CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

4.3. Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit

Raadscommissie 15 april 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: Biodiversiteitsplan18.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

32

3.18. Poelen Poelen, vijvers en andere wateren zijn noodzakelijk voor soorten van geïsoleerde wateren als de kleine watersalamander en ander amfibieën. Wensbeeld De poelen liggen op relatief natte plekken in het landschap in het netwerk van houtwallen en houtsingels. Ze zijn veilig bereikbaar voor de kleine watersalamander en andere amfibieën. • De poelen en vijvers zijn door de zon beschenen en liggen bij voorkeur op meer dan 25 meter van grote bomen. • Poelen hebben flauwe, begroeide oevers en hebben geen vis. • Poelen hebben rondom een zone van tenminste 25 meter waarbinnen geen intensieve bemesting aanwezig is. • De afstand tussen poelen en andere geïsoleerde wateren is maximaal 400 meter. Gidssoorten Poelen zijn van essentieel belang als voortplantingsplaats voor de kleine watersalamander en ander amfibieën.

Poelen vormen voor veel soorten een essentiële drinkplaats tijdens droogte. Ze geven tevens een belangrijke vorm van variatie in het leefgebied, door de aantrekkende werking op insecten en andere kleine dieren, die als voedsel dienen voor vogels, zoogdieren en andere dieren.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

33

3.19. Vennen Vennen zijn belangrijke elementen op heideterreinen. Ze kennen vaak een unieke plantengroei en bieden leefgebied aan gespecialiseerde dieren. Wensbeeld Vennen worden behouden en waar mogelijk worden door herstel van storende lagen en hydrologisch herstel (oude) vennen in ere herstelt. • •

Vennen worden door de zon beschenen en liggen bij voorkeur op meer dan 25 meter van grote bomen. In vennen zijn geen vissen

Gidssoorten Gebufferde vennen zijn van belang als voortplantingsplaats voor de kleine watersalamander en ander amfibieën.

Poelen en vennen vormen voor veel soorten een essentiële drinkplaats tijdens droogte. Tevens geven ze een belangrijke vorm van variatie in het leefgebied door de aantrekkende werking op insecten en andere kleine dieren, die als voedsel dienen voor vogels, zoogdieren en andere dieren.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

34

4. Onze Gidssoorten In dit hoofdstuk kun je lezen wat belangrijk is voor iedere gidssoort. We doen dit aan de hand van de vijf V’s: • Verblijfplaats & Voortplanting, hier lees je wat de gidssoort nodig heeft om te wonen en meer informatie over hoe er jonge dieren bijkomen • Verbinding, hierin lees je wat de gidssoort nodig heeft om zich te verplaatsen. Bijvoorbeeld vanaf de slaapplaats naar de plaats waar eten is. • Voedsel, wat eet dit dier, dat wordt onder dit kopje beschreven. • Veiligheid, hier lees je op welke manier de gidssoort zich beschermd tegen bedreigingen zoals roofdieren. • Variatie, veel dieren hebben verschillende biotopen nodig. Soms omdat het voedsel in een andere biotoop is dan waar ze uitrusten of volwassen dieren hebben een andere biotoop dan jongen. Hier lees je wat van belang is. Vervolgens beschrijven we wat we kunnen doen om de het leefgebied te verbeteren. We kijken dan naar: • Inrichting, hoe kunnen we het leefgebied zo inrichten dat de gidssoort er goed kan leven. • Beheer, dit gaat bijvoorbeeld over wanneer we het beste kunnen maaien of snoeien • Milieu, hier beschrijven we andere factoren die van belang zijn, bijvoorbeeld geen chemische middelen gebruiken.

4.1. Steenuil De steenuil is een relatief kleine uil en komt verspreid voor in de gemeente Heerde. Hij lijkt in Heerde twee kernpopulaties te hebben, maar is ook daarbuiten te vinden in geschikt leefgebied. De steenuil is gekozen als gidssoort omdat deze leeft in erg gevarieerde, vaak agrarische landschappen. Vaak bestaat het leefgebied uit de aanwezigheid van dichte struiken, hagen of ondergroei, kleine weitjes met vee, (fruit)bomen, ruige slootkanten, kruidenrijk grasland en schuurtjes, knotwilgen, hoogstambomen of nestkasten die als nestplaats dienen. Van deze variatie deze variatie profiteren ook veel andere soorten. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Steenuilen leven in (cultuur)landschappen met afwisselend houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Bij grootschalige landschapen is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven en dorpsranden. Het foerageergebied bestaat uit halfopen terrein met het hele jaar door lage vegetatie en voldoende rust- of roestplekken. Schuilplaatsen en broedholen zitten in oude bomen, schuren, andere gebouwen en steeds vaker in nestkasten. De steenuil gebruikt jaar na jaar dezelfde nestplekken. De broedperiode is van half april tot half mei. De broedduur is 24-28 dagen en na 38-46 dagen zijn de jongen vliegvlug. Verbinding Een netwerk van geschikte broedgebieden kan populaties binnen en buiten Heerde verbinden.

Voedsel De steenuil eet voornamelijk muizen, met name veldmuizen. Ze eten ook andere zoogdieren (bijv. vleermuizen), regenwormen kleine vogels, reptielen, amfibieën en grotere insecten (zoals meikevers).

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

35

Veiligheid Voldoende schuilmogelijkheden in de vorm van stapels hout, takkenhopen, dichte struiken, hagen en bebouwing (met name schuurtjes). Broedplekken die onbereikbaar zijn voor predatoren. Geen belangrijke elementen naast een (drukke) weg. Verdrinking in drinkbakken van vee kan met een voorziening worden voorkomen. Variatie Een gevarieerd landschap met paarden/schapenweitjes, hagen, houtwallen, poelen, elementen in het landschap zoals grasland, houtwallen, schuurtjes of oude bomen, ruigten en kruidenrijke randen waar veel muizen en kevers op afkomen. Hoe kunnen we helpen Inrichting Nestkasten voor steenuilen ophangen in geschikte gebieden. Binnen 200 meter van potentiële nestlocaties moeten voldoende voedsel, veilige rustplekken en nestlocaties het hele jaar aanwezig zijn. Aanleg van ruigtestroken of overstaand graan. Vergroten van de variatie aan landschapselementen door aanleg van elementen als houtwallen en hagen van inheemse soorten, hoogstamboomgaarden, heggen en poelen. Aanleg van kleinschalige akkertjes met bijvoorbeeld zomergraan om de muizenstand te bevorderen. Plaatsen van uitkijkposten en schuilplekken als takkenhopen of dicht struweel. Behouden van oude bomen en opstanden. Beheer Gefaseerd maaibeheer of extensieve begrazing van grasland, zodat er altijd voldoende prooidieren aanwezig en bereikbaar zijn in kort gras.

Beheer gericht op behoud en vergroten van de variatie in het leefgebied. Onderhouden van nestkasten. Beheren van houtige percelen Milieu Gebruik geen middelen tegen muizen en ongewenste planten en insecten in het leefgebied van de steenuil omdat deze de voedselbeschikbaarheid (indirect) verminderen. Drinkplaatsen/bakken zo vormgeven zodat steenuilen niet kunnen verdrinken.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

36

4.2. Huismus De huismus is sterk gebonden aan mensen en leeft in steden, dorpen en op erven. De huismus is het hele jaar aanwezig binnen enkele tientallen meters van zijn nestplek. De huismus is gekozen als gidssoort voor de dorpen, kernen en bebouwing, omdat direct rondom de nestplaats zowel dichte begroeiing, veel voedsel, zand en water aanwezig moet zijn. Een groene en gevarieerde inrichting van tuinen en straten is dus belangrijk voor de huismus. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Gebouwen met geschikte nestgelegenheid en in de directe omgeving groen dat het hele jaar voldoende voedsel en dekking biedt voor volwassen mussen en de jongen. Verder is ook de aanwezigheid van een zandbad en water noodzakelijk. Nesten bevinden zich meestal in of tegen menselijke bebouwing, onder dakpannen, in kieren/spleten, neststenen, etc. Schuilplaatsen bevinden zich in groenblijvende struiken, doornstruiken of dichte hagen van 2 à 3 meter hoog en in gevelbegroeiing. Broedperiode: begin april-augustus, 2-3 legsels met 4- 6 eieren. Broedduur: 12-14 dagen. Vliegvlug: 14-16 dagen. Verbinding Aaneengesloten wateren. Korte landverbindingen tussen wateren. Knelpunten in de verbinding zijn steile oevers en plaatsen waar wegen het leefgebied doorsnijden.

