7.2.7A QS_Flora_en_fauna_pdf
Tekst van het document
Verkennend natuuronderzoek locatie Soerelseweg 11 te Heerde Onderzoek naar het voorkomen van beschermde natuurwaarden
Datum: 10-06-2019 Auteur: Opdrachtgever: JongBouw Rapportnummer: AT/2017/13.06 Versie: D2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor het perceel aan de Soerelseweg 11 in Heerde bestaan herontwikkelingsplannen. De op het terrein aanwezige loodsen en schuren worden gesloopt en vervangende door nieuwebouw van enkele appartementen en een woning. In opdracht van JongBouw is voor deze ontwikkeling een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in beeld te brengen. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het verkennend natuuronderzoek.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (rode ster) in het centrum van Heerde.
1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de wet- en regelgeving voor natuur worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten of gebieden. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten, dan is voor de ingreep mogelijk een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien sprake is van effecten op beschermde gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist.
2
2
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) in Nederland. Projecten of handelingen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel niet toegestaan. Ten aanzien van Natura 2000 zijn er beperkte wijzigingen in de Wet natuurbescherming ten opzichte van de bepalingen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet vervalt. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer aan de orde. In dit kader is ook toetsing nodig van effecten in het kader van de externe werking van toepassing.
Bij de toetsing zijn er de volgende procedurevarianten: • Geen nader onderzoek: effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten (er zijn geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig) • Voortoets: effecten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten • Verslechteringstoets: effecten kunnen op basis van de Voortoets niet worden uitgesloten, significantie hiervan wel • Passende beoordeling: significantie van effecten kan op basis van de Voortoets of Verslechteringstoets niet worden uitgesloten • ADC-toets: indien significantie van effecten op basis van de Passende beoordeling niet kan worden uitgesloten. Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is dwingende redenen van groot openbaar belang en in compensatie is voorzien. Indien negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten is in ieder geval een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
3
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van EZ) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet. Er is dan geen ontheffing nodig. 2.3
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN/EHS in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
4
3
Bureauonderzoek
3.1 Werkwijze Op basis van bestaande inventarisatiegegevens is een bureauonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde gebieden en/of soorten in (de omgeving van) het plangebied. Hiervoor zijn o.a. verspreidingsatlassen gebruikt en digitale media als www.waarneming.nl en www.telmee.nl. Aan de hand van deze bureaustudie is een inschatting gemaakt van welke beschermde gebieden en/of soorten er mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. 3.2 Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 1.000 m afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 5 km) van het plangebied.
Figuur 3.2: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (rode pijl). Bron: Atlas Leefomgeving IPO.
Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Heerde en is niet zichtbaar vanuit het Natura 2000-gebied Veluwe. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Heerde en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid of andere storingsfactoren worden uitgesloten. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 3.3 Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het dichtstbijzijnde GNN-gebied is landgoed Bonenkamp ten oosten van Heerde op ca. 700 meter afstand van het plangebied. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het GNN ligt en de Omgevingsverordening van Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van GNN niet noodzakelijk.
5
Figuur 3.3: Ligging GNN/EHS (groen gearceerd) ten opzichte van het plangebied (rode pijl). Bron: Atlas Leefomgeving IPO.
6
4
Verkennend veldbezoek
4.1 Werkwijze Op 8 mei 2017 heeft een verkennend veldbezoek in het plangebied plaatsgevonden. Op basis van een expertoordeel is aan de hand van biotoopeisen van beschermde soorten en habitatkenmerken in het plangebied beoordeeld welke beschermde soorten er in het plangebied kunnen voorkomen. Het veldonderzoek heeft een verkennend karakter en kan niet worden gezien als uitputtende soorteninventarisatie. In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geen waarnemingen van beschermde soorten aanwezig uit het plangebied. In de wijdere omgeving (stedelijk gebied Heerde) zijn soorten als gierzwaluw, huismus, gewone dwergvleermuis, watervleermuis, eekhoorn en egel waargenomen.
Figuur 4.1-1: Te slopen schuren/garages in het plangebied.
Figuur 4.1-2: Te slopen schuren/garages in het plangebied.
