8.2. Ontwerpbestemmingsplan - Toelichting
Tekst van het document
In zowel de boven- als ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters aangetroffen in gehalten boven de achtergrondwaarde.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
25
• •
De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is indicatief getoetst en beoordeeld als kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Het grondwater van peilbuis PB01 en PB02 is niet verontreinigd. Het grondwater van peilbuizen PB03, PB04 en PB05 zijn verontreinigd met barium en/of zink.
Op basis van het aantreffen van de lichte verontreinigingen in het grondwater dient de hypothese ‘locatie is grootschalig onverdacht’ formeel verworpen te worden. Doorlatendheidsonderzoek Uit de resultaten wordt geconcludeerd dat de bodem op de onderzoekslocatie matig doorlatend is. 5.2.3 Conclusie Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.3.1 Beoordelingskader Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Daarnaast worden gemengde gebieden onderscheiden. In de gebieden komen diverse functies naast elkaar voor, zoals 'wonen', 'bedrijven' en/of centrumfuncties als 'detailhandel' en 'horeca'. Vanwege deze menging van functies wordt enige mate van hinder acceptabel geacht. Indien sprake is van een gemengd gebied, dan kunnen de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk of rustig buitengebied met één stap verkleind worden. Een richtafstand van bijvoorbeeld 30 meter wordt dan verkleind tot 10 meter.
Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 5.3.2 Onderzoek Met als doel de voorgenomen ontwikkeling van de Bovenkamp III in te passen in de omgeving is een quickscan Bedrijven en milieuzonering opgesteld. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. Gebiedstype Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Ontwikkelingsgebieden’ (2009) van toepassing. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom aan de rand van Heerde. De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door woonbestemmingen. Derhalve wordt het gebied getypeerd als een 'rustige woonwijk'. Voorkomende (bedrijfs)activiteiten Op circa 70 meter ten noordoosten van het plangebied is een perceel dat is bestemd als 'Sport'. De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
26
Voor ‘sportvoorzieningen’ geldt derhalve maximaal milieucategorie 3.1 (veldsportcomplex/tennisbanen met verlichting) met een richtafstand van 50 meter in een rustig gebied. Aan de richtafstand kan worden voldaan. Derhalve zal deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Veehouderijen Op circa 70 meter afstand van het plangebied ligt aan de Wezeweg 10 een veehouderij. Deze veehouderij is (nog) opgenomen in het systeem van de gemeente. Echter, de gemeente geeft aan dat de bewoners van Wezeweg 10 al jaren gestopt zijn met het houden van vee en er dus feitelijk geen sprake meer is van een veehouderij. Derhalve zullen eventuele activiteiten die plaatsvinden op het perceel van Wezeweg 10 niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Op circa 350 meter afstand van het plangebied ligt aan de Wezeweg 9a een veehouderij. Volgens het archief van de gemeente is ter plaatse sprake van een stalhouderij/paardenpension. Voor paarden zijn per ministeriële regeling geen geuremissiefactoren vastgesteld. Derhalve geldt voor deze veehouderij een beoordeling op basis van de richtafstanden. De minimale richtafstand betreft 100 meter binnen de bebouwde kom. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Derhalve zal het plan ten gevolge van de veehouderij aan de Wezeweg 9a geen belemmeringen ondervinden.
Gezien het ontbreken van veehouderijen met hoge geuremissies op relatief korte afstand tot het plangebied, zullen de geurnormen ter plaatse van het plangebied op voorhand niet overschreden worden en wordt nader onderzoek naar de geurhinder ten gevolge van veehouderijen niet noodzakelijk geacht. 5.3.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.4 Geurhinder 5.4.1 Beoordelingskader De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 100 nieuwe woningen. Voor de realisatie hiervan is een bestemmingswijziging noodzakelijk. In het kader van een bestemmingsplan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe moeten de gevolgen van een project voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woningen met een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. Het toetsingskader voor het geuronderzoek wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij. Verder heeft de gemeente Heerde aanvullend een geurverordening opgesteld. Alle relevante gegevens van de veehouderijen worden beheerd door de gemeente. De gegevens van de veehouderijen zijn ontleend aan de Kernregistratie Dierverblijven van de provincie Gelderland en aangevuld op basis van de bij de gemeente Heerde bekende informatie 5.4.2 Onderzoek Met als doel de mogelijke geurhinder als gevolg van bestaande veehouderijen in de omgeving en de milieukwaliteit van de toekomstige woningen te onderzoeken is een geurhinderonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting.
Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woningen is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020). Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 3,0 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de veehouderijen. De maximale voor- en achtergrondbelasting bedraagt respectievelijk 0,0 en 0,01 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 0,0% en 0,05%. Op basis van het
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
27
percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de veehouderijen zeer goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt ruimschoots voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt. 5.4.3 Conclusie Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.5 Verkeer en parkeren 5.5.1 Verkeer Om te kunnen bepalen wat de verkeersgeneratie van de Bovenkamp III is een verkeersgeneratieonderzoek uitgevoerd. Hiervoor zijn de kencijfers gebruikt van het CROW, publicatie 381 'Toekomstig bestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. Het uitbreidingsplan bevindt zich in het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en heeft, conform de gehele gemeente Heerde, een stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. De verkeersgeneratiecijfers zijn gekoppeld aan het type woning in combinatie met het prijssegment. De verkeersgeneratie bedraagt maximaal 776,2 verkeersbewegingen per werkdag. Een gemiddelde spitsperiode (ochtend of avond) bevat tot slot 10% van deze etmaalbewegingen, in dit geval dus 67 of met maximaal ingevuld plan 78 motorvoertuigen. Het verkeer van Bovenkamp III ontsluit straks in praktijk via de Ten Veldhuize, richting de kruising met het doorgaande, vrijliggende fietspad op de voormalige spoorbaan. Het bestaande plan Bovenkamp II (werkelijk gemeten) en het nieuwe uitbreidingsplan Bovenkamp III genereren samen een intensiteit van respectievelijk 1371 of 1479 mvt/etmaal/werkdag tot aan de kruising Ten Veldhuize met het doorgaande fietspad.
De I/C-verhouding (verhouding intensiteit vs capaciteit) is de indicator voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling van een weggedeelte. Bij een I/C-verhouding van 0,7 of hoger wordt een wegvak congestie- of filegevoelig en kan er hinder door drukte ontstaan. In deze berekening zijn de I/C-verhoudingen 0,39 of 0,42 en daarmee acceptabel. 5.5.2 Parkeren In het kader van dit bestemmingsplan is een schetsplan voor de stedenbouwkundige opzet gemaakt. Deze opzet is nog niet uitgewerkt in een concreet stedenbouwkundig plan op basis waarvan een berekening kan worden opgesteld om de parkeerbehoefte inzichtelijk te maken. De gemeente Heerde heeft parkeerbeleid (vastgelegd in de Parkeernormennota 2012) waarin is vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen per woningtype moeten worden gerealiseerd. In de Nota van Uitgangspunten is opgenomen op welke wijze moet worden omgegaan met het parkeren. Om te kunnen borgen dat wordt voorzien in de parkeerbehoefte op basis van het uiteindelijke woningbouwprogramma (aantallen en woningtypen) is in de regels opgenomen dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. 5.5.3 Conclusie verkeer en parkeren Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Voor het parkeren geldt dat op basis van een concreet uitgewerkt stedenbouwkundig plan en de Parkeernormennota van de gemeente Heerde een berekening gemaakt wordt van het noodzakelijke aantal parkeerplaatsen. Het plangebied biedt voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
28
5.6 Geluid 5.6.1 Wegverkeerslawaai 5.6.1.1 Beoordelingskader Met de nieuwbouw van woningen worden er geluidsgevoelige functies toegevoegd aan de omgeving. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat langs wegen geluidszones liggen. Voor nieuwe geluidgevoelige functies binnen deze geluidszones dient de geluidsbelasting op de gevel berekend te worden. In de Wet geluidhinder is een grenswaarde opgenomen voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe woningen. Voor wegen waar een maximum snelheid van 30 km/h geldt, geldt geen geluidszones. 5.6.1.2 Onderzoek Met als doel de optredende geluidbelastingen als gevolg van het wegverkeer op omliggende zoneplichtige wegen te bepalen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het plangebied ligt in de directe nabijheid van zoneplichtige wegen, waarvan de geluidszones geheel of gedeeltelijk over het plangebied liggen. Voor een goede ruimtelijke inpassing van de voorgenomen ontwikkeling is de cumulatie van alle in de directe omgeving van het plangebied gelegen geluidbronnen, in het akoestisch onderzoek betrokken. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. Zoneplichtige wegen De te verwachten geluidsbelasting [Lden] vanwege het wegverkeer op de gevels van de binnen het plangebied geprojecteerde woonbestemmingen, bedraagt 47 dB of minder.
Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de nabijgelegen zone plichtige wegen niet wordt overschreden. Deze wegen vormen derhalve overeenkomstig het gestelde in de Wet geluidhinder geen belemmering voor de realisatie van het voorliggende bouwplan. Cumulatie wegverkeerslawaai Voor een goede ruimtelijke inpassing (beoordeling van een goed woon- en leefklimaat) van de voor bewoning bestemde bebouwing in haar directe omgeving, dient eveneens de gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van alle in de directe nabijheid van het plangebied gelegen wegen te worden beschouwd. Om na te kunnen gaan of er als gevolg van het wegverkeer over alle in de directe omgeving van het plangebied aanwezige wegen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat, zijn de optredende geluidbelastingen afkomstig van alle gezamenlijke wegen in kaart gebracht. De gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van alle wegen gezamenlijk bedraagt maximaal 50 dB. Dit is minder dan 53 dB waarmee rekening dient te worden gehouden op grond van het gestelde in het Bouwbesluit. Hierin is namelijk opgenomen dat de schilconstructie in ieder geval 20 dB buitengeluid dient te weren. Hierdoor is een binnen niveau van 33 dB gegarandeerd. 5.6.1.3 Conclusie Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.6.2 Ruimtelijke inpassing 5.6.2.1 Beoordelingskader Bij uitwaarts zoneren worden beschermende bufferzones gecreëerd rondom de bedrijfsbestemmingen in de directe omgeving van het geprojecteerde plangebied. Deze hebben tot doel om de aanwezige bestaande inrichtingen, ook na het doorvoeren van de voorgenomen functiewijziging, voldoende zekerheid te bieden om hun activiteiten op een duurzame wijze binnen aanvaardbare voorwaarden uit te kunnen blijven voeren. Hoewel er inmiddels een nieuwe VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ van kracht is voor de nadere uitwerking van de ruimtelijke inpassing, wordt momenteel in de regel de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ hiervoor nog als basisdocument toegepast.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
29
5.6.2.2 Onderzoek Het doel van dit ingestelde akoestische onderzoek is om enerzijds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te creëren ter plaatse van de in de directe omgeving van de bedrijfsbestemmingen geprojecteerde voor geluidgevoelige bestemmingen en anderzijds ruimte voor inrichtingen te creëren om op een representatieve wijze hun bedrijfsactiviteiten uit te kunnen blijven oefenen. Een en ander gebaseerd op de criteria uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (Ruimtelijk spoor). Verder dient er te worden beoordeeld in hoeverre er als gevolg van de voorgenomen realisatie van de geprojecteerde woonbestemmingen ter plaatse, door de in de directe omgeving aanwezige dan wel te realiseren inrichtingen, nog kan worden voldaan aan het gestelde in het kader van het Activiteitenbesluit (Milieu spoor). Het akoestisch onderzoek ruimtelijke inpassing is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Overeenkomstig recente jurisprudentie dient er bij een Tennispark met de bestemming Sportdoeleinden, rekening te worden gehouden met een toeslag voor impulsachtig geluid. Dit vanwege het feit dat er plaatse op grond van het bestemmingsplan, mits milieuhygiënisch in te passen, padelbanen zijn toegestaan.
Wanneer de gemiddelde geluidsniveaus, inclusie toeslag, worden getoetst aan het toetsingskader van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avonden nachtperiode, dan kan worden gesteld dat hieraan op alle beoordelingspunten kan worden voldaan. Op geen van de opgenomen beoordelingspunten vindt er, ook wanneer voor Lmax een toeslag van 5 dB(A) ten behoeve van impulsachtig geluid zou moeten worden meegenomen, een overschrijding van de gestelde maximale grenswaarden gedurende de dag-, avond- en nachtperiode plaats. Activiteitenbesluit Omdat de toetsing in het kader van de ruimtelijke inpassing grotendeels parallel loopt met de toetsing conform het Activiteitenbesluit, hebben wij het bijgaande onderzoek uitgewerkt in het kader van de ruimtelijke inpassing. Temeer omdat hierbij eveneens rekening dient te worden gehouden met menselijk stemgeluid hetgeen is uitgesloten van toetsing in het kader van het Activiteitenbesluit. Uit de uitgewerkte berekeningen is gebleken dat voldaan kan worden aan de gestelde richtwaarden met betrekking tot de ruimtelijke inpassing. Hetgeen inhoudt dat tevens kan worden voldaan aan de toetsingscriteria zoals deze worden gesteld in het kader van het Activiteitenbesluit.