Voedsel Volwassen mussen eten zaden van grassen en onkruiden, insecten en larven, bessen en bloemknoppen aangevuld met brood en allerlei aangeboden voeding. Kleine steentjes en schelpjes bevorderen de vertering van het voedsel. Jonge mussen eten de eerste twee weken zacht eiwitrijk voedsel zoals bladluizen, muggen, vliegen, rupsen en spinnen. Naarmate ze ouder worden eten ze steeds meer plantaardig voedsel. Veiligheid Huismuissen schuilen in groen (ook in de winter) op korte afstand van plekken met voedsel, water en het zandbad. Variatie De beste broedplekken bestaan uit geschikte gebouwen om in te broeden met gevarieerde tuinen of parken, braakliggende delen met wilde kruiden (zaden) en inheemse beplanting waarin veel rupsen en bladluizen aanwezig zijn gegeten. Hoe kunnen we helpen Inrichting Nestplaatsen op een hoogte van minimaal 3 meter, pas bij pannendaken vogelschroot pas toe op de 3e pannenrij. Plaats nestkasten op de noord- of oostzijde van het gebouw of in de schaduw van een overstek om oververhitting te voorkomen. Het hele jaar voldoende voedsel, water en een zandbad binnen 50 meter (max. 100 meter) van de nestplaats. Werk met zoveel mogelijk met inheemse soorten in de tuin en het openbaar groen vanwege het grotere aanbod aan insecten die als voedsel dienen.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

37

Dekking in zomer en winter door (stekel)struiken, beukenhaag of wintergroene struiken van 2 à 3 meter hoog en binnen 5-10 meter van belangrijke plaatsen met water, zand of voedsel. De huismus zoekt nestgelegenheid in de omgeving van soortgenoten (koloniebroeder) en leeft ook buiten paarseizoen in groepjes. Beheer Werk in het groen altijd gefaseerd en werk in het broedseizoen zo min mogelijk aan bomen en struiken. Gefaseerd maaien/extensiever beheren. Geef kruiden de kans om zaad te zetten en laat deze gedurende de winter overstaan. Zoek als gemeente naar stukken groen die extensief kunnen worden beheerd in de bebouwde kom of langs de rand (braakliggende veldjes, speelvoorzieningen, wadi’s of delen van parken). Milieu Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten (deze zitten vaak ook in vlooiendruppels en mierenlokdoosjes) in het leefgebied van de huismus omdat deze de voedselbeschikbaarheid (insecten en zaden van kruiden) verminderen.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

38

4.3. Grauwe klauwier De grauwe klauwier leeft in halfopen landschappen en broedt in dichte, vaak stekelige struiken en struwelen zoals meidoorn, braam, jeneverbes en ook in andere bomen en struiken. De grauwe klauwier heeft veel grote insecten nodig tijdens het hele broedseizoen in een korte afstand rondom het nest. Daarom leeft hij in gevarieerde landschappen met een breed aanbod aan insecten. Vanwege deze hoge eisen, is de grauwe klauwier gekozen als gidssoort voor de gemeente Heerde. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting De grauwe klauwier broedt in halfopen landschappen met veel variatie (korte vegetatie, heide, ruigte, (braam)struweel en/of water). De soort broedt graag in dichte struiken/struwelen met doorns/stekels als braam, sleedoorn, meidoorn, hondsroos en jeneverbes van voldoende hoogte. Belangrijk is dat gedurende het hele broedseizoen ruim voldoende grote prooien (forse insecten en kleine gewervelden) in de directe omgeving aanwezig zijn. Overgangen van voedselarm naar voedselrijk en droog naar nat en een warm microklimaat zijn favoriet. De stekels/doorns van struiken worden ook gebruikt om prooien op te spiesen. Deze voorraad is met name van belang tijdens perioden met slecht weer. Nesten worden het jaar erop vrijwel nooit in dezelfde struik gebouwd, de aanwezigheid van meerdere struiken/struwelen is dan ook noodzakelijk.

De broedperiode is van half mei tot juli. De broedduur is 12-16 dagen en na 14-16 dagen zijn de jongen vliegvlug. Verbinding De soort broedt graag samen met andere grauwe klauwieren. Door gebieden met struweel en ruigte te verbinden of als stapstenen aan te leggen, neemt de vestigingskans toe en kan de soort zich makkelijker op een andere plek in de gemeente vestigen. Voedsel De grauwe klauwier eet voornamelijk grote insecten (kevers, hommels, bijen, (nacht)vlinders en rupsen, libellen en sprinkhanen). De exacte samenstelling is afhankelijk van het aanbod. Het dieet van insecten wordt aangevuld met spinnen, kleine zoogdieren (muizen), hagedissen en jonge vogels. De grauwe klauwier brengt maar één prooi tegelijk naar het nest, een hoge dichtheid aan prooien direct rondom is dan ook essentieel om voldoende voedsel aan te dragen voor de opgroeiende jongen. Veiligheid Voldoende schuilmogelijkheden in de vorm van dichte stekelige struiken. Broedplekken die onbereikbaar zijn voor predatoren. Variatie Leeft in een gevarieerd landschap met (stekelige, dichte) struiken met een doorlopend aanbod van grote insecten en andere prooien door de aanwezigheid van een grote variatie in vegetatiestructuur in het broedgebied. Dit biedt luwte en variatie in microklimaat.

Door een grote variatie in biotopen (ruigte, struweel, bloemrijk grasland, heide en/of water) is veel potentiële keus in prooidieren aanwezig.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

39

Hoe kunnen we helpen Inrichting Behoud/maak veel variatie in structuur in leefgebieden en variatie in microklimaat, door kleinschalige maatregelen als plaggen, het toestaan van verruiging en behoud/aanplant van struweel. Behoud/plaats uitkijkplaatsen als (dode) struiken, bomen, paaltjes en draden en borg de spreiding in het gehele (potentiële) broedgebied en een hoge dichtheid 20-40 meter rondom de nestplaats. Binnen 40 meter van potentiële nestlocaties moeten voldoende voedsel, veilige rustplekken en zitplaatsen aanwezig zijn. Aanleg van ruigtestroken of overstaand graan. Vergroten van de variatie aan landschapselementen door aanleg van elementen als houtwallen en hagen van inheemse soorten, hoogstamboomgaarden, heggen en poelen. Aanleg van kleinschalige akkertjes met bijvoorbeeld zomergraan om de muizenstand te bevorderen. Plaatsen van uitkijkplaatsen en schuilplekken als takkenhopen of dicht struweel. Behouden van oude bomen en opstanden. Beheer Beheer gericht op behoud en vergroten van de variatie in het leefgebied. Maai in het broedseizoen 25% van de vegetatie in het broedgebied van de grauwe klauwier, wanneer korte vegetaties van nature ontbreken. Jagen op de grond in korte vegetaties zijn essentieel bij slechte weersomstandigheden.

