CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

8.2. Startnotitie Transitievisie Warmte Gemeente Heerde.docx

Raad 5 juli 2021, gemeente HeerdeBij agendapunt: B Startnotitie warmtetransitie4.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Startnotitie Transitievisie Warmte 1. Inleiding 1.1 Aanleiding In het Nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Dat betekent dat we woningen moeten isoleren en gebruik gaan maken van duurzame warmte. Dit gebeurt niet in een keer, maar stap voor stap in een wijkgerichte aanpak. Als eerste tussendoel is afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen aardgasvrij zijn. Als regisseur van de warmtetransitie stelt iedere gemeente in 2021 een Transitievisie Warmte vast. In de Transitievisie wordt het tijdspad inzichtelijk gemaakt: wanneer kunnen welke wijken of buurten van het aardgas worden afgekoppeld? Daarnaast geeft de Transitievisie Warmte inzicht in de potentiële alternatieven voor de wijken die mogelijk voor 2030 al aardgasvrij kunnen worden. Ten slotte staat in de Transitievisie Warmte hoe de gemeente in het vervolgproces samen met bewoners, woningcorporaties, de netbeheerder en andere betrokkenen de Wijkuitvoeringsplannen gaat maken. In het Wijkuitvoeringsplan wordt een definitieve keuze gemaakt voor het warmtealternatief voor een wijk en het moment waarop het aardgas in de wijk wordt afgesloten. De Transitievisie Warmte wordt elke vijf jaar geactualiseerd. Figuur 1: Samenhang Regionale Structuur Warmte, Transitievisie Warmte en wijkuitvoeringsplannen

1.2 Opgave gemeente Heerde De warmtetransitie is een grote opgave voor Nederland en dus ook voor de gemeente Heerde. Voor Heerde betekent dit dat de ongeveer 7800 woningen die in de gemeente staan aardgasvrij moeten worden voor 2050. Dit doen we stap voor stap en samen met bewoners en andere stakeholders. De afgelopen jaren hebben we al veel stappen gezet. Als gemeente hebben we een aantal maatregelen genomen om bewoners te informeren over de verduurzaming van hun woning. Dit doen we door informatie te verstrekken via het Regionaal Energieloket, de inzet van energiecoaches en acties voor gezamenlijke inkoop. Ook biedt de gemeente Heerde samen met de provincie Gelderland de ‘Toekomstbestendig wonen lening’ aan waarmee bewoners verduurzamingsmaatregelen kunnen financieren. Bovendien zijn alle nieuwbouwwoningen waarvoor vanaf 1 juli 2018 een omgevingsvergunning is aangevraagd aardgasvrij.

1.3 Leeswijzer In deze startnotitie schetsen we in hoofdstuk 2 hoe we buurten gaan prioriteren en hoe we de keuze maken voor de mogelijke alternatieve warmtevoorziening (en). Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op welke strategische rol de gemeente hanteert bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. In hoofdstuk 4 behandelen we de voorgestelde aanpak en planning waarna we ten slotte in hoofdstuk 5 ingaan op de organisatie, communicatie en participatie.

2. Buurtprioritering en keuze voor alternatieve warmtevoorziening In de Transitievisie Warmte wordt in ieder geval antwoord gegeven op de volgende vragen: -

Hoeveel woningen en andere gebouwen worden tot en met 2030 geïsoleerd en/of aardgasvrij gemaakt? Welke alternatieve warmtevoorzieningen zijn kansrijk? Welk warmtealternatief heeft de laagste nationale kosten?

Doel van de Transitievisie Warmtes voor de periode tot en met 2030 is dat circa een vijfde van de gebouwenvoorraad, oftewel 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen, aardgasvrij worden. Voor de gemeente Heerde betekent dit in theorie dat ongeveer 1500 woningen de komende jaren van het aardgas af moeten om deze doelstelling te bereiken. Ook het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen is onderdeel van deze aanpak. Daarnaast staat in het Klimaatakkoord dat de gemeente in de Transitievisie Warmte, voor de wijken waar voor 2030 wordt begonnen, aan moet geven welke betaalbare, betrouwbare en duurzame alternatieven in de wijk of de buurt mogelijk zijn. Dit kunnen meerdere opties per wijk zijn, waarbij de definitieve keuze pas in de volgende fase (opstellen wijkuitvoeringsplannen) wordt gemaakt. Het benoemen van dergelijke voorkeursoptie(s) in de Transitievisies Warmte kan meer duidelijkheid geven over de waarschijnlijke richting en consequenties voor bewoners en gebouweigenaren. Dit geeft handelingsperspectief aan inwoners, de netbeheerder en andere stakeholders. Ten slotte geeft de gemeente in de Transitievisie Warmte aan welk alternatief voor aardgas de laagste nationale kosten heeft. Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) een strategie uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt.

