4.2. Transitievisie Warmte.pdf
Tekst van het document
brandstoffen voor onze warmtevoorziening noemen we de warmtetransitie. Warmtevraag
De hoeveelheid warmte die nodig is om een gebouw, wijk of gemeente te voorzien van warmte.
Woningequivalent
Een woningequivalent is een eenheid om woningen en andere gebouwen met elkaar te vergelijken. Eén woningequivalent is het gemiddelde warmteverbruik per jaar van een gemiddelde woning in Nederland. Om het warmteverbruik van woningen en gebouwen te kunnen vergelijken, wordt het energieverbruik van gebouwen omgerekend naar woningequivalenten.
52 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 2: Overzicht technieken Individuele of collectieve technieken Afhankelijk van het gebouwtype liggen bepaalde systemen meer voor de hand dan andere. Bij een lage bebouwingsdichtheid en oudere gebouwen, zoals vaak in het buitengebied en kleine kernen het geval is, gebruiken we vaak individuele technieken. In het geval van nieuwere gebouwen bij een lage bebouwingsdichtheid kan gebruik gemaakt worden van warmte uit de lucht of bodem in combinatie met een warmtepomp. Dit is een all-electric oplossing. Ook collectieve oplossingen die gebruik maken van het bestaande aardgasnet zoals groen gas of waterstofgas kunnen een goede optie zijn, omdat er geen nieuw transportnet geplaatst hoeft te worden. Een andere collectieve oplossing is een warmtenet. De kosten voor het plaatsen van een warmtenet lopen bij een lage bebouwingsdichtheid echter snel op. Daarnaast is het logistiek gezien een enorme onderneming. De straat moet namelijk open worden gebroken, het warmtenet moet aangelegd worden en de oude gasleiding moet eruit. Hieronder staat in meer detail beschreven welke type warmtebronnen er zijn en of die zich lenen voor collectieve of individuele technieken en voor welk type gebieden zij geschikt zijn.
Techniek van collectieve warmtebronnen Collectieve warmteoplossingen zijn warmtesystemen waarbij meerdere gebouwen zijn aangesloten op dezelfde warmtebron (zoals het huidige gasnet of stadsverwarming). De warmte of brandstof wordt via een warmte- of gasnet getransporteerd naar de individuele panden. Bij gebouwen met een aardgasaansluiting wordt het water in het gebouw op dit moment verwarmd tot ongeveer 70-80°C.
Collectieve alternatieven met HT- warmte (> 70°C), zoals restwarmte van industrie of geothermie kunnen een gebouw direct verwarmen zonder dat daar aanpassingen voor nodig zijn. Een collectief systeem op MT (tussen 40°C en 70°C) verlangt wel goede isolatie. Ook is een tweede technologie nodig om warm tapwater te leveren, zoals een boiler. Een optie is om MT-warmte met een collectieve HT warmtepomp eerst centraal naar een HT te brengen en vervolgens alsnog via een warmtenet te transporteren. Bij deze HT is vergaande isolatie van de panden geen vereiste, maar rendabele isolatie wel gewenst om zoveel mogelijk energie te besparen en, indien mogelijk, meer panden op het warmtenet te kunnen aansluiten. HT en MT zijn zeer geschikt voor oude panden waarvan isolatie zeer kostbaar is. Voor een collectief warmtesysteem is een hogere bebouwingsdichtheid nodig met een minimaal aantal aansluitingen, omdat het anders financieel niet haalbaar is. Een HT, collectief, systeem is bij hoogbouw en voor oude dorps- en stadskernen vaak de meest geschikte keuze vanwege de beperkte ruimte rondom het pand of geluidsoverlast van andere oplossingen, zoals de luchtwarmtepompen. Er moet echter nog wel voldoende ruimte vrij zijn in de bodem voor het plaatsen van het nieuwe net, indien dit nodig is.
