6.2. BP_Oenerweg 14a_16_Toelichting
Tekst van het document
Het hekwerkmontagebedrijf is een soortgelijk bedrijf als het stratenmakersbedrijf vanwege de werkzaamheden en de omvang. Hierbij kan aangesloten worden bij dezelfde milieucategorie. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de wijziging en herschikking van het juridisch-planologische regime: de bedrijfspercelen worden opnieuw begrensd; buitenopslag ter plaatse van de Oenerweg 14a is niet toegestaan; de functieaanduiding van de Oenerweg 14a wordt gewijzigd naar 'milieucategorie 1 en 2'. Het stratenmakersbedrijf krijgt zoals hiervoor te lezen de aanduiding 'milieucategorie 1 en 2'. Ter plaatse van deze aanduiding verandert de milieuplanologische situatie voor omliggende burgerwoningen in positieve zin als uitgegaan wordt van een huidige milieucategorie van 3.1, vanwege het uitsluiten van zwaardere bedrijvigheid behorend bij deze milieucategorie. Het hekwerkmontagebedrijf wordt groter. De (bedrijfs)schuur achter de woning Oenerweg 14 behoort thans toe aan Oenerweg 14a ten behoeve van een stratenmakersbedrijf. Als gevolg van onderhavig plan wordt deze schuur onderdeel van het bedrijfsperceel bij Oenerweg 16, een hekwerkmontagebedrijf. Er is geen sprake van een wijziging in richtafstanden en/of hindercontouren. Tevens worden er geen geluidsgevoelige activiteiten verricht in de schuur.
Als gevolg van de planologische wijziging verandert eventueel ter plaatse ervaren milieuhinder dus niet. Het hekwerkmontagebedrijf behoudt dezelfde categorie als het voormalige stratenmakersbedrijf. Derhalve is er geen verandering van het effect van de functie op de omliggende woningen. Van een toename van effecten is geen sprake. Geconstateerd wordt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en omgeving niet wijzigt als gevolg van voorliggend bestemmingsplan. Vanwege vorenstaande wordt vastgesteld dat de wijziging ten aanzien van de toerekening van de schuur van nummer 14a naar nummer 16 geen negatief effect heeft op de woning gelegen op nummer 14. Ook zijn er in de nabijheid geen inrichtingen die geurhinder, geluidshinder, stofhinder of gevaar veroorzaken. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is te garanderen. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk. Er hoeft niet beoordeeld te worden of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.9.3
Conclusie
Het (milieu)aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en
23
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
het groepsrisico gehanteerd.
4.10.2
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een gewijzigd juridisch-planologisch regime. Er worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Ook worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. De risicokaart is online geraadpleegd via de Atlas leefomgeving. Daaruit is op te maken dat in een straal van 2,5 kilometer rondom het plangebied geen risicobronnen zijn gesitueerd. Geconstateerd wordt dat er geen sprake is van risico's met betrekking tot externe veiligheid.
4.10.3
Conclusie
Het (milieu)aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.11.2
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een gewijzigd juridisch-planologisch regime. In de omgeving van het plangebied bevinden zich bovendien geen relevante kabels of leidingen.
4.11.3
Conclusie
Het (milieu)aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.12
MER-toets
4.12.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
4.12.2
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een gewijzigd juridisch-planologisch regime. Er is geen sprake van activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Tevens wordt op basis van Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten van dit bestemmingsplan geconstateerd dat onderhavig plan geen activiteiten toestaat welke kunnen leiden tot significant negatieve milieueffecten. Dit hoofdstuk kan derhalve als de vormvrije mer-toets worden beschouwd.
24
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
4.12.3
Conclusie
Het (milieu)aspect MER-toets vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
25
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de begripsbepalingen (Artikel 1), waarin de in het plan voorkomende begrippen, voor zover nodig, worden gedefinieerd. In Artikel 2 'wijze van meten' wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering (zoals goothoogte, bouwhoogte inhoud en oppervlakte) in het plan gemeten moet worden. In Hoofdstuk 2 zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Uitgangspunt is daarbij geweest voor zover mogelijk aan te sluiten bij de bestaande planologische situatie maar tevens het beoogde initiatief mogelijk te maken. In Hoofdstuk 3 staan algemene bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen in hoofdstuk 2, in principe voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene 'afwijkingsregels', die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken. Hoofdstuk 4 van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
In voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van de bestemmingsplannen "Buitengebied West" en "Correctieve herziening Buitengebied West" van de gemeente Heerde. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is.
5.1.1
Inleidende regels
5.1.1.1
Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
5.1.1.2
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
26
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
5.1.2
Bestemmingsregels
5.1.2.1
Enkelbestemming - Bedrijf
In de bestaande situatie kennen de tot dit bestemmingsplan behorende gronden de enkelbestemming 'Bedrijf' en 'Wonen'. Om te voorzien in een passend juridisch-planologisch regime worden de als 'Wonen' aangewezen gronden herbestemd naar 'Bedrijf'. Zodoende ontstaat een logisch regime voor de twee bedrijfspercelen. In de planregels is aansluiting gezocht bij het vigerende planologische regime.
5.1.2.2
Waarde - Hoge archeologische verwachting
Deze dubbelbestemming is, conform het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied West" overgenomen ter bescherming van archeologische waarden in de ondergrond.
5.1.2.3
Waarde - Middelhoge archeologische verwachting
Deze dubbelbestemming is, conform het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied West" overgenomen ter bescherming van archeologische waarden in de ondergrond.
5.1.3
Algemene regels
Dit hoofdstuk geeft de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk 2.
5.1.4
Overgangs- en slotregels
5.1.4.1
Overgangsregels
Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.1.4.2
Slotregel
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening,
27
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
28
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. De gemeente is op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht kosten van grondexploitatie te verhalen middels het vaststellen van een exploitatieplan indien een planologische maatregel een aangewezen bouwplan mogelijk maakt. Deze verplichting geldt niet als de kosten anderszins verzekerd zijn middels een overeenkomst. Met initiatiefnemer is voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een anterieure overeenkomst gesloten waarin nadere afspraken zijn gemaakt over het verplichte kostenverhaal. Alle kosten ten gevolge van het plan als ook de kosten voor eventuele planschade komen voor rekening van de initiatiefnemer.
Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en geldt er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Gelet op de aard en omvang van voorliggend bestemmingsplan hebben bovengenoemde potentiële belanghebbenden geen belang bij dit plan. Participatie De omgeving is informeel geïnformeerd over het initiatief. Men is in de gelegenheid gebracht om op het plan te reageren. Er zijn geen bezwaren tegen de ontwikkeling kenbaar gemaakt door de geïnformeerde belanghebbenden.
29
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Oenerweg 14a/16 Heerde'.
7.1
Procedurestappen
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:
7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.
7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.
7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Vooroverleg
Vooroverleg is niet noodzakelijk vanwege de aard en omvang van het plan.
7.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Oenerweg 14a/16 Heerde' ligt voor de duur van 6 weken ter inzage. Tijdens deze periode kan een ieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug vervolgens terug te vinden in dit hoofdstuk.
30
bestemmingsplan Oenerweg 14a/16 Heerde