In de berekening daarvan zijn ook de baten van energiebesparing verrekend. Wie de nationale kosten uiteindelijk gaat betalen en met name hoe die kosten over eindgebruikers (burgers, bedrijven en overheden) verdeeld worden, hangt af van hoe en welke belastingen, heffingen en subsidies worden ingezet en hoe wetten en regelingen worden aangepast, zoals de Warmtewet en de Energiewet.

2.1 Buurtprioritering Het Programma Aardgasvrije Wijken stelt een aantal criteria voor op basis waarvan gemeenten een afwegingskader kunnen maken voor de buurtprioritering. Hierdoor wordt duidelijk in welke buurten het logisch lijkt om te starten en welke buurten later aan de beurt komen. Op basis hiervan kan gekeken worden hoeveel buurten de gemeente wil aanwijzen in de Transitievisie Warmte waar voor 2030 wordt gestart. De volgende tien criteria worden onderscheiden: 1. Lage nationale kosten: In welke wijk of buurt zijn de totale kosten van de overstap naar een aardgasvrij alternatief het laagst? 2. Eindgebruikerskosten: Waar zijn de kosten voor de bewoner het laagst? 3. Robuustheid van de resultaten: Waar heeft een alternatieve warmtevoorziening duidelijk lagere kosten dan andere alternatieven? 4. Investeringsagenda infrastructuur: Waar zijn de komende jaren werkzaamheden gepland in de ondergrond, zoals vervanging van riolering, water- of gasleidingen of andere wegopbrekingen? 5. Investeringsagenda vastgoedeigenaren: De natuurlijke herinvesteringsmomenten van lokale vastgoedeigenaren (m.n. woningcorporaties) met betrekking tot het renoveren van vastgoed en/of sloop- en –nieuwbouwplannen. 6. Buurtontwikkeling: Waar zijn grootschalige nieuwbouw- of transformatieprojecten? 7.

Lokaal buurtinitiatief: Zijn er inwoners en/of bedrijven die zelf al een initiatief hebben om hun buurt te verduurzamen? 8. Sociale kenmerken van een buurt: Wanneer in een buurt draagvlak is voor de warmtetransitie of waar inwoners draagkracht hebben om te investeren kan dit een reden zijn om een buurt te prioriteren. 10. Contracteerbaarheid: In buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het contracteren van de warmtevraag eenvoudiger omdat maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeven te worden gemaakt. 11. Waarde van het aardgasnet: Liander investeert in het aardgasnet, als het aardgasnet niet lang geleden is aangelegd, heeft deze nog een hoge waarde. Het is voor Liander daarom wenselijk om te beginnen in buurten waar de waarde van het aardgasnet het laagst is. Samen met de netbeheerder en de woningcorporatie gaan we in gesprek over welke criteria we terug willen laten komen in het afwegingskader. Op basis van dit afwegingskader bekijken we welke buurten we willen prioriteren en welke buurten later aan de beurt komen.

2.2 Bepalen van ambitie Het is aan de gemeenteraad om te bepalen welke ambitie zij wil hanteren bij het maken van de buurtprioritering en met hoeveel Wijkuitvoeringsplannen wordt gestart. Het Klimaatakkoord geeft geen richtlijn hoe groot een buurt moet zijn voor het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan. Het is dus aan de gemeente om vast te stellen wat het geografisch afgebakende gebied is dat onderwerp is van het desbetreffende Wijkuitvoeringsplan. Verstandig is om daarbij te kijken naar bijvoorbeeld soortgelijke gebouwen (van vergelijkbare grootte of bouwjaar). Een indeling die gebruikt kan worden, is de wijk- of buurtindeling van het CBS. Niet voor elke CBS-buurt zal echter gelden dat dit een logische indeling is voor het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan. Het adviesbureau Andersson Elffers Felix, dat een doorrekening heeft gemaakt van de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord, schat in dat voor de Wijkuitvoeringsplannen uit kan worden gegaan van een gemiddelde tussen de 650 en 950 woningen. Voor Heerde betekent dit dat er tussen 8 en 12 Wijkuitvoeringsplannen gemaakt moeten worden. De inschatting is dat een

