7.2.6. Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
Eco lo gis ch e q uic k s can
Kerkstraat t.h.v. 11-13 te Veessen in het k ader van b es tem min g sp l anw ij zi gi ng en ni euwb o uw wo ni ng en
Ruimte voor Advies 25 augustus 2023
Titel
Ecologische quickscan in het kader van bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw woningen
Betreft
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie
Kerkstraat t.h.v. 11-13 te Veessen
Uitvoering
Harleman Natuur en Landschap/Ruimte voor Advies Deventerstraat 179 8171 NS Vaassen
Contactpersoon
R. Harleman, natuur- en landschapsdeskundige r.harleman@ruimtevooradvies - 06 51 61 35 92
Rapportage Opdrachtgever
Contactpersoon
Marchel Mulderij - Inktviz Architecten BNA marchel@inktviz.nl - 06 41 67 38 87
Datum
25 augustus 2023
Status
Versie 2
INH OU D 1
Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4
2
3
Aanleiding en doel Beschrijving locatie en ingreep Opzet onderzoek Kwaliteitsborging
Soortbescherming en beoordeling 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
4
7
Vaatplanten Broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Am bieën, reptielen, vissen en ongewervelden Algemeen
Gebiedsbescherming
14
3.1 Natura 2000 3.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)
4
Conclusies
17
4.1 Overzicht van de bevindingen 4.2 Conclusies en aanbevelingen
Bijlage A - Wettelijk kader Inleiding Gebiedsbescherming Soortenbescherming Rode lijsten
19
1
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van voerde Ruimte voor Advies een ecologische quickscan uit op de locatie Kerkstraat t.h.v. 11-13 te Veessen (gemeente Heerde). De initiatienemer is voornemens om op de locatie twee nieuwe woningen te bouwen. Het akkerbouwperceel wordt hiervoor gedeeltelijk omgevormd tot woonperceel. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, onderdeel ‘soortenbescherming’. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. 1.2 Beschrijving locatie en ingreep Het plangebied bestaat uit akkerland. Het perceel is gelegen tussen Kerkstraat 11 en 13 in de bebouwde kom van Veessen, aan de zuidwestkant van het dorp. Het perceel is in gebruik als akkerland en bestaat uit algemene akkerkruiden en resten van de verbouwde gewassen. Het ligt tussen twee bewoonde percelen met aan de achterzijde een paardenweide. Deze is afgescheiden door een beukenhaag, net als langs de noordzijde.
Aan de zuidzijde staan verschillende struiken ter afscheiding. Het perceel ligt langs de doorgaande weg (zie afbeelding 1.1 en 1.2). De voorgenomen ingrepen zijn als volgt: • Bouwrijp maken perceel • Realiseren nieuwbouw • Herinrichten terrein De ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”. 1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 25 januari 2023 bezocht. Tijdens dit onderzoek is de locatie van de ingreep, inclusief de daaromheen liggende gronden, verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van marterachtigen, jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van Huismus, uilen, roofvogels en vleermuizen en de geschiktheid van het gebied als foerageergebied voor verschillende soorten. 1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Ruimte voor Advies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12.
Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente, provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige
[4]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren zijn niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
[5]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Afb. 1.1 - Luchtfoto plangebied, met het rode kader wordt globaal het onderzoeksgebied weergegeven. Bron ondergrond: pdok (geraadpleegd: februari 2023)
Afb. 1.2 - Globale ligging onderzoeksgebied Kerkstraat thv 11-13 te Veessen (rode cirkel). Bron ondergrond: pdok (geraadpleegd: februari 2023)
[6]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
2
RESULTATEN BESCHERMDE FLORA EN FAUNA Een quickscan ‘soortbescherming’ bestaat uit een verkennende inventarisatie naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect op deze soorten uitgaat. Is er sprake van (een mogelijke) aanwezigheid van een beschermde soort, dan is een vervolgonderzoek nodig. 2.1 Vaatplanten Het onderzoeksgebied bestaat uit akkerland met vele verschillende, algemene akkerkruiden en grassen. Daarnaast staan er aan de rand van het perceel enkele overhoekjes met voornamelijk Braam. Op de erfgrens staan eveneens enkele opgaande wilgen en algemene struiken, als Liguster en Rode kornoelje. Aan de west- en zuidzijde wordt het perceel begrenst door een beukenhaag. De akkerkruiden en grassen op en langs het perceel bestaan onder andere uit: Smalle weegbree, Speerdistel, Gekroesde melddistel, Paardebloem, Scherpe boterbloem, Engels raaigras, Straatgras, Kweek, Duizendblad, Smeerwortel, Gele toorts, Vogelmuur, Grote brandnetel en Veldzuring (zie afbeelding 2.1 t/m 2.2). In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Het onderzoeksgebied leent zich niet voor bijzondere vegetaties.
