CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

7.2.6. Quickscan Flora en Fauna.pdf

Raadscommissie 13 september 2021, gemeente HeerdeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Stege 10 Veessen7.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecol o gi s c he qu i c k s c an

De Stege 10 te Veessen I n het k ader van een bestemmingspl anw ij z i gi ng

Titel

Ecolgische quickscan De Stege 10 te Veessen

Betreft

Ecologische quickscan

Locatie

De Stege 10 8194 LP Veessen (gemeente Heerde)

Uitvoering

J.Mossink, Ruimte voor Advies BV Deventerstraat 179 8171 NS Vaassen

Contactpersoon

Dhr. J. Mossink, ecoloog mossink@ruimtevooradvies.nl - 06 83 222 610

Opdrachtgever

Dhr. Rakhorst

Datum

26-05-2020

Status

Versie 1.0

I N H OU D 1

Inleiding 4

1.1 Aanleiding en doel 1.2 Beschrijving locatie en ingreep 1.3 Opzet onderzoek 1.4 Kwaliteitsborg 2

Resultaten beschermde flora en fauna

7

2.1 Vaatplanten 2.2 Broedvogels 2.3 Vleermuizen 2.4 Grondgebonden zoogdieren 2.5 Overige soorten 3

Effecten en aanbevelingen 13

3.1 Vaatplanten 3.2 Broedvogels 3.3 Vleermuizen 3.4 Grondgebonden zoogdieren 3.5 Overige soorten 3.6 Algemeen 4

Gebiedsbescherming 16

4.1 Natuurnetwerk Nederland 4.2 Natura 2000 5

Conclusies 19

5.1 Overzicht van de bevindingen 5.2 Conclusies en aanbevelingen 6

Wettelijk kader 22

6.1 Inleiding 6.2 Gebiedsbescherming 6.3 Soorten bescherming 6.4 Rode lijsten [3]

1

I n l eiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de initiatiefnemer voerde Ruimte voor Advies een ecologische quickscan uit op het perceel gelegen aan De Stege 10 te Veessen (gemeente Heerde). De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe woning en bijgebouw te realiseren. Een grote schuur en een klein bijgebouw naast de woning worden gesloopt en het geheel wordt landschappelijk ingepast. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging vereist. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, onderdelen ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige een inschatting maakt van de mogelijke aanwezigheid van en effecten op beschermde flora en fauna. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. 1.2 Beschrijving locatie en ingreep De locatie ligt aan De Stege 10 in het buitengebied van Veessen (Afbeelding 1.1). Op het erf staat een boerderij, een oude veeschuur een klein bijgebouw/garage en een paardenstal.

De oude veeschuur is in vervallen staat en wordt hedendaags als opslag gebruikt. De oude veeschuur en het kleine bijgebouw/garage worden gesloopt, de paardenstal blijft behouden maar wordt aangepast zodat deze in het landschap past. De oude veeschuur is opgetrokken uit baksteen. De bovenste helft van de gevel bestaat uit golfplaten. Het dak bestaat uit een asbest golfplaten dak. Het bijbehouw/garage bestaat uit bakstenen muren en een golfplaten muur aan de kopsekant. De kopgevels bestaan uit metalen golfplaten zonder aftimmering. Het dak van het bijgebouw/garage bestaat uit een asbest golfplaten dak zonder dakbetimmering. Het erf is grotendeels verhard met klinkers en betonplaten. Het overige deel van het erf bestaat uit siertuin en verwilderde onverharde stukken. Rondom het erf zijn graslanden en bouwlanden aanwezig. Aan de noordzijde van het plangebied is een groot agrarisch bedrijf gelokaliseerd. Voor de oude veeschuur en het bijgebouw wordt een woning met bijgebouwen geplaats aan de zuidzijde van het plangebied. De woning en het bijgebouw wordt landschappelijk ingepast met een hoogstam boomgaard en een meidoorn of veldesdoorn haag.

De voornaamste ingrepen zijn: • Sloop van de bestaande veeschuur; • Sloop van de bestaand bijgebouw/garage; • Realisatie van een vrijstaande woning; • Realisatie van een bijgebouw; • Landschappelijke inpassing met aanplant diverse bomen en een haag Alle ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”.

[4]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 4 mei 2020 bezocht door J. Mossink, ecoloog van bureau Ruimte voor Advies. Tijdens dit onderzoek is het terrein verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (zoals huismus, vleermuizen, uilen en marters). Het locatiebezoek is onder halfbewolkte omstandigheden uitgevoerd bij een temperatuur van 15 0C en matige wind, NO 3 bft. 1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Ruimte voor Advies is kandidaat-lid van en hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeenten, provincies en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend.

Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

Veessen

Afb. 1.1: Globale ligging onderzoekslocatie (rode cirkel). De locatie ligt in het buitengebied van het dorp Veessen. Bron ondergrond: PDOK.nl/viewer.

[5]

Afbeelding 1.2: Begrenzing onderzoeksgebied (groene stippellijn) met te slopen bebouwing (rode stippellijn) aan de Stege 10 te Veessen. Bron ondergrond: PDOK opentopo en kadaster

A

(sw-pw)

A

WR-HAV W

D

B

C [sba-w]

Afbeelding 1.3: De beoogde situatie na de bestemmingsplanwijziging. A= te behouden boerderij met paardenstal, B= nieuw te bouwen woning, C= nieuw te bouwen bijgebouw., D= nieuw te realiseren inrit. Bron: GeldersGenootschap.