Extensieve begrazing is een goede beheermaatregel, omdat het de variatie versterkt en via mest extra prooidieren aantrekt en zorgt voor zeer korte tot ruige vegetaties. Milieu Gebruik geen middelen tegen ongewenste insecten en planten in het leefgebied van de grauwe klauwier, omdat deze de voedselbeschikbaarheid (indirect) verminderen. Gebruik bij vee/grote grazers geen ontwormingsmiddelen en andere middelen die de mest ongeschikt maken voor mestkevers en andere insecten. Behoud/versterk de variatie in microklimaat en de aanwezigheid van warme en luwe delen, zodat ook bij slechte weersomstandigheden voldoende voedsel te vinden is.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

40

4.4. Grutto De grutto is onze nationale vogel en is ook één van de bekendste weidevogelsoorten. De grutto is gekozen als gidssoort, omdat de soort leeft in gevarieerde bloemrijke graslanden met veel insecten en een goed bodemleven, gecombineerd met hoge grondwaterstanden en een open landschap. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Om de broedperiode heeft een grutto laaggelegen graslanden die niet intensief benut worden nodig. Met name kruidenrijke, licht bemeste en laat gemaaide hooilanden. Het grasland heeft bij voorkeur een opbrengst van 5-8 ton droge stof per hectare. De grutto broedt van half april tot eind mei gedurende 25 dagen. De kuikens zijn vliegvlug na 28 dagen (begin juli). De kuikens foerageren in kruidenrijke en in hoogte en dichtheid gevarieerde graslandvegetatie met het hooitijdstip na half juni. Afstand tussen het nest en het foerageergebied voor de kuikens is meestal minder dan 400 m. Minimaal 10 hectare foerageergebied per broedpaar. Kuikens kiezen voor grasland dat niet is beweid, gemaaid en een hoogte heeft van minimaal 15 cm. Na de broedperiode moet de grutto veel voedsel eten om voldoende energie te hebben voor de reis naar West Afrika. Daar brengen de grutto’s de winter door. Voedsel kan de grutto vooral vinden in open, natte en vochtige gebieden; moerassen, ondiepe meren, overstroomde/deels onderwater staande graslanden.

De grutto broedt in open landschap met minimale zichtafstand van 400 meter. Aaneengesloten oppervlak van min. 250 hectare met rust factoren meegerekend min. 400 ha. De vegetatie moet veel variatie hebben aan soorten, hoogte en dichtheid. Voedsel Volwassenen grutto’s eten met name regenwormen, emelten en muggenlarven. De jonge kuikens eten insecten en andere geleedpotigen. Veiligheid Open landschap en nat uitgestrekt landschap waar eventuele predatoren vroegtijdig worden opgemerkt en broed-, schuilgelegenheid voor deze predatoren afwezig is. Schuilgelegenheid in hoog gras voor zowel de nestplaats als de nog niet vliegvlugge jongen. Ondiep water als slaapplaats voor de volwassen grutto’s en vliegvlugge jongen. Variatie Lichte variatie in maaiveldhoogte en/of waterpeil zorgt voor variatie in grasgroei, kruidensamenstelling structuur en voedselbeschikbaarheid, waardoor het leefgebied het hele broedseizoen aan alle eisen voldoet. Variatie door verschillende maaidata en beperkte begrazing in het leefgebied draagt bij aan de dekking en voedselbeschikbaarheid voor de kuikens. Minimaal 1/5 deel van de percelen wordt gedurende het broedseizoen beweid met melk- en/of jongvee. Hoe kunnen we helpen Inrichting Kerngebieden van minimaal 450 hectare, waarvan 100 hectare broedgebied. Minimaal 1 hectare plas-dras-percelen per 100 hectare in de periode (februari) maart-juli.

Aanleggen van kruidenrijke graslandvegetaties. Slootkanten afvlakken om gradiënten en het oppervlak vochtige delen te vergroten. Aanleggen van ondiepe greppels waarin kuikens kunnen vluchten.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

41

Verwijderen van bomen en struweel zorgt voor een open landschap en helpt om vestiging van predatoren te voorkomen. Per broedpaar 1,4 hectare aaneengesloten kuikenland. Helft van het waterpeil varieert tussen de 0-40 cm -mv vanaf 15 februari tot 1 juli. Beheer Werk met ruige stalmest (5-10 ton/ha/jaar). Ruige stalmest stimuleert namelijk het bodemleven en zorgt voor meer (variatie in) regenwormen. Stimuleer een goed bodemleven door het gebruik van ruige stalmest. Bemest bij voorkeur begin maart of na de eerste snede om de grasgroei in het vroege voorjaar te beperken. Bemest ook percelen niet met oog op variatie in kruidenrijkdom en groeisnelheid. Beweid in het broedseizoen ongeveer 10-30% van het oppervlak extensief (max. 1 koe per hectare) en bescherm de nesten. Beweiding tot half maart creëert, als er niet wordt gerold, extra structuur in het weiland en zorgt voor natuurlijke bemesting (extra insecten). Zorg voor gevarieerd beheer, zodat broed- en opgroeiomgeving aanwezig blijft. Maai graslanden waar in wordt gebroed pas nadat alle jongen mobiel zijn en werk altijd gefaseerd, zodat dekking aanwezig blijft. Maai overige graslanden gefaseerd en in trappen zodat altijd verschillende stadia aanwezig zijn Laat slootkanten ongemoeid om extra dekking en voedsel aan te bieden.

Milieu Gebruik geen middelen tegen ongewenste insecten en planten in het leefgebied van de grutto, omdat deze de voedselbeschikbaarheid (indirect) verminderen.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

42

4.5.

Havik

De havik broedt in rustige bossen, met in de omgeving grote aantallen houtduiven, spreeuwen, gaaien, konijnen en andere prooien. Deze prooidieren zijn afhankelijk van de kwaliteit van de bossen, maar ook van het landschap daaromheen. Van deze rust en rijkdom aan prooidieren profiteren ook veel andere soorten Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting De havik is een grote roofvogel die bij voorkeur leeft in grote, rustige bossen. Maar ook in kleine bossen, parken en andere gebieden met veel bomen. De havik broedt in hoge loof- of naaldbomen, vaak in een rustig deel van het leefgebied. Lariks en douglas zijn favoriete nestbomen. Het nest is groot en dient dus in een stevig deel te zitten als een takvork. De broedperiode is van eind maart tot mei. De broedduur is 32-38 dagen (de havik legt 3-4 eieren), de jongen vliegen uit na 34-41 dagen en worden tot 90 dagen gevoerd. Voedsel De aanwezigheid van voldoende geschikte, grote prooien is van groot belang. In het binnenland zijn dit met name (hout)duiven. Het voedsel is afhankelijk van het landschap. Op de Veluwe vormen met name duiven een belangrijk onderdeel van het dieet. Ook spreeuwen en andere vogels vormen prooien voor de havik. Veiligheid Rustige plekken met geschikte bomen om een nest te bouwen. Lariks en douglas zijn favoriet. Variatie Naast bossen is de aanwezigheid van voldoende prooidieren noodzakelijk.

Natuurinclusieve landbouw met langs de randen granen in een kleinschalig landschap, vergroot de hoeveelheid duiven en andere potentiële prooien. Hoe kunnen we helpen Inrichting Zorg voor een landschap dat rijk is aan relatief grote vogels in en rondom het leefgebied van de havik. Bijvoorbeeld door te zorgen voor overstaand graan en andere vormen van extensieve landbouw in een kleinschalig landschap. Beheer Laat belangrijke (potentiële) nestbomen (ook exoten als lariks en douglas) in het broedgebied van de havik staan. Voer geen grootschalige kapwerkzaamheden uit rondom nestplaatsen. Het verwijderen van bomen (vellingen en dunningen) leiden vaak tot het verlaten van het nest, ook als dit buiten het broedseizoen plaatsvindt. Milieu Gebruik geen middelen die mogelijk leiden tot een verminderd prooiaanbod of ophoping van schadelijke stoffen in de havik.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

43

4.6. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis leeft het hele jaar in vrijwel hetzelfde leefgebied. Het is een vleermuis die ’s nachts actief is. Hij komt pas naar buiten als het echt donker wordt. De soort is vooral gebonden aan bos, maar maakt ook gebruik van andere donkere plekken met bomen. De gewone grootoorvleermuis komt waarschijnlijk langs alle donkere aaneengesloten bomenrijen en bossen in Heerde voor. De gewone grootoorvleermuis is gekozen als gidssoort voor Heerde, omdat hij afhankelijk is van schuren met zolders, oude bomen met holten en veel houtwallen, singels, hagen en bosranden met kruidenrijke randen met veel insecten. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Gewone grootoorvleermuizen zijn erg lichtschuw en het is dan ook van groot belang dat verblijfplaatsen een donkere aanvliegroute hebben. De jongen worden geboren en gezoogd in kraamverblijfplaatsen (mei-half september). Deze bevinden zich vaak op zolders van gebouwen maar ook in grote boomholten. De paarverblijfplaatsen (juni-april) bevinden zich in gebouwen en holle bomen. Zomerverblijfplaatsen (maart-oktober) bevinden zich in holle bomen en gebouwen. Bij kou trekken ze vaak naar ondergrondse winterverblijfplaatsen (half oktober- april) als kelders, grotten, bunkers en ook zolders en andere gebouwen.