HT bronnen (bijvoorbeeld geothermie) in combinatie met een warmtenet vraagt vanwege de hoge investeringskosten vaak om minimaal 5000 woningen. Voorbeelden van collectieve systemen met lage temperatuur zijn warmte-koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater of afvalwater (aquathermie). Dit zijn bronnen die warmte winnen uit de bodem en het riool- of oppervlaktewater. Vanwege de lage temperatuur van de bronnen moet de temperatuur op individueel of collectief niveau met een warmtepomp omhoog gebracht worden naar ten minste 30°C. Bij deze vorm van warmtelevering is vergaande isolatie nodig. Het grootste nadeel van lage temperatuur (LT) warmtenetten is dat er zowel een warmtenet, als een warmtepomp nodig is. Soms
53 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
ook warmteopslag. De energielasten kunnen hierdoor hoog oplopen. Voordeel is dat lage temperatuur warmtebronnen geschikt zijn voor kleinere warmtenetten van enkele honderden woningen of gebouwen. Daarnaast zijn er meer lage en midden temperatuur (MT) beschikbaar in vergelijking tot hoge temperatuur (HT) restwarmte, die schaars is. Tot slot geeft een LT warmtenet vaak de mogelijkheid tot koudelevering in de zomer.
Techniek van individuele warmtebronnen Individuele alternatieven zijn warmtesystemen die per individueel pand worden toegepast. Voorbeelden zijn warmtepompen waarbij de toevoer aan warmte afkomstig kan zijn uit de lucht, bodem(lus), riool, warmte- koudeopslag (WKO) of oppervlaktewater uit de directe nabijheid van het gebouw. Zonneboilers zijn ook duurzame warmte alternatieven. Voor een individuele warmtepomp (LT) moet een gebouw vergaand geïsoleerd zijn of worden, om in de wintermaanden voldoende comfort te kunnen garanderen. Is volledige isolatie te kostbaar omdat het pand oud is? Dan is een hybride warmtepomp een optie. In de meeste gevallen van een hybride warmtepomp is spouw-, vloer- en dakisolatie en HR++-glas nodig. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp aangesloten op het bestaande gasnet. Dan worden de piekvragen (de warmtevraag op erg koude dagen) met (duurzaam) gas ingevuld. Bij LT-oplossingen zal de manier van warmteafgifte in het gebouw vaak moeten worden aangepast; ruimteverwarming gaat dan niet meer via traditionele radiatoren, maar met grote radiatoren, convectoren of vloerverwarming, omdat deze een groter oppervlak voor warmteafgifte hebben. Deze LT/all-electric opties lenen zich met name voor relatief nieuwe panden, van na 1992, waarbij isoleren relatief ‘eenvoudig’ is of niet nodig. Een houtpellet gestookte ketel is een individuele HT variant.
De duurzaamheid van deze optie is omstreden wanneer de houtpellets niet geproduceerd zijn met hout uit de regio.
Daarnaast duurt het tientallen jaren voordat de CO 2 die vrijkomt bij verbranding weer opgenomen wordt door bomen. Op korte termijn zorgt dit daarom niet voor CO2-reductie. Tenslotte levert het discussies op over luchtkwaliteit, zeker in dichtbebouwde gebieden. Daarom kan de houtpellet kachel worden gezien als een optie voor het buitengebied waar de gebouwdichtheid laag is.
Alle alternatieven op een rij Elektrische warmtepomp – elektriciteit Een warmtepomp maakt het elektrisch verwarmen van een goed geïsoleerd gebouw mogelijk. Het brengt warmte afkomstig uit lucht, bodem of grondwater middels elektriciteit naar een hogere temperatuur geschikt voor het verwarmen van een gebouw en het leveren van warm water. Omdat ook na het elektrisch verwarmen de warmte nog steeds een lage temperatuur betreft is een goed geïsoleerd huis noodzakelijk om onnodig veel elektriciteitsgebruik te voorkomen. Een gebouw moet geschikt zijn of gemaakt worden voor lage temperatuur verwarming. Dit houdt in dat je een groter oppervlak nodig hebt dat warmte uitstraalt. Vloerverwarming of andere radiatoren zijn dan noodzakelijk om voldoende warmte in het gebouw te krijgen. Zonthermie – kleinschalig collectief en individueel Zonthermie is warmte afkomstig van de zon en wordt opgewekt middels zonneboilers of PVT-panelen. Warmte uit de zon kan zowel op een collectieve als individuele manier worden opgewekt. Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de warmtetransitie, doordat er nog geen goede manieren waren om de warmte die gewonnen werd in de zomer lang genoeg op te kunnen slaan voor de winter. Dit is echter aan het veranderen.