Door het huidige gebruik, de voedselrijkdom en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten binnen het plangebied. Effect Binnen het plangebied komen geen beschermde vaatplanten voor en deze worden ook niet verwacht. Een negatief effect op beschermde plantensoorten is uitgesloten. 2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van Huismus in struiken en onder dakpannen. Het plangebied is uitgebreid onderzocht op de (mogelijke) aanwezigheid van vogels met vaste, jaarrond beschermde rust- of nestplaatsen. In de data van NDFF valt de vermelding op van Huismus. Voor Huismus geldt dat de verkenning is het veld nader uitsluitsel moet geven of het plangebied een geschikt biotoop is en/of geschikte verblijfplaatsen biedt.
Huismus komt vaak voor in tuinen en broedt onder andere in de holle ruimtes onder dakpannen, die ze kunnen bereiken via de dakgoten. Tijdens het veldbezoek is geen Huismus waargenomen op de planlocatie. Door de afwezigheid van bebouwing is het onderzoeksgebied ongeschikt als nestlocatie voor Huismus. Als foerageergebied is het wel geschikt, maar in de toekomstige situatie in dit eveneens het geval.
[7]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Tijdens het veldonderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonies of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Tevens zijn er ook geen sporen, als braakballen en voedselresten, aangetroffen van roofvogels. Er zijn in de omgeving betere locaties beschikbaar. Van roofvogels, zoals Buizerd, Havik, Slechtvalk en Torenvalk, zijn in of nabij het plangebied waarnemingen bekend uit het NDFF. Ze kunnen het gebied als jachtgebied gebruiken. Dit blijft na de ingreep echter eveneens het geval. Dit geldt ook voor Kerkuik en Steenuil. Verblijfslocaties zijn uitgesloten voor deze uilen door het ontbreken van bebouwing. Uit NDFF-data blijkt ook de aanwezigheid van Gierzwaluw in de directe omgeving van het plangebied. Echter, ook voor Gierzwaluw geldt dat nestlocaties zijn uitgesloten door het ontbreken van bebouwing. Naast de soorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4 komen er ook broedvogels van categorie 5 in de omgeving voor. De data van NDFF vermeldt onder andere Ekster, Koolmees, Pimpelmees, Spreeuw en Zwarte kraai nabij het plangebied. Van de soorten die zijn opgenomen in categorie 5 op de lijst met jaarrond beschermde nesten is het nest alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende ecologische redenen of omstandigheden dit rechtvaardigen.
Dit betekent in de praktijk vooral wanneer er weinig tot geen alternatieven in de omgeving zijn en/of wanneer het een relatief groot deel van de populatie betreft. In dit geval zijn er volop alternatieven in de omgeving beschikbaar waardoor de staat van instandhouding met zekerheid niet in het geding komt en de eventuele nesten van deze soorten niet jaarrond beschermd zijn. Van deze soorten is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent en vrijwillig verlaten hebben. Overige broedvogels De opgaande begroeiing rondom het terrein is geschikt voor algemene broedvogels zoals Merel, Roodborst, Winterkoning en Houtduif. Deze begroeiing staat echter op het aanliggende perceel (zie afbeelding 2.3). In het plangebied zelf is de kans op broedgevallen minimaal door de afwezigheid van begroeiing en geschikte bomen, met uitzondering van grondbroedende vogels. Werkzaamheden tijdens de broedperiode van grondbroedende soorten kunnen leiden tot sterk negatieve effecten op broedende vogels. Het verstoren of vernielen van bezette nesten is een overtreding van de Wet natuurbescherming artikel 3.1 lid 2 (opzettelijk vernielen, beschadigen of weghalen van nesten of rustplaatsen) en lid 4 (opzettelijk verstoren) en dient altijd voorkomen te worden.
