7.2a Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Er zijn dus geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
6
SAB (2022). Quick scan natuur Wapenveld, Zwartekolk/Werverweg. Projectnummer: 220264. 20 juli 2022.
7
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Wapenveld, Zwartekolk/Werverweg. Projectnummer: 220264. 9 oktober 2023. 28
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan volgt dat in en nabij het plangebied ook soorten kunnen voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder volgt uit de quick scan dat mogelijk nesten worden verstoord van de steenuil en kerkuil die aanwezig zijn op het perceel aan de Kerkstraat 27. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen is nader soortgericht onderzoek 8 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen specifieke steenuilsporen zijn waargenomen.
Wel zijn op sommige paaltjes en dergelijke poepsporen waargenomen, maar die kunnen ook van andere vogelsoorten zijn. Bij de schuur bij Kerkstraat 27 werden wel uilenballen en poepstrepen van de kerkuil gevonden. Deze lagen aan beide kanten van de schuur. Aan beide kanten van de schuur is dan ook een nestkast van de kerkuil aanwezig. De zuidelijke nestkast is nieuw gerealiseerd. Deze was ten tijde van de quick scan nog niet aanwezig, maar is met oog op de geplande ontwikkeling gerealiseerd om zo meer mogelijkheden voor de kerkuil te bieden. Dit mede op advies van de ecoloog die tijdens het veldbezoek van de quick scan natuur hierover met de eigenaar heeft besproken. Ook blijkt uit het uitgevoerde onderzoek dat in ieder geval steenuilen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Daarbij wordt uitgegaan dat het territorium van de steenuilen aan de Kerkstraat 27 overwegend zuidelijk aanwezig is, omdat hier tijdens het onderzoek veel gereageerd werd door deze steenuilen. In het plangebied zelf, dus ten noorden van de nestlocatie, werden gedurende het onderzoek geen waarnemingen van steenuilen gedaan en werd er niet gereageerd op de afgespeelde territoriumroepjes.
De steenuilen zullen zeker wel af en toe in het plangebied aanwezig zijn of hier overheen vliegen, maar het lijkt er sterk op dat het territorium hier niet aanwezig is en dit gedeelte dus geen essentieel foerageergebied vormt voor de steenuilen. Ook de andere gevonden steenuilen gebruiken niet het plangebied als territorium. Er werd namelijk nooit gereageerd op de afgespeelde territoriumroepjes. Met het sporenonderzoek werden hier ook geen duidelijke sporen van de steenuil waargenomen. Voor de kerkuil biedt het plangebied ook geen essentieel foerageergebied. De kerkuil zal vooral foerageren bij de uiterwaarden ten oosten van de planlocatie. Voor de ransuil is geen essentieel leefgebied aanwezig in het plangebied.
8
SAB (2023). Nader onderzoek soorten Wet natuurbescherming. Wapenveld, Zwartekolk/Werverweg. Projectnummer: 220264.01. 23 mei 2023. 29
Al met al blijkt uit het nader onderzoek dat de steenuil en kerkuil geen gebruik maken van het plangebied als essentieel foerageergebied. Voor de kerkuil geldt echter wel dat de nestlocatie zich dicht op de geplande ontwikkeling bevindt. Met het behoud van de bestaande groenstructuur met bijbehorende onderhoudsstrook, het bouwen buiten de broedperiode, het realiseren van groene erfafscheidingen bij de achtertuinen van kavels nabij de nestlocatie en het beperkt toepassen van buitenverlichting bij deze kavels kan in voldoende mate rust gewaarborgd worden en zal de kerkuil van zijn nestlocatie gebruik kunnen blijven houden. Hiermee wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is dan ook niet nodig. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek9. Hieruit volgt dat het plangebied ligt op een daluitspoelingswaaier tussen de stuwwal van de Veluwe en het dal van de IJssel. Zowel stuwwal als dal zijn tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, ontstaan, respectievelijk door stuwing en uitslijting. Mogelijk is een laag(je) dekzand van minder dan één meter dik aanwezig op de daluitspoelingswaaier. Op de bodemkaart staan laarpodzolgronden gekarteerd. Dit zijn jonge ontginningen met een humeus dek van 30 tot 50 cm dik waaronder een Bhorizont aanwezig is. Uit het booronderzoek volgt dat de bodem in het plangebied bestaat uit een A- op Cprofiel.