De nieuwe generatie thermische zonnepanelen kunnen gedurende een langere tijd warmte uit de omgeving halen, niet alleen uit zon, maar ook uit licht en buitenlucht. Dit is voldoende om zonder opslag een bron te kunnen zijn voor een warmtepomp in een gebouw. Door de ontwikkeling van
54 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
warmteopslag kan (op termijn) zonthermie ook ingezet worden om een groot deel van het jaar een gebouw direct te verwarmen. Afhankelijk van het seizoen kunnen er temperaturen van tussen de 40◦ en 80◦ C worden gehaald vanuit opgeslagen warmte. Met beperkte inzet van een warmtepomp kan het gehele jaar door warmte geleverd worden. WKO – warmtenet en elektriciteit Op ondiepe schaal kan middels een warmte-koude-opslag (WKO) een kantoorpand of een woonwijk verwarmd worden. Een WKO is als het ware een opslagvat onder de grond dat warmte vast kan houden. Een WKO zorgt voor opslag van warmte in de zomer die in de winter gebruikt kan worden om te verwarmen en opslag van koude in de winter die in de zomer gebruikt kan worden om te koelen. Het in balans houden van een WKO is essentieel. Dit betekent dat een WKO alleen geschikt is voor wijken of gebieden die naast een warmtevraag ook te maken hebben met een koudevraag, waardoor een WKO niet overal toepasbaar is. Daarnaast levert een WKO lage temperatuurwarmte waardoor gebouwen net als bij een elektrische warmtepomp geschikt moeten zijn voor lage temperatuur verwarming of de temperatuur collectief in de wijk naar een hogere temperatuur gebracht dient te worden. Aquathermie – warmtenet en elektriciteit Aquathermie gaat over het gebruiken van warmte uit oppervlaktewater (TEO), drinkwater (TED) en afvalwater (TED).
Warmte uit drinkwater ontstaat bij het afkoelen van drinkwater, voordat het in het net gaat. Warmte uit oppervlaktewater en afvalwater kan direct uit de bron (rivier, rioolwaterzuivering) worden gewonnen. De warmte van deze 3 bronnen zorgt voor de verwarming van een lage temperatuur warmtenet. Bij oppervlaktewater wordt hierbij vaak een koppeling gemaakt met een WKO, omdat de warmte in de winter nodig is, maar vooral in de zomer aanwezig is en daarom opgeslagen moet worden. Het gebruik van warmte uit rioolwater heet ook wel riothermie.
Geothermie - warmtenet Geothermie is warmte afkomstig uit de bodem en aarde en kan middels verschillende technieken een gebouw van warmte voorzien. Met geothermie in de warmtetransitie bedoelt men meestal het gebruik van warmte uit diepe aardlagen die gebruikt kan worden voor de verwarming van water in een warmtenet. In diepe aardlagen (dieper dan 500 meter) wordt de aarde verwarmd door de kern van de aarde. Hierdoor kunnen we ‘onbeperkt’ grondwater uit deze diepe lagen oppompen en hier afgekoeld water voor terug in de plaats stoppen. Dit afgekoelde water warmt vervolgens op den duur vanzelf weer op en de warmte die vrijkomt gebruiken we om een hoge temperatuur warmtenet te realiseren. In Nederland kunnen we echter niet overal in de grond boren en niet elke aardlaag is geschikt voor geothermie. Daarnaast zijn de investeringen voor het oppompen van water uit diepe aardlagen hoog, waardoor er veel gebouwen dichtbij de bron nodig zijn om het betaalbaar te houden. Een warmtenet gevoed door geothermie is daarom lang niet overal mogelijk. Restwarmte – warmtenet Warmte kan ook afkomstig zijn van bedrijven. In dit geval spreken we vaak van restwarmte. Bij industriële processen ontstaat er soms warmte die een bedrijf zelf niet meer nuttig kan gebruiken en een warmtenet van warmte kan voorzien.