Het leefgebied is gemiddeld 4 hectare groot, donker en bestaat uit open loof- en naaldhoutbossen, in gebouwen, parken en tuinen, cultuurlandschap en moerassen zonder bossen en ligt vaak in een straal van 2-6 kilometer rondom de verblijfplaats. Nadat de jongen geboren zijn gebruiken ze 0,5 tot 1 kilometer rondom het kraamverblijf als jachtgebied. Voedsel De gewone grootoorvleermuis zoekt zijn eten vaak in bossen en langs bosranden. De soort eet grote, vaak dagactieve of niet vliegende prooien, zoals dagpauwogen, langpootmuggen, spinnen, kevers, schietmotten, vliegen, rupsen, steekmuggen en oorwormen. Veiligheid Schuilt in holten van oude bomen en op grote ruimten in gebouwen zoals zolders. Vliegt pas laat uit en vermijdt verlichting actief, mogelijk om predatie door bijvoorbeeld uilen te voorkomen Variatie Schuilt in holten van oude bomen en op grote ruimten in gebouwen zoals zolders. Variatie in inheemse boom- en struiksoorten binnen het leefgebied bieden een gevarieerd voedselaanbod. Hoe kunnen we helpen Inrichting Nieuwe kraam- en winterverblijfplaatsen maken, door zolders en kelders (deels) toegankelijk te maken of speciale vleermuisbunkers aan te leggen. De invliegopening van nieuwe verblijfplaatsen (zolders en kasten) ligt minimaal 3 meter boven maaiveld.

Het realiseren van extra foerageergebied door aanplant van bos of lijnvormige elementen met gevarieerde en inheemse soorten. Aanplanten van bomen in ontbrekende delen van lijnvormige elementen (potentiële vliegroutes). Het aanpassen van straatverlichting en andere verlichting aan de eisen van de gewone grootoorvleermuis, zeker in de omgeving van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Het creëren van beschutte plekken als bosweiden als optimaal foerageergebied. Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

44

Het creëren van bereikbare zolders en stallen waarin kan worden gejaagd bij slechte weersomstandigheden. Beheer Werk in het groen altijd gefaseerd en voer geen (grootschalige) werkzaamheden uit aan bomen en struiken. Houd bomenrijen, houtwallen en andere lijnvormige beplantingen aaneengesloten, gaten tot maximaal 25 meter zijn overbrugbaar voor de grootoorvleermuis. Zorg voor gevarieerde bosranden met luwe delen en grote boomkronen van inheemse soorten. Milieu In winterverblijfplaatsen een constante temperatuur, vochtig, niet tochtend en vorstvrij. Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten nabij landschapselementen in het leefgebied van de gewone grootoorvleermuis, vanwege de (indirecte) vermindering van beschikbaar voedsel. Kraamverblijfplaatsen zijn warm. Geen verlichting nabij verblijfplaatsen, in foerageergebied of langs vliegroutes.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

45

4.7. Otter De otter behoort tot de marterachtigen en leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust. In Heerde ligt potentieel geschikt leefgebied langs de IJssel, de weteringen en aangrenzende wateren als kolken en het Apeldoorns kanaal. De otter is gekozen als gidssoort, omdat de soort leeft in grote gebieden met veel heldere visrijke wateren, zoals het rivierengebied met haar strangen, nevengeulen en plassen. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Otters leven in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. De voorwaarde is dat er schoon en zoet water in de omgeving aanwezig is. Otters zijn territoriaal bij dieren van hetzelfde geslacht. Het territorium van het mannetje overlapt met dat van meerdere vrouwtjes. Een otter heeft een gebied van 1-40 km oeverlengte of 1-20 km2 moerasgebied. De grootte is afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. Gemiddeld gebruiken mannetjes 15 km en vrouwtjes 7 km oeverlengte. Overdag rusten otters in oevers met dichte oevervegetaties, rietkragen, struwelen, boomstronken, wortelstelsels en holen. Rustplaatsen zijn vaak 50-100 cm in doorsnee. Nesten met jongen liggen vaak in overstromingsvrije holtes in de oever. De voortplantingsperiode is gebonden aan het voedselaanbod, in principe het hele jaar, meestal lente en zomer.

Het duurt 62 dagen na de bevruchting voordat de jongen geboren worden. Meestal 2 tot 3 jongen tegelijk. Verbinding Aaneengesloten wateren. Korte landverbindingen tussen de wateren. Knelpunten in de verbinding worden gevormd door steile oevers en plaatsen waar wegen het leefgebied doorsnijden. Voedsel Otters jagen op zicht. Daarom is helder water belangrijk. Ze vangen voornamelijk vissen kleiner dan 25 cm, zoals baars, snoek, karper, voorns en daarnaast amfibieën, watervogels, woelratten, ratten, rivierkreeften, krabben, wormen en grotere insecten. Bij vorst zijn onbevroren delen door stromend water essentieel. Jonge otters drinken ongeveer 16 weken bij de moeder. Veiligheid Voldoende schuilplekken in het water en op het land. Voldoende veilige plekken om wegen over te steken. Variatie Verschillende bos en struweelvegetaties op de oevers om in te schuilen. Een variatie aan vissoorten in het leefgebied zorgt voor een stabieler dieet, wanneer een soort afneemt. Hoe kunnen we helpen Inrichting Ontwikkelen van bos, struweel of ruigtes in de oeverzone. Ontwikkelen van natuurlijke moerassen en omvormen van wateren tot meer natuurlijke systemen. Koppelen van kansen bij de aanleg van helofytenfilters. Aanleg van natuurvriendelijke oevers. Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

46

Verbetering van de waterzuivering. Aaneensluiten van watergangen. Opheffen van obstakels, zoals steile damwandoevers en verkeersknelpunten. Beheer Werk altijd gefaseerd in oeverzones en buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. Milieu Water met weinig meststoffen is minder gevoelig voor algenbloei en blijft daardoor helder en geschikt als jachtgebied. Water zonder chemische verontreiniging die (mogelijk) de vitaliteit aantasten van de otter of de prooidieren.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

47

4.8. Egel De egel is algemeen in ons land en leeft vrijwel in alle landschapstypen, mits aan de ecologische randvoorwaarden wordt voldaan. De egel is gekozen als gidssoort, vanwege het brede voorkomen en de noodzaak van op de grond aaneengesloten vegetatie met voldoende dekking om te schuilen. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting De egel leeft in tuinen, bosranden, struweel en loofbos met ondergroei. Een mannetje heeft 20-40 hectare nodig en een vrouwtje 10-20 ha. Dat ze gebruiken maar niet territoriaal verdedigen. Van november/december tot maart/april zijn egels in winterslaap. In de zomer leven egels op kale grond onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels, in composthopen of konijnenholen. In de winter zoeken ze een plaats in de grond, tegen een schutting of een takkenhoop. Egels paren in mei-augustus. Na 5 weken draagtijd (juni-oktober) worden de jongen geboren. Gemiddeld 5 jongen per keer. Verbinding Lijnvormige elementen die dekking bieden, zoals heggen, muurtjes of oeverlijnen. Voedsel Kevers, rupsen, regenwormen, oorwurmen, slakken, bodemdieren zoals pissebedden, duizendpoten. Sporadisch vogeleieren, bessen en valfruit. Veiligheid Dekking tussen dicht struweel (bijv. heggen) en blader- en takkenhopen. Variatie Kleinschalig “rommelig” landschap met veel lijnvormige elementen.