Wijkuitvoeringsplan gemiddeld 2 jaar kost om op te stellen en 6 á 7 jaar om uit te voeren. Een Wijkuitvoeringsplan moet daarnaast 8 jaar voor het afsluiten van het aardgas vastgesteld zijn. Het opstellen van een Wijkuitvoeringsplan kost voor een kleine gemeente zoals Heerde een inzet van ongeveer 0,8 – 1,1 fte per Wijkuitvoeringsplan per jaar. Dit omvat de inzet voor de communicatie en participatie, projectcoördinatie, contact met woningcorporatie en warmteleveranciers en beleidswerk om meekoppelkansen met andere ontwikkelingen te bewaken. Voor de uitvoering van de Wijkuitvoeringsplannen en het begeleiden van bewoners wordt de benodigde inzet geraamd op 1,7 – 2,1 fte per Wijkuitvoeringsplan per jaar voor kleine gemeenten. De eerste ervaringen die nu in gemeenten worden opgedaan, wijzen erop dat de benodigde inzet voor de eerste Wijkuitvoeringsplannen laag is ingeschat, daarentegen zal de benodigde inzet in de loop der jaren lager worden vanwege het leereffect. Om de ambitie van de gemeente Heerde te bepalen, werken we verschillende scenario’s uit op basis van de technische mogelijkheden, inzet van de gemeente en de mogelijkheden van netbeheerder, woningcorporatie en inwoners. De verschillende scenario’s worden voorgelegd aan de gemeenteraad.

2.3 Keuze voor een alternatieve warmtevoorziening In de Transitievisie Warmte wordt aangegeven welke warmtevoorziening de gemeente op dit moment ziet als meest waarschijnlijke alternatief voor aardgas. Dit beeld wordt gegeven op basis van de nu bekende inzichten. Het kan ook zijn dat er voor sommige buurten nog geen keuze kan worden gemaakt. De Transitievisie Warmte wordt minimaal eens per 5 jaar herijkt om nieuwe inzichten over warmtetechnieken en kosten mee te kunnen nemen. De Transitievisie Warmte geeft een eerste voorlopig beeld van de verwarmingstechnieken. Pas bij het maken van de wijkuitvoeringsplannen wordt samen met de bewoners van een wijk of buurt een definitieve keuze gemaakt. Regionale Structuur Warmte en onderzoek RWZI Binnen de Cleantech Regio is al onderzoek gedaan naar het bovengemeentelijk aanbod en de vraag naar duurzame warmte voor de Regionale Structuur Warmte (RSW), onderdeel van de RES. Voor het opstellen van de RSW is onderzocht of er op lokaal niveau gebruik gemaakt kan en gaat worden van de bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben of buiten de eigen gemeenten liggen. Hieruit is duidelijk geworden dat er weinig potentie is voor warmtenetten in de gemeente Heerde omdat de dichtheid van de warmtevraag erg laag is. Deze lage warmtevraagdichtheid resulteert naar alle waarschijnlijkheid in individuele oplossingen en/of kleine collectieve oplossingen.

In het kader van de RSW heeft RHDHV binnen de provincie Gelderland een aantal haalbaarheidsstudies uitgevoerd. Onder andere naar de haalbaarheid van een warmtenet in Heerde (lage temperatuur via TEO/TEA). Uit deze studie kwam naar voren dat een warmtenet, technisch gezien, mogelijk is. Verder onderzoek naar de (financiële) haalbaarheid van een dergelijk warmtenet is nodig. Zowel de RSW als de haalbaarheidsstudie RWZI gebruiken we als informatiebron bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. Startanalyse Het Rijk ondersteunt de gemeenten bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. Dit doet zij onder andere door informatie te verstrekken via het Expertise Centrum Warmte en het aanbieden van de Startanalyse die is opgesteld door het PBL. De Startanalyse is gemaakt op basis van landelijke data en biedt op buurtniveau voor vijf warmtestrategieën een eerste beeld van de technisch-economische

