CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

5.2.4. Bijlagen_Bijlage 4 Archeologisch onderzoek

Raad 27 mei 2024, gemeente HeerdeBij agendapunt: B Vaststelling bestemmingsplan Wilhelminalaan 59 fase 2, Heerde7.089 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 973 Heerde, Wilhelminalaan Gemeente Heerde Een archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase

Auteur Versie Projectcode Datum Opdrachtgever

Concept 1.0 16050038 30-07-2016 bu/RO-Betuwe Acacialaan 31 7391 JV Twello Transect Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht

Uitvoerder

Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Bevoegde overheid

Archeoloog Regio Noord-Veluwe 4004618100 Gemeente Heerde

Beheer documentatie Afbeelding voorblad

Transect b.v., Utrecht Overzicht schoolplein

Autorisatie Naam

Datum

Paraaf

(Senior KNA prospector)

ISSN: 2211-7067

© Transect, Utrecht Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Australiëlaan 5-a 3526 AB Utrecht

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van bu/Ro- Betuwe heeft Transect in juni 2016 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Wilhelminalaan in Heerde. De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen realisatie van 20 nieuwe appartementen op het terrein van de voormalige schoolgebouwen van de basisscholen Kristal en Wilhelminaschool. Uit het vooronderzoek blijkt dat binnen een deel van het plangebied sprake is van een intacte podzolbodem met een dik plaggendek. Dit deel van het plangebied heeft een hoge verwachting voor vondstarme nederzettingsresten, die met name worden gekenmerkt door het voorkomen van grondsporen. In het overige deel van het plangebied is de bodem verstoord tot in de C-horizont. Hier is de kans op archeologische resten kleiner, maar het kan niet worden uitgesloten dat ook hier diepere grondsporen bewaard zijn gebleven. Het archeologisch niveau, dus de top van de ongeroerde bodem, bevindt zich op 50 cm –mv of dieper. De noordelijke appartementen worden voor een groot deel gerealiseerd in, naar verwachting, onverstoorde bodem. Hierdoor worden hier mogelijk archeologische waarden bedreigd.

Advies Binnen het plangebied worden beneden 50 cm –mv archeologische waarden verwacht. Deze waarden worden mogelijk door de voorgenomen werkzaamheden bedreigd. Wij adviseren daarom om geen bodemverstorende werkzaamheden beneden 50 cm –mv uit te voeren. Het aanbrengen van heipalen onder bijvoorbeeld een plaatfundering is in principe een vorm van bodemverstoring. Wanneer het palengrid echter ruim wordt opgezet (in een grid van ten minste 2,5 x2,5 m) is de mate van verstoring dusdanig gering, dat er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar is tegen heiwerkzaamheden. Wanneer binnen delen van het plangebied (buiten de huidige bebouwing) wel graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm –mv, dan dient op deze delen een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase, uit gevoerd te worden. Omdat binnen het plangebied met name grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd door middel van proefsleuven. Het onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er binnen het plangebied, onder het eerddek of de geroerde laag, behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Gezien het beperkte oppervlak van de nieuwbouw, kan, bij het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden, eventueel een doorstart worden gemaakt naar een definitieve opgraving van het bouwvlak.

Eventueel kan er voor worden gekozen om het vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden. Bijvoorbeeld wanneer het terrein door de aanwezige bebouwing moeilijk toegankelijk is en hierdoor een proefsleuvenonderzoek lastig uit te voeren is. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Heerde, om op basis van dit advies te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Voor aanvang van een proefsleuvenonderzoek of een archeologische begeleiding dient eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid moet worden goedgekeurd.

Kanttekening Onderhavig onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke methoden en inzichten en is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter de aan- of

afwezigheid van eventuele archeologische resten niet gegarandeerd worden. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Monumentenwet 1988 te worden gemeld bij de bevoegde overheid.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4.

Consequenties toekomstig gebruik

4

5.

Beleidskader

5

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

6

7.

Bekende archeologische waarden en onderzoeken

8

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoring

9

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

13

10.

Resultaten veldonderzoek

14

11.

Conclusie en advies

16

12.

Geraadpleegde bronnen

18

Bijlage 1.

Overzicht van geologische (chronostratigrafische) en archeologische periodes

19

Bijlage 2.

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR)

20

Bijlage 3.

Archeologische Beleidskaart gemeente Heerde

21

Bijlage 4.

Geomorfologie

22

Bijlage 5.

Actueel Hoogtebestand Nederland

23

Bijlage 6.

Bodemkaart

24

Bijlage 7.

Archeologische waarden

25

Bijlage 8.

Boorpuntenkaart

26

Bijlage 9.

Foto’s van boringen

27

Bijlage 10.

Booorstaten

31

1. Aanleiding In opdracht van bu/Ro- Betuwe heeft Transect 1 in juni 2016 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Wilhelminalaan in Heerde. De aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen realisatie van 20 nieuwe appartementen op het terrein van de voormalige schoolgebouwen van de basisscholen Kristal en Wilhelminaschool (respectievelijk kadastrale perceelnummers: 7364 en 7365). In het kader van deze ontwikkeling dient een bestemmingsplanwijziging te worden doorgevoerd en een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Heerde ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachting (bijlage 3). Dit betekent dat, voor bodemingrepen groter dan 100m2 en dieper gaan dan 40 cm –Mv, archeologisch vooronderzoek nodig is. Dit rapport geeft invulling aan die onderzoeksplicht. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3.

