8.1. Raadsbesluit Erfgoedverordening gemeente Heerde 2023
Tekst van het document
Erfgoedverordening gemeente Heerde 2023 De Raad van de gemeente Heerde;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 augustus 2023; Gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en 38 van de Monumentenwet 1988; Besluit: De Erfgoedverordening gemeente Heerde 2023 vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1 begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
- Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid;
- Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 16;
- Gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid;
- Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
- Minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
Artikel 2 Gemeentelijk erfgoedregister 1.
Burgemeester en wethouders houden een door een ieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie
2.
cultureel erfgoed is toebedeeld.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.
Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere
cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als
onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen 2.
als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een
wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden
behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de 3.
zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.
Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.
4.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde
verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders 5.
advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.
Dit artikel is niet van toepassing op:
a. Door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en
b. Cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als 6.
bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.
Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd
cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als 2.
zodanig is tenietgegaan.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of
de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:
a. Door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of
b. Beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.
artikel 3.17, eerste lid van de Erfgoedwet.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Hoofdstuk 3 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 5 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van
2.
Dit artikel is niet van toepassing op:
bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. a. Rijksmonumenten, en
b. Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 6 Voornemen tot aanwijzing 1.
Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door burgemeester en
2.
Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg
wethouders schriftelijk bekend gemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. over het voornemen met de eigenaar.
Artikel 7 Voorbescherming 1.
2.
De bescherming van hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of
archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt.
De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 8 Advies gemeentelijke adviescommissie 1.
Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5,
2.
De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied
eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de
Omgevingswet en Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Omgevingswet Heerde 2021. van de monumentenzorg bij het advies.
Artikel 9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de
2.
Het aanwijzingsbesluit bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk
aanvraag.
monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.
Artikel 10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.
De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende
2.
Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
Artikel 11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.
In spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch
monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat
geval aan de gemeentelijke monumentencommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing 2.
3.
als voorlopig gemeentelijk monument;
Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als
burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden
schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige
2.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is hoofdstuk 3 van overeenkomstige
gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het erfgoedregister.
toepassing, tenzij het monument of het archeologische monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch
monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Hoofdstuk 4 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:
a. Te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
b. Te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a.
b. 3.
de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving,
materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;
alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen
met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15 Weigeringsgronden 1.
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich
2.
Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet
daartegen niet verzet.
wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Hoofdstuk 5 Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in
3.
aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, als bedoeld in het tweede lid.
4.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk
5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen
erfgoedregister.
gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht
6.
7.
kan hiertoe een termijn worden gesteld.
Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt
bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de
functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat
is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 16, tweede en derde lid, is hierop
van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft 2.
of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de
aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de
3.
Omgevingswet.
Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Hoofdstuk 6 Handhaving en toezicht Artikel 18 Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.
Artikel 19 Toezichthouders Burgemeester en wethouders kunnen toezichthouders aanwijzen die toezicht houden op de uitvoering van deze verordening.
Hoofdstuk 7 Archeologie Artikel 20 Vangnet archeologie 1.
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar
archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:
a. Voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;
b. Het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is
aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van
archeologische aarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door
burgemeester en wethouders vastgesteld regels over de toegestane mate van verstoring;
c. De activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten
monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of
2.
d. Met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 21 Overgangsrecht 1.
2.
Een krachtens de Monumentenverordening Heerde 2011 aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening;
Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Monumentenverordening Heerde 2011.
Artikel 22 Inwerkingtreding en intrekken oude verordening 1.
Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Heerde 2023.
3.
beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking.
De Monumentenverordening Heerde 2011 wordt per datum in werking treden van deze verordening ingetrokken.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 30 oktober 2023.
griffier,
voorzitter,
Toelichting Inleiding Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet in 2016 en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk
erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke
Erfgoedverordening in vergelijking met de Monumentenverordening 2011 zowel breder -het betreft nu monumenten én cultuurgoederen- als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of
bescherming van stads- of dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening.
De Monumentenverordening Heerde 2011 was toe aan vernieuwing vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op
het gebied van cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de
fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow. De Erfgoedwet anticipeerde op de invoering van Ow door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht bleven, tot inwerkingtreding van de Ow.
