7.2.9. Bijlage 8 - Inventariserend veldonderzoek archeologie
Tekst van het document
Laagland Archeologie Rapport 1154
Inventariserend veldonderzoek verkennende fase
Bonenburgerlaan 52-54 , Heerde, gemeente Heerde (GD).
september 2023 Versie 2 (definitief)
In opdracht van: Aveco de Bondt
7 Colofon
v3.1
Laagland Archeologie Rapport 1154
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde (GD) Auteur: Jeroen Wijnen
In opdracht van: Aveco de Bondt
Foto’s en tekeningen: Laagland Archeologie
Status rapport: definitief
Controle: Erwin Brouwer Autorisatie: Erwin Brouwer
ISSN 2468-4759 Laagland Archeologie BV Virulyweg 21F-G 7602 RG Almelo
E-mail: info@laaglandarcheologie.nl KvK-Nummer: 75251876
© Laagland Archeologie BV, Almelo, september 2023
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Laagland Archeologie BV aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting Laagland Archeologie heeft in juni 2023 een Inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd aan de Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde. Het onderzoek vond plaats in verband met benodigde bestemmingsplanwijziging ten behoeve van rondom de sloop van het huidige bedrijfspand ten gunste van nieuwe appartementen. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol SIKB KNA 4003. In een eerder stadium is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat het plangebied kansrijk voor wat betreft archeologische resten. Het is niet mogelijk deze resten te ontzien bij het uitvoeren van de geplande bouwwerkzaamheden. Daarom is vervolgonderzoek aan de orde in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit verkennend booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel van het bureauonderzoek te toetsen en zonodig aan te vullen. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen er mogelijk nog archeologische resten worden verwacht binnen het plangebied. Omdat het potentiële archeologische niveau op 7,91 m +NAP (80 cm -mv) is aangetroffen, is mogelijk een behoud in-situ mogelijk. Aanbevolen wordt een 30 cm dikke bufferzone aan te houden (8,21 m +NAP). Voor de praktische realisering zie de ‘Handreiking Fundering op staal in een archeologievriendelijk bouwplan’ (Bijlage 7).
Als een behoud in-situ niet tot de mogelijkheden behoort wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Archeologische vindplaatsen uit de periode Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen in dit deel van Nederland bestaan hoofdzakelijk uit grondsporen. Mobiele vondsten (vuursteen, aardewerk en dergelijk) uit deze periode zijn meestal zeer schaars. Karterend booronderzoek is daarom geen geschikte methode om een eventueel aanwezige vindplaats op te sporen. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt daarom geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).1 Normaliter wordt 8 tot 10 % van het gebied, waarvoor vervolgonderzoek geadviseerd is, onderzocht. Voor een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen benodigd. We adviseren in het bestemmingsplan een aanduiding omtrent archeologie op te nemen. De beoordeling van dit advies is in handen van de gemeente Heerde, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer H.G. PapeLuijten, Regio-archeoloog Stedendriehoek.
1
Borsboom e.a., 2012
Samenvatting ___________________________________________________ 3 1 Inleiding ____________________________________________________ 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Aanleiding onderzoek______________________________________________ 5 Afbakening plan- en onderzoeksgebied ________________________________ 5 Administratieve gegevens __________________________________________ 6 Huidige situatie en toekomstig gebruik ________________________________ 8 Geplande verstoring ______________________________________________ 9 Gemeentelijk beleid _______________________________________________ 9 Onderzoeksdoel _________________________________________________ 10
2 Voorgaand onderzoek _________________________________________ 11 3 Veldonderzoek _______________________________________________ 13 3.1 3.2 3.3
Beschrijving onderzoeksmethodiek __________________________________ 13 Resultaten: lithologie, lithogenese en bodemontwikkeling ________________ 13 Resultaten: archeologie ___________________________________________ 14
4 Conclusie en verwachting ______________________________________ 15 5 Selectieadvies _______________________________________________ 16 literatuur _____________________________________________________ 17 BIJLAGE 1 AMZ-cyclus __________________________________________ 18 BIJLAGE 2 Archeologische perioden________________________________ 19 BIJLAGE 3 Niet-toegankelijke delen voor veldonderzoek _______________ 20 BIJLAGE 4 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ____________ 21 BIJLAGE 5 Boorpuntenkaart veldonderzoek _________________________ 22 BIJLAGE 6 Boorstaten veldonderzoek ______________________________ 23 BIJLAGE 7 Handreiking Fundering op staal in een archeologie-vriendelijk bouwplan 27 BIJLAGE 8 Verklarende woordenlijst _______________________________ 29
HOOFDSTUK
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
1I
NLEIDING
1.1 AANLEIDING ONDERZOEK De aanleiding voor het onderzoek vormt de geplande bouw van nieuwe woningen aan de Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde (GD). Hiertoe is een bestemmingsplanwijziging vereist. De gemeente Heerde heeft een eigen archeologiebeleid. Op basis van het beleid dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten. In een eerder stadium is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, op basis waarvan het plangebied kansrijk wordt geacht voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten. Het hieronder beschreven onderzoek is een vervolg op dit bureauonderzoek. De opdrachtgever beoogt met het onderzoek de gemeentelijke paraaf te krijgen voor het onderdeel archeologie. Aanvullende wensen zijn niet kenbaar gemaakt.