1

Transect Archeologie beschikt over een opgravingsvergunning voor booronderzoek ex artikel 45 van de Monumentenwet, verleend door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase. Het Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 (KNA 4.0). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door middel van waarnemingen in het veld. Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport zal het bevoegd gezag een beslissing nemen in het kader van de planprocedure.

Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. In het kader van het bureauonderzoek is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. De toegepaste methodiek in het veld is beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (hoofdstuk 10).

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Heerde

Plaats

Heerde

Toponiem

Wilhelminalaan

Kaartblad

27B

Centrumcoördinaat

199.608 / 489.626

Binnen het bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden (figuur 1) en bevindt zich in de bebouwde kom van Heerde, ten noorden van de Wilhelminalaan en ten westen van de Emmalaan. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied en het direct omringende gebied binnen een straal van 1.000 meter. Deze zone wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, paleo-landschappelijke en (cultuur-)historische situatie in het plangebied. Het veldonderzoek is uitsluitend binnen de contouren van het plangebied uitgevoerd. Het doel van deze boringen is om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek in het plangebied zelf te toetsen. Deze toets is gekoppeld aan de locatie en omvang van de toekomstige bodemingrepen en moet dus de feitelijke situatie binnen het potentieel bedreigde deel van het bodemarchief in kaart brengen.

Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied (rode lijnen).

3

4. Consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging

Planvorming

Nieuwbouw appartementen

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

In het plangebied bestaat het voornemen om appartementen te realiseren. Het zuidelijke schoolgebouw blijft staan. Hierin worden 10 appartementen gerealiseerd. Het noordelijke schoolgebouw wordt gesloopt. Hier worden 8 appartementen gerealiseerd. Alleen ter plaatse van de noordelijke appartementen vinden bodemverstorende werkzaamheden plaats. In figuur 2 het verkavelingsmodel weergegeven. Aangenomen wordt dat de ondergrond ter plaatse van het te slopen noordelijke schoolgebouw grotendeels is verstoord. De noordelijke appartementen beslaan circa 420 m2. Hiervan valt circa 300 m2 buiten de contour van de huidige bebouwing. Hier leiden de bouwwerkzaamheden mogelijk tot nieuwe bodemverstoringen.

Figuur 2. Verkavelingsmodel (bron: Artezs).

4

5. Beleidskader Onderzoekskader Beleidskader Onderzoeksgrens

Omgevingsprocedure Bestemmingsplan Heerde-dorp 2009 Heerde Archeologische Beleidskaart gemeente Heerde >100 m2; >40 cm -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Vanuit de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. In feite is de Wamz een concrete invulling en verdere verbreding van deze verplichting. Het plangebied heeft volgens het bestemmingsplan Heerde-dorp uit 2009 een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’. De beleidsregels in het bestemmingsplan zijn afgeleid van de archeologische beleidskaart van het plangebied (bijlage 3). Het plangebied valt binnen zone waarvoor een hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische waarden. Volgens de planregels dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm onder het huidige maaiveld een archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd om de archeologische waarde van het terrein vast te stellen.

5

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Utrechts-Gelders zandgebied

Geomorfologie

Bebouwd

Bodem

Bebouwd

Maaiveld

Ca. 7,6-7,7 m +NAP

Grondwater

VI: GHG 40-80 cm –Mv / GLG > 120 cm -Mv

Landschapsgenese Tijdens het voorlaatste glaciale tijdperk (Saalien) ontwikkelde zich grote ijskappen ten noorden van Nederland. Door een toename in massa en de beweging van het ijs verplaatste de grens van het landijs steeds zuidelijker en schoof daarmee over het noorden van Nederland. Ter hoogte van de landijstongen ontstonden glaciale bekkens, van waaruit morene en oudere grindrijke afzettingen van de Rijn werden opgestuwd. Het IJsseldal (ten oosten van het plangebied gelegen) was het grootste tongbekken in dit gebied. Vanuit dit bekken zijn meerdere hoge stuwwallen gevormd, zoals de Veluwe (ten westen van het plangebied), de Veluwezoom, de Lochemse Berg en de Sallandse Heuvelrug. Tijdens de afsmelting van het landijs op de overgang van het Saalien (circa 200.000 - 130.000 jaar geleden) naar het Eemien (circa 130.000 - 115.000 jaar geleden), werd het IJsseldal opgevuld met fluvioglaciale en glaciolacustriene afzettingen van de Formatie van Drenthe. Tijdens het Eemien en het eerste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.000 jaar geleden) stroomt de Rijn door het voormalige tongbekken (IJsseldal-Rijn) en worden in het tongbekken fluviatiele afzettingen van de Formatie van Kreftenheye afgezet. Het onderzoeksgebied was gedurende het Weichselien onderdeel van het periglaciaal gebied.