In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten – en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke
monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat
kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplan) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow.
Reikwijdte De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de
Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de
inwerkingtreding van de Ow vervalt daaruit het onderdeel Monumentenwet 1988, dat overgaat naar de Ow. In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip
‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten) als roerend cultuur erfgoed (cultuurgoederen).
Deze verordening ziet in beginsel niet op archeologie. Archeologische waarden werden ook voor de Ow
geborgd via het ruimtelijk spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op grond artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht.
Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de
Monumentenwet 1988. Op de datum waarop het definitieve omgevingsplan er moet zijn (eind 2031) komt artikel 3.16, derde lid, Erfgoedwet te luiden: “de [erfgoed]verordening bevat geen regels over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet”. De erfgoedverordening zal voor
inwerkingtreding van het aangepaste artikel 3.16, derde lid, Erfgoedwet moeten worden aangepast.
Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die een nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
Artikel 1 definities De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt
worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom
uitsluitend de begrippen “gemeentelijk beschermd cultuurgoed”, “gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht”, “gemeentelijk beschermde verzameling”, “gemeentelijke monument”, “minister” en
“omgevingsvergunning”, waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn voorts: -
Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar
-
Archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het
-
Beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:
aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen: verleden afkomstig van een archeologisch monument; a.
Als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet;
c.
In geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid,
b.
Voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld,
redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;
-
Beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van
-
Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiele en immateriële bronnen, in de loop van de tijd
de Erfgoedwet;
tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die
mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurende ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en -
toekomstige generaties een referentiekader bieden;
Cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
Kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig
onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt
-
gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
Monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
-
Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van
-
Rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het
-
Rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;
-
monumentale waarde;
rijksmonumentenregister;
Verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Artikel 2 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen
cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, cultuurgoederen of verzamelingen.
Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken
geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten.
Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour).
Na inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in
het Digitaal Stelsel Omgevingswet – Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook
voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en het bijhouden in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De
beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-BP zijn opgenomen, komen te vervallen wanneer ze vervangen worden door nieuwe beperkingsbesluiten op basis van de Ow.
Artikel 3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuur- of gemeentelijk beschermde verzameling
Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als
gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlands cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de
provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een
aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven
dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de
gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische
betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.
De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeente of cultuurgoederen
en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn
cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste.
Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.
Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er
bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig
aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele
beschermende werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.
Artikel 4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen
burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding in verband met verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijk bruikleen
wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking op heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.
Artikel 5 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of
archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de
overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of
het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.
Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of een
archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de
voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale
waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten
deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de Monumentenverordening Heerde 2011 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van
het monument komt niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is
gemoeid met de bescherming van cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet
aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.
Artikel 6 Voornemen tot aanwijzing Eerste lid
Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een
onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één
onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met in begrip van die overblijfselen,
voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet
alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, juncto artikel 1, onder b, onderdeel 5 van de Wkpb. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers van de onroerende zaak. Tweede lid
De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per
definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke
grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit stemt overeen met de
vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en doet recht aan de
bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.
Artikel 7 Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat
gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming van gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor
rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor
inwerkingtreding van de Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de OW, via de definities ‘voorbeschermd
rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook
voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan (hetzelfde als tot 1januari 2023).
Artikel 8 Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bleef van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat
artikel diende ten minste in een verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht”. Binnen de commissie waren enkele leden deskundig op het gebied van monumentenzorg. Hiertoe behoorde ook de archeologische monumentenzorg.
De Monumentenwet 1988 liet de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te
regelen waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk werd de monumentcommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit.
Onder de Ow is op basis van artikel 17.9 een gemeentelijk adviescommissie ingesteld die tot taak heeft te
adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologisch monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel
erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke
leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze
adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Omgevingswet Heerde 2021.
Artikel 9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Wat betreft de termijn van 26 weken is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).
Artikel 10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid
Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb.
Ontvangst van het door burgemeester en wethouders genomen aanwijzingsbesluit is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, juncto
artikel 1, onder b, onderdeel 5 van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijke gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve
verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijk
beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.