1.2 AFBAKENING PLAN- EN ONDERZOEKSGEBIED Het plangebied betreft de Bonenburgerlaan 52-54 in Heerde, gemeente Heerde (GD), zie onderstaande afbeelding.
5
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
Afbeelding 1. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied. Bron: pdok.nl Het plangebied heeft een omvang van circa 1460 m2. Deze zone wordt aangeduid als ‘onderzoeksgebied’.
1.3 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ADMINISTRATIEVE GEGEVENS
2
Provincie
Gelderland
Gemeente
Heerde
Plaats
Heerde
Beheerder/eigenaar grond
-
Toponiem
Bonenburgerlaan 52-54
Kadastrale perceelnummer(s)2
HDE00-B-2808
Laagland Archeologie projectnummer
HEBO231
Datum conceptrapportage
30-6-2023
Datum definitief rapport
13-9-2023
XY-coördinaten
199490/488670
kadastralekaart.com 6
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
199555/488675 199490/488660 199560/488640 Kaartblad
27B
Oppervlakte/lengte Plangebied Datering
circa 1460 m2
Complextype
bewoning (inclusief verdediging)
Onderzoeksmeldingsnr
5436472100
AMK-terrein
n.v.t.
Vondstmeldingsnr.
n.v.t.
Type onderzoek
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase
Datum begin veldonderzoek
21-6-2023
Datum eind veldonderzoek
21-6-2023
Opdrachtgever
Aveco de Bondt
Goedkeuring bevoegde overheid Bevoegde overheid
21-8-2023
Adviseur namens bevoegde overheid Beheer documentatie
H.G. Pape-Luijten, Regio-archeoloog Stedendriehoek
3
Uitvoerder
Projectleider/opsteller onderzoek
Neolithicum - Late Middeleeuwen
gemeente Heerde
Archeologisch Depot Gelderland E-depot voor de Nederlandse archeologie Archief Laagland archeologie BV Laagland Archeologie BV Virulyweg 21F-G 7602 RG Almelo 06 40 61 85 50 Jeroen Wijnen jeroen.wijnen@laaglandarcheologie.nl
Tabel 1. Objectgegevens.
3
www.imergis.nl/htm/opentopo800.htm 7
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
1.4 HUIDIGE SITUATIE EN TOEKOMSTIG GEBRUIK Het plangebied is momenteel in bebouwd met een bedrijfspand en het buitenterrein is verhard. Het terrein bevat voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse kunstwerken en er zijn geen historisch waardevolle bouwwerken in het plangebied aanwezig.4 Het huidige pand is in 1958 in gebruik genomen.5 In dit stadium is de exacte invulling van de plannen nog niet bekend. De milieutechnische condities, huidige en eventuele nieuwe waterpeil en of en zo ja wie de toekomstige gebruiker(s) wordt/worden zijn in dit stadium evenmin bekend. Onderstaande afbeelding toont de huidige en de gewenste nieuwe situatie.
4
bron: gemeentelijke monumentenlijst
5
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 8
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
Afbeelding 2. Huidige situatie (links) en nieuwe situatie (rechts). Bron: pdok.nl.
1.5 GEPLANDE VERSTORING De ingrepen vinden plaats binnen het plangebied. De diepte van de geplande verstoring reikt vermoedelijk overwegend niet dieper dan ongeveer 100 cm –mv. Rioleringsbuizen kunnen dieper aangelegd worden.
1.6 GEMEENTELIJK BELEID
Omdat een bestemmingsplanwijziging nodig is voor het voorliggende plan volgt uit het archeologiebeleid dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (versie 12 maart 2012) ligt het plangebied: In een zone met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Deze verwachting is gebaseerd op de landschappelijke situatie -
Binnen een zone ‘dorp’. Dit betreft de historische dorpskern van Heerde, zoals deze op oude kaarten is weergegeven.
Voor wat betreft de hoge verwachting op basis van landschappelijke criteria is archeologisch onderzoek van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen met een verstoringsoppervlak groter dan 100 m2 die dieper gaan dan 40 cm -mv. Voor wat betreft de ligging in de oude dorpskern zijn geen specifieke onderzoekseisen aangegeven. De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals die in het vigerende gemeentelijk archeologiebeleid zijn
9
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
aangegeven. De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt deze vrijstellingsgrenzen.