[6]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

2

Re s u ltate n Bes chermde F LO R A EN FAUNA 2.1 Vaatplanten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten binnen een straal van een kilometer rond het plangebied (NDFF, mei 2020). Het plangebied voldoet niet voor bijzondere of beschermde soorten. Een aanzienlijk deel van het erf is bestraat met klinkers. De begroeide terreindelen zijn overwegend sterk verruigd. Soorten van stikstofrijke omstandigheden zoals grote brandnetel, gewone braam, gewone vlier en enkele zeer algemene grassen zijn dominant aanwezig. Andere aangetroffen soorten zijn onder andere vogelmuur, gewone paardenbloem, zandraket, herderstasje, robertskruid, witte klaver, rode klaver, paarse dovenetel, hondsdraf, veldzuring, stinkende gouwe en algemene grassen zoals straatgras en kweek. Dit zijn allen zeer algemene soorten die veel voorkomen op erven in agrarisch gebied. De omringende percelen worden gekenmerkt door intensief agrarisch gebruik (maïsakkers en raaigrasland). Aanwezigheid van beschermde vaatplanten op het perceel is gezien bovenstaande uitgesloten. 2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen.

Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van huismussen struiken. Vogels met jaarrond beschermde nestplaats Tijdens het veldbezoek is gelet op fysieke aanwezigheid van huismussen en de te slopen bebouwing is geïnspecteerd op geschiktheid als broedlocatie voor huismussen. Het te slopen bijbehouw is ongeschikt als broedlocatie voor huismussen. Tijdens het veldbezoek zijn enkele huismussen aangetroffen op het erf. Op het dak van de te slopen schuur zat enkele keren een zingend mannetje. Een nestlocatie kon niet worden vastgesteld in de te slopen veeschuur. Na kortdurend op het dak te tsjilpen vloog het mannetje weer terug naar het naastgelegen erf van De Stege 12. In de veestallen aan De Stege 12 broeden huismussen. Naar schatting gaat het om 6-8 broedparen.

Conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017) kan afwezigheid van huismussen in dit soort situaties pas worden vastgesteld indien tijdens 2 veldbezoeken in de periode 1 april - 15 mei geen bezette nesten worden aangetroffen. Daarom is op 15 mei een tweede inventarisatieronde uitgevoerd door R. Harleman, broedvogeldeskundige van Ruimte voor Advies. Net als de inventarisatie op 4 mei duurde dit veldbezoek minimaal een uur, vond het overdag plaats onder geschikte weersomstandigheden (zonnig, relatief warm en weinig wind) en is het uitgevoerd door een ervaren broedvogeldeskundige. Ook tijdens deze inventarisatie zijn geen nesten of nestindicatieve waarnemingen aangetroffen. Wel werd wederom enkele keren een zingend mannetje op de punt van het dak gezien, maar ook nu vertrok de mus na het zingen naar de naastgelegen veestal op het aangrenzende erf. De te slopen schuur wordt dus uitsluitend gebruikt als zangpost. Ook de vlierstruiken ten oosten van de schuur worden gebruikt als zangpost, evenals het opgaand groen op en net over de erfgrens. Het erf van De Stege 10 wordt verder nauwelijks door huismussen bezocht. Er wordt hoofdzakelijk gefoerageerd in en rond de veestallen van De Stege 12.

[7]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

In de te slopen schuur en overige delen van het erf zijn geen braakballen, veren, uitwerpelen of andere sporen van steenuil en kerkuil gevonden. Nestkasten of andere nestgelegenheid ontbreekt op het erf. De te slopen schuur is grotendeels ingericht als werkplaats en niet voor uilen toegankelijk wanneer er niet gewerkt wordt. In het noordelijke gedeelte dat ooit als stal in gebruik was zijn evenmin sporen aangetroffen. Het bijgebouw is ongeschikt als verblijfplaats voor uilen. Het plangebied ligt relatief geïsoleerd ten opzichte van andere erven en voor uilen interessante landschapselementen. De omringende percelen zijn weinig geschikt als foerageergebied door het open, intensief agrarisch karakter en gebrek aan uitkijkposten. Het is daarom uitgesloten dat het erf en directe omgeving belangrijk onderdeel zijn van de functionele leefomgeving van uilen. Ook van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn geen nesten of andere gebruikssporen gevonden en mogelijkheden ontbreken voor deze soorten. Overige broedvogels In de opgaande begroeiing langs de noordelijke en noordoostelijke delen van de te slopen schuur kunnen vogels zoals duiven en zangvogels nestelen. De te slopen schuur zelf is deels toegankelijk voor vogels en daarmee geschikt voor soorten als spreeuw, witte kwikstaart, zwarte roodstaart en grauwe vliegenvanger.

Er waren enkele oude nestresten op balkconstructies in de schuur zichtbaar. Recente nesten werden niet aangetroffen maar toekomstige broedgevallen zijn niet uitgesloten. Zwaluwnesten of -nestresten aan de buitengevels of in de schuur ontbraken. Tijdens het broedseizoen is de kans op broedgevallen aanzienlijk. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode. Indicatief wordt vaak de periode 15 maart tot 15 juli gehanteerd omdat de kans op broedgevallen van veel soorten dan groot is, maar het kan afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden ook korter of langer duren. Bepalend is de vraag of er sprake is van een broedgeval; zolang het nest bezet is, geldt dat het betreffende nest niet mag worden verstoord. Het is niet mogelijk om ontheffing voor het verstoren of vernielen van bezette nesten te krijgen. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop en renovatie zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn beschermd.

Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. Op basis van aanwezige biotopen, andere literatuurbronnen (Zoogdiervereniging, waarneming.nl) en eigen gebiedskennis kan verondersteld worden dat ook ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis in de omgeving voorkomen. Verblijfplaatsen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten wordt voornamelijk in gebouwen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens het locatiebezoek zijn de te slopen veeschuur en het bijgebouw geïnspecteerd op aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen zoals toegankelijke spouwen en ruimtes achter daklijsten, betimmeringen etcetera. Het bijgebouw op de locatie is ongeschikt voor vleermuizen

[8]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Het bijbegouw is enkelsteens en beschikt niet over een spouw. Ook is er geen dakbetimmering aanwezig waardoor geen donkere en tochtvrije ruimtes aanwezig zijn. Vleermuizen kunnen het bijbehouw binnen treden echter is dit niet donker en tochtvrij en hierdoor ongeschikt als verblijfplaats. In de bakstenen geveldelen van de westen oostgevel zijn open stootvoegen aanwezig die in verbinding staan met de achterliggende spouwruimte. De voegen zijn groot genoeg voor dwergvleermuizen maar te klein voor laatvlieger. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of gebouwbewonende vleermuissoorten verblijfplaatsen in de te slopen schuur hebben. Een quickscan kan hierover geen uitsluitsel geven. De schuur is geschikt voor de functies zomer-, kraam-, paar- en kleine winterverblijfplaats. Voor massawinterverblijfplaatsen voldoet het gebouw niet omdat de buffercapaciteit te gering is. Meervleermuis en watervleermuis zijn foeragerend waargenomen in de haven van Veessen. Voor de meervleermuis is de IJssel een belangrijke vlieg- en migratieroute. Verblijfplaatsen zijn in Veessen niet bekend en de te slopen bebouwing is ongeschikt voor deze grote vleermuissoort. Verblijfplaatsen van watervleermuizen worden nagenoeg nooit aangetroffen in spouwmuren waardoor aanwezigheid van verblijfplaatsen in het plangebied is uitgesloten.

De overige soorten die in de omgeving voorkomen verblijven in Nederland hoofdzakelijk in bomen of grote, hoge zolders van kerken en grote schuren. Voor deze soorten zijn er geen mogelijkheden op het erf. Het te slopen schuurtje naast de bestaande woning is ongeschikt voor vleermuizen. Hier ontbreken een toegankelijke spouw of andere potentiële verblijfplaatsen. Binnen het plangebied staan geen bomen met spechtengaten, rottingsholtes, scheuren, losse stukken schors of andere potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. Aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten op het terrein is daarmee uitgesloten. Foerageergebied en vliegroutes Het erf als geheel is geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het is aannemelijk dat vleermuizen er ook daadwerkelijk in kleine aantallen foerageren. Het relatieve belang van het onderzochte perceel is op voorhand klein. Van essentieel foerageergebied is geen sprake aangezien er veel foerageergebied in de directe omgeving voorhanden is in de vorm van andere erven, bomenrijen, de uiterwaarden en zowel brede als smalle watergangen. Het perceel is geen onderdeel van een doorlopende lineaire landschappelijke structuur die als vlieg- of migratieroute zou kunnen dienen.

2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters. In de omgeving komen diverse grondgebonden zoogdieren voor. De bever komt tegenwoordig relatief algemeen voor langs de IJssel en er is onder andere een burcht bekend op het schiereiland tegenover de haven van Veessen. Aangezien bevers sterk aan water gebonden zijn en dit in het plangebied en directe omgeving ontbreekt is aanwezigheid uitgesloten. Bunzing, das, steenmarter en waterspitsmuis genieten allen bescherming zoals genoemd in Bijlage A van de Wet natuurbescherming en zijn eveneens in de omgeving waargenomen. De waarneming van waterspitsmuis in de NDFF betreft een vondst tijdens braakbalonderzoek. Geschikt leefgebied bestaat uit schoon water met een goed ontwikkelde oeverbegroeiing. Geschikt biotoop voor de soort ontbreekt binnen het plangebied. Op of in de directe nabijheid van het erf bevindt zich geen dassenburcht. Het perceel heeft geen functie voor de das. De steenmarter komt in Veessen en omgeving voor en is regelmatig waargenomen binnen een straal van 300 meter van het plangebied. De bunzing is in 2016

[9]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

éénmaal waargenomen langs de IJsseldijk ter hoogte van Veessen. De noordoostelijke hoek van het erf bestaat uit bramenruigte, struweel, deels overwoekerde stapels materiaal en is daardoor geschikt als leefgebied van de marterachtigen bunzing, steenmarter en wezel. Voor hermelijn is het terrein te droog en de omgeving te open. Het in slechte staat verkerende stalgedeelte is in potentie ook geschikt voor met name steenmarter en in mindere mate bunzing. In de stal zijn geen sporen (prooiresten, latrines, krabsporen) aangetroffen van steenmarter. Wel zijn er in het stalgedeelte volop potentiële schuilplaatsen aanwezig in de vorm van gestapelde golfplaten, hooibalen, ruimtes tussen losse isolatieplaten en dak etcetera. Dit gedeelte van de bebouwing is daarmee geschikt als schuilplaats voor steenmarter en bunzing. Aan de hand van de quickscan is aan- of afwezigheid van beschermde gebiedsfuncties van steenmarter, wezel en bunzing niet vast te stellen. In de provincie Gelderland zijn van deze marterachtigen de vaste rust- en voortplantingsplaatsen, alsmede foerageergebied en verbindingen tussen leefgebiedonderdelen beschermd. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of deze soorten gebruik maken van het terrein en of de ingrepen leiden tot aantasting van de functionele leefomgeving.