Verkeer aantrekkende werking Wanneer getoetst wordt aan de grenswaarden overeenkomstig de circulaire van VROM uit 1996, dan kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van de geprojecteerde woonwijk, geen sprake is van een overschrijding van de gestelde grenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de langs de toegangswegen naar deze wijk gelegen woningen. 5.6.2.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de optredende geluidbelastingen op de geprojecteerde woonbestemmingen als gevolg van de in de directe omgeving hiervan gelegen tennispark, voldoet aan de gestelde grenswaarden in het kader van de ruimtelijke inpassing en er derhalve ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast kan worden gesteld dat hierdoor tevens wordt voldaan aan het toetsingskader overeenkomstig het gestelde in het Activiteitenbesluit. Dit geldt ook voor de toetsing van de optredende geluidbelastingen als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van de geprojecteerde uitbreiding op de woonbestemmingen langs de toegangswegen naar deze uitbreiding. Het aspect 'ruimtelijke inpassing' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
30
5.6.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Beoordelingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
31
5.7.2 Onderzoek Met doel de externe veiligheidsrisico's in en rondom het plangebied in kaart te brengen en mogelijke scenario's inzichtelijk te maken is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied gemaakt. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. Transport Op circa 455 meter ten westen van het plangebied ligt de A50. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van de snelweg, maar wel binnen het invloedsgebied van de snelweg. Om die reden is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Inrichtingen Op circa 865 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een LPG-tankstation . Voor LPGtankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Buisleidingen Binnen een straal van 580 meter tot de grens van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig zijn. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. 5.7.3 Beperkte verantwoording van het groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A50 is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
De verantwoording bestaat uit de volgende onderdelen: • •
zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid en bereikbaarheid.
Zelfredzaamheid Door een ongeval met een tankwagen op de A50 kunnen giftige gassen vrijkomen, die zich als wolk snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Op de A50 zijn er voldoende mogelijkheden om de calamiteit te bestrijden. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn op- en afritten naar de A50 aanwezig, waardoor de bereikbaarheid van de calamiteit voldoende is. 5.7.4 Conclusie Bij een calamiteit op de A50 zijn er binnen het plangebied voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid van bewoners en zijn er voor de brandweer voldoende mogelijkheden de locatie van de calamiteit te bereiken en deze te bestrijden.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
32
5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
33
5.8.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van maximaal 100 woningen met één ontsluitingsweg buiten de onderzoekszones uit het Besluit gevoelige (luchtkwaliteitseisen) rondom rijkswegen. De ontwikkeling komt voor op de lijst met uitwikkelingen uit de Regeling NIBM. Om die reden draagt de voorgenomen ontwikkelingen niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.8.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.9 Water 5.9.1 Beoordelingskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. 5.9.2 Watertoets De voorgenomen ontwikkeling is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Waterschap Vallei en Veluwe. De uitkomst van deze toets is dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat de ontwikkeling invloed heeft op het watersysteem. In overleg met het waterschap worden afspraken gemaakt over het borgen van de waterbelangen in het bestemmingsplan. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage x van de bijlagen bij de toelichting. 5.9.3 Waterparagraaf Op basis van de resultaten van de watertoets gelden een aantal algemene aandachtspunten voor de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig schetsplan.
Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen/randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Toename verharding Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename van verharding. Door deze
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
34
toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met kans op wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Het waterschap stelt eisen voor waterberging wanneer er sprake is van een toename verharding van 1.500 m² of meer. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. Nadelige effecten worden uitgesloten indien er een waterberging wordt gerealiseerd voor het bergen van 60 mm. Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. 5.9.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een woonwijk van maximaal 100 woningen. Hiervoor is een stedenbouwkundig schetsplan opgesteld, waarin de hoofdopzet van de woonwijk is vastgelegd. Het stedenbouwkundig schetsplan is nog niet uitgewerkt in een concreet stedenbouwkundig plan.
In de stedenbouwkundige opzet is de loop van de Wendhorstbeek gehandhaafd. Aan weerszijden van de beek zijn groenzones opgenomen. In de groenzones worden wadi's aangelegd waar het overtollige hemelwater wordt vastgehouden. Via een overstort staan de wadi's in verbinding met de Wendhorstbeek, zodat in situaties waarbij het hemelwater niet verwerkt kan worden in de wadi's overtollig hemelwater wordt geloosd op de beek. Dit principe wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan.