Voordat een restwarmtebron als bron voor een warmtenet wordt gekozen moet er altijd een garantie komen dat ook als het bedrijf weg gaat een andere bron het net van warmte kan voorzien. Dit in verband met de leveringszekerheid. Daarnaast is van veel bedrijven onvoldoende bekend hoeveel restwarmte er in potentie beschikbaar is en hoe zich dat in de toekomst ontwikkelt. Restwarmte is daarom als warmtebron voor een warmtenet organisatorisch vaak complexer te realiseren, als er geen grote restwarmtebronnen aanwezig zijn, dan bijvoorbeeld aqua- of geothermie. Afhankelijk van de leveringstemperatuur kan het nodig zijn om (op buurtniveau of individueel) met
55 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
warmtepompen de temperatuur van het tapwater op te hogen naar minimaal 55-60 ⁰C en ruimteverwarming van minimaal 35 ⁰C. Biomassa – warmtenet Biomassa is plantaardig en dierlijk restmateriaal (GFT, mest, snoeiafval, etc.) dat gebruikt kan worden om warmte uit te krijgen. Door biomassa, vooral snoeiafval, in een biomassacentrale te verstoken ontstaat warmte. Doordat er bij dit proces fijnstof vrijkomt en er geen ongelimiteerde regionale biomassavoorraad is, wordt deze warmtebron minder snel gekozen. Groen gas – gas Biogas ontstaat door het vergisten van biomassa. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van mest, GFT-afval en rioolslib. Door dit te vergisten ontstaat biogas. Biogas kunnen we echter niet zomaar in ons bestaande aardgasnet invoeren. De eigenschappen (calorische waarde) van biogas verschillen te sterk van aardgas. Daarom kan biogas worden opgewaardeerd naar groen gas. Door biogas te zuiveren en te drogen ontstaat een (groen) gas met dezelfde eigenschappen als aardgas, waardoor het in het bestaande gasnet kan worden ingevoerd. Groen gas is een hoge temperatuur warmtebron. Doordat groen gas dezelfde eigenschappen als aardgas heeft vraagt dit weinig aanpassingen aan de bestaande infrastructuur en gebouwen. We kunnen immers onze gebouwen middels gas blijven verwarmen.
Dit klinkt aantrekkelijk, maar de benodigde biomassa in Nederland is slechts beperkt aanwezig, waardoor we zuinig om moeten gaan met de inzet van groen gas. Dit betekent dat ook gebouwen die aangesloten blijven op een gasnet hun warmtevraag naar beneden moeten brengen. Dit kan door goed te isoleren en door gebruik te maken van een hybride warmtepomp in combinatie met een HR ketel. Hierbij zorgt elektriciteit voor verwarming op de warme dagen en wordt alleen
het groen gas gebruikt als het buiten te koud is of voor verwarming van tapwater. Waterstofgas - gas Waterstofgas is geen bron die van nature voorkomt. Waterstof ontstaat op dit moment vooral door een chemische reactie waarbij aardgas wordt omgezet naar waterstof en CO 2. Waterstof kan echter ook duurzaam worden verkregen door met veel elektriciteit water te splitsen, waarbij waterstof en zuurstof vrijkomt. In dit laatste geval, waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie spreken we over groene waterstof, een geschikt duurzaam alternatief voor aardgas. Productie van deze groene waterstof vindt op dit moment nog nauwelijks plaats. Of en hoe de productie en het gebruik van groene waterstof zich gaat ontwikkelen is nog onbekend. Waarschijnlijk wordt een groot deel van de groene waterstofproductie door de industrie en mobiliteitssector gebruikt. Of en hoeveel er voor de gebouwen overblijft en tegen welke prijs is nog onzeker. Wij houden daarom de optie voor waterstofgas in de toekomst zeker open, maar kiezen daar waar andere opties beschikbaar zijn voor andere, meer toekomstzekere alternatieven voor aardgas. Andere alternatieven Naast bovengenoemde alternatieven zijn er nog andere alternatieven voor aardgas beschikbaar. Dit zijn veelal alternatieven die op individueel niveau en kleine schaal worden toegepast.
