6.1. Raadsbesluit APV gemeente Heerde 2024
Tekst van het document
Algemene plaatselijke verordening gemeente Heerde 2024 De raad van de gemeente Heerde;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van d.d. 16 januari 2024 ; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen
3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel
5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit
milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit: de Algemene plaatselijke verordening gemeente Heerde 2024 vast te stellen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 4 maart 2024. griffier,
Inhoudsopgave
voorzitter,
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Hoofdstuk 2: Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1
:Voorkomen of bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling 2
:Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling 3
:Evenementen
Afdeling 4
:Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling 5
:Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling 6
:Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling 7
:Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling 8
:Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling 9
:Bestrijding van heling van goederen
Afdeling 10 :Consumentenvuurwerk en carbid Afdeling 11 :Drugsoverlast Afdeling 12 :Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk 3: Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1
:Begripsbepalingen
Afdeling 2
:Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
Afdeling 3
:Beslissingstermijn; weigeringsgronden
Afdeling 4
:Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Afdeling 5
:Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 4: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1
:Geluidhinder en verlichting
Afdeling 2
:Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling 3
:Het bewaren van houtopstanden
Afdeling 4
:Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Afdeling 5
:Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk 5: Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1
:Parkeerexcessen
Afdeling 2
:Collecteren
Afdeling 3
:Venten
Afdeling 4
:Standplaatsen
Afdeling 5
:Snuffelmarkten
Afdeling 6
:Openbaar water
Afdeling 7
:Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Afdeling 8
:Verbod vuur te stoken
Afdeling 9
:Verstrooiing van as
Hoofdstuk 6: Straf-, overgangs-, slotbepalingen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
-
-
de Wegenverkeerswet 1994; Omgevingswet;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
college: het college van burgemeester en wethouders;
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op ander wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
natuurgebied: een natuurgebied is een gebied met opvallende eigenschappen als het gaat om flora, fauna, geologische of landschappelijke gesteldheid. Hieronder vallen bossen, heidevelden, plassen of duinen.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen zes
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
b.
c.
2.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen
van de vergunning of ontheffing , intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin
e.
de houder dit verzoekt.
gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde
anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a.
de openbare veiligheid;
d.
de bescherming van het milieu.
c. 2.
de openbare orde;
b.
de volksgezondheid;
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
2.
Degene die op een openbare plaats:
dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
Is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:1:1 Verzamelingsverbod 1.
Het is verboden op of aan wegen of op plaatsen, die deel uitmaken van een gebied door de
burgemeester aangewezen in het belang van de bewaring van de openbare orde en rust en ter
voorkoming van wanordelijkheden, deel uit te maken van of zich te bevinden in een verzameling van drie of meer personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze verzameling een bedreiging van de openbare orde en rust met zich brengt. 2.
Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, dan wel een daartoe aangestelde gemeentelijke toezichthouder, direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen.
Artikel 2:1:2 Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2:1, 2:26, 2:31, 2:41, 2:47, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:74, 2:79, dan wel een geweldsdelict of een ander de openbare orde gerelateerd delict pleegt een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zestien weken te bevinden op in dat verbod
aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. 2.
De burgemeester beperkt de in het eerste lid genoemde verbod, indien dat in verband met
3.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod, als
persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat:
a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
c.
e.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een
is vermeld.
zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen)
Artikel 2:5 Te verstrekken (Vervallen)
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Vervallen)
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)
Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is verboden om een straatoptreden te verzorgen op een openbare plaats of het openbaar water
2.
Onder straatoptreden wordt verstaan het ten gehore brengen van muziek, zang, het vertonen van
in een daartoe door de burgemeester aangewezen gebied. dans of andersoortige voorstellingen.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Het verbod uit het eerste lid van dit artikel geldt niet op Koningsdag en 5 mei (Bevrijdingsdag)
5.
Op de aanvraag op ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als :
a.
b.
c. 2.
het commerciële uitstallingen en commerciële uitingen betreft;
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg
belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels
4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het verbod in het eerste lid.
5.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, spandoeken en reclameborden.
a.
b. c. 6.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet,
provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een
weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar
3.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
lichaam werkzaamheden worden verricht.
weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale
omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
a.
daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets
b.
het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
2.
van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a.
daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b.
dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
d.
er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de
c.
het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3.