Artikel 11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de
adviescommissie als bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming
van hoofdstuk 4 geldt echter wel vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld
van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Artikel 12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als
gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening.
Artikel 13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de
Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met in begrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd.
Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).
Artikel 14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2031 op deze wijze opgenomen in deze verordening.
Artikel 15 Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat
rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de
vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de
Wabo, Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft.
In de Monumentenverordening Heerde 2011was ook een bepaling (artikel 14) opgenomen over het
intrekken van de vergunning. Deze bepaling keert niet terug. Na inwerkingtreding van de Ow zijn de
intrekkingsgronden van een omgevingsvergunning uitputtend geregeld in onder andere de artikelen 5.39
en 5.40 van de Ow, artikel 8.97 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en –in verband met overgangsrecht- ook artikel 10a.12 Bkl.
Artikel 16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd. Het is mogelijk dat het tijdelijke omgevingsplan, onderdelen van het bestemmingsplan of de beheersverordening, als beschermend worden aangemerkt.
Dit is vergelijkbaar net de tot inwerkingtreding van de Ow nog geldende artikelen 35 en 36 van de
Monumentenwet 1988 voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Daarna is het aanwijzen van stadsof dorpsgezichten mogelijk via deze verordening (tot eind van de overgangsfase) of het omgevingsplan.
Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht geldt dan de artikelen 5.1 en 5.22 van de Ow en van gemeentelijke monumenten artikel 13. Ook het Rijk zal de
bescherming van nieuwe stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Ow
regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet. Zevende lid
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op een stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functieaanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de OW, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Ow.
Artikel 17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de
aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- of dorpsgezicht
waarop de aanwijzing betrekking had door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen in verband met de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
Artikel 18 Strafbepaling De strafbaarstelling geldt in aanvulling op de Ow en de Wet economische delicten (hierna: Wed). Het
handelen zonder vergunning als vereist op grond van artikel 14 is strafbaar gesteld in de Wed (artikel 1a, onderdeel 2, na inwerkingtreding Ow), Voor inwerkingtreding van de Ow was dit ook strafbaar op grond van de Wed, onder verwijzing naar artikel 2.2 van de Wabo.
Artikel 154, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de maximale boete die de gemeenteraad op overtreding van verordening kan stellen een geldboete van de tweede categorie is.
Artikel 18 verwijst naar de artikelen 13 en 14, derde lid. Artikel 13 bevat de instandhoudingsverplichting van een gemeentelijk monument, zolang deze regel of verplichting nog niet in het omgevingsplan is opgenomen. Als wordt gehandeld in strijd met de instandhoudingsverplichting, geldt deze
strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd. Artikel 14, derde lid, geeft burgemeester en
wethouders de mogelijkheid om nadere regels te stellen in het belang van de monumentenzorg met
betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Als die nadere regels worden overtreden, geldt deze strafbaarstelling en kan een boete worden opgelegd.
Artikel 19 Toezichthouders Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens een wettelijk voorschrift zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb).
Toezichthouders kunnen zowel individueel of categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.
Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. ‘Plaatsen’ is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de
ambtenaren die op grond van artikel 17, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2,
daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Dit laatste wordt in artikel 18.7 van de Ow geregeld.
Artikel 20 Vangnet archeologie Op grond van artikel 38a Monumentenwet jo. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening diende in
het bestemminsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting was de
bescherming van archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er waren echter nog
bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eis. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valletta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden ter verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden
verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Bkl
verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.
Artikel 22.4 van de Ow bevat een overgangsbepaling. Voorts bepaalt artikel 22.8, onder a, van de Ow dat gemeenten slechts beschermingsmaatregelen in hun omgevingsplan mogen opnemen inzake bekende of aantoonbare te verwachten archeologische monumenten.
Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch
onderzoek zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels met betrekking tot een programma van eisen of een plan van aanpak. Het tweede lid wordt, gelet op het
vervallen van artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en het inwerking treden van de Ow, rechtstreeks onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan.
Artikel 21 Overgangsrecht Behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 22 Inwerkingtreding en intrekken oude verordening Behoeft geen nadere toelichting.