Algemene kleine zoogdiersoorten zoals veldmuis, bosmuis, huismuis, huisspitsmuis, bruine rat komen vrijwel zeker voor binnen het onderzoeksgebied. Op het erf zijn diverse holen en gangen van muisachtigen aangetroffen, evenals rattenkeutels. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen of ze zijn geheel niet beschermd. De begroeide terreindelen binnen het plangebied en op het naastgelegen erf zijn daarnaast geschikt voor egel. Ook de egel staat op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. 2.5 Overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden) Oppervlaktewater ontbreekt op het erf. Er is derhalve geen leefgebied voor vissen en voortplantingswater van amfibieën. Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander komen in de omgeving voor en op het erf is in beperkte mate landhabitat beschikbaar. Voornamelijk de noordoostelijke hoek en noordelijke perceelgrens van het plangebied is in zekere mate geschikt als landhabitat om te foerageren en te schuilen tussen de ruigtebegroeiing. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Langs de IJssel komt de ringslang voor. Ringslangen leggen echter geen grote afstanden door open agrarisch gebied af en komen met zekerheid niet voor het erf. Uit Veessen is één waarneming van een adulte kleine ijsvogelvlinder bekend.

Deze beschermde en vrij zeldzame dagvlinder komt voornamelijk in en rond vochtige bossen en bosranden voor en heeft als waardplant kamperfoeliesoorten. Het plangebied vormt geen potentieel leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder. De beschermde libellesoort rivierrombout komt als larve voor in de IJssel. De rivier en haar slikkige zandstranden vormen belangrijk leefgebied voor deze soort. Na het uitsluipen kunnen ze vliegend grote afstanden afleggen. Daarbij bestaat een kans dat kortstondig het plangebied wordt aangedaan maar het maakt geen onderdeel uit van de functionele leefomgeving. Het terrein voldoet niet aan de voorwaarden waaraan potentieel leefgebied van overige beschermde ongewervelden (libellen, dagvlinders, kevers, weekdieren) moet voldoen, waardoor aanwezigheid van dergelijke soorten is uitgesloten.

[10]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

Afb. 2.1: Het erf gezien vanaf de Stege, het kader heeft de te slopen veeschuur weer. De nieuw te bouwen woning wordt geplaatst in de huidige paardenwei.

[11]

Afb. 2.2: Het te slopen bijgebouw/garage is ongeschikt voor vleermuizen en andere beschermde soorten om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats.

Afb. 2.3: De stal is onderzocht op de aanwezigheid van huismussen. De soort gebruikt de schuur alleen als zangpost. Verblijfplaatsen van huismussen zijn niet vastgesteld.

Afb. 2.4: De veestal is in vervallen staat. De stal is vrij toegankelijk voor algemene broedvogels, zoals houtduif, witte kwikstaart, zwarte roodstaart en spreeuw. De afwezigheid van algemene broedvogels kan niet uitgesloten worden.

Afb. 2.5: Door de open stootvoegen kunnen vleermuizen de spouw van de oude veeschuur bereiken en gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Nader onderzoek moet uitsluiten of de veeschuur daadwerkelijk in gebruik is door vleermuizen.

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

Afb. 2.6: Het vervallen gedeelte van de oude veeschuur is geschikt voor met name de steenmarter, nader onderzoek moet uitsluiten of de soort de schuur daadwerkelijk gebruikt.

Afb. 2.7: Er wordt vrijwel zeker gefoerageerd op het erf en rondom de begroeiing. De aantallen zullen echter gering zijn. Daarnaast blijft het erf geschikt foerageergebied na de ontwikkelingen.

Afb. 2.8: De ruigte op het erf is geschikt leefgebied voor de wezel en geschikt foerageergebied voor de steenmarter. Nader onderzoek moet de aanwezigheid van de wezel uitsluiten.

Afb. 2.9: De aanwezige paardenstal op het erf blijft behouden. De deuren worden wél aangepast om het gebouw landschappelijk in te passen.

Afb. 2.10: Het erf is voornamelijk verhard met beton platen en klinker. Beschermde vaatplanten worden niet verwacht. Algemene stikstofminnende soorten komen alleen voor.

[12]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

3

Effe cten e n a a n b e velingen 3.1 Vaatplanten Op de onderzoekslocatie zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Effecten op beschermde planten zijn uitgesloten, nader onderzoek is niet nodig. 3.2 Broedvogels Uit onderzoek in de vorm van 2 veldbezoeken conform de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus 1.0 (BIJ12, juli 2017) is vast komen te staan dat de ontwikkelingen niet leiden tot aantasting van vaste rust- of voortplantingsplaatsen en andere beschermde onderdelen van de functionele leefomgeving van huismussen. Overtreding van verbodsbepalingen en daarmee ontheffingsplicht ten aanzien van de huismus is niet aan de orde. De huidige nestplaatsen bevinden zich op het erf aan De Stege 12, net als het grootste deel van het leefgebied. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde rust- of voortplantingsplaatsen heeft het erf geen functie en zijn effecten eveneens uitgesloten. Zo zijn er geen mogelijke nestplaatsen of gebruikssporen van uilen in de bebouwing of elders op het erf aangetroffen. Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels zoals zanglijster, winterkoning, roodborst, witte kwikstaart, zwarte roodstaart en houtduif mogelijk op het terrein.