1.7 ONDERZOEKSDOEL Het uitgevoerde onderzoek behoort tot de eerste fasen in het huidige archeologische onderzoeksproces (zie bijlage 1). De initiatiefnemer beoogt met het hier uitgevoerde onderzoek te voldoen aan de gemeentelijke regelgeving omtrent archeologisch onderzoek. Het hier uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel van het bureauonderzoek te toetsen en zonodig aan te vullen. Op grond van de resultaten van dit onderzoek kan worden beoordeeld of en zo ja, welke vorm van vervolgonderzoek nodig is om de archeologische waarde van het gebied te kunnen vaststellen.
10
HOOFDSTUK
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
2V
OORGAAND ONDERZOEK
Volgens het eerder uitgevoerde bureauonderzoek ligt het plangebied ligt op een sneeuwsmeltwaterglooiing.6 Op basis van een iets hogere ligging is mogelijk sprake van bodemvorming, maar zeker is dit niet. Bodemkundig kan een plaggendek worden verondersteld (hoge zwarte enkeerdgrond). Vermoedelijk is dit plaggendek tegen het einde van de Late Middeleeuwen of in de vroege Nieuwe Tijd opgebracht, mogelijk in twee fasen. Het terrein is waarschijnlijk vanaf de Late Middeleeuwen vroege Nieuwe Tijd tot ruwweg 1900 min of meer continue in gebruik geweest als akker. Op oude kaarten is tot 1900 geen bebouwing aangegeven. De aanwezigheid van een (waarschijnlijk oud) plaggendek geeft een indicatie dat het terrein geschikt werd geacht voor akkerbouw. Daarmee was de grond waarschijnlijk ook al voor de Late Middeleeuwen geschikte landbouwgrond. De Bonenburgerlaan is waarschijnlijk terug te voeren tot de Late Middeleeuwen of eerder. Bekende archeologische waarden zijn schaars in de omgeving. Tot de bekende vondsten behoort een mogelijke vuursteenbewerkingsplaats (vroege prehistorie). Met name onder de oude kern van Heerde kunnen resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd worden verondersteld. Het plangebied was rond 1900 bebouwd. De huidige bebouwing dateert uit 1958.
In het plangebied kunnen resten vanaf het Midden-Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen worden verwacht (hoge verwachting). Qua bodem en geomorfologie was het terrein waarschijnlijk een aantrekkelijk gebied voor landbouwers, ook door de iets hogere ligging. Op de voormalige bouwlanden kunnen resten uit de periode Midden-Neolithicum tot en met Late Middeleeuwen (tot circa 1100 na Chr.) worden verwacht. Tot ongeveer 1100 na Chr. werden boerderijen vaak midden in de bouwlanden geplaatst. Na verloop van tijd werden de gebouwen weer afgebroken en elders herbouwd (zwervende erven). Na 1100 ontstond een proces waarbij boerenerven min of meer op dezelfde locatie gefixeerd bleven. Op oude kaarten zijn geen boerenerven in of nabij het plangebied aangegeven, zodat de verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen (na circa 1100) en Nieuwe Tijd laag is. Op basis van de ligging langs een oude uitvalsweg kunnen nog wel afvalresten en dergelijke aanwezig zijn. Dergelijke resten zijn moeilijk op te sporen. Eventuele nederzettingen uit de steentijd hebben een omvang van 50 – 200 m2 (kleine variant) of 200 – 1000 m2 (middelgrote variant). Nederzettingen uit de periode Bronstijd – middeleeuwen hebben meestal een omvang tussen 500 – 2000 m2 (huisplaats) of meer dan 8000 m2 (dorp).7
6
Brouwer, 2023.
7
bron: Tol e.a., 2006. 11
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
Deze resten liggen in de top van de natuurlijke ondergrond, dicht onder een plaggendek van maximaal ongeveer 1 m. De natuurlijke bodem wordt hier vermoedelijk gevormd door sneeuwsmeltwaterafzettingen waarin mogelijk een podzolprofiel aanwezig is. Mogelijk is tijdens de aanleg van het plaggendek het podzolprofiel verdwenen. Eventuele resten bestaan uit vuursteenstrooiingen (voornamelijk Neolithicum, in mindere mate Bronstijd en IJzertijd). Daarnaast kan (gefragmenteerd) aardewerk worden verwacht, evenals houtskool, verbrande huttenleem en natuursteen. Vanaf ongeveer de 17e eeuw is ook baksteen te verwachten (rurale gebieden; in bewoningskernen al eerder). Deze vondstcategorieën bevinden zich aan of in het pleistocene zand, direct onder een bouwvoor. Daarnaast kunnen grondsporen worden verwacht. Het gaat daarbij overwegend om paalkuilen, greppels en afvalkuilen en dergelijke. Deze bevinden zich in de top van de pleistocene ondergrond en kunnen zich tot op grote diepte uitstrekken. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht. De geplande bodemingrepen zullen deze resten zeer waarschijnlijk aantasten. Volgens het selectiebesluit is in het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk middels een verkennend booronderzoek, uit te voeren volgens de gemeentelijke handreiking BO IVO-O (dichtheid 7 boringen per ha, tot een minimum van 5 boringen).