De A-horizont is 45 tot 60 cm dik. Onderin de A-horizont zijn zandbrokjes waargenomen die duiden op verploeging of vergraving. De zandbrokjes zijn 9
Bureau voor Archeologie (2023). Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Werverweg en Zwartekolk, Wapenveld. Rapportnummer: 1229. 13 februari 2023. 30
voornamelijk afkomstig uit de C-horizont en in enkele boorprofielen zijn ook bruine brokjes waargenomen die waarschijnlijk afkomstig zijn van een B-horizont. Door deze waargenomen verploeging of vergraving wordt geconcludeerd dat het grootste deel van een eventueel sporenniveau waarschijnlijk zal zijn vergraven en alleen de diepste sporen behouden kunnen zijn gebleven. Naar aanleiding van het onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Toetsing In en rondom het plangebied bevinden zich geen monumentale en/of cultuurhistorische waarden. Tevens wordt met de woningbouwontwikkeling aansluiting gezocht met de bestaande structuren, aard en schaal van de omgeving. Zo wordt het westelijk deel van het plangebied ingericht rondom een hofje en sluiten de woningen aan de Werverweg aan bij de reeds bestaande lintbebouwing. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt.
10
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 31
Voor de ontwikkeling is een verkeersonderzoek11 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling circa 200 motorvoertuigen per werkdagetmaal bedraagt. In de toekomstige situatie neemt de verkeersgeneratie per wegvak minimaal toe. Op het maatgevende wegvak (Kerkstraat) neemt het aantal motorvoertuigen met circa 180 mvt/etmaal toe. Op basis van de Wegenscan blijkt dat de toegenomen verkeersintensiteiten zeer gering blijven en de wenselijke capaciteiten van de Zwartekolk, Werverweg en Kerkstraat niet in gevaar komen. Dit betekent dat de ontwikkeling niet zal leiden tot extreme verkeersdruk en het extra aantal motorvoertuigbewegingen in het verkeersbeeld zal opgaan. Parkeren Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen heeft de gemeente Heerde een eigen gemeentelijke parkeernota (Parkeernormennota - naar integraal parkeerbeleid, Gemeente Heerde, BVA 2012). Met de kencijfers uit deze nota is de volgende parkeerberekening gemaakt: Woningtype Woningen duur (vrijstaande woningen) Woningen midden (geschakelde woningen) Woningen goedkoop (rijwoningen)
Parkeernorm 2,1 1,8 1,5
Aantal
Totaal
5 10
10,5 18,0
8
12,0 40,5
In totaal worden 41 parkeerplaatsen gerealiseerd, waardoor kan worden voldaan aan de parkeervraag. Hiervan worden 22 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en de overige 19 parkeerplaatsen op openbaar terrein. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een tweetal parkeerkoffers. In de regels van dit bestemmingsplan wordt de parkeernormen juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
11
Goudappel B.V. (2023). Verkeersonderzoek De Kolk Wapenveld. Kenmerk: 013729.20230213.N1.02. 3 april 2023. 32
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
33
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
34
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Centrumplan Heerde’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Groen De gronden aan de noordzijde van het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. Deze bestemming voorziet voornamelijk in groenvoorzieningen, paden, watervoorzieningen en speelvoorzieningen. Gebouwen mogen niet in deze bestemming worden opgericht. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maximum bouwhoogtes opgenomen. Tuin De voortuinen en enkele zijtuinen hebben een tuinbestemming gekregen. Hier zijn enkele bouwwerken als erkers en ingangspartijen onder voorwaarden mogelijk. Verkeer De beoogde parkeer- en ontsluitingsvoorzieningen krijgen de bestemming ‘Verkeer' toegekend. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. Verder zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Voor de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maatvoeringseisen opgenomen. Wonen De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in verschillende typen woningen. Middels aanduidingen zijn voor locaties de toegestane woningtypen vastgesteld. Het gaat om de aanduidingen: gestapeld, twee-aaneen en vrijstaand. Er zijn maximaal 23 woningen toegestaan.
Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte, zoals opgenomen op de verbeelding. Daarnaast zijn er ook regels voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Bijbehorende bouwwerken bij gestapelde woningen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ toegestaan. Ten slotte is voor de woningen langs de Werverweg de aanduiding ‘gevellijn’ opgenomen. De woningen dienen met de voorgevel richting de gevellijn georiënteerd te zijn.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de algemene regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat er sprake is van strijdig gebruik indien er onvoldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren.
35
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Voor dit bestemmingsplan is de watertoets ingediend.
6.2.2
Participatie Gedurende de voorbereiding om tot voorliggend bestemmingsplan te komen is een brede informatiebijeenkomst georganiseerd waarbij geïnteresseerden een toelichting op het plan hebben gekregen en er gelegenheid was tot het stellen van vragen. Daarnaast zijn diverse individuele gesprekken gevoerd met de naast omwonenden.
36
6.2.3
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is 1 zienswijze ingediend. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassingen van het plan. Gedurende de inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan kwam verder naar voren dat een onjuiste begrenzing van een bestemming was opgenomen op de verbeelding. Dit is in het vastgestelde bestemmingsplan gecorrigeerd.
37