Negatieve effecten op deze broedvogels zijn te voorkomen door werkzaamheden binnen de invloedsfeer van nestplaatsen te starten buiten het broedseizoen. Tijdens het broedseizoen kunnen de werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat kort voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ecologische deskundige een broedvogelcheck heeft uitgevoerd en heeft bepaald dat binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden geen broedgevallen aanwezig zijn. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode, uitsluitend van belang is de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Indicatief wordt vaak de periode half maart – half augustus gehanteerd, omdat in deze periode de kans op broedgevallen het grootst is. Van de te verwachten broedvogels is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent en vrijwillig verlaten hebben. Worden toch bezette nesten aangetroffen dan dienen werkzaamheden met een mogelijk negatief effect te worden uitgesteld totdat de ouders klaar zijn met broeden en de jongen zelfstandig het nest definitief hebben verlaten.
[8]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Effect De planlocatie is niet geschikt of in gebruik als nestlocatie voor soorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 4. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van Huismus, Gierzwaluw, Roek, uilen en roofvogels in het plangebied is uitgesloten. Als foerageergebied blijft het na de ingreep beschikbaar. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig. Een negatief effect kan optreden voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen categorie 5 en algemene broedvogels wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Nesten kunnen worden vernield of dusdanig verstoord dat broedvogels hun nest de nitief verlaten, dit leidt tot een verbodsbepaling zoals genoemd in artikel 3.1, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Het is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (in de periode half maart - half augustus) of om vlak voor de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te laten voeren door een ecologisch deskundige (volgens de nitie van de RVO) om aan te tonen dat broedgevallen niet aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop en renovatie zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen.
Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineaire doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied, zijn beschermd. In de omgeving van het plangebied wordt met name Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Franjestaart en Ruige dwergvleermuis verwacht. Deze soorten worden in de NDFF-data genoemd, waarbij met name de Gewone dwergvleermuis veelvuldig nabij het plangebied voorkomt. De verkenning in het veld moet uitwijzen of het plangebied mogelijk geschikte holten of sporen van een verblijfplaats vertoont. Van deze soorten zijn met name Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger gebonden aan gebouwen; de andere twee soorten koent ook of voornamelijk in holtes in bomen voor. Verblijfplaatsen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten wordt voornamelijk in gebouwen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. Daarnaast zijn er vleermuissoorten die hoofdzakelijk in bomen verblijven. Holten, scheuren en ruimtes achter losse stukken bast vormen bijvoorbeeld geschikte verblijfplaatsen. Er zijn ook soorten die zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen. Door de afwezigheid van bebouwing in het plangebied is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaasten van Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger uitgesloten.
In het plangebied ontbreken eveneens bomen met mogelijk geschikte holtes voor boombewonende vleermuizen. De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen kan derhalve ook worden uitgesloten. Foerageergebied en vliegroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. Er zijn in de directe omgeving voldoende en betere mogelijkheden aanwezig. Daarnaast blijft tijdens en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Vleermuizen gebruiken de lijnvormige landschappelijke structuren om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied. De
[9]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
bomenrij langs de zuidelijke erfafscheiding kan door vleermuizen worden gebruikt als vlieg-route van verblijfplaats naar foerageergebied (zie afbeelding 2.4). Echter, deze blijft ongemoeid en er zijn eveneens voldoende lijnvormige landschappelijke structuren in de directe omgeving om de functionaliteit van het omliggende gebied voor vleermuizen te behouden. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied of vaste vliegroutes voor vleermuizen. Lichtverstoring van foeragerende vleermuizen kan zich voordoen wanneer tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van bouwlampen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Het is van belang om lichtverstoring op foeragerende vleermuizen te voorkomen. Door een toename van verlichting raken vleermuizen gedesoriënteerd en vinden hun weg niet terug naar hun verblijfplaatsen. Vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) dient een toename van verlichting voorkomen te worden tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Het voorkomen van lichtverstoring kan door zowel tijdens de realisatiefase als de gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buiten- en binnenverlichting te voorkomen. Gebruik zo nodig afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik eventueel vleermuisvriendelijke verlichting (zogeheten ‘batlampen’) en plaats niet meer verlichting dan nodig.
De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van april t/m november, waarbij ze tussen zonsondergang en zonsopkomst daadwerkelijk vliegen en gevoelig zijn voor verstoring. Te allen tijde mag de verlichting niet gericht zijn op de boomkronen. Effect Er zijn geen gebouwen en/of geschikte bomen in het plangebied, waardoor vaste rust- en voortplantingsplaatsen van gebouw- en/of boombewonende vleermuizen zijn uitgesloten. De voorgenomen activiteiten hebben eveneens geen negatief effect op vaste vliegroutes of essentieel foerageergebied van vleermuizen. Voorkom vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming lichtverstoring op het niet-essentieel foerageergebied en passerende vleermuizen tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Zorg dat te allen tijde geen verlichting gericht is op boomkronen en gebouwen. Nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing zijn niet aan de orde. 2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters, die vanuit de omgeving toegang hebben tot het terrein. In de directe omgeving van het plangebied zijn in de laatste vijf jaar vanuit de NDFF waarnemingen bekend van (niet-vrijgestelde) beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten Bever en Steenmarter.