Deze alternatieven worden daarom nooit voor een gehele wijk aangewezen, maar bieden op individueel niveau soms wel uitkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om de pelletkachel die hoge temperatuurwarmte kan leveren aan oude panden in het buitengebied, zolang de fijnstofuitstoot wordt beperkt. Of melkveehouders die warmte uit melk kunnen halen om hun woning of gebouwen te verwarmen. Daarnaast is het de verwachting dat er in de toekomst meerdere alternatieven voor aardgas geschikt worden voor de woningmarkt, zoals de hoge
56 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
temperatuur warmtepomp. We volgen deze ontwikkelingen en passen waar nodig de Transitievisie Warmte aan wanneer nieuwe mogelijkheden zich voordoen.
57 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 3: Overzicht markrijpheid technieken
Figuur 3.1: overzicht marktrijpheid
58 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 4: Overzicht relatie bouwjaren en isolatiewaarde Het bouwjaar van een gebouw geeft op hoofdlijnen inzicht in de mate van isolatie en daarmee de geschiktheid voor HT- of LTalternatieven. Over het algemeen geldt: hoe ouder een gebouw, hoe slechter de isolatiewaarde en hoe hoger de benodigde temperatuur om een gebouw te verwarmen. Energielabels geven accurater dan het bouwjaar weer wat de isolatiewaarde is, maar niet van alle gebouwen is het energielabel bekend. Hieronder geven we per bouwperiode weer wat in de basis de benodigde isolatiemaatregelen zijn en welke warmtebron het beste past bij deze woningen. Bij onderstaande informatie is uitgegaan van gemiddelden. Het kan zijn dat een individuele woning uit een bepaald bouwjaar beter of slechter presteert dan de genoemde gemiddelde prestaties. Bestaande isolatie kan bijvoorbeeld slecht aangebracht zijn of degradeert na verloop van jaren, waardoor het een deel van de isolatiewaarde verliest. Woningen voor 1980 - Voor woningen van voor 1980 is het nodig om de woning beter te isoleren om van LT-warmte gebruik te kunnen maken. Echter lopen de kosten van isolatie voor dit soort huizen snel op. Hierdoor kan het kostenefficiënter zijn om van een andere bron gebruik te maken (HT). Woningen van 1980 tot 1992 - Voor woningen van na 1980, maar voor 1992, is er een minimale isolatie van 5 cm in de spouwmuren aanwezig.
De woningen hebben gemiddeld een Rcwaarde van 1,5. De Rc-waarde geeft het totale isolerende vermogen van een gebouw weer. Rc staat voor Resistance of Construction, oftewel warmteweerstand. Bij deze woningen is het vaak voldoende om de vloer, de ramen en het dak extra te isoleren om naar LT-warmte over te gaan. Er dient dan ook een groter warmteafgifteoppervlak te worden gecreëerd. Vaak zit de spouwmuur van deze woningen al bijna vol met isolatie waardoor het navullen hiervan wel zinvol is, maar minder bijdraagt dan de
reeds aanwezige isolatie. Hierdoor is de terugverdientijd van muurisolatie voor dit soort woningen een stuk langer. Woningen vanaf 1992 - Dankzij de invoer van het bouwbesluit van 1992 zijn woningen met een bouwjaar van 1992 of later relatief goed geïsoleerd of ‘eenvoudiger’ te isoleren. Het bouwbesluit schrijft minimale isolatie standaarden voor. Zo is er een minimale Rc-waarde voor gevels, ramen en vloeren van 2,5. Dit houdt onder andere in dat panden gebouwd onder het Bouwbesluit 1992 voorzien zijn van een gevulde spouwmuur. Aanvullende isolatie en aanpassingen elders in het gebouw zijn wel aan te bevelen. Dit gaat voornamelijk om, wanneer het moment daar is, dubbel glas te vervangen door minimaal HR++ en idealiter HR+++ glas. Daarnaast zijn er voldoende grote warmteafgifteoppervlakten nodig (zoals grotere radiatoren, convectoren of vloerverwarming) om LT mogelijk te maken. Nieuwbouw - Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (VET) in werking getreden en geldt dat alle nieuwbouwwoningen aardgasvrij moeten zijn. Omdat nieuwbouwwoningen zeer goed geïsoleerd zijn, kunnen deze goed aangesloten worden op een LT-warmtenet of retourleiding van een MT- of HT-warmtenet, als deze beschikbaar is. Als een warmtenet niet mogelijk is, dan zijn deze woningen zeer geschikt voor een all-electric oplossing (warmtepomp).