gevolgen (zoals nationale kosten, energievraag, CO2-reductie). Het is belangrijk om de Startanalyse te verrijken met een eigen analyse op basis van lokale data. Vijf warmtestrategieën De volgende warmtestrategieën zijn doorgerekend in de Startanalyse: Strategie 1: Individuele elektrische warmtepomp Dit is een all-electric strategie met woningisolatie tot schillabel B. De gebouwen in de wijk worden verwarmd met een elektrische warmtepomp (WP), voorzien van een buffervat. De radiatoren worden vervangen door een lagetemperatuur (LT-) afgiftesysteem zoals vloerverwarming of LT-radiatoren. Van deze strategie zijn twee varianten doorgerekend in de Startanalyse: een lucht-WP en een bodem-WP. Strategie 2: Warmtenet met midden- of hoge temperatuurbron In deze strategie worden gebouwen verwarmd met een warmtenet met een aflevertemperatuur op het middenniveau (70°C). Het net wordt gevoed door warmtebronnen met een temperatuur van 70°C of hoger. De piekketels draaien op groengas. Er zijn varianten doorgerekend op basis van verschillende warmtebronnen (industriële restwarmte of geothermie) en op basis van verschillende schillabels (B en D). Strategie 3: Warmtenet met lagetemperatuurbron Deze strategie bestaat uit verwarming met een warmtenet dat wordt gevoed met lagetemperatuurbronnen.

De temperatuur is te laag om direct warm tapwater te maken en ook voor ruimteverwarming zijn aanpassingen nodig. De warmte wordt op een hoge temperatuur (70°C) gebracht. Dit kan collectief (voor een groep gebouwen) of individueel (in de woning). Er worden varianten doorgerekend op basis van schillabel B en D. Strategie 4: Groengas In deze strategie wordt gerekend met groengas. Een hybride warmtepomp of een standaard HR-ketel levert de warmte tot het gewenste temperatuurniveau voor ruimteverwarming en warm tapwater. De hybride warmtepomp maakt gebruik van een buitenunit, die is bevestigd aan het gebouw of die in de buurt van het gebouw staat. Buitenlucht en gas zijn in die variant de belangrijkste energiebronnen. De gasbrander wordt ingezet als het vermogen van de warmtepomp onvoldoende is voor de ruimteverwarming of tapwatervoorziening. Dit kan ook een warmtepomp zijn die naast de bestaande HR-ketel geplaatst wordt. Er zijn varianten doorgerekend op basis van verschillende schillabels (B en D). Strategie 5: Waterstof In deze strategie wordt gerekend met waterstof. De strategie is vergelijkbaar met S4 Groengas en werkt ook met een hybride warmtepomp of een HR-ketel. In deze variant moeten de warmtepomp en HR-ketel wel geschikt zijn voor het gebruik met waterstof. Net als bij S4 zijn ook voor deze strategie varianten doorgerekend op basis van verschillende schillabels (B en D).

Onzekerheid groengas en waterstof De huidige beschikbaarheid van groengas is beperkt. Hoewel het Rijk inzet op het vergroten van de beschikbare hoeveelheid groengas, zal het waarschijnlijk ook in de toekomst schaars zijn waarbij de vraag (uit industrie, transport en gebouwde omgeving) groter is dan het aanbod. Het Rijk beschouwt groengas als sluitstuk in de energietransitie dat dáár ingezet moet worden waar geen (betaalbare) alternatieven voorhanden zijn. Deze factoren maken het lastig om nu al toekomstbestendige keuzes te maken over de inzet van groengas. Daarom ligt het niet voor de hand om de warmtetransitie te beginnen met de inzet van groengas. Over waterstof bestaat een nog grotere onzekerheid dan over de beschikbaarheid van groengas. Alles wijst erop dat de waterstof tot 2030 in de gebouwde omgeving alleen nog in pilots wordt toegepast. De toekomstige beschikbaarheid van waterstof voor de gebouwde omgeving is afhankelijk van het op gang komen van een (internationale) waterstofmarkt, technische ontwikkelingen om opschaling mogelijk te maken en de vraag vanuit verschillende sectoren. Ook na 2030 is het onzeker of er voldoende waterstof beschikbaar komt om alle buurten van waterstof te voorzien. Bij beperkte beschikbaarheid is het verstandig om alleen gebouwen en buurten op waterstof aan te sluiten die moeilijk op een andere wijze te verduurzamen zijn.