De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de
4.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
(Vervallen)
Artikel 2:17 Kelderingangen (Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
b.
Te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
Voor zover het op open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
3.
Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt
onder 3, van Wetboek van Strafrecht
in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:21:1 Verwijdering e.d. van voorziening voor verkeer en verlichting (Vervallen)
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Vervallen)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (Vervallen)
Artikel 2:23:1 Vliegen met modelvliegtuigen en meerlijnige vliegers (Vervallen)
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.
b. c.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.
e. 2.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
f.
voetbalwedstrijden tussen lokale en/of landelijke/betaalde voetbalclubs waar op aangegeven van
c.
e.
g. 3.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;; extreme vechtsportwedstrijden en –demonstraties; de politie een risico aan verbonden kan zijn;
een klein evenement.
Onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue gedurende maximaal een dag.
Artikel 2:25 Evenement 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
organiseren.
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.
Geen vergunning is vereist voor een evenement indien: a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen;
b.
het evenement tussen 08.00 en 23.00 uur plaatsvindt;
d.
er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur of na 22.00 uur.
c.
e. f.
het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom_ fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; er een organisator is;
g.
de organisator binnen 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft
h.
geen melding is vereist indien:
4.
gedaan aan de burgemeester;
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;
het evenement niet plaatsvindt op de openbare weg (inclusief parkeerplaatsen); er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur en na 22.00 uur.
De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
6.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
7.
Voor de organisatie van privé-feesten kan geen gebruik gemaakt worden van openbare ruimte.
wordt door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2.
Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de
3.
Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te
kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.
vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of
bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in 4.
strijd met de openbare orde.
Het verbod van lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café,
waterpijpcafé, cafetaria, afhaalcentrum snackbar, discotheek, buurthuis, bed & breakfast of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen door directe consumptie ter plaatsen worden bereid of verstrekt,
2.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid
kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
3.
Exploitant: degenen die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel
4.
leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of
2.28
uitoefenen in een openbare inrichting.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of
het omgevingsplan.
gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a.
de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
b.
de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
4.
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.
Een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
b.
Een zorginstelling
d.
Een bedrijfskantine of restaurant;
f.
een onderwijsinstelling;
c.
e.
g. 5.
openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; Een museum;
rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria;
een logiesverstrekkend bedrijf volgens het systeem van bed & breakfast. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:
a.
b.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten
gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
6.
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het
7.
Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
vijfde lid, onder a.
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a Nadere eisen 1.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 dient zowel de exploitant als de leidinggevende: a.
te voldoen aan de eisen gesteld in het Alcoholbesluit, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag,
c.
niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn
d. 2.
minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt
b.
en
niet onder curatele staan
Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.
2.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
4.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde
5.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
sluitingstijden als voor de winkel. Omgevingswet is voorzien.
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
b.
c.
de orde te verstoren;
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de
openbare inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:31:1 Glasoverlast 1.
Het is verboden zich zonder redelijk doel in de onmiddellijke nabijheid van een horecabedrijf op of
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een terras behorende bij een openbare
aan de weg te bevinden met een glas of open fles met of zonder alcoholhoudende drank. inrichting.
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven (Vervallen)
Artikel 2:33 Ordeverstoring (Vervallen)
Artikel 2:33:1 Toegang daartoe aangewezen ambtenaren (Vervallen)
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van
artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:31 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet. Artikel 2:34a – Definities 1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a.
b.
de wet: Alcoholwet;
terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het
horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse
c.
d.
mogen worden verstrekt;
vergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de wet;
bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: - leidinggevenden in de zin van de wet;
- personen die dienst doen in de inrichting;
- personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
e. 2.
paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige begrippen in deze afdeling verstaan wat de wet daaronder verstaat.
Paracommercie Artikel 2:34b – Schenktijden paracommerciële inrichtingen 1.
In alle paracommerciële inrichtingen vindt de verstrekking van alcoholhoudende drank op maandag
2.
De verstrekking van alcoholhoudende drank vindt op zaterdag en zondag uitsluitend plaats:
tot en met vrijdag uitsluitend plaats van 12.00 tot 23.30 uur.
a.