12
HOOFDSTUK
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
3V
ELDONDERZOEK
3.1 BESCHRIJVING ONDERZOEKSMETHODIEK Het veldonderzoek heeft tot doel om meer inzicht te verkrijgen in de fysische situatie in het plangebied. Het dient de in het plangebied aanwezige bodems, de mate van verstoring en de aanwezigheid van potentiële archeologische niveaus in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan er voor het plangebied een gespecificeerd verwachtingsmodel worden opgesteld dat gedetailleerder en nauwkeuriger is dan een verwachtingsmodel dat louter gebaseerd is op bronnen en globalere bodem- en geomorfologische kaarten. Voor het booronderzoek niet-toegankelijke en/of verstoorde delen zijn aangegeven op de kaart in bijlage 3. Voor aanvang van het veldonderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld8 en gedeponeerd in Archis3. Het veldonderzoek bestond uit het zetten van vijf verkennende boringen. Verkennend booronderzoek is een snelle en kostenefficiënte onderzoeksmethode om de archeologische potentie van een plangebied in kaart te brengen. Aangezien de specifieke bodemopbouw in het plangebied niet bekend is, is verkennend onderzoek in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode. De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boorkernen zijn visueel geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren. De boringen zijn gemeten met GPS met een nauwkeurigheid van 3 m.
Het bodemprofiel is beschreven volgens de norm NEN 5104 en ASB. De NAPmaaiveldhoogtes van de boringen zijn bepaald aan de hand van het AHN. De profielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 6. De boorpuntenkaart met de posities van de boringen is opgenomen in bijlage 5.
3.2 RESULTATEN: LITHOLOGIE, LITHOGENESE EN BODEMONTWIKKELING
Algemeen is voornamelijk onder een dikke klinkerverharding en/of ophoging een dikke A-horizont aangetroffen. Globaal bestaat deze uit een verstoorde top (subhorizont 1). Daaronder ligt een enkeerdgrond (subhorizont 2) met daaronder afgetopte, (haar)podzolgronden. Deze podzolgronden zijn afgetopt tot in de BChorizont. In de meeste gevallen is de top van de BC-horizont aangetroffen in
8
Wijnen, 2023. 13
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
dekzanden, afgezien van boring 5 waar de top van de BC-horizont is aangetroffen in de top van de onderliggende sneeuwsmeltwaterafzettingen (fluvioperiglaciale afzettingen). De podzolgronden zijn in boring 5 net wat verder afgetopt. Deze bodemhorizont van afgetopte podzolgronden is aangetroffen in de natuurlijke ondergrond bestaande uit dekzand-op-sneeuwsmeltwaterafzettingen (dekzand-opfluvioperiglaciale afzettingen). Deze natuurlijke ondergrond is aangetroffen tussen 80 à 150 cm -mv (7,28 à 7,91 m +NAP). Het grote diepteverschil is toe te schrijven aan een extra subhorizont van de Ahorizont. Boring 5 heeft drie subhorizonten, terwijl in de meeste boringen de Ahorizont uit twee subhorizonten bestaat. Mogelijk representeert de onderste subhorizont in boring 5 een slootvulling. Verder is in boring 3 een oranjebruine, matig humeuze subhorizont van de A-horizont aangetroffen. Deze representeert mogelijk een door grondbewerking in de A-horizont opgenomen Bhs-horizont. Boring 3 met een representatieve bodemopbouw wordt hieronder beschreven:
•
0 tot 10 cm -mv (8,77 tot 8,97 m +NAP): betonnen klinkers (H-klinkers).
•
10 tot 20 cm -mv (8,67 tot 8,77 m +NAP): lichtgeel, zwak siltig, matig fijn, goed gesorteerd zand, ophoogzand.
•
20 tot 40 cm -mv (8,47 tot 8,67 m +NAP): grijsbruin, matig humeus, zwak grindig, zwak siltig, goed gesorteerd zand met wat kolengruis en een enkele baksteenspikkel.