Hoewel de nationale kosten een essentieel onderdeel vormen bij het programmeren voor de wijkgerichte aanpak, raad het Expertise Centrum Warmte ten zeerste af om in de Transitievisie Warmte te kiezen voor de inzet van duurzaam gas in buurten die voor 2030 aan de beurt zijn, óók als die strategieën de laagste nationale kosten hebben. Tot in ieder geval 2030 vormen de strategieën op basis van duurzaam gas geen reële optie voor de transitie in de gebouwde omgeving. Zij adviseren om een robuust plan te ontwikkelen door te beginnen met de buurten waar met zekerheid een logisch en betaalbaar alternatief voorhanden is. Het is beter om duurzame gassen te bewaren voor de oude buurten met monumentale panden waar het ook op de lange termijn de meest kosteneffectieve en misschien enige oplossing is. Door te kijken naar de technieken met de laagste nationale kosten (uitgedrukt in besparing in euro’s per ton CO2) wordt duidelijk welke techniek de meest voordelige oplossing biedt om van het aardgas af te gaan, de kosten voor iedereen zo laag mogelijk te houden en tegelijkertijd zoveel mogelijk CO2 te besparen. De Startanalyse verrijken we met lokale data. Waar nodig worden aanpassingen gedaan op de analyse, bijvoorbeeld wanneer de bron die het PBL heeft voorzien niet voldoende geschikt lijkt voor warmtelevering aan de desbetreffende buurt.

We kiezen voor een robuust en kosteneffectief plan door te beginnen met de buurten waar met zekerheid een logisch en betaalbaar alternatief voorhanden is. We focussen ons daarom voor de eerste wijken op strategie 1, strategie 2 en strategie 3.

3. Welke strategische rol kiest de gemeente? In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regierol krijgen in de warmtetransitie. Gemeenten kunnen op verschillende manieren invulling geven aan deze rol. De Argumentenfabriek heeft in opdracht van het Kennis- en Leerprogramma Aardgasvrije Wijken een afwegingskader opgesteld om gemeenten te helpen bij het kiezen van deze strategische rol. De keuze is onder andere afhankelijk van de inhoudelijke afwegingen, de wijze waarop de gemeente wil omgaan met de omgeving en de beschikbare capaciteit en financiële middelen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende rollen: -

de afwachtende regisseur de procesregisseur,

-

de sturende regisseur de integrale regisseur.

Een gemeente kan uiteraard andere rollen of een combinatie van rollen kiezen en kan tijdens het proces ook wisselen van rol. De afwachtende regisseur De afwachtende regisseur gaat niet sneller dan wettelijk verplicht is. Hij houdt nauw in de gaten in hoeverre er draagvlak is voor de warmtetransitie binnen zijn gemeente. Tempo heeft geen prioriteit en er worden in de Transitievisie Warmte ook weinig tot geen buurten aangewezen als aardgasvrij voor 2030. Bovendien vindt de afwachtende regisseur het belangrijk om de ontwikkeling van bepaalde technieken af te wachten. De procesregisseur De procesregisseur vindt co-creatie erg belangrijk. Met het proces om tot een Transitievisie Warmte te komen legt de procesregisseur de basis om tempo te kunnen maken na 2030. Daarbij wordt veel overleg georganiseerd tussen inwoners, ondernemers en andere stakeholders in de gemeente. Verder wordt er aansluiting gezocht bij bestaande initiatieven en vindt er een zorgvuldige belangenafweging plaats waarbij gezocht wordt naar zoveel mogelijk draagvlak. De sturende regisseur De sturende regisseur gaat grondig te werk. Tempo en duidelijk resultaat is van groot belang. Om de voortgang en het tempo te bewaken wordt de Transitievisie Warmte opgesteld met een beperkte groep stakeholders die ook meebeslist.

