een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen geldt, is dit eveneens het geval. Het uitvoeren van nader onderzoek is voor wat betreft grondgebonden zoogdieren niet nodig.

2.5 Amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden Er zijn vanuit de NDFF geen waarnemingen van amfibieën bekend vanuit het plangebied. Wel zijn er in de wijdere omgeving maar liefst acht soorten waargenomen. Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker en Kleine watersalamander zijn algemene soorten waarvoor een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen geldt. Zwaarder beschermde soorten als Kamsalamander, Poelkikker en Rugstreeppad (allen HR) zijn in de wijdere omgeving waargenomen. Aanwezigheid van deze zwaarder beschermde soorten in het plangebied is uitgesloten door het ontbreken van voortplantingswater voor amfibieën. Uitsluitend als landhabitat voor de Bruine kikker en Gewone pad, algemene amfibiesoorten die zich buiten de voortplantingsperiode relatief ver van water kunnen begeven, zijn de begroeide delen van het terrein geschikt. Tijdens veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. Reptielen worden voornamelijk aangetroffen in overgangen tussen bos en heide of bijvoorbeeld hoogveen. De Ringslang komt bovendien in waterrijke gebieden zoals uiterwaarden voor. NDFF meldt in de wijdere omgeving Hazelworm, Levendbarende hagedis en Zandhagedis. Het onderzoeksgebied voldoet aan geen van de voorwaarden die deze reptielen aan hun leefomgeving stellen.

Ook voor zwaar beschermde of bedreigde dagvlinders, libellen en andere soortgroepen ontbreken de vaak zeer specifieke voorwaarden die ze aan hun leefgebied stellen. Het is daarom uitgesloten dat dergelijke soorten hier voorkomen. Effect Negatieve effecten op beschermde, niet-vrijgestelde amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. Er is geen nader onderzoek naar deze soortgroepen nodig.

2.6 Algemeen •

•

12

Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en moet contact opgenomen worden met een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Afbeelding 2.1 – Algemene vaatplanten als Paardenbloem, Afbeelding 2.2 – Via de dakgoot is er toegang tot de holle Kleine leeuwentand, Grote brandnetel en Engels raaigras. ruimtes onder de dakpannen voor Huismus.

2.3– Zicht – Luchtdoorlaat De open stootvoegen Afbeelding 7.6 over plat dak met nestmateriaal van Afbeelding 2.4 6.7 – Achterzijde woning geven toegang tot de mogelijk Roodborst of Winterkoning. spouw voor vleermuizen.

Afbeelding 2.5 – Ook de ruimtes achter kieren bij boeiboorden en dakafwerking en de toegankelijke ruimte onder het platte dak zijn mogelijke verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen.

13

Afbeelding 2.6 – Verruigde delen op het terrein kunnen dienen als foerageer- of verblijfplek voor Egel en kleine marterachtigen. Er zijn echter voldoende en geschiktere plekken in de nabije omgeving voor deze soorten.

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

3 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming maakt onderscheidt tussen soort- en gebiedsbescherming. Bij het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ wordt de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland, en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect uitgaat, behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig.

3.1 Natura 2000 Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op minimaal 350 meter in westelijke richting (zie afbeelding 3.1 van het plangebied). De aard van de voorgenomen werkzaamheden maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de aard en schaal van het project zijn directe negatieve effecten op aangewezen soorten en habitattypen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. De stikstofuitstoot verandert niet wezenlijk. De woning stond al enkele jaren leeg. Het gebruik van het terrein (tuin) is voor zover bekend na de ingreep niet anders dan het huidige gebruik. Mocht in de toekomst het gebruik intensiever worden door veranderd gebruik, bijvoorbeeld bewoning, dan is het niet op voorhand uit te sluiten dat het nieuwe gebruik leidt tot significante effecten op doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en - soorten. Met behulp van de online rekentool AERIUS Calculator kan berekend worden of er sprake is van mogelijk significante effecten door stikstofdepositie op Natura 2000gebieden en of vervolgstappen zoals aanvullende toetsing en/of een vergunningaanvraag aan de orde zijn. Effect Gezien de aard van de ontwikkelingen en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Verdiepende toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden is niet aan de orde, tenzij het toekomstig gebruik verandert.

3.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. GO ligt op 30 meter ten westen, GNN ligt daarachter op 180 meter (zie afbeelding 3.2). Voor het GNN en GO geldt bij kleinschalige projecten geen externe werking. Effect De ontwikkelingen leiden niet tot externe negatieve effecten op de kernkwaliteiten en doelstellingen van het van het GNN en GO, doordat het plangebied buiten deze zones ligt. Het uitvoeren van een ‘nee, tenzij’toets is niet aan de orde.