•
40 tot 100 cm -mv (7,87 tot 8,47 m +NAP): donkerbruin, matig humeus, zwak siltig, matig fijn, goed gesorteerd zand met enkele houtskoolspikkels.
•
100 tot 120 cm -mv (7,67 tot 7,87 m +NAP): oranje, zwak siltig, matig fijn, goed gesorteerd zand, BC-horizont, dekzanden.
•
120 tot 130 cm -mv (7,57 tot 7,67 m +NAP): oranje, zwak siltig, matig fijn, matig gesorteerd zand, BC-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen.
•
130 tot 150 cm (7,37 tot 7,57 m +NAP): geel zwak siltig, matig fijn, matig gesorteerd, matig roesthoudend zand, Cg-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen.
3.3 RESULTATEN: ARCHEOLOGIE Er is houtskool en baksteen aangetroffen als archeologische indicator in de dikke Ahorizont van enkeerdgronden. Omdat deze mogelijk van elders afkomstig zijn en wellicht door bemesting op het veld zijn gebracht zijn deze weinig relevant. Verder zijn recente en subrecente bijmengingen aangetroffen in de bovenste subhorizont van de A-horizont. Het gaat om kolengruis (boringen 2 t/m 5) en plastic (boring 3). Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de natuurlijke ondergrond (BC- en Cg-horizont in dekzanden-op-fluvioperiglaciale afzettingen). Opsporing hiervan vergt meer intensieve vormen van archeologisch veldonderzoek en was niet het doel van het hier uitgevoerde verkennende booronderzoek (zie paragraaf 1.7).
14
HOOFDSTUK
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
4C
ONCLUSIE EN
VERWACHTING Algemeen is een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen, voornamelijk bestaande uit enkeerdgronden met daaronder tot op/in de BC-horizont afgetopte (haar)podzolgronden in dekzand-op-fluvioperiglaciale afzettingen. Op grond van een grotendeels intacte bodemopbouw moet het eerder opgestelde verwachtingsmodel gehandhaafd blijven. De top van het potentiële archeologische niveau is op 7,91 m +NAP (80 cm -mv) aangetroffen.
15
HOOFDSTUK
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
5S
ELECTIEADVIES
Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen er mogelijk nog archeologische resten worden verwacht binnen het plangebied. Omdat het potentiële archeologische niveau op 7,91 m +NAP (80 cm -mv) is aangetroffen, is mogelijk een behoud in-situ mogelijk. Aanbevolen wordt een 30 cm dikke bufferzone aan te houden (8,21 m +NAP). Voor de praktische realisering zie de ‘Handreiking Fundering op staal in een archeologievriendelijk bouwplan’ (Bijlage 7). Als een behoud in-situ niet tot de mogelijkheden behoort wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Archeologische vindplaatsen uit de periode Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen in dit deel van Nederland bestaan hoofdzakelijk uit grondsporen. Mobiele vondsten (vuursteen, aardewerk en dergelijk) uit deze periode zijn meestal zeer schaars. Karterend booronderzoek is daarom geen geschikte methode om een eventueel aanwezige vindplaats op te sporen. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt daarom geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).9 Normaliter wordt 8 tot 10 % van het gebied, waarvoor vervolgonderzoek geadviseerd is, onderzocht.
Voor een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen benodigd. We adviseren in het bestemmingsplan een aanduiding omtrent archeologie op te nemen. Dit advies is overgenomen doorvan de gemeente Heerde, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer H.G. Pape-Luijten, Regioarcheoloog Stedendriehoek.