Hoe kunnen we helpen Inrichting Het zorgen voor voldoende schuilmogelijkheden. Voldoende overgroeiende vegetatie. Vijvers egel-proof maken door steile en gladde randen flauwer te maken. Realiseer veilige oversteekplaatsen bij wegen, zoals (fauna)tunnels en loopplanken bij duikers. Het aanleggen van hagen, houtwallen en ruigtes waar ze zich ongezien in kunnen verplaatsen. Kleine gebieden weer verbinden met elkaar door bovengenoemde stukken. Schuttingen en andere barrières tussen groengebieden dienen egelvriendelijk te worden gemaakt (egelpoortje) zo kunnen de egels in alle tuinen komen. Beheer Het maken, onderhouden en behouden van takkenrillen en hopen als verblijfplaats. Gefaseerd maaibeheer waarbij ook in de winter voldoende aaneengesloten dekking is. In stand houden van overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen. Laten liggen van bladeren. Milieu Gebruik geen middelen tegen ongewenste insecten, slakken en planten in het leefgebied van de egel, omdat deze de voedselbeschikbaarheid (indirect) verminderen.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

48

Een aaneengesloten groen leefgebied dat niet is versnipperd door dichte rasters, schuttingen of wegen (verkeersslachtoffers). Loslopende honden kunnen ’s avonds een probleem vormen voor de egel.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

49

4.9. Kleine watersalamander De kleine watersalamander komt overal voor, behalve op plekken die worden beïnvloed door brak water of zeer intensieve landbouw en in hoogvenen. In Heerde komt hij bijna overal voor waar voldoende geschikte voortplantingswateren in de omgeving zijn. De kleine watersalamander is gekozen als gidssoort vanwege de afhankelijkheid van voortplantingswateren als vijvers, poelen en weteringen in landschappen met voldoende opgaande vegetatie. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting De kleine watersalamander komt in vrijwel alle landschapstypen voor, behalve op plekken die onder invloed zijn van brak water of in gebieden met zeer intensieve landbouw en hoogveen. Voortplanting vindt plaats in allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water. Het water moet niet al te groot of beschaduwd zijn met wat onderwatervegetatie. De paartijd: eind maart-juni, de eitjes worden stuk voor stuk afgezet en zijn ingevouwen in de blaadjes van waterplanten. Leeft in wateren die niet te zuur zijn, een pH boven de 5. Voortplantingswateren liggen in grotendeels open tot halfopen landschappen met een zekere mate van bos of struweel en ruigten. Deze zijn van belang als land- en overwinteringshabitat.

Overwinteren in koele, vorstvrije en vochtige ruimten, waaronder muizenholen, rottende blad- of composthopen, verlaten mierennesten, tussen boomwortels, omgevallen bomen, stenen en steenhopen, schuren, bunkers, kelders, kassen en in spleten van muren of hout. Verbinding Meerdere poelen in het landschap met een onderlinge afstand van 500 meter. Houtwallen en lijnvormige elementen zoals singels, bermen en slootoevers kunnen voortplantingswateren onderling met elkaar verbinden. Voedsel Kleine watersalamanders zijn vleeseters en eten alles wat vrijwel direct kan worden doorgeslikt. Denk hierbij aan (water)insecten, andere ongewervelden en larven van amfibieën. Volwassen salamanders eten het meest tijdens de waterfase. Watervlooien vormen een belangrijk deel van het voedsel. Op het land worden vooral kleine wormen en slakken gegeten maar ook kleine insecten. De larven van de kleine watersalamander eten o.a. watervlooien, roeipootkreeftjes, slakken, wormen, muggenlarven, maar ook eieren en kleine larven van andere salamanders en kikkers. Veiligheid Water- en oevervegetaties in/rondom de poelen om in weg te vluchten. Holletjes, spleten, stenen en hout om in of onder weg te kruipen. Variatie Verschillende verblijfplaatsen zoals op land als in water. Verschillende vegetaties om in te schuilen.

Hoe kunnen we helpen Inrichting Vegetatie zowel in het water als op de oevers in het water Flauwe helling, in ieder geval op de noordkant. Diep, stilstaand, geïsoleerd en groot water.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

50

Aanleggen van houtwallen en bosjes nabij voortplantingswateren, maar altijd op voldoende afstand om schaduw en bladval in het water te voorkomen. Rustplekken maken in de vorm van houtstapels of stronken. Kruidenrijke graslanden maken en behouden. Meerdere poelen in het landschap aanleggen met een tussenliggende afstand van 400 meter. Amfibietunnels bij wegen in het leefgebied Beheer Werken buiten de kwetsbare periode. Gefaseerd openhouden en beheer van voortplantingswateren (behoud van waterplanten voor de ei-afzet). Gefaseerd onderhoud van bos en struweel rondom voortplantingswateren en in verbindingen. Milieu Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten in het leefgebied van de kleine watersalamander, vanwege de (indirecte) vermindering van beschikbaar voedsel. Voortplantingswateren hebben geen vis. Voortplantingswateren liggen in de zon, hooguit 25% beschaduwd. Voortplantingswateren zijn niet te zuur (een pH hoger dan 5). Verzurende invloeden zoveel mogelijk voorkomen.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

51

4.10. Beekprik De beekprik is een zogenaamde rondbek van stromende, zuurstofrijke wateren met een goede waterkwaliteit. Het zijn officieel dus geen vissen. De prikken zijn slangachtig. Beekprikken worden niet groter dan 20 centimeter en hebben geen scherpe tandjes. De larven van de beek- en rivierprik zijn als je ze tegenkomt niet uit elkaar te houden. In Heerde komen waarschijnlijk beide soorten voor. De beek- en rivierprik maken gebruik van het stelsel van de Horsterbeek (noordelijke, middelste en zuidelijke), de Grift en het Apeldoorns kanaal. De beekprik is aangewezen op geïsoleerde beeksystemen, met onderlinge verbindingen, maar geen verbinding met de Grift en het Apeldoorns kanaal in verband met predatie door optrekkende roofvissen Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting De paaiperiode van de beekprik is in de periode februari-mei. De larven laten zich meevoeren met de stroming. Daar graven ze zich in, in detritusbanken en slib. Ze filteren detritus (organisch afval) en kleine organismen uit het water, wat ze vervolgens eten. De beekprik wordt na ongeveer 7 jaar volwassen en blijft in het stroomgebied. Verbinding De beekprik heeft genoeg aan een goede verbinding binnen het beeksysteem. Voedsel De larve van prikken leeft van detritus en kleine waterorganismen, die uit het stromende water worden gefilterd.

De larve zelf zit ingegraven, stroming is dan ook essentieel. Volwassen beekprikken eten niet, hun verteringsstelsel is tijdens de metamorfose afgebroken. Veiligheid Voldoende detritus en slibbanken voor de larven om zich in te graven. Geen of goed doordacht beheer, dat beschadiging van essentiële delen van het leefgebied en het doden van larven voorkomt. Variatie Een gevarieerde beekloop met permanente stroming met koel, zuurstofrijk water, dood hout, blad, grindbanken en variatie in stroomsnelheid door meanders zijn van essentieel belang voor de prikken. Hoe kunnen we helpen Inrichting Breng meanders terug en richt (sprengen)beken zo in, dat deze permanent stromen en geen of vrijwel geen beheer nodig hebben. Zorg voor voldoende detritus, slib. Zorg met stroming voor bereikbare grindbanken. Hef obstakels zoals stuwen en sluizen op. Beheer Bagger niet in/nabij paaiplaatsen, omdat daarbij mogelijk detritusbanken, grind en larven worden verwijderd. Milieu Zorg voor een goede waterkwaliteit door in- en afspoeling van meststoffen en chemische middelen te voorkomen. Denk hierbij ook aan hondenpoep en de indirecte effecten van middelen, zoals Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

52

fipronil in vlooiendruppels van zwemmende honden. Zorg het hele jaar door voor voldoende stroming (kweldruk) vanuit de sprengkoppen, door inzijging te bevorderen en verdamping en grondwateronttrekking te beperken.