Verder van het plangebied komen Das en Otter voor aan de overzijde van de IJssel. Daarnaast komen diverse algemene grondgebonden zoogdieren voor in de (ruime) omgeving van het plangebied, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt: Egel, Haas, Konijn, Ree, Vos en algemene (spits-)muisachtigen. Door het ontbreken van gebouwen is er geen mogelijkheid voor Steenmarter om zich hierin te vestigen, vaste verblijfplaatsen voor Steenmarter zijn afwezig. De ruigtes aan de rand van het plangebied kunnen als jachtgebied fungeren; dit blijft ook na de ingreep het geval. Dit geldt eveneens voor kleine marterachtigen (zie afbeelding 2.5). Er is geen binding van het plangebied met het leefgebied van Bever. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek ook geen (knaag-)sporen aangetroffen die op de aanwezigheid van Bever kunnen wijzen. De aanwezigheid van Bever in het plangebied wordt uitgesloten. Eveneens kan de aanwezigheid van Das en Otter in het plangebied worden uitgesloten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden in het veld dat deze zich hier bevinden én de binding met het leef-
[10]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
gebied van deze soorten (overzijde IJssel) ontbreekt. Algemene zoogdiersoorten, zoals Veldmuis, Huisspitsmuis en Huismuis, komen vrijwel zeker in en rond het plangebied voor. De rommelige begroeiing langs de akker lenen zich als verblijfplaats voor deze soorten (zie afbeelding 2.6). Voor de te verwachten soorten geldt een provinciale vrijstelling van de ontheffingsplicht voor het overtreden van verbodsbepalingen in geval van ruimtelijke ingrepen. Effect Het plangebied is geen wezenlijk onderdeel van leefgebied van beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten. Hiervoor is het te cultuurlijk, te intensief in gebruik en is de mate van menselijke verstoring te hoog. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van Bever, Das, Otter of Steenmarter. Dit geldt tevens voor de kleine marterachtigen. Binnen het plangebied worden verder uitsluitend kleine, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen op beperkte schaal tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van verblijfplaatsen, holen en gangenstelsels van muizen en insecteneters. Omdat voor de te verwachten soorten een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, die voor alle dieren en planten geldt.
Effecten op beschermde, niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zijn uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek is voor wat betreft grondgebonden zoogdieren niet nodig. 2.5 Overige soorten Door het ontbreken van oppervlaktewater op het terrein is het voorkomen van vissen uitgesloten. Door dit ontbreken is aantasting van voortplantingshabitat van amfibieën ook uitgesloten. De begroeide terreindelen zijn hooguit geschikt voor amfibieën op doortrek en als landhabitat voor bruine kikker, gewone pad en groene kikker; algemene amfibiesoorten die zich buiten de voortplantingsperiode relatief ver van water kunnen begeven. Gewone pad en groene kikker zijn algemene soorten waarvoor een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen geldt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen, reptielen en ongewervelden (libellen, kevers, weekdieren), zijn op voorhand uit te sluiten. Voor het plangebied is de aanwezigheid van deze soorten uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied (waaronder open water), de cultuurlijke inrichting, de hoge mate van verstoring of doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Beschermde soorten stellen zeer specifieke eisen aan hun leefgebied en het onderzoeksgebied voldoet aan geen van de voorwaarden. Het is daarom uitgesloten dat dergelijke soorten hier voorkomen.
Zoals voor alle soorten, beschermd of niet, geldt ook hier de algemene zorgplicht. Effect Negatieve effecten op beschermde, niet-vrijgestelde reptielen, am bieën, vissen en ongewervelden zijn
[11]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
uitgesloten. Er is geen nader onderzoek naar deze soortgroepen nodig. 2.6 Algemeen
[12]
•
Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden;
•
Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en moet contact opgenomen worden met een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Afb. 2.1 en 2.2 - Overzicht perceel met voorbeeld van verschillende akkerkruiden, als Paardebloem, Smalle weegbree en Kweek.
Afb. 2.3 - Opgaande begroeiing langs aanliggende percelen Afb. 2.4 - Langs lineaire landschapselementen, als een bieden nestmogelijkheden voor algemene broedvogels. bomenrij, kunnen vleermuizen zich verplaatsen.