9
Borsboom e.a., 2012 16
Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde, Gelderland
literatuur
Berendsen, H.J.A., 2005 (1997). Landschappelijk Nederland. De fysisch geografische regio’s. Assen. Berendsen, H.J.A., 2008. De vorming van het land. Assen. Borsboom, A.J. en J.W.H.P. Verhagen, 2012. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Gouda. Bosch, J.H.A.,2008. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Op basis van de Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 5.2. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Brouwer, E., 2022: Archeologisch bureauonderzoek Bonenburgerlaan 52-54 te Heerde, gemeente Heerde (GD). Laagland Archeologie Rapport 1040. Mulder, E.F.J. de., 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Nederlands Normalisatie-instituut Delft. Pape-Luijten, H., 2019. Handreiking archeologisch bureau- en verkennend Booronderzoek. Apeldoorn. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen en M. Verbruggen, 2012. Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek v2. SIKB
Archeologische databases/internetbronnen ArchisIII www.boorstaten.nl www.topotijdreis.nl www.hisgis.nl www.grondwatertools.nl www.kadastralekaart.com
Gebruikte kaarten Top 10. Bron: pdok.nl
17
BIJLAGE 1 AMZ-CYCLUS
18
BIJLAGE 2 ARCHEOLOGISCHE PERIODEN
19
BIJLAGE 3 NIET-TOEGANKELIJKE DELEN VOOR VELDONDERZOEK
20
BIJLAGE 4 GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSKAART
gwk
21
BIJLAGE 5 BOORPUNTENKAART VELDONDERZOEK
22
BIJLAGE 6 BOORSTATEN VELDONDERZOEK Boring 1
RD-coördinaten: 199497/488669
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 8,71 0
0,25
0,5
0,75
8,46
30
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkerbruin, A-horizont weinig houtskool
8,21
7,96
1
7,71
1,25
7,46
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkergrijs/ bruin, zwak baksteenhoudend, A-horizont, bouwvoor
80
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, oranje, BC-horizont, dekzand
zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, 100 oranje, BC-horizont, fluvioperiglaciale 110 afzettingen zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, 130 geel, matig roesthoudend, C-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen
Boring 2
RD-coördinaten: 199518/488670
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 8,78 0 10 20
0,25
8,53
0,5
8,28 60
grijs, dikke klinker
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, lichtgeel, opgebracht zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, grijs/ bruin, zwak koolgruishoudend, zwak baksteenhoudend, A-horizont weinig houtskool
0,75
8,03
1
7,78
1,25
7,53
1,5
7,28
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkerbruin, A-horizont weinig houtskool 100
120 130
150
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, oranje, BC-horizont, dekzand zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, oranje, BC-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, geel, matig roesthoudend, C-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen
23
Boring 3
RD-coördinaten: 199531/488671
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 8,85 0 10 20
0,25
0,5
8,6
8,35 60
grijs, dikke klinker
Boring 4
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 8,87 0 10
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, lichtgeel, opgebracht zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, grijs/ bruin, zwak koolgruishoudend, zwak baksteenhoudend, A-horizont, plastic
RD-coördinaten: 199533/488653
20
0,25
8,62 40
0,5
8,37
weinig houtskool
0,75
8,1 90
1
7,85
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkerbruin, A-horizont weinig houtskool
zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, 110 matig grindig, oranje/ bruin, A-horizont
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, lichtgeel, opgebracht zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, grijs/ bruin, matig koolgruishoudend, zwak baksteenhoudend, A-horizont matig houtskool
0,75
8,12
1
7,87
1,25
7,62
1,5
7,37
120
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, sterk grindig, oranje, BC-horizont, dekzand, gestuit
grijs, dikke klinker
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkerbruin, A-horizont weinig houtskool 100
120 130
150
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, oranje, BC-horizont, dekzand zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, oranje, BC-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, geel, matig roesthoudend, C-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen
24
Boring 5
RD-coördinaten: 199541/488645
-mv (m) NAP(m) lithologie kleurbeeld 8,78 0
0,25
0,5
0,75
1
8,53
30
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, sterk grindig, donkergrijs/ bruin, sterk puinhoudend, opgebracht
70
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, grijs/ bruin, matig koolgruishoudend, zwak baksteenhoudend, A-horizont
8,28
matig houtskool
8,03
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, zwak grindig, grijs/ bruin, zwak baksteenhoudend, A-horizont weinig houtskool
7,78
120
1,25
7,53
1,5
7,28
1,75
7,03
zand, matig fijn, zwak siltig, goed gesorteerd, matig humeus, donkerbruin, A-horizont
zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, oranje/ geel, 160 BC-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen 150
180
zand, matig fijn, zwak siltig, matig gesorteerd, geel, matig roesthoudend, C-horizont, fluvioperiglaciale afzettingen
25
26
BIJLAGE 7 HANDREIKING FUNDERING OP STAAL IN EEN ARCHEOLOGIEVRIENDELIJK BOUWPLAN De Handreiking Fundering op staal in een archeologievriendelijk bouwplan beschrijft op welke manieren schade aan het bodemarchief als gevolg van (het aanbrengen van) een fundering op staal zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Geadviseerd wordt deze handreiking in samenhang met de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen te gebruiken. Funderingen op staal hebben betrekking op bouwwerken die op relatief geringe diepte op een draagkrachtige ondergrond worden gefundeerd. Een fundering op staal moet vorstvrij, op een minimumdiepte van 60-80 cm onder het maaiveld worden aangelegd. In algemene zin geldt dat funderingen op staal alleen toegepast worden op voldoende draagkrachtige bodems, die niet erg zettingsgevoelig zijn en waar de belasting van een bouwwerk geen of weinig vervorming in de ondergrond veroorzaakt.