In het gebied accumuleerden sneeuwsmeltwaterafzettingen in de vorm van fluvio-periglaciale zanden. In het Laat-Weichselien werden in de erosiedalen, maar ook op het rivierterras van het IJsseldal Jong Dekzand afgezet (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het bestaat uit leemarm en zwak lemig, matig fijn zand, is van lokale herkomst en is in de vorm van koppen, paraboolduinen en – langgerekte - ruggen afgezet. In het dekzand kunnen oude bodems voorkomen die in warmere interstadialen (Bølling- en Allerød-interstadialen) zijn ontstaan. Deze hebben een archeologische verwachting voor wat betreft het Laat-Paleolithicum B. Vanaf het begin van het Holoceen (de huidige warme periode, vanaf circa 10.000 jaar geleden) nam de vegetatie weer toe, waardoor de zandverstuivingen stopten. Er ontstond daardoor een landschap met dichtbegroeide zandruggen en -koppen, met daartussen de relatief vochtige, laaggelegen delen (o.a. beekdalen), waar zich veen kon ontwikkelen. De dekzandruggen en -koppen staken daarbij als relatief hoger en droog gelegen plekken in het landschap uit. Om de vruchtbaarheid en hydrologische eigenschappen van de relatief mineraalarme pleistocene gronden te bevorderen, werden vanaf de Late Middeleeuwen (1050 – 1500 na Chr.) in het onderzoeksgebied akkers bemest met plaggen. Deze plaggen werden op de ‘woeste gronden’ gestoken, zoals op heidevelden en in beekdalen.

De plaggen werden vervolgens aangereikt met potstalmest, waarna ze op het land werden opgebracht. Dit leidde tot een bouwlanddek of plaggenbodem. Deze essen of enken, zoals ze in het onderzoeksgebied worden genoemd, hebben een specifiek verkavelingspatroon en waren ook wel voorzien van houtwallen.

6

Geomorfologie De geomorfologische situatie in het plangebied is afgebeeld op de geomorfologische kaart in bijlage 4, die aan de Atlas Gelderland is ontleend. Het plangebied bevindt zich hierbij in een zone dat als bebouwd gekarteerd staat. Gezien de omliggende geomorfologische eenheden, is de kans groot dat ter hoogte van het plangebied een oost-west georiënteerde dekzandrug en –kop met esdek aanwezig is. Maaiveldreliëf Voor het beoordelen van het maaiveldreliëf is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (bijlage 5). Hieruit volgt dat het plangebied op de overgang van de hoger liggende stuwwal in het (noord)westen naar het IJsseldal in het (zuid-)oosten ligt. Een sterk gedifferentieerd landschap en dus een hoge archeologische potentie. Binnen het plangebied zelf is weinig differentiatie aanwezig: het plangebied bevindt zich gemiddeld op circa 7,6-7,7 m +NAP. Bodem en grondwater De bodemkundige situatie van het plangebied is afgebeeld in bijlage 6. Ook op deze kaart staat het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied. Het is echter aannemelijk dat in het plangebied hoge bruine of zwarte enkeerdgronden of gooreerdgronden aanwezig zijn. Hoge bruine of zwarte enkeerdgronden (kaartcodes bEZ23 / zEZ23) hebben een antropogene eerdlaag dikker dan 50 cm. Deze eerdlaag is het gevolg van plaggenbemesting vanaf de Late Middeleeuwen.

Gooreerdgronden (kaartcode: pZn23) zijn bodems met een matig dikke (30 – 50 cm) eerdlaag. De top van het profiel, onder de eerdlaag, is ontijzerd door ijzer in de bovengrond uitspoelt en door grondwater wordt afgevoerd. De grondwatertrap in het plangebied is niet bepaald. Bodems rondom de bebouwde kom hebben grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40-80 cm –Mv ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm –Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat organische archeologische resten binnen 120 cm –mv slecht bewaard zijn gebleven.

7

7. Bekende archeologische waarden en onderzoeken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK-terrein

Nee

Archeologische verwachting

Hoog

Archeologische waarnemingen (vondstlocaties) Geen Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Heerde heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Dit is met name gebaseerd op landschappelijke situatie. Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied staan in Archis enkele onderzoeksmeldingen: -

-

-

-

-

Zaaknummer 2681768100: Op ruim 500 m ten oosten van het plangebied is in 2015 een bureauen booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Vosbergerweg (ong.). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een ligging heeft binnen een glooiing van hellingsafspoelingen dan wel een daluitspoelingswaaier, waarbij tevens een afdekkende laag dekzand worden verwacht. De exacte resultaten van het booronderzoek zijn niet in Archis opgenomen. Wel wordt melding gemaakt van het aantreffen van een plaggendek met fragmenten van een klappersteen (vondstlocaties: 3990606100 en 3995823100). Het betreft ijzer-oer (erts) waar men vanaf de IJzertijd, maar met name in de Middeleeuwen ijzer mee kon produceren. Zaaknummer 2169312100: Op circa 600 meter ten zuidwesten van het plangebied heeft in 2007 een booronderzoek plaatsgevonden aan de Brinklaan. Naar aanleiding van de resultaten (niet gespecificeerd in Archis) is het plangebied vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Zaaknummer 2280939100: Circa 750 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een terrein waarvoor in 2010 een bureauonderzoek is uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het onderzoek is voor het plangebied een vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een verkennend booronderzoek.