Wat is goede isolatie? In de onderstaande tabel geven we weer wat voor Rc-waardes we verstaan onder slechte, gemiddelde of goede isolatie. Mate van isolatie Geen/slecht Matig Redelijk Goed
Dikte isolatiemateriaal of Rcwaarde van vloer, muren en dak 0-3 cm of een Rc-waarde < 1,0 5-7 cm of een Rc-waarde van 1,0 - 1,7 8-12 cm of een Rc-waarde van 2,2 - 2,9 13 cm of meer of een Rc-waarde > 3,5
Type ramen Enkel glas Dubbel glas HR++ glas HR+++ glas
59 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 5: De stappen naar energiezuiniger wonen
Figuur 5.1: de stappen naar energiezuiniger wonen
60 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 6: Vergelijking Startanalyse In de Startanalyse van het PBL is voor alle wijken in Nederland het economisch meest voordelige scenario berekend aan de hand van kengetallen. De Startanalyse is gemaakt om een eerste verkenning te maken. Op CBS-buurtniveau wordt een vergelijking gemaakt tussen vijf warmtestrategieën op basis van technisch-economische afwegingen. Zo worden de strategieën vergeleken op basis van nationale kosten en de verwachte gerealiseerde CO2-reductie bij implementatie van elk van deze strategieën. De vijf strategieën zijn:
eventueel warmtenet vanuit TEO, TEA of industriële restwarmte voor de gebieden met een voldoende bebouwingsdichtheid niet mogelijk is. Tevens gelden ze voor de gebieden, zoals het buitengebied, waar de bebouwingsdichtheid te laag is voor een collectieve techniek. De Startanalyse kijkt op buurtniveau en houdt geen rekening met individuele woningverschillen. Zo staan er vaak in een buurt zowel woningen die goed genoeg geïsoleerd zijn voor all electric warmtepomp als woningen die lastig te isoleren zijn en daardoor terugvallen op de hybride warmtepomp.
All-electric Warmtenet met middentemperatuur (MT) bron Warmtenet met lagetemperatuurbronnen Hernieuwbaar gas met hybride warmtepomp Hernieuwbaar gas met hoogrendement-ketel
De achterliggende analyse voor deze strategieën is gemaakt met het Vesta MAIS model. De uitkomsten geven een indicatie van de mogelijkheden op buurtniveau, maar er zijn ook een aantal kanttekeningen bij de aannames die gebruikt worden in de analyse. Zo wordt aangenomen dat alle woningen naar schillabel B gaan en alle elektriciteit CO2-neutraal geproduceerd wordt bij implementatie van de strategieën. Daarnaast is het voor warmtebronnen, zoals TEO bronnen in Heerde, lastig de potentie te bepalen zonder gespecialiseerd onderzoek, waardoor grove schattingen gedaan zijn. In figuur 6.1 zien we dat voor het westelijke deel van de gemeente de all electric warmtepomp als meest voordelige strategie naar voren komt (het rode deel) en voor het overige deel van de gemeente, waaronder de kernen Heerde en Wapenveld, de hybride warmtepomp (gele deel). In deze visie zien wij dit als de terugvalopties en individuele opties. Deze zijn van toepassing wanneer uit nader onderzoek blijkt dat een
Figuur 6.1: technieken startanalyse
61 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 7: Uitkomsten inwonersenquête In het najaar van 2021 heeft de gemeente Heerde een digitale enquête uitgezet om een eerste beeld te krijgen van hoe inwoners aankijken tegen de overstap naar aardgasvrij wonen. Hoe denken zij erover om geen aardgas meer te gebruiken? Wat zien inwoners als kansen? En welke belemmeringen zien zij? In totaal vulden 81 inwoners de enquête in. In deze paragraaf delen we de belangrijkste resultaten van de vragenlijst.