Uitgangspunten archeologievriendelijk bouwplan Bodemingrepen die de archeologische vindplaats raken en verstoren worden zoveel mogelijk voorkomen. Aanbevolen wordt een 30 cm dikke bufferzone aan te houden, gerekend vanaf de bovenkant van de vindplaats. Voor alle funderingen op staal geldt: 1. Een fundering op staal wordt bij voorkeur boven de bufferzone aangelegd. 2. Een fundering op staal die in de bufferzone wordt aangelegd, wordt archeologisch begeleid om eventuele vondsten en sporen van de vindplaats te documenteren. 3. Een fundering op staal die onder de bufferzone wordt aangelegd en de vindplaats verstoort, wordt zoveel mogelijk voorkomen. Als minder bodemverstorende alternatieven ontbreken en een fundering op staal onvermijdelijk is, dan wordt deze fundering pas na archeologisch onderzoek aangelegd. 4. Geen bodemverstorende grondverbetering toepassen in of onder de bufferzone.
Beoordeling bouwplan op het aspect fundering op staal In de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen is beschreven hoe en op welke aspecten een bouwplan kan worden beoordeeld en welke gegevens over de vindplaats en het bouwplan daarvoor nodig zijn. Ten aanzien van fundering op staal wordt een bouwplan op de volgende criteria beoordeeld: 27
1. Wordt de fundering op staal in of onder de bufferzone aangelegd? Zo ja: a) Zijn de ontgravingen t.b.v. het funderingsplan noodzakelijk, of zijn minder diepe ontgravingen en minder omvangrijke ontgravingen te realiseren? 2. Is de vindplaats zettingsgevoelig en bedraagt de totale belasting meer dan 0,8 ton/m2? Zo ja: a) Is de belasting door het te funderen bouwwerk noodzakelijk, of is een lichtere belasting mogelijk?
Oplossingen De volgende oplossingen kunnen het bouwplan archeologievriendelijk(er) maken. Ten aanzien van de aanleg van een fundering op staal: 1. Beperken omvang van ontgraving De bodemverstoring kan worden beperkt door bij een strokenfundering alleen de stroken te ontgraven, of een hoger liggende plaatfundering toe te passen waarbij alleen voor de vorstranden diepere ontgravingen nodig zijn. 2. Fundering op staal ondieper aanleggen t.o.v. oorspronkelijk maaiveld. Soms is het mogelijk om de diepte van een ontgraving aan te passen, waardoor het archeologisch niveau niet geraakt wordt. Dit kan tot 60 cm onder het maaiveld, de minimumdiepte voor de aanleg van funderingen. Wanneer een nog ondiepere ontgraving wenselijk is, komt ophoging als oplossing in beeld. 3. Ophogen van het bouwterrein Door het ophogen van het bouwterrein ontstaat een nieuw, hoger gelegen maaiveld, waardoor bodemingrepen ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld minder diep gaan en de vindplaats minder of helemaal niet meer verstoren. Ophogen kan bij zettingsgevoelige vindplaatsen echter schadelijk zijn als de totale belasting (van ophoging en fundering) meer dan 0,8 ton/ m2 bedraagt. Zie daarvoor de Handreiking Belasten van de bodem in een archeologievriendelijk bouwplan. 4.
Hergebruik van funderingen Hergebruik van eventueel aanwezige funderingen betekent dat bij de bouwwerkzaamheden minder bodemverstoringen nodig zijn. De technische (on)mogelijkheden zullen bepalen of hergebruik haalbaar is. Dat hangt onder meer af van de randvoorwaarden die aan het bouwplan worden gesteld. 5. Fundering op palen Hoewel palen op zichzelf ook een verstoring van het bodemarchief inhouden, biedt een paalfundering uitkomst wanneer de ontgravingen van een fundering op staal meer bodemverstoring veroorzaken dan een fundering op palen. Zie hiervoor de Handreiking Paalfundering in een archeologievriendelijk bouwplan.
28
BIJLAGE 8VERKLARENDE WOORDENLIJST AMK-terreinen - De AMK (Archeologische Monumentenkaart) is een bestand van alle bekende, behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland. Op de kaart staan terreinen van archeologische, hoge archeologische en zeer hoge archeologische waarde (al dan niet wettelijk beschermd) aangegeven. De AMK wordt niet meer geactualiseerd. ARCHIS3 - Archis3 (Archeologisch Informatiesysteem) is een databank waarin gegevens over archeologisch onderzoek, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Bronstijd - In de Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) werden voor het eerst voorwerpen van brons – een legering van koper en tin – gemaakt, hoewel vuursteen nog steeds breed toegepast werd. Aardewerk uit deze periode is meestal zeldzaam en van slechte kwaliteit (‘hondebrokaardewerk’). Waarschijnlijk werden veel tradities en gebruiken uit het Neolithicum in deze periode voortgezet, waaronder aanvankelijk het gebruik overledenen in grafheuvels bij te zetten. Later, rond 1.200 voor Chr. werd begraving vervangen door crematies, die in urnenvelden en soms ook in oudere grafheuvels werden bijgezet. Es – een es (enk, eng) is een areaal bouwland dat door meerdere grondgebruikers wordt gebruikt. Een es is ruimtelijk begrensd en als zodanig herkenbaar, maar de individuele percelen zijn niet gescheiden door duidelijk herkenbare grenzen.