Echter, de regio-archeoloog van de gemeente Heerde heeft een andere voorwaarde voor de sloop en de nieuwbouw van de woning aangegeven. Zaaknummer 2088597100: Circa 800 meter ten noorden van het plangebied heeft in 2004 een booronderzoek op het terrein van de Sportvelden Veldkampseweg plaatsgevonden. Tijdens het inventariserend onderzoek zijn in het plangebied geen (eenduidige) archeologische resten aangetroffen. Naar aanleiding van deze resultaten werd geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. Zaaknummer 2294085100: Op circa 900 meter ten zuidwesten van het plangebied is in het jaar 2010 voor een terrein aan de Rhijnsburglaan een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Ook hier heeft men het plangebied vrijgegeven zonder specificaties in Archis te vermelden.

Resumerend zijn in het onderzoeksgebied vrijwel geen archeologische indicatoren aanwezig die inzicht kunnen bieden in de archeologische verwachting binnen het plangebied. Ook de Atlas Gelderland heeft niet in extra informatie kunnen voorzien.

8

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoring Historische bebouwing

Nee

Historisch gebruik

Onbebouwd

Bodemverstoringen

Normale agrarische activiteiten

Historische achtergronden en bewoningsgeschiedenis2 De oude dorpen in het onderzoeksgebied liggen over het algemeen aan de randen van het Veluwemassief, op de overgang van hoge en lagere gronden (Haartsen 2009). Er was, zeker in de Middeleeuwen, sprake van een sterke samenhang tussen boerderij/dorp en het omringende landschap. Uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd A/B dateren ook de havezaten, waarvan de laatmiddeleeuwse havezaten Molecaten, Vosbergen en De Bonenburg bij Heerde voorbeelden van zijn. Het zijn meestal versterkte boerderijen/boerenhoeven. De akkers lagen in complexen bijeen, die essen, engen of enken worden genoemd. Deze werden met plaggen bemest om de bodemvruchtbaarheid te bevorderen, maar ook om de geohydrologie te verbeteren. Heerde is van oudsher een esdorp. De lagere en vochtigere delen werden gebruikt als weiland en hooiland. De vele beken van de Veluwe werden benut om watermolens te bouwen om daarmee korenmolens, oliemolens en plaatselijk ook ijzermolens aan te drijven. Al in de Middeleeuwen werd hiervoor ook waterkracht als energiebron gebruikt (Haartsen 2009). In dit kader werden veel beken en sprengen aangelegd. De meeste sprengen stammen vermoedelijk uit de 17e en 18e eeuw. Over de gehele Veluwe hebben waarschijnlijk ongeveer 200 watermolens gestaan.

Historische kaarten Uit het historisch kaartmateriaal in figuren 3 t/m 8 blijkt dat het plangebied vanaf het begin van de 19e eeuw onbebouwd is geweest. De historische kern van Heerde bevindt zich in deze periode ruim 700 meter ten zuiden van het plangebied. Op de oudst geraadpleegde kaart, het Kadastraal Minuutplan uit 1811-1832, is te zien dat het plangebied zich ter hoogte van perceel 408 bevindt. Dit perceel fungeerde volgens de bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel als bouwland onder het beheer van uit Deventer. Pas in vanaf de jaren ‘50 van de vorige eeuw raakt het plangebied bebouwd. Het betreft vermoedelijk een oude vleugel van de voormalige Wilhelminaschool; volgens het Kadaster dateert het huidige pand immers uit het jaar 1951. Het pand van basisschool Kristal dateert uit 1966 (kadaster.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Momenteel bevindt zich op het terrein twee voormalig schoolgebouwen. Daarnaast is een groot deel van het terrein verhard ten behoeve van het schoolplein. Los van de huidige bebouwing heeft, voor zover bekend, in het plangebied geen grote bodemverstoring plaatsgevonden. Ook in het Bodemloket staan geen registraties van bodemsaneringen. Eventuele bodemverstoringen beperken zich naar verwachting tot het normaal agrarisch gebruik van het terrein, voorafgaand aan de komst van de scholen.

Er is ten aanzien van milieuverontreinigingen of saneringen, die geleid hebben tot bodemverstoringen, in het BodemloketTM geen informatie aanwezig.

2

De historische vereniging van Heerde is gevraagd voor aanvullende informatie. Dit is echter vooralsnog nog niet beantwoord.

9

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het kadastrale minuutplan uit de periode 1811 – 1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1875 (bron: topotijdreis.nl).

10

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1925 (bron: topotijdreis.nl).

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1960 (bron: topotijdreis.nl).

11

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1990 (bron: topotijdreis.nl).

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op de huidige topografische kaart.

12

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden Stratigrafische positie

Hoog: Laat-Paleoltihicum t/m Vroege-Middeleeuwen Laag: Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd In top dekzand, onder enkeerdgrond

Diepteligging

Vanaf circa 50 cm –Mv

Het plangebied ligt in een landschap met grote reliëfverschillen op relatief korte afstand. Specifiek bevindt het plangebied zich hoogstwaarschijnlijk op een dekzandrug op de overgang van het westelijk gelegen stuwwal (Veluwe) naar in het oosten lager gelegen IJsseldal. Bij een dergelijk sterk gedifferentieerd landschap hoort een hoge archeologische potentie. Op grond van landschapsgenese en de bijbehorende ouderdom van de verwachte afzettingen in het gebied, kunnen theoretisch gezien vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum – VroegeMiddeleeuwen aanwezig zijn. Mogelijk bevindt zich óp het dekzand (restanten van) een plaggendek (esdek). Op basis van historisch kaartmateriaal is gebleken dat het plangebied in het begin van de 19e eeuw niet bebouwd is geweest. Voor wat betreft de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd geldt daarom een lagere verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau ligt direct onder het maaiveld en wordt gevormd door de top van het dekzand, mogelijk afgedekt met een plaggendek. In de top van het dekzand kunnen bodemhorizonten of restanten daarvan aanwezig zijn, die indicatief zijn voor zowel de aanwezigheid en diepteligging van archeologische resten alsook de mate van intactheid ervan (cultuurlagen, podzolering).