7
Figuur 4.1-3: Te slopen schuren in het plangebied.
4.2 Flora Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied. Het plangebied is grotendeels verhard en bebouwd en heeft derhalve een beperkte waarde voor vaatplanten. Er zijn tijdens de veldbezoeken geen beschermde soorten muurplanten aangetroffen op de gevels van de bebouwing. In de begroeiing rondom de gebouwen zijn ook geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig. Nader onderzoek naar planten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.3 Vogels Tijdens de veldbezoeken zijn diverse algemeen voorkomende zangvogels aangetroffen in het plangebied. In de oude schuren zijn enkele nesten van merel en roodborst aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn alleen beschermd wanneer ze gedurende het broedseizoen in gebruik zijn. Nesten van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals huismus, gierzwaluw en uilen zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. De te slopen schuren en loodsen zijn ook niet geschikt als broedplaats voor deze soorten. Ze zijn niet toegankelijk voor uilen en vanwege het ontbreken van hellende pannendaken en/of van dakbeschot in de dakconstructies ontbreken geschikte broedplaatsen voor soorten als huismus en gierzwaluw. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is derhalve niet aan de orde.
In de begroeiing rondom de bebouwing en in de bebouwing zelf kunnen algemeen voorkomende zangvogels broeden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen dient voorkomen te worden, bijvoorbeeld door te werken buiten het broedseizoen op plaatsen waar vogels kunnen broeden. 4.4
Zoogdieren
4.4.1 Vleermuizen De te slopen bebouwing is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen gebruiken in bebouwing o.a. holle ruimtes in spouwmuren of in de dakconstructie (ruimte tussen pannen en dakbeschot). Daarnaast kunnen vleermuizen verblijven in spleetvormige ruimtes achter gevelbetimmering. Soms worden vleermuizen vrijhangend aangetroffen aan gebinten of op houten zolderruimtes. De te slopen schuren hebben geen spouwmuren waardoor uitgesloten kan worden dat vleermuizen in spouwruimtes verblijven. De meeste schuren/garageboxen hebben een golfplaten dak zonder dakbeschot. Hier zijn geen holle ruimtes aanwezig tussen dakpannen en dakbeschot waardoor uitgesloten kan
8
worden dat vleermuizen in holle dakconstructies verblijven. Er is 1 garage met een hellend pannendak. Hier is geen dakbeschot aanwezig waardoor uitgesloten kan worden dat vleermuizen in holle dakconstructies verblijven. Er zijn verder geen voor vleermuizen toegankelijke ruimtes aangetroffen achter gevelbetimmering of daklijsten. Ook bevatten de schuren/garages geen houten gebinten met pen-gatverbindingen of zolderruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen uitwerpselen van vleermuizen of prooiresten (vlindervleugels) aangetroffen in de bebouwing. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig en bevinden zich geen lijnvormige landschapselementen die door vleermuizen als vliegroute gebruikt kunnen worden. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is derhalve niet aan de orde. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen (sporen van) andere zoogdiersoorten aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is ook slechts beperkt geschikt voor overige zoogdiersoorten. In de begroeiing rondom de bebouwing kan de egel (andere beschermde soort) foerageren. In de bebouwing zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen.
Vaste rust- en verblijfplaatsen van zwaarder beschermde overige zoogdiersoorten zijn niet in het plangebied aanwezig. In 2018 is bij wijziging van de provinciale ruimtelijke verordening van Gelderland de beschermingsstatus van de kleine marterachtigen wezel, hermelijn en bunzing gewijzigd. Genoemde soorten zijn niet langer vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Wezel De wezel is niet gebonden aan een specifiek landschapstypen, maar het dier heeft wel een voorkeur voor een structuurrijk kleinschalig (cultuur-)landschap. Ook in de bebouwde omgeving kan de wezel worden aangetroffen zoals in grotere tuinen en parken. Wanneer ook de hermelijn of de vos aanwezig is, wordt de kleinere wezel soms verdreven naar suboptimaal habitat, zoals geïsoleerde bosjes. Natte gebieden worden gemeden. Meer nog dan de hermelijn is de wezel afhankelijk van voldoende dekking. Door zijn kleinere formaat is de wezel dan ook kwetsbaarder voor predatoren. Het leefgebied omvat afhankelijk van de kwaliteit tussen de 1 – 10 ha (Provincie Noord Brabant, 2017a). De wezel is geen gebouwbewonende soort dus aanwezigheid van verblijfplaatsen van de soort in de te slopen bebouwing in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied bevat eveneens geen geschikt leefgebied voor de wezel. Het terrein is vrijwel volledig verhard en er is onvoldoende dekking voor de soort aanwezig.