Sloopwerkzaamheden kunnen tijdens het broedseizoen leiden tot het verstoring of vernieling van nesten van algemene broedvogel. Broedgevallen kunnen zich zowel in te slopen bebouwing als in opgaande begroeiing (bomen, struiken) voordoen. Het is van belang om mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of tijdig preventieve maatregelen te nemen om vestiging van broedgevallen te voorkomen. Mogelijke maatregelen zijn het in de winterperiode sterk terugsnoeien van opgaande beplanting en ruigtes, verwijderen van houtstapels en dergelijke, het ontoegankelijk maken van bebouwing of juist het verwijderen van dakbedekking. Let op: de meeste maatregelen kunnen pas getroffen worden wanneer het nader onderzoek naar marterachtigen en vleermuizen is afgerond en indien nodig een ontheffing is aangevraagd en verkregen! Dit om te voorkomen dat onbedoeld verbodsbepalingen ten aanzien van deze soortgroepen overtreden worden. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode. Indicatief wordt vaak de periode 15 maart tot 15 juli gehanteerd omdat de kans op broedgevallen van veel soorten dan groot is, maar het kan afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden ook korter of langer duren. Bepalend is de vraag of er sprake is van een broedgeval; zolang het nest bezet is, geldt dat het betreffende nest niet mag worden verstoord. Ontheffing is niet mogelijk.

3.3 Vleermuizen Effectbeoordeling vaste rust- en verblijfplaatsen vleermuizen De te slopen grote schuur is geschikt als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Potentiële verblijfplaatsen bevinden zich in de stenen muren van de westelijke en oostelijke gevel in de vorm van open stootvoegen die toegang tot de spouwruimte geven. Te verwachten soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en in mindere mate gewone grootoorvleer-

[13]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

muis. Voor laatvlieger zijn de openingen te klein. De sloop van de grote schuur leidt mogelijk tot vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen zoals beschreven in artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming. Ook kunnen vleermuizen verstoord worden en, indien niet op vleermuisvriendelijke wijze gesloopt wordt, kunnen vleermuizen verwond of gedood worden tijdens de sloop. Het uitvoeren van nader onderzoek is noodzakelijk om aan- of afwezigheid van vaste, jaarrond beschermde vleermuisverblijven vast te kunnen stellen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2017 (opgesteld door o.a. Zoogdiervereniging, NGB en GAN). Dit houdt in minimaal 5 gerichte nachtelijke inventarisaties tussen half mei en eind september, uitgevoerd door erkend deskundigen zoals benoemd in het protocol. Voor details zie Vleermuisprotocol. Worden vleermuisverblijfplaatsen in de te slopen schuur aangetroffen dan moet een ontheffing van artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen) bij de provincie Gelderland worden aangevraagd. Sloop kan in dat geval pas plaatsvinden met ontheffing en volgens in de ontheffing genoemde voorwaarden.

Naar verwachting kan een ontheffing verkregen worden, mits aan diverse randvoorwaarden voldaan wordt zoals het tijdig aanbieden van alternatieven, werken buiten kwetsbare periode(n), onderbouwing van het wettelijk belang en een alternatievenafweging. Hiertoe dient een activiteitenplan te worden opgesteld. Wanneer bij het nader onderzoek geen vleermuizen worden aangetroffen is een ontheffing niet nodig. We adviseren in dat geval wel om alsnog vleermuisvoorzieningen in de nieuwbouw te realiseren, zie volgende alinea. Nieuwbouw van de woning biedt kansen voor vleermuizen. Naar verwachting is het mogelijk om op relatief eenvoudige en goedkope wijze ruimte te creëren voor vleermuizen. Het realiseren van verblijfplaatsen kan bijvoorbeeld door ruimtes achter gevelbetimmering of boeidelen toegankelijk te maken, inmetselkasten toe te passen, open stootvoegen in spouwmuren etcetera. Op die manier kan de ingreep een positief effect hebben op (deels) gebouwbewonende vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen (gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). Wanneer tijdens het aanvullend vleermuisonderzoek geen verblijfplaatsen worden aangetroffen betreft dit slechts een vrijblijvende aanbeveling en geen verplichting.

Effectbeoordeling vaste vlieg- en migratieroute en essentieel foerageergebied Het erf is geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het is aannemelijk dat vleermuizen er ook daadwerkelijk foerageren. Van essentieel foerageergebied is op voorhand geen sprake door de beperkte afmetingen van het plangebied en de vele alternatieven in de omgeving. Het erfbosje en de beplanting tussen de erven van huisnummers 10 en 12 blijven behouden. Door het aanplanten van een hoogstamboomgaard, een meidoornhaag en beplanten van de kavelgrenzen is er in te toekomstige situatie meer opgaand groen aanwezig waardoor de kwaliteit als foerageergebied er vermoedelijk op vooruit gaat. Wel dient tijdens de werkzaamheden vanuit de zorgplicht rekening te worden gehouden met lichtverstoring tijdens de werkzaamheden. Werken tijdens de nachtelijke uren kan door het gebruik van bouwverlichting verstorend werken op vleermuizen. Negatieve effecten door lichtverstoring zijn te voorkomen door in de periode maart - december geen werkzaamheden uit te voeren tussen zonsondergang en zonsopkomst en in deze periode geen bouwlampen of beveiligingslampen te gebruiken.