Complextypen In het plangebied worden nederzettingsterreinen verwacht, maar ook sporen van landgebruik of grafvelden kunnen aanwezig zijn. Wat betreft het Laat-Paleolithicum – Neolithicum kunnen op de randen van glooiingen zogenaamde extractiekampen, seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven, aanwezig zijn. Dergelijke plekken kenmerken zich door een strooiing van bekapte stukken vuursteen en (eventueel) haardkuilen. Uit de latere perioden bestaat de kans op het voorkomen van grondsporen van erven, bestaande uit een boerderij, bijgebouwen en waterputten. Deze terreinen kunnen zich tevens kenmerken door een aaneengesloten archeologische laag, die op grond van kleur verschilt van de oorspronkelijk aanwezige lagen of een dichte vondstenstrooiing. De vorming hiervan hangt met name af van de langdurigheid van eventuele bewoning op die plek. Vanwege onbekendheid met de ondergrond in het plangebied is het middels boringen onderzocht om inzicht te krijgen in de bodemopbouw, de mate van intactheid ervan en de eventuele aanwezigheid van archeologische resten. Fysieke kwaliteit De verwachte fysieke kwaliteit van archeologische resten in het plangebied is hoog. Dit vanwege het beschermend effect van de enkeerdgrond die op het dekzand ligt en eventuele diepere bodembewerkingen heeft opgevangen.

Eventuele vondstconcentraties zullen als gevolg van ontginning en verploeging echter deels in de basis van de enkeerdgrond zijn opgenomen. Daarentegen zullen grondsporen en anorganische resten die wat dieper in de top van het dekzand liggen, zich naar verwachting nog in situ en in goede staat bevinden. Voor wat betreft (onverbrande) organische resten is de kans groot dat deze door oxidatie zijn gedegradeerd.

13

10. Resultaten veldonderzoek Methodiek Het doel van het veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied. Hiertoe is in het plangebied een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. De karterende boringen waren erop gericht eventueel aanwezige bewoningssporen aan te tonen. In totaal zijn in het plangebied 7 boringen gezet, tot 30 cm in pleistocene ondergrond. De boorpunten zijn ingemeten met behulp van een meetlint aan de hand van de bestaande topografie (bijlage 8). De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en bedraagt gemiddeld 7,65 m +NAP. Alle boringen zijn gezet met een 7 cm Edelmanboor (verkennende boringen). Van iedere verkennende boring is eerst de lithologie en lithogenese beschreven, conform de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in de boorstaten in bijlage 11. Foto’s van de boorkernen zijn in bijlage 9 opgenomen. Vervolgens is het archeologisch relevante traject (podzol, enkeerdgrond en top dekzand) bemonsterd. Hierbij is het archeologisch relevante bodemtraject volledig verzameld, waarbij de betreffende boorkernen van de verkennende boringen zijn verzameld.

De monsters zijn vervolgens meegenomen naar het depot van Transect en daar nat gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 2 mm. Als archeologisch relevant bodemtraject is de hele podzol, enkeerdgrond en de top van het pleistoceen zand aangehouden, tot 30 cm in de C-horizont. Hoewel aangegeven is in het Plan van Aanpak dat er bemonsterd zou worden met een 15 cm Edelmanboor, is in het veld besloten dit niet te doen, wegens de slechte doordringbaarheid van de bodem en de zeer beperkte ruimte waarin de boringen te zetten waren in verband met kabels en leidingen. De inschatting is in het veld gemaakt, dat de bemonstering van de kernen uit de 7 cm Edelmanboor ook afdoende informatie opleveren voor een gedegen conclusie.

Bodemopbouw en lithologie In twee boringen, 2 en 5, is een intact bodemprofiel aangetroffen. In deze boringen bestaat de bodem uit zwak tot sterk grindig, zwak tot matig siltig, matig fijn tot uiterst grof zand. De top van het zandpakket bestaat uit 20 à 25 cm geel ophoogzand. Hieronder is tot 50 à 95 cm –mv een (restant van een) donkergrijsbruine eerdlaag aangetroffen. Onder deze eerdlaag is een podzolprofiel aangetroffen. In boring 2 bestaat dit podzolprofiel uit een AE-horizont en een Bhs-horizont. Het oorspronkelijke moedermateriaal, de C-horizont, is aangetroffen vanaf 80 cm –mv. In boring 5 bestaat de podzol uit een E-, een Bhs- en een BC-horizont. De C-horizont begint op 150 cm –mv. Het oorspronkelijke moedermateriaal bestaat uit matig fijne tot uiterst grove, grindhoudende zanden. Dit materiaal betreft fluvioperiglaciale afzettingen uit het Weichselien. Dekzand is niet aangetroffen. In de overige boringen is het bodemprofiel tot een diepte van 70 (boring 3) tot 170 cm –mv (boring 1) geroerd. In het geroerde pakket zijn restanten van het eerddek en de onderliggende podzolbodem aangetroffen. Ook bevat het geroerde pakket puin. Boring 6 is zelfs op een puinpakket gestaakt. Boring 7 is ook in het geroerde pakket gestaakt (op een diepte van 125 cm –mv) omdat het zand uit de boor viel.