Afb. 2.5 en 2.6 - De ruigtes langs het perceel kunnen dienen als jachtgebied voor marterachtigen en bieden schuilmogelijkheden voor kleine, grondgebonden zoogdieren en algemene amfibiesoorten.
[13]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
21 februari 202 3
3
GEBIEDSBESCHERMING De Wet natuurbescherming maakt onderscheidt tussen soort- en gebiedsbescherming. Bij het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ wordt de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland en de beoordeling of er van het voornemen een (in)directe effect uitgaat behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig. 3.1
Natura 2000
Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op minimaal 135 meter in zuidelijke richting (zie afbeelding 3.1). De projectlocatie is gesitueerd in de bebouwde kom van Veessen, tussen reeds bestaande bebouwing. Tussen het onderzoeksgebied en het Natura 2000-gebied staan verschillende woningen met tuinen en boomgaard en ligt de rivierdijk die de IJssel afschermd van het dorp. Achter deze dijk begint het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. De ingreep is relatief klein; er worden twee woningen gebouwd op een perceel dat aan drie zijden wordt begrensd door bebouwing. Aan de westzijde bevindt zich de paardenweide van de woning ten noorden van het projectgebied. Het huidige agrarische gebruik verandert in een woonbestemming. Ondanks de korte afstand tot het Natura 2000-gebied is er door de bufferende en afschermende werking van de bebouwde kom en de rivierdijk geen directe binding van de projectlocatie met het Natura 2000-gebied en de natuurwaarden van dit gebied. Gezien de aard en schaal van het project en het ontbreken van binding met het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn directe negatieve effecten op aangewezen soorten en habitattypen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied uitgesloten, met mogelijke uitzondering van externe effecten door stikstof tijdens de realisatiefase en toekomstige gebruiksfase.
De kortste afstand tot stikstofgevoelige habitattypen bedraagt eveneens 135 meter (zie afbeelding 3.2). Dit betreft het stikstofgevoelige habitattype ‘geïsoleerde meander en petgat’ (Lg02). De voorgenomen activiteiten leiden mogelijk tot een toename van stikstofemissie in zowel de realisatiefase als tijdens het nieuwe gebruik van het plangebied. Door de realisatiefase is door de inzet van machines en aan- en afvoer van materialen een tijdelijke toename van stikstofdepositie in het plangebied. In de gebruiksfase kan er mogelijk een toename optreden door de toenemende verkeersbewegingen van bewoners en door de stikstofuitstoot van de woningen. De kans op significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen en-soorten is gezien de afstand tot de stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de voorgenomen activiteiten en het nieuwe gebruik leiden tot significante effecten op doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en - soorten. Met behulp van de online rekentool AERIUS Calculator (versie 2023) kan berekend worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Voor ontwikkelingen waarbij is aangetoond dat er géén sprake is van een toename in stikstofdepositie (ofwel < 0,00 mol/hectare/jaar) is geen vergunning nodig.
Is er wel sprake van een toename op stikstofgevoelige habitattypen, dan geldt er een vergunningsplicht. Effect Gezien de aard van de ontwikkelingen en het ontbreken van verbinding met Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebied niet aan de orde. Verdiepende toetsing van effecten op Natura 2000-gebied is niet aan de orde, met uitzondering van een stikstofberekening voor de aanlegfase en toekomstige gebruiksfase. Het is mogelijk dat de berekening aanleiding geeft tot vervolgstappen, zoals verdiepende toetsing en een vergunningplicht.
[14]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
3.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN), Groene Ontwikkelingszone (GO) en rustgebieden voor winterganzen Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde GNN-gebied ligt op 140 meter afstand in zuidelijke richting (zie afbeelding 3.3). Er worden geen effecten verwacht op de ecologische doelstellingen en kernkwaliteiten van het GNN en GO. Er is geen directe binding met deze gebieden en de bestemming wijzigt van agrarisch naar kleinschalig wonen. Nabij het plangebied ligt een rustgebied voor winterganzen (zie afbeelding 3.3). Door de tussenliggende paardenweide is er geen directe binding met dit rustgebied en het plangebied. Met de nieuwe inrichting wordt de eventuele invloed verder beperkt door de beplanting van de tuin. Effect De ontwikkelingen leiden niet tot externe negatieve effecten op de kernkwaliteiten en doelstellingen van het van het GNN & GO. Eveneens leiden de ontwikkelingen niet tot negatieve effecten op het rustgebied voor winterganzen.