3 Bron: Jelger Herder, website Ravon

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

53

4.11. Icarusblauwtje Het icarusblauwtje komt verspreid in de gemeente Heerde voor. Hij vliegt van mei tot in oktober en heeft meestal twee, maar soms ook drie generaties per jaar. Het icarusblauwtje is vanwege haar afhankelijkheid van bloemrijke vegetaties als bloemrijke graslanden, dijken en bermen met een extensief beheer gekozen als gidssoort. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Het icarusblauwtje zet eitjes af op kleine klaver, gewone rolklaver, moerasrolklaver en hopklaver op de bovenkant van jonge bladeren van een plant in korte vegetaties. De rups leeft eerst in het blad en kruipt daarna naar buiten en eet vervolgens het hele blad van de kleine klaver of rolklaver. De half volgroeide rupsen overwinteren in de strooisellaag of op de waardplant. De vlinder leeft in allerlei bloemrijke vegetaties waarin tenminste de waardplanten voorkomen en verspreid door de gehele vliegtijd voldoende nectar en ei-afzet plekken aanwezig zijn. Ze slapen vaak in groepjes in beschutte graspollen. De mannetjes hebben territoria en verdedigen die tegen andere mannetjes. Verbinding Het icarusblauwtje is vrij mobiel en vliegt graag langs bloemrijke bermen en slootkanten. Voedsel Rups De rups eet kleine klaver met name de 1 e generatie en de rolklavers door de 2 e en 3e generatie.

Volwassen vlinders zoeken nectar op planten uit de vlinderbloemigen, zoals (rol)kavers en luzerne en de familie van de composieten als boerenwormkruid, jakobskruiskruid, heelblaadjes, distels, koninginnekruid, knoopkruid, duizendblad en margriet. Daarnaast worden ook andere planten als wilde marjolein, grote kattenstaart, echte koekoeksbloem, struikhei en watermunt vaak gebruikt. Veiligheid Dekking in graspollen tussen de vegetatie om veilig te rusten. Variatie Bloemrijke delen op overgangen van nat naar droog en matig voedselrijk tot voedselarm bieden variatie in waard- en nectarplanten en maken extensief beheer mogelijk. Icarusblauwtjes vliegen in relatief hoge dichtheden, 24-124 individuen per hectare, met de hoogste dichtheden in goede leefgebieden. Hoe kunnen we helpen Inrichting Creëer variatie binnen leefgebieden door het versterken van de nat-droog gradiënt door de aanleg van natuurvriendelijke oevers; Zorg voor gunstige groeiplaatsomstandigheden voor matig voedselrijke – voedselarme bloemrijke vegetaties in het landschap door de bemeste bouwvoor plaatselijk af te graven en af te voeren. Beheer Zorg voor kruidenrijke linten en grotere leefgebieden in het landschap door ecologisch maaibeheer in bermen, dijken, slootkanten en op percelen. Laat een deel van de vegetatie in de winter overstaan (gefaseerd maaien).

Niet alle kruiden/bloemrijke delen maaien in de vliegtijd (april-oktober), maar maai bijvoorbeeld een deel in april, een klein deel in juli en een deel in oktober. Zodat altijd leefgebied over blijft staan.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

54

Milieu Voorkom een te hoge hoeveelheid meststoffen in bermen, bloemrijke graslanden en ander leefgebied door inspoeling van meststoffen te beperken. Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten in het leefgebied van het icarusblauwtje, omdat deze de voedsel- beschikbaarheid (waardplanten en nectarplanten) verminderen en kunnen leiden tot (in)directe vergiftiging.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

55

4.12. Heideblauwtje Het heideblauwtje leeft op de heide en vliegt van juni tot eind augustus, met soms een tweede generatie tot in het najaar. Het heideblauwtje is vanwege haar afhankelijkheid van structuurrijke heide, met een voorkeur voor gradiënten van nat naar droog en de aanwezigheid van open grond gekozen als gidssoort. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Eitjes worden afgezet op struikhei en soms op gewone dophei of vlinderbloemigen, zoals gaspeldoorn en rolkaver. Het heideblauwtje overwintert als ei. De rups kruipt na de winter uit het ei en begint te eten van de uitlopers van de waardplant. De rups is aantrekkelijk voor mieren en wordt daarom meegenomen naar het nest. Vaak gaat het om de wegmier of de akkermier. Als de mieren de rups niet meenemen, verpopt hij onder de grond. De vlinders vliegen op de hei. Ze slapen vaak gezamenlijk in een pol pijpenstrootje. De mannetjes vertonen territoriaal gedrag en zoeken vrouwtjes door heen en weer te vliegen. Verbinding Het heideblauwtje vliegt vaak slechts enkele tientallen meters en maximaal 500 - 600 meter. Open tot halfopen verbindingen met stapstenen om de paar honderd meter zijn van belang om populaties te verbinden. Voedsel Rupsen eten met name jonge loten van struikhei, maar ook gewone dophei en vlinderbloemigen worden gegeten.

Volwassen vlinders drinken nectar van voornamelijk gewone dophei, struikhei en muizenoor. Veiligheid Dekking in graspollen tussen de vegetatie om veilig te rusten, bijvoorbeeld in pijpenstrootje. Variatie Heide met overgangen van nat naar droog en veel structuur in vegetatie met pijpenstrootje en open zand. Heideblauwtjes vliegen in relatief hoge dichtheden, 24-124 individuen per hectare, met de hoogste dichtheden in goede leefgebieden. Hoe kunnen we helpen Inrichting Zorg voor variatie binnen leefgebieden, door het versterken van de nat-droog gradiënt; Maak gunstige groeiplaatsomstandigheden voor heide en voedselarme bloemrijke vegetaties in het landschap, door de bemeste bouwvoor plaatselijk af te graven en af te voeren. Realiseer (half)open, zonnige verbindingszones tussen heidevelden met om de 50-100 meter een stapsteen bestaand uit een klein heideveld met voldoende nectar en waardplanten. Beheer Beheer de heide extensief en kleinschalig, waardoor veel vegetatiestructuur aanwezig blijft. De waardmieren leven vooral in dichte delen met gewone dophei en pijpenstrootje. Milieu Beperk de neerslag van stikstof, dit zorgt voor verzuring en vergroot de noodzaak van intensief beheer, waardoor de structuur afneemt en mierennesten (met rupsen) mogelijk worden benadeeld. Beperk ontwatering/waterwinning en zorg voor voldoende nat-droog gradiënten op de hei.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

56

Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten in het leefgebied van het heideblauwtje, omdat deze de voedsel- beschikbaarheid (waardplanten, waardmieren en nectarplanten) verminderen en kunnen leiden tot (in)directe vergiftiging.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

57

4.13. Boomblauwtje Het boomblauwtje komt verspreid in de gemeente Heerde voor en vliegt van maart tot oktober en heeft twee tot drie generaties per jaar. Het boomblauwtje kan als rups leven van diverse soorten waardplanten (bomen, struiken en kruiden) en drinkt als volwassen vlinder nectar van diverse soorten planten. Vanwege haar afhankelijkheid van gevarieerde bloemrijke bosranden, slootkanten en grazige vegetaties met een extensief beheer, is gekozen voor het boomblauwtje als gidssoort. Wat is belangrijk Verblijfplaats & Voortplanting Eitjes worden afgezet op sporkehout, wegedoorn, hulst, rode kornoelje, vlinderstruik, klimop, grote kattenstaart, struikhei, braam en bosbes. De rupsen verpoppen in de strooisellaag en aaaoverwintert daar ook. De rups wordt vaak bezocht door mieren die een zoete stof nuttigen die rups uitscheidt. Boomblauwtjes zitten vaak in de toppen van bomen of struiken, maar komen ook naar beneden om nectar te drinken of mineralen van uitwerpselen of modderplassen tot zich te nemen. Verbinding Het boomblauwtje is zeer mobiel en komt voor in een grote variatie aan leefgebieden. Voedsel De rups eet de bloemknoppen of vruchten van de waardplant en later soms ook van de bladeren. De vlinder leeft veel in de toppen van bomen en struiken waar honingdauw van bladluizen wordt gedronken en sap van bloedende bomen wordt genuttigd.