In boring 3 is onder het geroerde pakket een restant van een podzolbodem aangetroffen in de vorm van een BC-horizont. In boringen 1 en 4 ligt het geroerde pakket op het oorspronkelijke moedermateriaal, de C-horizont. Ook in deze boringen betreft het oorspronkelijke moedermateriaal fluvioperiglaciale afzettingen.

14

Archeologische indicatoren De podzolbodems en de geroerde lagen met restanten van podzolbodems zijn bemonsterd en gezeefd. In het zeefresiduen van de geroerde lagen met podzol-restanten (boringen 3, 4 en 7) zijn modern glas, natuurlijk (vuur)steen, metaalslak, houtskool en steenkool aangetroffen. In de residuen van de intacte podzolbodems (boringen 2 en 5) zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Consequenties archeologische verwachting Binnen het plangebied zijn fluvioperiglaciale afzettingen uit het Weichselien aangetroffen, waarin oorspronkelijk een veldpodzolbodem is gevormd. Vanaf de Late Middeleeuwen is een plaggendek aangebracht, waardoor de bodem als hoge enkeerdgrond kan worden geclassificeerd. Bij de bouw van de school in de tweede helft van de 20e eeuw is de bodem binnen een groot deel van het plangebied verstoord tot in de C-horizont. In het centrale deel van het plangebied, tussen beide schoolgebouwen is de bodem nog intact. Hier is een podzolbodem met een dik plaggendek aangetroffen. Dit deel van het plangebied heeft dan ook nog steeds een hoge archeologische verwachting. Archeologische indicatoren zijn hier niet aangetroffen, dus de verwachting betreft met name vondstarme complexen uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen en dan met name nederzettingsresten die worden gekenmerkt door het voorkomen van grondsporen als paalgaten, afvalkuilen, waterputten en greppels. In de delen waar de bodem is verstoord, is de kans op archeologische waarden kleiner, al valt niet uit te sluiten dat ook hier nog diepere grondsporen bewaard zijn gebleven.

15

11. Conclusie en advies Conclusie Uit het vooronderzoek blijkt dat binnen een deel van het plangebied sprake is van een intacte podzolbodem met een dik plaggendek. Dit deel van het plangebied heeft een hoge verwachting voor vondstarme nederzettingsresten, die met name worden gekenmerkt door het voorkomen van grondsporen. In het overige deel van het plangebied is de bodem verstoord tot in de C-horizont. Hier is de kans op archeologische resten kleiner, maar het kan niet worden uitgesloten dat ook hier diepere grondsporen bewaard zijn gebleven. Het archeologisch niveau, dus de top van de ongeroerde bodem, bevindt zich op 50 cm –mv of dieper. De noordelijke appartementen worden voor een groot deel gerealiseerd in, naar verwachting, onverstoorde bodem. Hierdoor worden hier mogelijk archeologische waarden bedreigd.

Advies Binnen het plangebied worden beneden 50 cm –mv archeologische waarden verwacht. Deze waarden worden mogelijk door de voorgenomen werkzaamheden bedreigd. Wij adviseren daarom om geen bodemverstorende werkzaamheden beneden 50 cm –mv uit te voeren. Het aanbrengen van heipalen onder bijvoorbeeld een plaatfundering is in principe een vorm van bodemverstoring. Wanneer het palengrid echter ruim wordt opgezet (in een grid van ten minste 2,5 x2,5 m) is de mate van verstoring dusdanig gering, dat er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar is tegen heiwerkzaamheden. Wanneer binnen delen van het plangebied (buiten de huidige bebouwing) wel graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm –mv, dan dient op deze delen een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase, uit gevoerd te worden. Omdat binnen het plangebied met name grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd door middel van proefsleuven. Het onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er binnen het plangebied, onder het eerddek of de geroerde laag, behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Gezien het beperkte oppervlak van de nieuwbouw, kan, bij het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden, eventueel een doorstart worden gemaakt naar een definitieve opgraving van het bouwvlak.

Eventueel kan er voor worden gekozen om het vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden. Bijvoorbeeld wanneer het terrein door de aanwezige bebouwing moeilijk toegankelijk is en hierdoor een proefsleuvenonderzoek lastig uit te voeren is. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Heerde, om op basis van dit advies te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Voor aanvang van een proefsleuvenonderzoek of een archeologische begeleiding dient eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid moet worden goedgekeurd.

Kanttekening Onderhavig onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke methoden en inzichten en is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische resten niet gegarandeerd worden. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Monumentenwet 1988 te worden gemeld bij de bevoegde overheid.

16

17

12. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden:  Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007.  Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, 2e generatie, IKAW, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), Amersfoort, 2000.  Digitale Atlas Gelderland: http://flamingo.prvgld.nl/viewer/app/Historischarcheologie  www.ahn.nl  www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl  www.bodemdata.nl  www.bodemloket.nl  www.dinoloket.nl  www.ruimtelijkeplannen.nl. Literatuur:  Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade.  Beek, R. van, 2009. Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost-Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen (proefschrift), Leiden.  Berendsen, H.J.A., 2008. De vorming van het land, Assen (Fysische geografie van Nederland).  Cohen, K.M., E. Stouthamer, W.Z. Hoek, H.J. Berendsen & H.F.J. Kempen, 2009. Zand in Banen – Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel, Arnhem (Provincie Gelderland).  Haartsen, A., 2009. Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Gelderland, Wageningen (Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit).