Afb. 3.1 - De (globale) ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (lichtgroen). Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden door de aard van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied niet verwacht. Bron: https://geoportaal.gelderland.
[15]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Afb. 3.2 - De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige habitattypen. De kortste afstand is ca. 135 m en betreft het stikstofgevoelige habitattype ‘geïsoleerde meander en petgat’ (Lg02). Bron: AERIUS Monitor.
Afb. 3.3 - De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het GNN (donkergroen), GO (lichtgroen) en rustgebied voor winterganzen (gearceerd). Het plangebied is geen onderdeel van het GNN, GO en rustgebied winterganzen; negatieve effecten op de ecologische doelstellingen en kernkwaliteiten worden niet verwacht. Bron: Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
[16]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
4
CO N C LU S I E S E N A A N B E V E L I N G E N 4.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming
Aanwezig
Effect
Aanbeveling
Flora - beschermde soorten
nee
geen
geen
Vogels - jaarrond beschermde nesten
nee
geen
geen
Vogels - algemene broedvogels
beperkt mogelijk
mogelijk
zie bij 4.2
Vleermuizen - verblijfplaatsen
nee
geen
geen
Vleermuizen - vliegroute/foerageergebied
mogelijk
mogelijk
zie bij 4.2
Zoogdieren - gebouwbewonend
nee
geen
geen
Zoogdieren - grond-/boombewonend
nee
geen
geen
Zoogdieren - vrijgestelde soorten
beperkt mogelijk
negatief
zorgplicht
Amfibiën - vrijgestelde soorten
beperkt mogelijk
mogelijk
zorgplicht
Overige beschermde soorten
nee
geen
geen
Gebiedsbescherming
Aanwezig
Effect
Aanbeveling
Natura 2000 - doelsoorten/habitattypen
nabij
geen
geen
Natura 2000 - stikstof
mogelijk
mogelijk
zie bij 4.2
GNN en GO
nabij
geen
geen
Rustgebied voor winterganzen
nabij
geen
geen
4.2 Aanbevelingen Vogels - algemene broedvogels • Voer mogelijk verstorende werkzaamheden uit buiten het broedseizoen of neem voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen om vestiging van broedgevallen binnen verstoringsgevoelige delen van het plangebied te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door beplanting sterk terug te snoeien of te rooien vóór half maart. Het broedseizoen is geen vaste periode, maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Bij start van de werkzaamheden tijdens het broedseizoen is een broedvogelcheck door een erkend deskundige noodzakelijk om aanwezigheid van broedgevallen te onderzoeken. Indien nodig worden werkzaamheden uitgesteld totdat eventuele nesten verlaten zijn. Vleermuizen - Vliegroutes/foerageergebied • Het is noodzakelijk om negatieve effecten op mogelijke foerageergebieden en vliegroutes via de begroeiing rondom het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. Onnodige lichtverstoring op het mogelijke foerageergebied en de vliegroutes van vleermuizen dient voorkomen te worden volgens de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen.
Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik ‘batlampen’ en plaats niet meer verlichting dan nodig.
[17]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
T.a.v. zorgplicht en calamiteiten: • Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstellling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dit te worden; •
Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van LNV) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.
Gebiedsbescherming
[18]
•
De voorgenomen ingrepen leiden niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk). Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden en nadere toetsing aan het GNN zijn niet aan de orde;
•
Het voornemen kan mogelijk leiden tot een toename van de stikstofuitstoot en mogelijk negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen. Voer voor de aanlegen toekomstige gebruiksfase een berekening uit in online rekenprogramma AERIUS Calculator. Als er geen toename is, dan zijn negatieve effecten uitgesloten. Is er wél een toename op stikstofgevoelige habitattypen en doelsoorten, dan is verdiepende toetsing en vergunningaanvraag noodzakelijk.
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
A
BIJLAGE A - WETTELIJK KADER Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel.
Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natu-urbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied, zoals een toename van stikstofemissie en -depositie met mogelijke gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.
Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) komen voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincie Gelderland. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Binnen het GNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De GO bestaat uit ‘niet-natuurlijke’ elementen van de voormalige EHS zoals infrastructuur en bebouwing. In de GO liggen meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven. De begrenzing en doelstellingen van GNN en GO worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie en -verordening.
[19]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3
Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
[20]
Eco logische quicksca n Kerk straat thv 11-13 te Vees sen
25 augus tus 202 3