In inrichtingen van paracommerciële rechtspersonen met een doelstelling van sportieve
b.
In inrichtingen van tennisverenigingen van 12.00 tot 23.30 uur;
c. 3.
aard van 12.00 tot 19.30 uur;
In inrichtingen van alle overige paracommerciële rechtspersonen van 12.00 tot 23.30 uur.
Een nationaal erkende feestdag wordt aangemerkt als een zondag.
Artikel 2:34c – Bijeenkomsten in paracommerciële inrichtingen 1.
Het is in paracommerciële inrichtingen verboden alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens
bijeenkomsten van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
2.
In afwijking op lid 1 is het in paracommerciële inrichtingen toegestaan om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens de bijeenkomst van een paracommerciele rechtspersoon welke de inrichting
huurt voor een bijeenkomst die past binnen de statutaire doelstelling van de hurende rechtspersoon; 3.
De hurende rechtspersoon, als bedoeld in lid 2, moet statutair gevestigd zijn in de gemeente
4.
De tijdstippen waarop alcoholhoudende dranken worden verstrekt door de hurende rechtspersoon,
Heerde.
als bedoeld in lid 2, moeten gelegen zijn binnen de schenktijden die gelden voor de verhurende rechtspersoon.
Alcoholmatiging Artikel 2:34d –Schenken van sterke drank Het verstrekken van sterke drank is toegestaan binnen de tijd als genoemd in artikel 2:34b van deze afdeling.
Artikel 2:34e – Prijsacties (Facultatief)
Artikel 2:34f – Ontheffingen (Vervallen)
Artikel 2:34g – Intrekkingsgronden ontheffing (Vervallen)
Artikel 2:34h – Overgangsrecht (Vervallen)
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening
van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie (vervallen)
Artikel 2:37 Nachtregister 1.
De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek
2.
De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in eerste lid
van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model. bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk
leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke
gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
doen exploiteren.
a.
b. 4.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Speelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat
kansspelautomaten.
kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de
Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal
behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen
b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen
aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; of te doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
wettelijk voorschrift.
eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. (Vervallen)
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44:1 Hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.
Het is verboden op de weg en op voor publiek toegankelijke plaatsen, in de nabijheid van winkels, te vervoeren of bij zich te hebben een tas of ander voorwerp die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, zoals speciaal uitgeruste tassen, magneten of
elektronische voorwerpen die veiligheidslabels of veiligheidspoortjes of andere hulpmiddelen ter
voorkoming van winkeldiefstal kunnen beïnvloeden, alsmede van tangen of andere voorwerpen die kennelijk eveneens bedoeld zijn om het plegen van een winkeldiefstal te vergemakkelijken.
2.
De in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op openbare plaatsen: a.
b. 2.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op te houden op een wijze dat die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47:1 Verplichte route (Vervallen)
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
a.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college
aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. b.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college
aangewezen gebied, ongeopende verpakkingen met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijke doel de inhoud ervan ter plaatse te nuttigen. 2.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing
c.
de plaats waar een straat-, buurtfeest of barbecue als gemeld onder artikel 2:24 lid 2
geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
onder g van deze APV wordt gehouden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
b. 2.
zich in een portiek of poort op te houden;
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en
soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op
een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1.
Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zicht te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de
2.
openbare orde.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. (Vervallen)
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. (Vervallen)
Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen)
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Vervallen)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Vervallen)
Artikel 2:56 Alarminstallaties (Vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
d.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk
c.
kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een
hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden 1.
Degene die zich met een hond, een paard of een pony op een openbare plaats begeeft, is verplicht
2.
De eigenaar of houder van een hond of een paard of pony of degene aan wiens zorg een hond, een
ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond, paard of pony onmiddellijk worden verwijderd
paard of pony kennelijk is toevertrouwd, is verplicht, indien hij zich met een hond, of een paard of pony op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.
3.
Een doeltreffend hulpmiddel is: a. een schep of schepje, voldoende stevig om de uitwerpselen te
kunnen opnemen, of b. een plastic zakje, voldoende stevig om de uitwerpselen te kunnen opnemen, of c. een ander ten behoeve van het verwijderen van uitwerpselen ontworpen hulpmiddel.