5.10 Ecologie 5.10.1 Beoordelingskader Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Verder zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regels opgenomen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Zorgplicht In artikel 1.11 van de Wnb is opgenomen dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten deze handelingen achterwege laat, dan wel, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of deze gevolgen zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 5.10.2 Onderzoek Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd.
Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. Het ecologisch onderzoek is als bijlage x opgenomen in de bijlagen bij de toelichting.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
35
Beschermde gebieden Natura 2000 Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op circa 870 m afstand van het projectgebied. Het wordt hiervan gescheiden door bebouwing, wegen als de rijksweg A50 en agrarische percelen. Omdat het projectgebied zich buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden bevindt, gecombineerd met de afstand tot het projectgebied kan verstoring door licht, trillingen en geluid van Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. AERIUS-berekening Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van de AERIUSberekening is als bijlage x opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. De aanlegfase wordt in AERIUS per 12 aaneengesloten maanden met de hoogste depositie berekent. Als rekenjaar wordt het jaar genomen waarin de meeste bouw maanden vallen, in dit geval 2023. Voor de werkzaamheden is uitgegaan dat alle werkzaamheden over twee jaar evenredig plaatsvinden. De aanlegfase genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase is tevens een verschilberekening uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat er sprake is van een afname van 0,04 mol N/ha/jr in Natura 2000-gebieden.
Het toekomstig gebruik genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000gebieden. Voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 600 m afstand. Het projectgebied wordt van dit NNN-gebied gescheiden door de bebouwde kom en wegen. Omdat het projectgebied zich buiten de begrenzing van het NNN bevindt, gecombineerd met de beperkte ingreep en afstand tot het projectgebied kan verstoring van het NNN-gebied op voorhand worden uitgesloten. Beschermde soorten Flora Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde plantensoorten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vegetatie en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Zoogdieren Omdat de Wendhorstbeek behouden blijft, is er geen negatief effect op eventueel aanwezige kleine marterachtigen in het gebied. Een nader onderzoek naar beschermde zoogdieren en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Er is geen sprake van een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute voor vleermuizen binnen het projectgebied.
Ook zijn er geen geschikte openingen in bomen langs de westgrens van het zuidelijke deel van het projectgebied waardoor de aanwezigheid van een verblijfplaats binnen het projectgebied op voorhand kan worden uitgesloten. Indien er tijdens de bouw en na realisatie van de toekomstige ontwikkeling geen nachtelijke verlichting op de bomenrij in het westelijke deel van het projectgebied gericht wordt, is er van een negatief effect op vleermuizen geen sprake. Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Vogels Er zijn geen beschermde vogelsoorten, jaarrond beschermde nesten of geschikte broedlocaties voor vogels waargenomen binnen het projectgebied. Het projectgebied is (onderdeel van) het leefgebied voor onder andere zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
36
projectgebied als broedlocatie gebruiken. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen, globaal tussen 15 maart en 15 juli, uit te voeren. Een nader onderzoek naar vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig, mits werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen dienen de aanwezige bosschages niet verstoort te worden. Reptielen, vissen, amfibieën, ongewervelden Er zijn geen beschermde reptielen, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het projectgebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde reptielen binnen het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. De Wendhorstbeek blijft behouden. Er is geen negatief effect op eventueel beschermde vissoorten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde vissen is niet nodig. De Wendhorstbeek is niet geschikt als voortplantingslocatie voor beschermde amfibiesoorten. Deze beek blijft ook behouden na de beoogde ontwikkeling. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde amfibieën is niet nodig. Er zijn geen beschermde ongewervelden, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het projectgebied.
Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde insecten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. 5.10.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.11 Archeologie 5.11.1 Beoordelingskader Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. 5.11.2 Onderzoek Met als doel te onderzoeken of er in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Bij toekomstige bodemingrepen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord of vernietigd. Conform het beleid van de gemeente Epe dient hier archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het archeologisch onderzoek is als bijlage x opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor alle perioden.
In de omgeving zijn diverse archeologische vindplaatsen bekend zoals losse vondsten uit de Steentijd tot nederzettingsterreinen uit de Bronstijd en IJzertijd. Er wordt binnen het noordelijk deel van het plangebied een esdek verwacht. Indien aanwezig kan deze een conserverende werking hebben gehad voor een eventueel daaronder gelegen archeologisch sporenniveau. Binnen het noordelijk deel van het plangebied heeft in de afgelopen twee eeuwen bebouwing gestaan (erven).