Daarnaast drinken ze nectar van diverse soorten planten. Veiligheid De rups wordt beschermd door de mieren, die de uitgescheiden zoete stof nuttigen. Variatie Het boomblauwtje profiteert van structuurvariatie, bomen, struiken en kruiden met een gevarieerd aanbod aan waard- en nectarplanten. Boomblauwtjes vliegen in dichtheden, 628 individuen per hectare, met de hoogste dichtheden in goede, gevarieerde leefgebieden. Hoe kunnen we helpen Inrichting Creëer variatie in voedsel binnen leefgebieden door de aanplant van een variatie aan inheemse bomen en struiken in tuinen, bos(randen), houtwallen, singels en hagen. Creëer matig voedselrijke tot voedselarme omstandigheden in graslanden, slootkanten en randen langs houtige beplantingen om het nectaraanbod te stimuleren. Beheer Beheer altijd gefaseerd in het leefgebied van het boomblauwtje. Zorg ervoor dat altijd voldoende waardplanten en nectarplanten aanwezig zijn en een variatie aan inheemse bomen en struiken met bladluizen (honingdauw). Milieu Voorkom een te hoge hoeveelheid meststoffen in bossen, bosranden, bermen, bloemrijke graslanden en ander leefgebied door inspoeling van meststoffen te beperken en daarmee de gevarieerde vegetaties te behouden. Gebruik geen middelen tegen ongewenste planten en insecten

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

58

in het leefgebied van het boomblauwtje, omdat deze de voedselbeschikbaarheid (waardplanten en nectarplanten) verminderen en kunnen en dit kan leiden tot (in)directe vergiftiging.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

59

Begrippen uitgelegd Algenbloei Algenbloei is een zomers verschijnsel, waarbij grote hoeveelheden algen tot ontwikkeling komen en afsterven, zodat er te weinig zuurstof in het water overblijft om de grote hoeveelheid biomassa in stand te houden. Amfibieën Een amfibie is een dier, dat zowel in het water als op het land kan leven. Ze zijn meestal viervoetig en leggen in de meeste gevallen eieren. Voorbeelden van amfibieën zijn kikkers, padden en salamanders. Bebouwde omgeving Het geheel van bebouwing, de bebouwde kom. Beekloop Bedding van een smal stromende waterloop. Beheer Het geheel van maatregelen dat gericht is op instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van aanwezige natuurwaarden. Beweiding Laten begrazen van een weiland door koeien of ander vee. Biodiversiteit Het totaal aan levende organismen (planten, dieren en micro-organismen) en systemen, en de interacties daartussen. Biotoop Een afgekaderd onderdeel in het landschap met een ecologische functie voor soorten. Voorbeelden van biotopen zijn een bos, poel of grasland. Bodemleven Met bodemleven bedoelen we alle levende organismen, die voorkomen in de bodem, zoals wormen, larven, bacteriën en aaltjes. Boomkroon Het deel van een boom dat in de zomer groen is van de bladeren, dat duidelijk boven de stam uitsteekt.

Bomen kunnen ook een boomkroon tot aan de grond hebben, in dat geval is de stam in de zomer nauwelijks zichtbaar. Brak water Brak water is zoutachtig water, dat minder zout is dan zeewater. Broedperiode De periode waarin vogels op hun nest zitten om de eieren uit te broeden. Broeklandschap Een broek is een laaggelegen gebied, dat blijvend nat is. Dit kan komen door opwellend grondwater, ook wel kwel genoemd, of door een rivier of beek die regelmatig overstroomt en in sommige winters het land langere tijd overspoelt. Een broek kan een moerassig stuk veengrond zijn, maar ook een uiterwaarde. Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

60

Bouwvoor Bovenste deel van de bodem van bijvoorbeeld een akker dat door menging door ploegen of spitten is ontstaan en humusrijker is dan de ondergrond. Cultuurlandschap Een cultuurlandschap is een landschap dat onder invloed van de mens is gevormd. Detritus Detritus is organisch afval, dat komt van afgestorven en ontbindend materiaal van planten (algen) en/of lagere dieren en vissen. Emelt Een emelt is een larve van de langpootmug. Eng /es Een hooggelegen akker die je vindt op de zandgronden. Extensief beheer Gronden met een extensief beheer worden vaak minder gemaaid (1 tot 2x per jaar) of door minder dieren beweid. Faunavoorziening Kunstmatige elementen met als doel het gebruik door dieren. Nestkasten voor vogels zijn een bekend voorbeeld, maar ook bijenhotels, kunstburchten, tunnels onder wegen en loopplanken onder bruggen zijn faunavoorzieningen. Foerageergebied Dit is een gebied dat dieren regelmatig gebruiken om voedsel te zoeken. Gefaseerd beheer Het in delen uitvoeren van beheermaatregelen. Bij gefaseerd beheer blijft bijvoorbeeld bij iedere maaibeurt vijftien tot dertig procent van de aanwezige planten staan. Dit wordt dan in een volgende ronde pas gemaaid, als er een ander stuk blijft staan. Gelaagdheid: Moslaag ,kruidlaag, struiklaag en boomlaag De moslaag bestaat enkel uit mossen en wordt vaak tot enkele centimeters hoog.

De kruidlaag is het deel van planten van 10 tot 135 cm hoog en bestaat uit niet-houtige soorten. Direct daarboven wordt van de struiklaag gesproken, die uit struiken en jonge bomen bestaat. De hoogste laag is de boomlaag, deze bestaat uit de boomkronen van (volwassen) bomen. Geleedpotigen groep van ongewervelde dieren die tweezijdig symmetrisch zijn en een uitwendig skelet hebben in de vorm van een pantser. Ze hebben een geleed lichaam (segmenten) en gelede poten. Bijvoorbeeld: duizendpoten, kreeftachtigen, spinachtigen en insecten. Gewervelden Gewervelden zijn dieren met een wervelkolom voor de stevigheid, zoals zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën. Gidssoorten Gidssoorten zijn specifiek gekozen diersoorten. Zij zijn gekozen omdat hun aan- of afwezigheid inzicht geeft in de kwaliteit van het leefgebied, het type leefgebied en andere meer algemene diersoorten die daarin voorkomen. Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

61

Gradiënt(en) Een gradiënt is het geleidelijke verloop in de ruimte van een bepaalde milieufactor. Bijvoorbeeld een geleidelijke overgang van droog naar nat, van voedselrijk naar voedselarm of van licht naar donker. Grindbanken Een grindbank is een bodemlaag, waarin grind overheerst. Habitat De plaats waar en de milieuomstandigheden waarin een bepaald organisme leeft of groeit. Hakhout Hakhout is een bosbeheervorm, waarbij de opstand wordt verjongd via vegetatieve regeneratie (zelf herstellend vermogen van het houtige element) aan de stobbe (boomstronk), die na de kap achterblijft. Nadat het hout is gekapt, ontstaan aan de stobbe nieuwe stoofloten of telgen, die na enige tijd (vaak 4-25 jaar) weer gekapt kunnen worden. Helofyt(en) Een plant die geworteld is in het water en boven het wateroppervlak uitgroeit. Helofytenfilter Waterzuivering door planten in het water. Hooilanden Hooilanden zijn graslanden die gebruikt worden om hooi te oogsten. Honingdauw Honingdauw is een heldere nectar-achtige vloeistof, die wordt afgegeven door veel soorten blad- en schildluizen, witte vliegen en de schimmel moederkoorn. Hoogveen / hoogvenen Hoogveen is een pakket van op elkaar gepakte, onverteerde, dode plantenresten, voornamelijk veenmos. De veenmossen nemen regenwater op.