In de NDFF ontbreken ook verspreidingsgegevens van de wezel in Heerde. Hermelijn De hermelijn heeft een voorkeur voor een waterrijke omgeving. Ook in agrarische cultuurlandschappen met voldoende dekking komt de soort voor. Bossen worden gemeden evenals de bebouwde omgeving. Het leefgebied omvat afhankelijk van de kwaliteit tussen de 2 – 40 ha (Provincie Noord Brabant, 2017a). De hermelijn is geen gebouwbewonende soort dus aanwezigheid van verblijfplaatsen van de soort in de te slopen bebouwing in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied bevat eveneens geen geschikt leefgebied voor de hermelijn, gelet op de ligging in het stedelijk gebied van Heerde en het ontbreken van water. In de NDFF ontbreken ook verspreidingsgegevens van de hermelijn in Heerde. Bunzing De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voor komen, even-
9
als in open bossen. Het leefgebied omvat afhankelijk van de kwaliteit tussen de 10 en de 1000 ha (Provincie Noord Brabant, 2017a). De bunzing is in beginsel geen gebouwbewonende soort, maar soms worden ’s winters bunzingen op hooizolders of in oude schuren aangetroffen om te schuilen. De schuren/garages in het plangebied zijn hiervoor niet optimaal geschikt. Er is geen hooi of stro aanwezig waarin bunzingen kunnen schuilen. De schuren zijn ook vrij opgeruimd waardoor er weinig wegkruipmogelijkheden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen sporen (uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen die kunnen duiden op aanwezigheid van de bunzing. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van de soort in de te slopen bebouwing in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied bevat eveneens geen geschikt leefgebied voor de bunzing, gelet op de ligging in het stedelijk gebied van Heerde. Het terrein is verder vrijwel volledig verhard en er is onvoldoende dekking voor de soort aanwezig. In de NDFF ontbreken ook verspreidingsgegevens van de bunzing in Heerde. Alleen in het buitengebied van Heerde zijn enkele waarnemingen van de bunzing bekend. Voor de andere beschermde soort egel (art. 3.10 Wn) die mogelijk in het plangebied voorkomt geldt een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wn bij ruimtelijke ingrepen.
Nader onderzoek naar overige zoogdiersoorten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen In het plangebied is geen geschikte biotoop aanwezig voor beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen. Er is geen oppervlaktewater aanwezig wat kan dienen als leefgebied en/of voortplantingsplaats en geen begroeiing die geschikt is als overwinteringshabitat in de omgeving van geschikt voortplantingswater. Nader onderzoek naar vissen, amfibieën en reptielen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden in het plangebied aangetroffen. Het plangebied bevat ook geen geschikte biotoop voor beschermde soorten libellen, dagvlinders of andere soorten ongewervelden. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het plangebied kan derhalve worden uitgesloten. Nader onderzoek naar ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
10
5
Conclusie
5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen sloop van de bebouwing op de locatie Soerelseweg 11 te Heerde leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het plangebied vormt in beperkte mate geschikt leefgebied de algemeen voorkomende zoogdiersoorten zoals de egel. Het betreft andere beschermde soort (art. 3.10 Wn), waarvoor een provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming geldt. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. De bebouwing is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats zoals huismus en gierzwaluw. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. In de begroeiing rondom de bebouwing en in de bebouwing zelf kunnen algemeen voorkomende zangvogels broeden.
Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen dient voorkomen te worden, bijvoorbeeld door te werken buiten het broedseizoen op plaatsen waar vogels kunnen broeden. 5.3 Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen sloop van enkele loodsen en schuren op de locatie Soerelseweg 11 te Heerde leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.
.
11