De sturende regisseur wil voor inwoners en stakeholders helderheid scheppen over wanneer welke wijken en buurten van het aardgas afgaan. De integrale regisseur De integrale regisseur verbindt de warmtetransitie met andere ruimtelijke en sociaal-economische opgaven. Door opgaven slim te combineren, probeert de integralist de kosten en hinder voor de inwoners te beperken. De integrale regisseur laat daarbij het tempo van de warmtetransitie afhangen van de koppelkansen die zich mogelijk voordoen. Regierol gemeente Heerde Bij het opstellen van de Transitievisie Warmte heeft de gemeente Heerde met name de rol van een sturende en een integrale regisseur. Voor het opstellen van de Transitievisie Warmte werken we samen met de woningcorporatie Triada, netwerkbeheerder Liander en energiecoöperatie Energiek Heerde. Bij het opstellen van de Transitievisie Warmte inventariseren we de kansen om de opgave integraal op te pakken. Bij het maken van de wijkuitvoeringsplannen voor de eerste wijken verschuift de regierol van de gemeente meer naar die van procesregisseur. De wijkuitvoeringsplannen maken we samen met de wijkbewoners en de andere stakeholders.

4. Aanpak en planning Voor het opstellen van de Transitievisie Warmte nemen we de 7 stappen die door het Programma Aardgasvrije Wijken zijn aangereikt als uitgangspunt. Hierbij communiceren we gedurende het gehele proces met inwoners, ondernemers en andere geïnteresseerden: Stap 1: Verkennen (Juni 2021) In de eerste stap analyseren we de opgave voor de gemeente Heerde, bepalen we welke regierol de gemeente neemt bij het opstellen van de Transitievisie Warmte en denken we na over de organisatie die nodig is om tot een Transitievisie Warmte te komen.

Stap 2: Plan van aanpak (Juni 2021) Bij stap 2 formuleren we onze uitgangspunten en planning. Ook bepalen we onze communicatie- en participatieaanpak. Resultaat stap 1 en 2: De resultaten uit stap 1 en stap 2 komen terug in deze startnotitie. Communicatie: Inwoners worden via een bericht in de lokale media geïnformeerd over de Transitievisie Warmte, hoe het proces er de komende maanden uit gaat zien en op welke manier zij betrokken worden. Stap 3: Analyse (Juli – Oktober 2021) In de analyse verzamelen we alle data die nodig is om keuzes te kunnen maken. Hiervoor gebruiken we de Startanalyse. Daarnaast vragen we een adviesbureau om ons te helpen met de technische analyse. De Startanalyse verrijken we met lokale data van onder andere de netbeheerder en de woningcorporatie. Stap 4: Afstemmen (Juli – Oktober 2021) De opgehaalde data stemmen we af met alle betrokken partijen. Ook worden een aantal interne beleidsafdelingen betrokken met bij het maken van de keuzes. Stap 5: Afwegen (Juli – Oktober 2021) Op basis van de uitkomsten van de analyses en de gesprekken met de betrokken stakeholders, brengen we een buurtprioritering aan. Hierbij is met name de planning voor de wijken die voor 2030 aan de beurt zijn cruciaal. Dit doen we samen met de netbeheerder en de woningcorporatie. Ook informeren we inwoners en vragen we om reacties.

Resultaat stap 3 t/m 5: Een gezamenlijk opgesteld afwegingskader voor prioritering, een technische analyse van de buurten, een overzicht van geprioriteerde buurten inclusief planning en technische mogelijkheden. Communicatie: Communicatie over de tussentijdse resultaten via social media en in de lokale krant. Stap 5a: Bepalen ambitie door gemeenteraad (Najaar 2021) Na de zomer wordt de gemeenteraad geïnformeerd over de stand van zaken en worden een aantal scenario’s voorgelegd op basis van de tot dan toe opgehaalde informatie, zoals beschreven in paragraaf 2.2. Resultaat stap 5a: De gemeenteraad heeft een ambitie bepaald voor de Transitievisie Warmte en de uitvoering. Communicatie: Inwoners worden tijdens een informatiebijeenkomst geïnformeerd over de tot dan toe opgehaalde informatie, de bijbehorende keuzes en de huidige mogelijke alternatieven. Ook wordt inwoners gevraagd om te reageren op de voorgenomen plannen en hoe zij bij het maken van de wijkuitvoeringsplannen betrokken willen worden. Stap 6: Opstellen (Oktober – November 2021) De resultaten uit de voorgenoemde stappen worden verwerkt in een Transitievisie Warmte. Resultaat stap 6: Een Transitievisie Warmte waarin prioritering per buurt, de alternatieve technieken en de vervolgstappen zijn opgenomen.