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
37
Tijdens het verkennende booronderzoek werd de verwachte bodemopbouw uit het bureauonderzoek in grote lijnen aangetroffen. In het noordelijk deelgebied ligt een esdek op een ondergrond van dekzand (van matig fijn zand) en stuwwalafzettingen (van matig grof zand, grind en leem). Ter hoogte van de beek werden beekafzettingen aangetroffen. In het zuidelijk deel komen gronden voor die overeenkomen met de verwachte gooreerdgronden. De relatief dunne bouwvoor of geroerde toplaag, niet zijnde een esdek, ligt hier veelal op de C-horizont. In hoeverre de ondergrond tot in de onderliggende C-horizont verstoord is en of hierbij een eventueel voorheen) aanwezig sporenniveau ook (geheel) verstoord is, blijft op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek onduidelijk. Onder het esdek in het noordelijk deel komt in ieder geval geen podzolprofiel (oude intacte bodem) meer voor. Wel enige inspoel of neerslag van roest als gevolg van grondwaterfluctuaties. De gronden in het noordelijk deel lijken door de aanwezigheid van een esdek in principe nog archeologisch kansrijk te zijn of wel bestaat de kans dat tijdens toekomstige bodemingrepen tot onder het esdek (of tot in het ‘gele zand’) archeologische waarden worden verstoord of kunnen worden aangetroffen. In het zuidelijk deel met meer AC-profielen zonder esdek en met een relatief dunne toplaag, lijkt deze kans lager te zijn.
5.11.3 Advies Op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek wordt geadviseerd aan het gehele plangebied een Waarde – Archeologie (middelhoog) toe te kennen. Indien toekomstige bodemingrepen hier tot in de zogenoemde BC of C-horizont (‘de gele zandondergrond’) reiken, wordt geadviseerd hieraan voorafgaand eerst een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk te achten. Een vervolgonderzoek bestaat ten minste uit een archeologisch karterend veldonderzoek. Deze kan bestaan uit een (zeer) intensief booronderzoek of een proefputten/proefsleuvenonderzoek en dient in ieder geval ter opsporing van eventueel aanwezige archeologische indicatoren en ter afbakening van eventuele vindplaatsen. Voor het vervolgonderzoek wordt een Programma van Eisen opgesteld, dat goedgekeurd dient te worden door het bevoegd gezag. Dit Programma van Eisen wordt te zijner tijd opgenomen als bijlagen bij de toelichting. 5.11.4 Conclusie Op basis van het inventariserend onderzoek is vervolgonderzoek noodzakelijk.
5.12 Cultuurhistorie 5.12.1 Beoordelingskader Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. 5.12.2 Onderzoek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorps- of stadsgezicht. In het plangebied komt geen bebouwing voor en in de directe omgeving van het plangebied komen geen aangewezen rijks- of gemeentelijke monumenten voor. De in de omgeving aanwezige bebouwing heeft geen bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarde. Het plangebied en de directe omgeving zijn geen onderdeel van gebieden met een bijzondere cultuurhistorische waarde. Voor het plangebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld dat past binnen de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke structuur. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. 5.12.3 Conclusie Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
38
5.13 Ontplofbare oorlogsresten 5.13.1 Beoordelingskader Het onverwacht aantreffen van munitie en de daarmee samenhangende risico’s en gevaren, vormt de belangrijkste drijfveer voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten. Op dergelijk onderzoek is diverse wet- en regelgeving van toepassing. 5.13.2 Onderzoek De intentie van deze studie was te achterhalen of er in het onderzoeksgebied ‘Bovenkamp III' sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en hoe het (on)verdachte gebied is af te bakenen. Om tot een gefundeerd en onderbouwd antwoord op dit vraagstuk te komen, is allereerst geanalyseerd of het onderzoeksgebied (deels) betrokken is geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en of er daardoor sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten, oftewel van verdacht gebied. Vervolgens is er gepoogd de gebeurtenissen te achterhalen die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (contra-indicaties). Ten slotte is door middel van een bronanalyse uiteengezet wat de te verwachten eigenschappen (hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, verschijningsvorm) van de mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten zijn. Het onderzoek is als bijlage x opgenomen in de bijlagen bij de toelichting.