14

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Afb. 3.1 - De (globale) ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (groen gearceerd). De afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied bedraagt minimaal 350 meter. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden door de aard van de voorgenomen werkzaamheden niet verwacht. Bron: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=6b1adc4e421a4c7ebcb84d7c12cb7af6

Afb. 3.2 - De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het GNN (donkergroen) en de GO (lichtgroen). Het plangebied ligt pal naast GO en op geringe afstand van het GNN. Negatieve effecten op de ecologische doelstellingen en kernkwaliteiten van GNN en GO worden niet verwacht door de aard van de ingreep. Bron: https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=7ee7f076e44b48f18d36528e9f9d1d87

15

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

4 Conclusies 4.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming

Aanwezig

Effect

Aanbevelingen

Flora – beschermde soorten Vogels – jaarrond beschermde nesten Vogels – algemene broedvogels Vleermuizen – verblijfplaatsen Vleermuizen – vliegroutes Vleermuizen – essentieel foerageergebied Zoogdieren – gebouwbewonend Zoogdieren – grond- en boombewonend Zoogdieren – vrijgestelde soorten Overige beschermde soorten

nee mogelijk mogelijk mogelijk mogelijk nee geen mogelijk mogelijk mogelijk

geen mogelijk mogelijk mogelijk geen geen geen geen geen geen

geen zie bij 4.2 zie bij 4.2 zie bij 4.2 zie bij 4.2 zie bij 4.2 geen geen zorgplicht zorgplicht

Gebiedsbescherming

Aanwezig

Effect

Aanbevelingen

Natura 2000 – doelsoorten/habitattypen Natura 2000 – stikstof GNN GO

nee n.v.t. nabij nabij

geen geen, tenzij geen geen

zie bij 5.2 zie bij 5.2 zie bij 5.2 zie bij 5.2

4.2 Conclusies en aanbevelingen Soortenbescherming

•

•

•

•

•

16

Vogels - Jaarrond beschermde nesten De sloopwerkzaamheden van het woonhuis leiden mogelijk tot aantasting van vaste, jaarrond beschermde nestplaatsen van Huismus. Er is nader onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van Huismus, genoemd in artikel 3.1 lid 1 (doden), lid 2 (beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten en eieren) en/of lid 4 (opzettelijk verstoren van vogels); Wanneer er nestlocaties van Huismus aanwezig zijn, dient ontheffing te worden aangevraagd. Een onderdeel van een ontheffing is een activiteitenplan. Hierin wordt onder andere de mate en wijze van compensatie, mitigatie, de juiste periode van uitvoering en de gunstige staat van instandhouding behandeld. Vogels – algemene broedvogels Voer mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit of neem voorafgaand van het broedseizoen maatregelen om vestiging van broedgevallen binnen verstoringsgevoelige delen van het plangebied te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door beplanting sterk terug te snoeien of te rooien vóór half maart. Het broedseizoen is geen vaste periode, maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Bij start van de werkzaamheden tijdens het broedseizoen is een broedvogelcheck door een erkend deskundige noodzakelijk om aanwezigheid van broedgevallen te onderzoeken.

Indien nodig worden werkzaamheden uitgesteld totdat eventuele nesten verlaten zijn. Vleermuizen Het woonhuis is geschikt als mogelijke verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals Laatvlieger, Gewone en Ruige dwergvleermuis. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of vleermuizen daadwerkelijk het gebouw gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats; Het onderzoek bestaat uit twee nachtelijke inventarisaties in de periode 15 augustus – 30 september en drie nachtelijke inventarisaties in de periode 15 mei - 15 juli onder de juiste

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

omstandigheden. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021; •

Wanneer vleermuizen aanwezig zijn, dient er ontheffing te worden aangevraagd en een activiteitenplan te worden opgesteld;

•

Vanuit de zorgplicht is het van belang om onnodige lichtverstoring van het mogelijke foerageergebied en vliegroute te voorkomen. Voorkom lichtverstoring in de actieve periode van vleermuizen. De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van april t/m november, waarbij ze tussen zonsondergang en zonsopkomst daadwerkelijk vliegen en gevoelig zijn voor verstoring.

•

•

T.a.v. zorgplicht en calamiteiten Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dient te worden; Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.

Gebiedsbescherming •

•

17

De voorgenomen ingrepen leiden niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura 2000, GNN en GO). Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden en nadere toetsing aan het GNN of GO zijn niet aan de orde; Mocht in de toekomst het gebruik intensiever worden door veranderd gebruik, dan is het niet op voorhand uit te sluiten dat het nieuwe gebruik leidt tot significante effecten op doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en - soorten. Met behulp van de online rekentool AERIUS Calculator kan berekend worden of er sprake is van mogelijk significante effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en of vervolgstappen zoals aanvullende toetsing en/of een vergunningaanvraag aan de orde zijn.

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Bijlage A - Wettelijk Kader Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies.

Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel. Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HRgebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied, zoals een toename van stikstofemissie en -depositie met mogelijke gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt.

Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) komen voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincie Gelderland. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Binnen het GNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De GO bestaat uit ‘niet-natuurlijke’ elementen van de voormalige EHS zoals infrastructuur en bebouwing. In de GO liggen meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven. De begrenzing en doelstellingen van GNN en GO worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie en -verordening.

Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid 18

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

19

Quickscan Wet natuurbescherming Parallelweg 8 te Wapenveld

22 september 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=0543c98f-c4b4-4f6f-b77c-c95b740eb0aa