Stap 7: Vaststellen (December 2021 - Begin 2022) Ten slotte wordt de Transitievisie Warmte vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij beogen we dat de visie ook ter inzage wordt gelegd. Resultaat stap 7: Een vastgestelde Transitievisie Warmte gemeente Heerde. Communicatie: Inwoners worden geïnformeerd over de vaststelling van de Transitievisie Warmte en de vervolgstappen. Juni 2021

Juli 2021

Augustus 2021

September 2021

Oktober 2021

November December 2021 2021

Stap 1 en 2: verkennen, plan van aanpak en startnotitie Communicatie: inwoners informeren, artikel lokale media Stap 3: Analyse Stap 4: Afstemmen Stap 5: Afwegen Communicatie: Inwoners worden over de tussentijdse resultaten geïnformeerd via social media en de lokale krant Stap 5a: Bepalen ambitie door gemeenteraad Communicatie: informatiebijeenkomst en consultatie over voorgenomen plannen en vervolg Stap 6: Opstellen Stap 7: Vaststellen

5. Organisatie, Communicatie en Participatie De gemeenteraad De gemeenteraad stelt uiteindelijk de Transitievisie Warmte vast. Zij wordt op verschillende momenten betrokken. Deze startnotitie is het eerste moment waarop de raad betrokken wordt bij het proces voor het opstellen van de Transitievisie Warmte. Na de zomer wordt de raad geïnformeerd over de stand van zaken en worden een aantal scenario’s voorgelegd op basis van de tot dan toe opgehaalde informatie. In het najaar wordt de definitieve Transitievisie Warmte ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Het college van B&W bespreekt de startnotitie, de tussentijdse informatiememo en de definitieve Transitievisie Warmte en legt deze voor aan de gemeenteraad.

Projectgroep De projectgroep bestaat uit beleidsmedewerkers van de gemeente, netbeheerder Liander, woningcorporatie Triada en energiecoöperatie Heerde Energiek. De projectgroep zal tijdens de volgende stappen van het traject met elkaar samenwerken om de Transitievisie Warmte op te stellen. De beleidsmedewerkers die in de projectgroep zitten informeren en betrekken andere beleidsterreinen van de gemeente, zoals wonen, vastgoed, ruimtelijk ontwikkeling, economie en water.

Communicatie en participatie bewoners De Transitievisie Warmte geeft met name inzicht in de technische mogelijkheden. We informeren inwoners over de analyse en de keuzes die we op basis daarvan maken. Bewoners worden daarnaast geconsulteerd over hun visie op de warmtetransitie en hoe zij bij het vervolg betrokken willen worden. Na vaststelling van de Transitievisie Warmte worden, voor de wijken die voor 2030 aardgasvrij worden, Wijkuitvoeringsplannen gemaakt. Op dat moment gaan we uitgebreider in gesprek met de inwoners van de wijken. Onder welke voorwaarden is het voor bewoners haalbaar om hun woning aardgasvrij te maken, welke stappen zijn nodig en op welke manier kan de gemeente het proces het beste faciliteren? In het wijkuitvoeringsplan wordt samen met de bewoners van de wijk, de woningcorporatie en de netbeheerder een definitieve keuze gemaakt voor de planning en de alternatieve warmtetechniek.

Overzicht organisatie Transitievisie Warmte Gemeenteraad Projectgroep Transitievisie Warmte Heerde

Gemeente Heerde Woningcorporatie Triada Netbeheerder Liander Energiecoöperatie Heerde Energiek

Intern betrokken beleidsterreinen

Wonen Vastgoed Ruimtelijke ontwikkeling Economie Water en infrastructuur Communicatie Vastgoed Inwoners Ondernemers

Extern betrokken

De gemeenteraad stelt de Transitievisie Warmte vast. De projectgroep verzamelt en analyseert, in samenwerking met adviesbureau, de benodigde data en stelt de Transitievisie Warmte op. Collega’s worden door de projectgroep geïnformeerd en waar nodig betrokken bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. Overige stakeholders zoals inwoners worden goed geïnformeerd en geconsulteerd over de Transitievisie Warmte en de warmtetransitie. Na het vaststellen van de Transitievisie Warmte worden bewoners uit de eerste wijken uitgenodigd om samen met de gemeente te werken aan de wijkuitvoeringsplannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=89d7479e-dbd8-4afe-bbfb-c835cb338730