Fluvioperiglaciaal – door stromend water afgezet onder periglaciale omstandigheden Bodemhorizont – een bodemhorizont is een laag of zone die wordt gevormd door bodemvorming. Een bodemhorizont onderscheidt zich van andere lagen door kleur, textuur, structuur en abiotische factoren. De aan- of afwezigheid van bodemhorizonten in podzolgronden geeft belangrijke informatie in hoeverre het vroegere loop-/woonniveau nog intact is en in welke mate daarmee archeologische resten zijn te verwachten. De A-horizont ligt meestal aan of vlak onder het maaiveld en is vaak humeus. Vaak vormt de bouwvoor de A-horizont. De E-horizont ligt meestal onder de A-horizont. De E-horizont is ontstaan onder invloed van (regen)water, waardoor klei, humus en/of aluminium omlaag zijn getransporteerd. De E-horizont is vaak lichtgrijs van kleur (‘loodzand’). De B-horizont ligt onder de E-horizont. Dit is een inspoelingslaag. De B-horizont is meestal bruin of donkerbruin gekleurd. De BC-horizont kan onder de B-horizont voorkomen. Dit is een overgangslaag van B- naar C-horizont. De kleur is meestal donkergeel, bruingeel of geelbruin De C-horizont is de minerale horizont van ongeconsolideerd materiaal. Het is het moedermateriaal waarin de bovenliggende horizonten zijn gevormd. IJzertijd - In de IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt.
IJzer was harder dan brons en ijzererts was veel breder beschikbaar dan de grondstoffen voor brons (koper en tin). Het winnen en smeden van ijzer vereiste echter veel kunde en kennis. Naast aardewerk worden vanaf deze periode soms resten van ijzeroventjes gevonden of afval dat is ontstaan bij ijzerwinning. Op de hogere zandgronden kwamen celtic fields (raatakkers) tot ontwikkeling. Dit waren akkercomplexen die zich soms tot over een groot gebied konden uitstrekken en gekenmerkt werden door relatief kleine akkertjes die omgeven werden door raatvormige wallen. Men woonde temidden van de akkers. Ten opzichte van de voorgaande en latere perioden werden vaak nattere gronden opgezocht. Vanaf de IJzertijd ook werden de zeekleigebieden in gebruik genomen.
29
Loodzand - In een plaggendek wordt regelmatig loodzand aangetroffen: bij het winnen van plaggen werd eerst de natuurlijke toplaag afgestoken. In deze toplaag was een Ehorizont (uitspoelingslaag) aanwezig met een kenmerkende grijze kleur. Loodzand wordt meestal aangetroffen in de onderzijde van het plaggendek. Middeleeuwen - De Middeleeuwen duurden van 450 – 1500 na Chr. Over de periode vlak na het definitieve vertrek van de Romeinen uit Nederland is weinig bekend. Tot op heden zijn relatief weinig vindplaatsen uit deze periode aangetroffen. Er zijn sterke vermoedens dat resten uit deze periode voor een belangrijk deel onder de huidige oude stads- en dorpskernen en oude akkercomplexen liggen. Vanaf ongeveer de 10e eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is sprake van een min of meer centraal gezag. De maatschappij raakt gefeodaliseerd. In deze periode werd een begin gemaakt met de ontginning van veen, heide en bos. Moedermateriaal – ook wel het uitgangsmateriaal genoemd, is het materiaal waaruit de bodem is gevormd, het verse sediment vóór de verandering door de bodem vorming. Neolithicum - Het Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) wordt gekenmerkt door een overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw en veeteelt. De mens ging zich op een min of meer vaste locatie vestigen. Aanvankelijk werd daarnaast nog gejaagd en verzameld, maar meer en meer werd de mens agrariër.
Doordat men zich op een locatie kon vestigen, namen de materiële bezittingen sterk toe. Men bouwde boerderijen en andere constructies en creëerde voorwerpen van aardewerk en geslepen steen. De bevolking kon groeien en de samenlevingen werden complexer. Uit deze periode zijn hunebedden en grafvelden/-heuvels bekend. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) – De RCE is een onderdeel van het ministerie van OCW. Het voert wet- en regelgeving uit, ontwikkelt kennis en geeft advies over rijksmonumenten, landschap & omgeving, archeologie en roerend erfgoed.
30