18

Bijlage 1. Overzicht van geologische (chronostratigrafische) en archeologische periodes

19

Bijlage 2.

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR)

Periode

Deel-/subperiode

Van

Tot

Nieuwe Tijd

Nieuwe Tijd C Nieuwe Tijd B Nieuwe Tijd A

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

heden 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen A Vroege Middeleeuwen D Vroege Middeleeuwen C Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse Tijd B Laat-Romeinse Tijd A Midden-Romeinse Tijd B Midden-Romeinse Tijd A Vroeg-Romeinse Tijd B Vroeg-Romeinse Tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

20

Bijlage 3.

Archeologische Beleidskaart gemeente Heerde

21

Bijlage 4.

Geomorfologie

22

Bijlage 5.

Actueel Hoogtebestand Nederland

23

Bijlage 6.

Bodemkaart

24

Bijlage 7.

Archeologische waarden

25

Bijlage 8.

Boorpuntenkaart

26

Bijlage 9.

Foto’s van boringen

De boringen zijn per 50 cm uitgelegd, van links naar rechts. De onderzijde van de boorkern wijst naar boven.

Boring 1 – 0-250 cm -Mv

Boring 2 – 0-115 cm -Mv

27

Boring 3 – 0-100 cm -Mv

Boring 4 – 0-170cm -Mv

28

Boring 5 – 0-180 cm -Mv

Boring 7 – 0-125 cm -Mv

29

Boring 6 – na 4 pogingen gestaakt.

Boring 6 – detail van voorgenomen boorlocatie

30

Bijlage 10.

Booorstaten

Legenda Textuurindeling (NEN 5104) Hoofdnaam LG = grind Z = zand L = leem K = klei V = veen

Toevoeging [Org, Gr] g = grindig z = zandig s = siltig k = kleiig h = humeus m = mineraalarm

Gradiënt toevoeging

Laaggrens

1 = zwak 2 = matig 3 = sterk 4 = uiterst

d = diffuus g = geleidelijk s = scherp

Karakteristieken en plantenresten VAM (amorfiteit) 1 = Zwak amorf 2 = Matig amorf 3 = Sterk amorf

Plantenresten (plr) ri = riet ho = hout ze = zegge wo – wortels plr = ongedef.

Consist(entie) ST = stevig MST = matig stevig MSL = matig slap SL = slap ZSL = zeer slap

M50 (mediaan) 75-105 105-150 150-210 210-300 300-420 420-600

Alleen voor zand uiterst fijn zeer fijn matig fijn matig grof grof zeer grof

Nieuwvormingen en grondwater Ca (kalkgehalte, CaCO3) 1 = afwezig 2 = matig kalkhoudend

Fe (roestvlekken) 1 = afwezig 2 = ijzerhoudend

Oxidatie/reductie [o/r] o = oxidatie or = oxidatie/reductie

3 = kalkhoudend

3 = sterk ijzerhoudend

r = reductie

GW (grondwater) GW = grondwater GHG = gem. hoogste grondwaterstand GLG = gem. laagste grondwaterstand

Classificatie en interpretatie Bodemhorizont (Hor.; volgens De Bakker & Schelling, 1989) BHA BHB BHBC BHC …

Monstername (M)

Lithogenese (lith.)

X (boring) – XXX {diepte in cm)

X = verstoord OPG = opgebracht OMG=omgeroerd DEZ = dekzand

Bijzonderheden Archeologische indicatoren en afkortingen in de kolom ‘bijzonderheden’ gg = goed gesorteerd gr = grindje L = leem (verbrand) mg = matig gesorteerd plr = plantenresten BT = bot sg = slecht gesorteerd Fe conc = ijzerconcreties AW = aardewerk Mn conc = mangaanconcreties VST = vuursteen ga = goed afgerond Mn = Mangaan BS = baksteen/puin ma = matig afgerond spik = spikkel FOSF = fosfaat sa = slecht afgerond gevl = gevlekt HK = houtskool sch = schelpen bijm = bijmenging (+ text.) 31

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

199,566 489,576 7.7 m NAP

Textuur Gr

25 75 125 170 235 250

Zs1 Zs2 Zs2 Zs1 Zs1 Zs1

1 2 3 1 2 2

240 -

Org

h1 h1 -

VAM plr

-

-

Kleur

begr dogrbr brge/dbrgr librgr/ligegr ligegr librgr/ligegr

Laaggrens

Consist.

s s d s g eb

-

M50

mg mf mg mg zg zg

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

schoolplein -

o/r Ca

Fe

GW

o o o o or r

2 2 -

240

-

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

GWS Gt GWS na boring

Boordatum: CIS-code:

1

-

[-Mv]

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Boorpuntnummer

Hor

C C

M

Lith.