Een alternatief is om uitsluitend “vleermuisvriendelijke” verlichting toe te passen, zogenaamde amberkleurige batlampen met een voor vleermuizen minder verstorende lichtfrequentie waarbij de hoogte beperkt wordt tot maximaal 3 meter en uitstraling naar boven toe voorkomen wordt met behulp van afschermende armaturen. In de periode december - maart zijn vleermuizen

[14]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

normaal gesproken in winterrust en is het ten aanzien van vleermuizen niet nodig om een aangepast verlichtingsregime te voeren. In de toekomstige situatie zijn er meer bomen en andere groenstructuren op het erf waardoor de kwaliteit van het foerageergebied naar verwachting beter wordt dan de bestaande situatie. Het erf maakt geen onderdeel uit van doorlopende lineaire landschappelijke structuren en is daarom op voorhand geen onderdeel van een potentiële vlieg- of migratieroute van vleermuizen. Effecten op vlieg- en migratieroutes van vleermuizen zijn dan ook uitgesloten. 3.4 Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt voor de kleine marterachtigen bunzing en wezel. Ook steenmarter komt in de omgeving voor. Aan de hand van de quickscan kan aanwezigheid van deze nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of deze soorten voorkomen binnen het plangebied en zo ja welke functie het plangebied heeft. Dit om vast te stellen of er sprake is van beschadiging of vernieling van leefgebied of vaste rust-/voortplantingsplaatsen en daarmee overtreding van de Wnb. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige op het gebied van de betreffende soorten.

Het onderzoek kan worden uitgevoerd door het plaatsen van cameravallen van het type Struikrover 3.5, bij uitstek geschikt voor onderzoek naar alle soorten marterachtigen in combinatie met een aantal sporenbuizen. Gezien de omvang van het plangebied voldoet de inzet van 2 camera’s gedurende 6 weken in de meest actieve periode (maart t/m augustus). Indien geen marters worden aangetroffen dan zijn verdere acties ten aanzien van marterachtigen niet nodig. Als er wel marters worden aangetroffen dan zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig en mogelijk ook een ontheffingsaanvraag, afhankelijk van het feit of overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen is. Op de planlocatie worden verder uitsluitend kleine, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen op beperkte schaal tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels van muizen en insecteneters. Omdat voor de te verwachten soorten een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle dieren en planten geldt. Maai de vegetatie kort en verwijder opgeslagen materiaal en houtstapels met beleid voorafgaand aan de sloop zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten.

3.5 Overige soorten (vissen, amfibieën, reptielen, ongewervelden) Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied of doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Het terrein is hooguit (beperkt) geschikt als landhabitat (foerageergebied, schuilplek) voor enkele algemene amfibieënsoorten (bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander). Voor de te verwachten algemene amfibieënsoorten heeft de provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling verleend. De overige soorten die voor kunnen komen zijn niet beschermd. Zoals voor alle soorten, beschermd of niet, geldt ook hier de algemene zorgplicht.

[15]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

4

G ebied s be s cher m ing

4.1 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) De onderzoekslocatie ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone. De kortste afstand tot het GNN bedraagt ongeveer 200 meter. In de het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone is het ruimtelijke beleid gericht op behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten. Voorgenomen ingrepen worden getoetst aan het ‘nee, tenzij’ principe. Indien voorgenomen werkzaamheden significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van het deelgebied kunnen deze alleen plaatsvinden indien de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en de resterende schade gecompenseerd. Gezien de aard en schaal van de voorgenomen ontwikkelingen in relatie tot de afstand is een negatief extern effect op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN uitgesloten. Wat betreft de ontwikkelingsdoelen natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone betekent het voornemen een impuls. De ingrepen behorend bij de bestemmingsplanwijziging doen namelijk geen afbreuk aan één of meer van de ontwikkelingsdoelen (het erfbosje en beplanting tussen de bestaande erven blijven behouden), terwijl een aantal erfinrichtingsmaatregelen bijdragen aan het ontwikkelingsdoel “ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen”.

Het beplanten van de Tabel 4.1: Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen GNN & GO deelgebied 85: Weteringen IJsselvallei.

[16]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

900 m

Afb. 4.1: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van GNN, GO en N2000. De locatie ligt binnen de GO. De minimumafstand tot het GNN is ongeveer 800 meter. Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op ongeveer 900 meter in zuidelijke en oostelijke richting. Bron ondergrond: gldanders.planoview.nl.

920 m

Afb. 4.2: De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. In lichtpaars en donkerpaars zijn gevoelige respectievelijk zeer stikstofgevoelige habitattypen weergegeven. Dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen liggen op 900 meter afstand. Tijdens de aanlegfase is er sprake van een tijdelijke,toename van stikstofdepositie door sloop- en bouwwerkzaamheden. Door de realisatie van de nieuwe woning onstaat een blijvende toename in stikstofdepositie door de toename van verkeersbewegingen en mogelijke aansluiting op het gasnet. Anderzijds neemt de verkeersbeweging af door de daling in verkeersbewegingen naar de stal. Met behulp van een Aeriusberekening kan bepaald worden of er sprake is van een toename > 0,005 mol/hectare/jaar en daarmee vergunningplicht. Bron: https://calculator.aerius.nl/calculator (bezocht: 26-05-2020), OSM & Kadaster.