Op basis van de bevindingen wordt allereerst worden geconcludeerd dat er geen indicaties zijn gevonden waardoor het onderzoeksgebied als verdacht beschouwd zou moeten worden op ontplofbare oorlogsresten. De volgende vraag vormde het uitgangspunt van dit onderzoek: Is er in het onderzoeksgebied sprake van aanwijzingen van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en hoe is het (on)verdachte gebied af te bakenen? Deze vraag is na het uitvoeren van bovenstaand onderzoek als volgt te beantwoorden: In het onderzoeksgebied is geen sprake van aanwijzingen van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het gehele onderzoeksgebied is daarom als onverdacht aangemerkt. 5.13.3 Conclusie Het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
39
6. Besluit Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de geldende bestemmingsplan ‘Ontwikkelingsgebieden’. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een besluit in het kader van artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk, in casu een bestemmingsplan. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing.
6.2 Beoordelingskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn, is vastgelegd in het Besluit m.e.r. De activiteiten zijn onderverdeeld in: • •
activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).
Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij.
6.3 Procedure In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden: 1. de initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
40
6.4 Aanmeldnotitie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld. In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De Aanmeldnotitie is als bijlage x opgenomen in de bijlagen bij de toelichting.
6.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Beoordeling De concrete omstandigheden in dit geval betreft de bouw van maximaal 100 woningen met bijhorende verkeers-, groen- en watervoorzieningen. Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk gebied en is in de structuurvisie van de gemeente Heerde expliciet benoemd als toekomstig woongebied. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3,2 hectare en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt maximaal 100 woningen mogelijk en blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet overschreden.
Het project is kleinschalig van karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en de locatie ligt niet in of bij beschermde natuurgebieden. uit onderzoek blijkt dat er geen sprake van nadelige effecten op de leefomgeving en op natuurgebieden in de omgeving. Om deze redenen kan worden volstaan met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
6.6 Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
41
7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Bovenkamp III' worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de bouw van maximaal 100 woningen met de daarbijbehorende wegen, parkeer-, en groen- en watervoorzieningen mogelijk worden gemaakt .
Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan op recent vastgestelde bestemmingsplan in de gemeente Heerde en aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
7.2 Opzet van de regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •
artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
42
7.2.2 Bestemmingsregels hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Gebruiksregels: welke vormen van gebruik zijn toegestaan en welke niet; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
In paragraaf 7.3 van de toelichting worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht. 7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• •
•
artikel 7 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 8 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte. Daarbij wordt verwezen naar de gemeente Parkeernormennota, die als bijlage bij de regels is opgenomen; artikel 9 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daarnaast zijn in dit artikel twee leden opgenomen waarin is bepaald dat dit bestemmingsplan moet worden uitgewerkt in een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan; artikel 10 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kan in bepaalde gevallen, wanneer sprake is van kleine overschrijdingen van bestemmings- en/of bouwvlakken of de bouwregels, worden afgeweken van de bestemmingsregels uit hoofdstuk 2.
7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 11 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De officiële benaming van dit bestemmingsplan is in artikel 12 Slotregel opgenomen.
7.3 Nadere toelichting op de bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden in het plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
19 oktober 2023 | Bestemmingsplan ‘Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw
43
In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Wonen' opgenomen. De opzet voor de regels voor deze bestemmingen is gedeeltelijk overgenomen uit recent vastgestelde bestemmingsplannen van de gemeente Heerde en passend gemaakt voor de beoogde ontwikkeling. De bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van het groen rondom de Wendhorstbeek in het centrale deel van het plangebied. Het groen deelt het plangebied in twee delen en biedt ruimte om de wateropgave op te lossen. Ten behoeve hiervan is met een aanduiding aangegeven waar langs de Wendhorstbeek ruimte is voor wadi's. Verder is voor het aanleggen van een calamiteitenpad tussen het noordelijke deel van het plangebied en Op den Oever een aanduiding opgenomen die de aanleg van een calamiteitenpad mogelijk maakt. Deze bestemming biedt enkel de mogelijkheid tot het realiseren van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De westzijde van het noordelijke deel van het plangebied is ten behoeve van de landschappelijke inpassing bestemd als 'Groen'. Op deze gronden is geen bebouwing toegestaan. De bestemming 'Verkeer' is opgenomen ten behoeve van de aanleg van ontsluitingswegen in het plangebied.