ziet kansen en mogelijkheden voor een transitie naar aardgasvrij in de gemeente of hun eigen woning, of zien de noodzaak van de transitie naar aardgasvrij om klimaatverandering tegen te gaan. Het overige deel van de inwoners (20%) staat neutraal ten opzichte van de transitie naar aardgasvrij wonen. Uit de enquête blijkt dat de meerderheid van de inwoners energiebesparing erg belangrijk vindt. Op een schaal van 1 (helemaal niet belangrijk) tot 5 (heel belangrijk) geven inwoners gemiddeld een score van 4.33. Zorgen en belemmeringen De respondenten die in de vragenlijst hebben aangegeven negatief te staan ten opzichten van wonen zonder aardgas kunnen hier verschillende argumenten voor hebben. De drie belangrijkste redenen voor respondenten om hun woning niet aardgasvrij te maken zijn:
Figuur 7.1: uitslag wonen zonder aardgas
Van de respondenten kijkt ruim 21 % procent negatief of heel negatief tegenover wonen zonder aardgas. Zij hebben een 1 of 2 ingevuld op de vraag hoe de respondent denk over ‘wonen zonder aardgas’ (zie figuur 7.1). Zij hebben zorgen, zien (grote) belemmeringen of uitdagingen in de transitie of zien niet in waarom de transitie naar aardgasvrij nodig is. Bijna 60% van de respondenten geeft een score van 4 of hoger. Zij staan positief ten opzichte van aardgasvrij wonen. Een deel van de inwoners
Men wilt wachten tot technieken verder ontwikkeld zijn: de meest voorkomende belemmering is dat men nu nog geen vertrouwen heeft in de huidige technieken en verwacht dat bestaande of nieuwe technieken zich nog verder ontwikkelen. De kosten zijn voor mij (nog) te hoog: een tweede bron van belemmering vormen de kosten. Respondenten geven aan ondanks mogelijke financiële subsidies de warmte oplossingen nog te duur te vinden. Men twijfelt of het alternatief wel echt duurzamer is: de op drie na belangrijkste bron van belemmering is dat respondenten twijfelen of de warmte oplossingen wel echt duurzamer zijn dan het gebruik van aardgas.
Naast deze drie belangrijkste belemmeringen gaven respondenten verschillende andere redenen om (nog) niet over te gaan aardgasvrij wonen. Redenen die zijn genoemd zijn dat men al op leeftijd is en niet meer wilt verbouwen, men er te
62 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
weinig over weet, men niet weet of ze hier blijven wonen of dat men het onnodig vindt.
respondenten geeft aan al een aantal maatregelen te hebben genomen, mar dat zij nog meer maatregelen willen nemen.
Kansen en mogelijkheden
Wanneer willen respondenten van het aardgas af
De respondenten die in de vragenlijst hebben aangegeven positief te staan tegenover wonen zonder aardgas hebben hier ook verschillende redenen voor. De vijf redenen die het hoogst scoorden zijn:
Ruim 44% van de respondenten geeft aan het liefst vóór 2030 al van het aardgas af te willen. 27% van de respondenten geeft echter juist aan pas van het aardgas af te willen als het echt niet anders meer kan.
Men wilt bijdragen aan een beter milieu: de belangrijkste reden voor respondenten om nu wel aan de slag te gaan is dat ze willen bijdragen aan de verbetering van het milieu. Men wilt gebruik maken van subsidies en financieringen: ondanks dat men aangeeft dat de kosten (nog) te hoog zijn, geven respondenten aan dat ze juist nu aan de slag gaan om gebruik te kunnen maken van subsidies en financieringen. Men wilt zelf kiezen hoe en wanneer de woning aardgasvrij wordt gemaakt: als derde belangrijkste reden om nu al aardgasvrij te worden geeft men aan dat respondenten zelf willen kiezen op welk alternatief ze over gaan. Men verdient de investeringen terug in de waarde van de woning en het wooncomfort: ook geven respondenten aan dat de investeringen kunnen worden terugverdient. Men is bang dat aardgas steeds duurder wordt: de prijzen van aardgas stijgen steeds verder. In combinatie met bovenstaande redenen een belangrijk aspect waarom men nu al aardgasvrij wilt worden.