4.
De eigenaar of houder van een hond of een paard of pony of degene aan wiens zorg een hond, een
paard of pony kennelijk is toevertrouwd, is verplicht dit doeltreffend hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar;
5.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder de uitwerpselen onmiddellijk verwijdert met het doeltreffend hulpmiddel en de uitwerpselen meeneemt of deponeert in een afvalbak.
6.
De geboden zoals gesteld in het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor zover de eigenaar of
houder van een hond vanwege zijn handicap niet in staat moet worden geacht om aan het gebod te voldoen.
7.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar de geboden zoals gesteld in het eerste, tweede en vierde lid niet gelden.
Artikel 2:58a Verontreiniging door paarden e.d. (Vervallen)
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de
eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf
verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d. 2.
aanwezig te hebben;
aanwijzingsbesluit gestelde regels;
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren (Vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven (Vervallen)
Artikel 2:64 Bijen 1.
2.
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag
b.
binnen een afstand van tien meter van de weg.
mensen verblijven;
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter
vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.
3.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder
4.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor
rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het bod.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij (Vervallen)
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op grond
2.
verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle
van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij
verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a.
b. c.
d. e.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
d.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden
c.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed
gedurende de eerste vijf dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven Het is de houder van een openbare inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem
handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid Artikel 2:71 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
b.
carbidschieten: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas
afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen;
consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
2.
Binnen de gemeente Heerde worden maximaal 2 vergunningen verleend in Heerde en maximaal 1 in
3.
De aanvraag om een vergunning zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel kan worden geweigerd indien
Wapenveld.
het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid, binnen een straal van 100 meter, van bijvoorbeeld
zorgcentra voor ouderen en brandstofverkooppunten. Het nabijheidscriterium geldt niet voor reeds verleende vergunningen voor 1 januari 2014. 4.
Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens
5.
Het college kan nadere aanvullende beleidsregels opstellen aangaande verkooppunten van
6.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
dwingende redenen van algemeen belang. vuurwerk.
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade
3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. of overlast kan veroorzaken.
onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73:1 Carbidschieten 1.
Het is verboden carbid (calciumacetylide) te schieten: a.
b. c.
op tijdstippen gelegen buiten het tijdvak van 10.00 tot 17.00 uur op 31 december.
op plaatsen gelegen binnen de bebouwde kom; op de openbare weg.
2.
Het college stelt algemene regels in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast
3.
Het college kan plaatsen buiten de bebouwde kom aanwijzen waar het in het belang van de
die in acht dienen te worden genomen bij het schieten met carbid.
voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming verboden is carbid te schieten.
4.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht van toepassing zijn.
Artikel 2:73:2 Verbod oplaten ballonnen 1.
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van
2.
Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise
vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. wensballon, papierballon, geluksballon, etc.
Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat 1.
Het is verboden op of aan de weg of in een publiek toegankelijk gebouw of vaartuig voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben ten behoeve van gebruik van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.
2.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 3.
Het in het eerste en tweed lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van
drugsverslaving of de hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te
gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:74:1 Gebruik harddrugs op straat (Vervallen)
Artikel 2:74:2 Gebruik softdrugs op straat (Vervallen)
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen
ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:1:1, 2:1:2, 2:10, 2:11, 2:16, 2:47, 2:47:1, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 2:73:1 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Heerde 2020 groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare
orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
2.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
Artikel 2:78 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik
geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie
personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat
erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluid- of geurhinder;
b.
hinder van dieren;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of
c.
e.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:79 Dragen gevaarlijk voorwerp 1.
Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor
het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgens artikel 6:2 aangewezen
toezichthouders, dan wel op basis van andere wetgeving aangewezen personen die bevoegd zijn tot het dragen van een wapen ter uitvoering van hun beroep.
Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald
gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.
Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit
van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.
Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven,
wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en er naar het
oordeel van de burgemeester voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.
Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting
bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin te betreden of bezoekers toe te laten of te laten betreden.
5.
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden.
Artikel 2:81 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing,
b.
beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding
c.
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw,
de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; over de bedrijfsmatige activiteiten;