-

OPH OMG OMG OMG FPA FPA

Bijzonderheden

ophoogzand puin slecht gesorteerd, grof grind, zeer rommelig vlekkerig slecht gesorteerd slecht gesorteerd

Boorpuntnummer

199,595 489,616 7.7 m NAP

GWS Gt GWS na boring

-

Boordatum: CIS-code:

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

schoolplein -

-

[-Mv]

Textuur Gr

20 50 65 80 115

Zs1 Zs2 Zs2 Zs1 Zs1

1 3 1 1 1

Org

h1 h2 h1 -

VAM plr

-

Kleur

begr/grbr wo1 dogrbr brgr brge orge

Laaggrens

Consist.

s s s d/g eb

-

M50

mg mf mf mf mf

o/r Ca

Fe

o o o o o

2 2 2 3

-

GW

-

Hor

Aap AE Bhs C

M

40 | | 90

Lith.

OPH BOV DEZ DEZ DEZ

Bijzonderheden

geroerd, brokken podzol grof grind loodzand

2

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

199,558 489,646 7.7 m NAP

Textuur Gr

30 70 95 100

Zs2 Zs1 Zs1 Zs1

1 1 4 4

-

Boorpuntnummer

4

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

Org

h2 h1 h1

VAM plr

-

Kleur

wo2 dogrbr/brgr wo1 brgr/gr bebr/begr dogrbr

Laaggrens

Consist.

s g s eb

-

M50

mg mf ug mg

o/r Ca

Fe

o o o o

2 2

-

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

GWS Gt GWS na boring

3

groenstrook -

-

[-Mv]

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Boordatum: CIS-code:

Boorpuntnummer

199,601 489,586 7.6 m NAP

GWS Gt GWS na boring

-

GW

-

Hor

C C

M

Lith.

20 | 80 -

OMG OMG FPA FPA

Bijzonderheden

puin, grijze brokken puin, brokken podzol, verrommeld zeer slecht gesorteerd zeer brokkelig en grindig, valt uit boor

Boordatum: CIS-code:

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

schoolplein -

-

[-Mv]

Textuur Gr

25 75 85 95 115 135 145 170

Zs1 Zs2 Zs2 Zs2 Zs1 Zs1 Zs1 Zs1

1 2 1 1 3 2 3 1

Org

h1 h1 h2 h1 h1 -

VAM plr

-

Kleur

begr wo1 dogrbr dogr dogrbr brge librge orbr or

Laaggrens

Consist.

s s d s s g s eb

-

M50

mg mf mf mf mg mg ug zg

o/r Ca

Fe

o o o o o o o o

2 2 2 2 2 3

-

GW

-

Hor

BC BCg Cg

M

Lith.

- OPH 70 BOV | OMG | OMG | OMG 120 FPA - FPA - FPA

Bijzonderheden

ophoogzand puin

slechte sortering, rommelig

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

199,626 489,610 7.7 m NAP

-

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

schoolplein -

5

Boorpuntnummer

6

-

[-Mv]

Textuur Gr

25 95 130 140 150 180

Zs1 Zs2 Zs1 Zs2 Zs1 Zs1

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

GWS Gt GWS na boring

Boordatum: CIS-code:

Boorpuntnummer

1 2 1 1 2 1

Org

h2 h1 h1 -

VAM plr

-

Kleur

bege wo1 dogrbr/gr gr/brgr brorge bror geor

Laaggrens

Consist.

s s s g g eb

-

M50

zg mf mf mg mg zg

o/r Ca

Fe

o o o o o o

2 3 3

-

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat

199,564 489,588 7.6 m NAP

Opmerking:

Na 4 pogingen gestaakt

[-Mv]

Textuur Gr

20

Zs1

3

Org

h2

GWS Gt GWS na boring

VAM plr

-

-

Kleur

brgr

Laaggrens

Consist.

eb

-

-

M50

mg

o/r Ca

-

-

GW

-

M

Lith.

- OPH 50 BOV | DEZ | FPA 150 FPA - FPA

Bijzonderheden

ophoogzand brokken podzol, puin, wortel, spijker podzol

Boordatum: CIS-code:

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

schoolplein -

Fe

-

Hor

Aap E Bhs BCg Cg

GW

-

Hor

-

M

Lith.

-

OMG

Bijzonderheden

zeer veel zeer vast puin, gestaakt na 4 pogingen.

Projectnaam Projectcode Beschrijver: Boormethode: Boordiameter:

Heerde, Wilhelminalaan 57-59 16050038 J. Rap, MA Edelman 7cm

X-coordinaat Y-coordinaat Z-coordinaat Opmerking:

Boorpuntnummer

199,560 489,592 7.6 m NAP

GWS Gt GWS na boring

-

Boordatum: CIS-code:

8-7-2016 4004618100

Landgebruik Bodemkaart Geom. kaart

gazon -

-

[-Mv]

Textuur Gr

40 80 110 125

Zs1 Zs1 Zs2 Zs1

1 1 2 4

Org

h1 h1 h3 -

VAM plr

-

Kleur

wo1 dogrbr/brgr gr/brgr dogebr brge

Laaggrens

Consist.

s g g eb

-

M50

mg mf mg mg

o/r Ca

Fe

o o o o

3

-

GW

-

Hor

-

M

Lith.

30 OMG | OMG | OMG 120 OMG

Bijzonderheden

steenkool, puin, sintels, verrommeld brokken podzol, gebroken/verrommeld restant B-horizont, geroerd; slecht gesorteerd

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=3be35024-60ea-4abb-9fce-c3f53d4d0afa