[17]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

kaelgrenzen met streekeigen beplanting vormt een versterking van het oorspronkelijke half-open karakter van het oeverwallenlandschap. Ook het aanleggen van een hoogstamboomgaard past binnen de cultuurhistorische achtergrond van de streek. Hoogstamboomgaarden vormen een karakteristiek element binnen de IJsselvallei en op oude kaarten zijn boomgaarden te zien bij de boerderijen (bron: Gelders Genootschap). De ontwikkeling van deze cultuurhistorische elementen zullen als verplichting in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd om de bijdrage aan ontwikkelingsdoelen in de Groene Ontwikkelingszone te waarborgen. 4.2 Natura 2000 De kortste afstand tot Natura 2000-gebied Rijntakken - deelgebied Uiterwaarden IJssel (HR+VRgebied) bedraagt ongeveer 900 meter in zuidelijke richting. De kortste afstand tot stikstofgevoelige habitattypen is eveneens ruim 900 meter. Het onderzoeksgebied ligt in een agrarische omgeving. Tussen het plangebied en Natura 2000gebied liggen diverse agrarische bedrijven, de bebouwde kom van Veessen en tot slot de IJsseldijk. Het plangebied heeft derhalve geen directe landschappelijke binding met het Natura 2000gebied Rijntakken.

Gezien de aard en schaal van het project en de ligging op ruim 900 meter van het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied zijn directe negatieve effecten tijdens de aanleg- en gebruiksfase op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten leiden mogelijk tot een beperkte toename van stikstofemissie tijdens de sloop- en realisatiefase door inzet van machines en aan- en afvoer van materialen. In de gebruiksfase is mogelijk sprake van een beperkte toename van stikstofuitstoot. De nieuwe woning leidt tot extra verkeersbewegingen van bewoners. Wat betreft de woning zelf is er tegenwoordig vaak sprake van gasloos bouwen, in welk geval er geen toename van stikstof berekend hoeft te worden voor de woning. Uiteraard geldt andersom dat er wel sprake is van een emissietoename wanneer de woning wel op het gasnet wordt aangesloten. Tegenover de toename door realisatie van een extra woning staat de sloop van een schuur die momenteel gebruikt wordt voor bedrijfsmatige activiteiten. Sloop van de schuur betekent een afname van een aantal verkeersbewegingen, hoeveel is niet bekend. Of er in dit geval sprake is van een netto toeof afname van stikstofuitstoot is aan de hand van de quickscan niet te bepalen.

Een berekening in online rekentool AERIUS Calculator (versie september 2019) moet uitwijzen of er rekenresultaten > 0,005 mol/hectare/jaar zijn wat betreft toename van stikstofdepositie op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. Voor ontwikkelingen waarbij is aangetoond dat er géén sprake is van een toename in stikstofdepositie (ofwel < 0,005 mol/hectare/jaar) is geen vergunning nodig.

[18]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

5

Conc lu s ie s en aanbeve l ingen 5.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten nee geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen mogelijk mogelijk zie 5.2 Vleermuizen - vliegroutes nee geen geen Vleermuizen - essentieel foerageergebied nee geen zie 5.2 Vleermuizen - lichtverstoring beperkt mogelijk mogelijk zie 5.2 Overige beschermde zoogdieren mogelijk mogelijk zie 5.2 Zoogdieren - vrijgestelde soorten zeker mogelijk zorgplicht Vogels - jaarrond beschermde nesten nee geen geen Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie 5.2 Amfibiëen - vrijgestelde soorten mogelijk mogelijk zorgplicht Overige beschermde soorten nee geen geen Gebiedsbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Natura 2000 - doelsoorten/habitattypen nee geen geen Natura2000 - stikstof n.v.t mogelijk zie 5.2 NNN en GO nee geen geen

5.2 Conclusies en aanbevelingen 5.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen • De te slopen grote schuur is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Sloop van de schuur leidt mogelijk tot een overtreding van artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of vleermuizen daadwerkelijk gebruik maken van de veeschuur. Het te slopen bijgebouw is ongeschikt voor vleermuizen. • De nieuwbouw biedt kansen voor vleermuizen door het realiseren van voorzieningen die kunnen dienen als verblijfplaats. Zie hoofdstuk 3.3 voor meer informatie. • Tijdens de werkzaamheden kan enige mate van verstoring voorkomen door het gebruik van verlichting. De kans op verstoring van de vliegroutes en foerageergebied treedt alleen op in de schemering en nachtelijke uren. Is het werken in de avond- en vroege morgenuren onvermijdelijk, dan zijn maatregelen met betrekking tot verlichting vereist. Dit kan door het gebruik van amberkleurige verlichting en afschermende armaturen en het beperken van de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter. In de periode december -maart zijn vleermuizen niet actief en zijn deze maatregelen niet nodig. Broedvogels • Sloop van de veeschuur en bijgebouw leidt niet tot aantasting van vaste, jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels.