Houtsingel Dit is een strook beplanting, waarin groepsgewijze boombeplanting in rijen of groepen, gecombineerd met een onderlaag van struiken, wordt toegepast. Dit kan in een vast of los plantverband, opgebouwd uit meerdere boomsoorten en struiksoorten, die ook verschillen in vorm en omvang. Er ontstaat hierdoor een natuurlijk beeld en een dichte struiklaag mede door het gevoerde hakhoutbeheer. Houtwal Dit is een strook beplanting, waarin groepsgewijze boombeplanting in rijen of groepen, gecombineerd met een onderlaag van struiken, wordt toegepast. In tegenstelling tot een houtsingel, is bij een houtwal een wallichaam (opgeworpen grond, vaak afkomstig uit aangrenzende sloten/greppels) aanwezig. De beplanting kan in een vast of los plantverband worden toegepast, opgebouwd uit meerdere boomsoorten en struiksoorten, die ook verschillen in vorm en omvang. Er ontstaat hierdoor een natuurlijk beeld en een dichte struiklaag mede door het gevoerde hakhoutbeheer. Inheems Inheems wil zeggen, dat een soort van oorsprong in Nederland voorkomt. Deze soort heeft zich na de laatste ijstijd vanuit de zuidelijke delen van Europa zelfstandig gevestigd. Doordat deze soorten

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

62

lang in Nederland zijn en dieren die aan deze soort zijn aangepast mee hebben kunnen schuiven na de laatste ijstijd, hebben inheemse soorten een hoge biodiversiteit. Inspoeling van meststoffen Inspoeling van meststoffen vindt plaats als regenwater de opgeloste stoffen uit het bovenste deel van de bodem transporteert naar een lager gelegen bodemlaag. Inzijging Dit is een gebied dat regenwater ontvangt, waarmee voedingstoffen meespoelen naar beneden. Dit zijn vaak (tijdelijk) droge gebieden. Is een gebied permanent nat, dan heb je dus geen inzijging. Kampenlandschap Dit landschap bestaat uit individuele akkers in een landschap van langgerekte dekzandruggen en beekjes. Kruidenrijk grasland Kruidenrijk grasland is opgebouwd uit een mix van meerdere soorten kruiden, zoals bijvoorbeeld margriet, knoopkruid, boterbloemen, pinksterbloem, madeliefje, koekoeksbloemen, klavers, smalle weegbree en verschillende soorten grassen en andere kruiden. De bedekking van kruiden is minimaal 20% van het oppervlak, maar het liefst meer. Het grasland is kleurrijk en open van structuur, dus er zijn veel bloeistengels en weinig blad. Dit zorgt ervoor dat er veel zonlicht op de bodem kan komen. Hierdoor kunnen er insecten in alle lagen van de planten leven. Knoestige bomen Bomen met veel onregelmatigheden. Kwel Kwel is grondwater dat vanwege drukverschil weer naar boven komt.

In Heerde is veel kwel aanwezig in de lage delen, die afkomstig is vanuit de IJssel. Landschapselementen Landschapselementen zijn elementen, die het landschap kenmerken, zoals solitaire bomen, houtwallen, poelen, kleine boomgaarden, hagen of kleine bosjes. Larven Een larve is de eerste levensfase van een dier, dat er als volwassene anders uitziet. Denk hierbij bijvoorbeeld aan amfibieën en hun kikkervisjes of rupsen van vlinders. Larven ontgaan een metamorfose, waarna ze volwassen zijn en zich kunnen voortplanten. Leefgebied Een gebied waarin een plant of diersoort leeft. Lichtschuw Vermijd licht Lijnvormige elementen Een landschapselement met een smalle, langwerpige vorm zoals een heg of laan. Loofbomen Bomen met bladeren Loten Jonge takjes

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

63

Meander Een meander is een bocht of lus in de loop van een natuurlijke waterloop. Metamorfose Gedaanteverwisseling of gedaanteverandering, bijvoorbeeld van rups naar vlinder Microklimaat Het klimaat vlak boven het aardoppervlak. Het heeft een heel eigen karakter, als gevolg van lokale omstandigheden. Naaldbomen Bomen met naalden zoals een den, spar of lariks Natuurinclusieve landbouw Natuurinclusieve landbouw is een term, die wordt gebruikt voor een integraal duurzaam landbouwsysteem, dat zorgt voor een betere water- en bodemkwaliteit en meer biodiversiteit. Nectar Nectar is een suikerrijke vloeistof, die door veel planten wordt geproduceerd. Nestgelegenheid/ -gelegenheden Dit is een plek waar een soort in kan verblijven en zich kan voortplanten. Voorbeelden zijn vogelnesten en ondergrondse holen van bijen. Oeverwal(lenlandschap) Een natuurlijke landschapsvorm die ontstaat, doordat rivieren zand afzetten, wanneer zij overstromen. Dit afgezette zand gaat op den duur een wal vormen. Doordat het zand vaak rijk is aan kalk en andere mineralen en in de zomer sterk uitdroogt, groeien hier vaak bijzondere plantensoorten. Vaak liggen oeverwallen in een langgerekte vorm min of meer parallel aan de rivierloop. Ongewervelden Ongewervelden zijn dieren zonder wervelkolom.

Dit zijn weekdieren (inktvissen), wormen, stekelhuidigen (zeesterren), schaal- en schelpdieren (kreeften, krabben, mosselen en garnalen), spinnen en insecten. Ontwatering Het kunstmatig afvoeren van water door bijvoorbeeld drainagebuizen of sloten. Ooibos Een bos dat uit zichzelf ontstaan is langs een rivier. Openbaar groen Openbaar groen is het groen, wat u in uw straat en buurt tegen komt. Hieronder vallen bomen, laanbeplanting, plantsoenen, bosschages, heesters en gazon. Het openbaar groen wordt beheerd door de gemeente. Openbare ruimte Openbare ruimte is voor iedereen toegankelijk, bijvoorbeeld wegen en parken. De openbare ruimte wordt door de gemeente onderhouden. Paaiplaats De paaiplaats is de plaats waar vissen paren en 'kuit schieten', dit is hun eitjes afzetten.

Heerde natuurlijk, Bijlage Inspiratie voor versterken biodiversiteit, maart 2025

64

PH De pH is een maat voor de zuurgraad (ook wel zuurtegraad) van een waterige oplossing Pioniersoort(en) Dit is een soort die een leeg of bijna leeg gebied overneemt. Een pioniersoort kan zowel een plant als diersoort zijn. Pionierssoorten komen vaak voor op bouwterreinen, akkers, moestuinen, duinen of andere plekken waar in de grond gewoeld is of open zand aanwezig is. Ook in andere biotopen, bijvoorbeeld onder water, is in meer of mindere mate sprake van pioniersoorten. Pioniervegetatie Het geheel van planten dat als eerste in een nieuwe omgeving voorkomt. Plaggen Bij plaggen wordt de bodem afgeschraapt en verwijder je al de vegetatie en het strooisel. Populatie Een groep dieren van dezelfde soort in een bepaald gebied. Predator(en) Een predator is een soort die jaagt op een andere soort. Bijvoorbeeld een kat die op een muis jaagt. Prooidieren Prooidieren zijn dieren die als voedsel dienen voor andere diersoorten. Zo is bijvoorbeeld een muis een prooidier voor een uil. Recreatiezonering Het toestaan of verbieden van recreatie in bepaalde gebieden. Dit om bijvoorbeeld rustgebieden voor dieren te creëren. Reptielen Reptielen zijn koudbloedige gewervelde dieren met een geschubde huid. Ze leven meestal op het land en halen adem met longen. Robuust Als iets robuust is, is het sterk en/of ongevoelig. Iets dat robuust is, zal niet snel stuk gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=0979f83d-ca4f-42a3-a24c-93480424e4c1