Het liefst vóór 2030
Ergens tussen 2030 en 2040
Pas na 2040
Pas als het niet meer anders kan
44%
25%
4%
27%
Figuur 7.2: uitslag wanneer inwoners van het aardgas af willen
Technische stellingen Aan de hand van diverse factoren wordt de meest geschikte techniek bepaald voor een woning of gebouw. Bij het kiezen van een alternatieve techniek kunnen verschillende afwegingen gemaakt worden. Om inzicht te krijgen in de keuzes die inwoners maken zijn verschillende technische stellingen opgenomen in de enquête. De resultaten worden weergegeven in cirkeldiagrammen op de volgende pagina.
Een zeer klein deel (2,5%) van de respondenten geeft aan al aardgasvrij te wonen. Daarnaast geeft een groot deel van der respondenten (meer dan 64%) aan dat zij al grote of grote én kleine maatregelen te hebben genomen. 14,8% van de
63 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Figuur 7.3: uitslag stelling 1
Figuur 7.4: uitslag stelling 2
Figuur 7.5: uitslag stelling 3
Figuur 7.6: uitslag stelling 4
64 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Rol van de gemeente Respondenten geven aan beperkt vertrouwen te hebben in de gemeente om de regie te nemen in aardgasvrij wonen. Op een schaal van 1 (helemaal geen) – 5 (heel veel) geven inwoners een gemiddelde score van 2.62. De gemeente kan zich volgens respondenten het beste inzetten door zoveel mogelijk te informeren, maar de keuze bij de inwoner te laten. Daarnaast vinden respondenten het belangrijk dat de gemeente subsidies en andere financieringsmogelijkheden aanbiedt en onderzoek uit laat voeren door deskundigen naar de verschillende mogelijkheden.
gemeente zodra ze de informatie nodig hebben. Op basis van deze gegevens zal de gemeente haar communicatie richting inwoners invulling geven, om daarmee zoveel mogelijk inwoners en ondernemers in de gemeente te betrekken in de warmtetransitie.
Informeren en betrekken van inwoners Tot slot is in de enquête de vraag gesteld hoe inwoners het liefst betrokken willen worden bij ontwikkelingen op het gebied van de warmtetransitie. De overgrote meerderheid geeft aan graag informatie te ontvangen over het proces van de warmtetransitie. Daarnaast geeft een meerderheid van de respondenten geeft aan graag betrokken te zijn bij het toetsen van de uitvoerbaarheid van de gemeentelijke plannen. Een minderheid van de inwoners is bereid actief te zijn in zijn of haar dorp met betrekking tot de warmtetransitie of om kennis en ervaring in te zetten. Als het gaat over de manier waarop inwoners het liefst geïnformeerd worden over de warmtetransitie geeft een groot deel van de inwoners de voorkeur aan een e-mail. Daarna volgt het informeren fysieke informatiebijeenkomsten (20%), de gemeentepagina in de schaapskooi (9%), via een brief (6%), via sociale media als Facebook, Twitter of LinkedIn (5%), via een app (4%), de website van de gemeente (2,5%) en digitale bijeenkomsten (2,5%). Van de respondenten geeft 4% aan geen behoefte het hebben om geïnformeerd te worden over de warmtetransitie en 11% geeft aan dat ze zelf contact op willen kunnen nemen met de
65 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Bijlage 8: indeling wijken gemeente Heerde
Figuur 8.1: indeling Heerde
Figuur 8.2: indeling Wapenveld
66 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022
Figuur 8.3: indeling Vorchten
Figuur 8.4: indeling Veessen
Figuur 8.5: indeling Hoorn
67 Transitievisie Warmte gemeente Heerde I definitief I 22-04-2022