Wel kunnen nesten van overige broedvogels aangetast worden, zie volgende punt.

[19]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

• Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels zoals zanglijster, winterkoning, roodborst, witte kwikstaart, zwarte roodstaart en houtduif mogelijk op het terrein. Het opschonen van het terrein en sloopwerkzaamheden kunnen tijdens het broedseizoen leiden tot het verstoring of vernieling van nesten van algemene broedvogel. Broedgevallen kunnen zich zowel in te slopen bebouwing als in opgaande begroeiing (bomen, struiken) voordoen. Het is van belang om mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of tijdig preventieve maatregelen te nemen om vestiging van broedgevallen te voorkomen. Mogelijke maatregelen zijn het sterk terugsnoeien van opgaande beplanting en ruigtes, verwijderen van houtstapels en dergelijke, het ontoegankelijk maken van bebouwing of juist het verwijderen van dakbedekking. Let op: de meeste maatregelen kunnen pas getroffen worden wanneer het nader onderzoek naar marterachtigen en vleermuizen is afgerond en indien nodig een ontheffing is aangevraagd en verkregen! Dit om te voorkomen dat onbedoeld verbodsbepalingen ten aanzien van deze soortgroepen overtreden worden. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode.

Indicatief wordt vaak de periode 15 maart tot 15 juli gehanteerd omdat de kans op broedgevallen van veel soorten dan groot is, maar het kan afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden ook korter of langer duren. Bepalend is de vraag of er sprake is van een broedgeval; zolang het nest bezet is, geldt dat het betreffende nest niet mag worden verstoord. Ontheffing is niet mogelijk. • Voor soorten als huismus, ringmus en spreeuw biedt de nieuwbouw wellicht mogelijkheden wanneer geschikte nestruimtes gerealiseerd worden onder het pannendak, met inmetselstenen of andere voorzieningen. Voor mussen is o.a. voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld meidoornhagen en de resterende coniferenhagen van belang om zich succesvol te vestigen. Bunzing, wezel en steenmarter • Aan de hand van de quickscan kan aanwezigheid van bunzing, wezel en steenmarter (beschermd onder artikel 3.10 e.v. Wnb) niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of deze soorten voorkomen binnen het plangebied en zo ja welke functie het plangebied heeft. Dit om vast te stellen of er sprake is van beschadiging of vernieling van leefgebied of vaste rustplaatsen en daarmee overtreding van de Wnb. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige1 op het gebied van de betreffende soorten.

Het onderzoek kan worden uitgevoerd door het plaatsen van cameravallen van het type Struikrover 3.5, bij uitstek geschikt voor onderzoek naar alle soorten marterachtigen in combinatie met een aantal sporenbuizen. Gezien de omvang van het plangebied voldoet de inzet van 2 camera’s gedurende 6 weken in de meest actieve periode (maart - augustus). • Indien geen marters worden aangetroffen dan zijn verdere acties ten aanzien van marterachtigen niet nodig. Als er wel marters worden aangetroffen dan zijn mitigerende en/ of compenserende maatregelen nodig en mogelijk ook een ontheffingsaanvraag, afhankelijk van het feit of overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen is. Overige soorten • Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet.

[20]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

Calamiteiten • De quickscan en aanvullende onderzoeken geven geen garantie wat betreft toekomstige vestiging van beschermde soorten. Worden er tijdens de werkzaamheden onverwacht toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op met een erkend ecologisch deskundige. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. 5.2.2 Gebiedsbescherming • De locatie ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. De bestemmingsplanwijziging en bijbehorende ontwikkelingen niet leiden tot aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van GNN of GO. Een ‘nee, tenzij’-toets is daarom niet aan de orde. • De ontwikkelingen voortvloeiend uit het voornemen leiden gezien de aard en schaal van het project niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland), met mogelijke uitzondering van stikstofgevoeligheid. Het voornemen leidt tot een tijdelijke, beperkte toename van stikstofuitstoot tijdens de sloop- en bouwfase (ofwel aanlegfase). In de gebruiksfase wordt een afname van uitstoot verwacht door betere isolatie van de nieuwe woning.

De kans op een toename van stikstofdepositie > 0,005 mol/hectare/jaar op Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegfase en daarmee een mogelijk significant effect op beschermde, stikstofgevoelige habitattypen lijkt op voorhand uiterst klein maar bevoegd gezag verlangt in bepaalde gevallen toch een in AERIUS Calculator uitgevoerde berekening ter bevestiging.

1 De provincie Gelderland verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie, habitats en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en ((soort)specifieke) ecologische kennis heeft. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. Met betrekking tot soorten of specifieke soorten kan als deskundige ook iemand worden aangemerkt die: - op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of

-bescherming.

[21]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

6

Wettelijk kader 6.1 Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies. 6.2 Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel.

Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied, zoals een toename van stikstofemissie en -depositie met mogelijke gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) komt voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincies. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Binnen de zone ondernemen met natuur en water is ruimte voor ontwikkeling maar dient hierbij een aantoonbare bijdrage te worden geleverd aan de ontwikkelingsdoelen. In het NNN is sprake van een natuurbestemming. Binnen het NNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De begrenzing en doelstellingen van NNN worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie

[22]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

en -verordening.

6.3 Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid 6.4 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

[23]

Ecologische quickscan De Stege 10 Veessen

26 mei 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=410b1c46-3e01-4757-8038-6b27f5205298