3.2.7. Quickscan Flora en Fauna.pdf
Tekst van het document
broed
BURO SRO OOST B.V. T.a.v. dhr. E. Mekelenkamp Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
2 april 2021
Kenmerk
BE/2021/320/r
Uw kenmerk
Email d.d.
Auteur(s)
ir. M. Poelman
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde Aan de Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde is een bedrijfsperceel gesitueerd met bedrijfsbebouwing en twee woningen met tuin. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te saneren ten behoeve van de realisatie van 30 appartementen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en/of de Groene Ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde (figuur 1). Het betreft een bedrijventerrein met twee bedrijfspanden (gebouw C en D) en twee woningen (gebouw A en B) met tuin. Het terrein is bijna volledig bebouwd of verhard, afgezien van de tuin, welke een goed onderhoudsbeeld heeft. Hieronder volgt een beschrijving van de diverse gebouwen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Gebouw A: Een woning opgetrokken uit gepleisterde muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met dakpannen. Gebouw B: Een woning opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een zadeldak bedekt met dakpannen. Gebouw C: Bedrijfsbebouwing opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Bovenste delen van de gevels zijn bedekt met damwandplaat. Het dak is plat en bedekt met bitumen Gebouw D: Bedrijfsbebouwing opgetrokken uit gemtselde muren met spouw. Het dak is deels plat en deels een zaagtanddak, en bedekt met bitumen en delen met glas. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door stedelijk gebied ten westen, noorden en zuiden, en agrarisch gebied met bosschages ten oosten. Ten oosten liggen de Grift en het Apeldoornsch kanaal op circa 0,35 km en 0,50 km, respectievelijk. De A50 ligt ten westen op ongeveer 1,70 km.
D
B
C
Figuur 1
2
A
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
A
B
C
D
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de bedrijfsbebouwing en de twee woningen. In de toekomstige situatie zullen 30 appartementen gerealiseerd worden, waarvan 18 aan de Bonenburgerlaan en 12 aan de westelijk gelegen Meidoornlaan. Tevens worden er rijlanen, parkeerruimte en groenstructuren aangelegd. De groenstrook ten noorden van de bebouwing blijft grotendeels behouden en er worden nieuwe hagen aangeplant. De bestemming van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van enkele bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie. De uiteindelijke situatie kan nog wijzigen (bron: Van Vemde Projectontwikkeling BV Twello).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene ontwikkelingszone geldt het ‘ja, mits’ principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleidt valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
5
e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie is een grotendeels bebouwd of verhard perceel. De tuin van de woning is vrij goed onderhouden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: blauwe druif, Chinees klokje, grote brandnetel, haagbeuk, hazelaar, hortensia, klimop, laurierkers, paardenbloem, plataan, raaigras, reigersbek, rododendron, smalle weegbree, straatgras, veldzuring.
Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wild zijn, woelrat en wolf (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, damhert, das, otter, rode eekhoorn, steenmarter, wild zwijn en wolf. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
De planlocatie bevindt zich midden in de bebouwde kom en er is nauwelijks sprake van groenstructuren, afgezien van de tuin en de groenstrook ten noorden. Dit is geen geschikt habitat voor bevers, dassen, damherten, otters, wilde zwijnen en wolven. De aanwezigheid van deze soorten op de planlocatie kan worden uitgesloten. Boommarters en rode eekhoorns komen met name voor in aaneengesloten bos- of parkachtige gebieden. Rode eekhoorns komen daarnaast ook voor in stedelijk gebied met voldoende grote (oude) bomen die als nest- en/of foerageerbomen kunnen dienen. Van voornoemde is geen sprake op de planlocatie. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor boommarters en rode eekhoorns. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten.
6
Bunzingen komen in allerlei landschapstypen voor, maar hebben een voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan echter ook voorkomen in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Structuren als struweel, bosschage, oeverbegroeiing, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden bieden beschutting. Allerlei droge ruimten of holten kunnen dienen als rust- en nestplaats, waaronder konijnenholen, verlaten dassenpijpen, holle boomstammen, onder hooibalen of grove puinhopen (Stichting kleine marters, 2020; Zoogdiervereniging, 2020). Op de planlocatie zijn geen structuren aangetroffen die als potentiële rust- of verblijfplaats van een bunzing kan fungeren. Daarnaast is er sprake van te weinig dekking biedende groenstructuren op of rondom de planlocatie. Derhalve zal de planlocatie geen essentiële functie vervullen voor bunzingen. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De soort komt met name voor nabij steden, dorpen en boerderijen, in parklandschappen en gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes.
Verblijfplaatsen van steenmarters bevinden zich in boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekkingen. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen is tevens van belang, gezien deze kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). Op de planlocatie zijn geen sporen als prooiresten, uitwerpselen of prenten aangetroffen welke duiden op de aanwezigheid van steenmarters. Daarnaast is er sprake van veel verstoring door de ligging midden in de bebouwde kom. De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van een steenmarter zal derhalve niet aan de orde zijn. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals egels. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De bomen op de planlocatie zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bast en scheuren welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Enkel in de tuin van de woning en de groenstrook ten noorden van de bebouwing zijn bomen aanwezig. De bomen in de tuin zullen verwijderd worden. In deze bomen zijn geen structuren of boomholten aangetroffen welke als verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen dienen. De groenstrook ten noorden blijft grotendeels behouden. Er is derhalve geen sprake van het aantasten van rust- en/of verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.
7
De woningen hebben beiden potentie voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen (figuur 4). Er zijn (beperkte) kieren aanwezig onder de kantpannen welke vleermuizen toegang kunnen bieden tot een open dakruimte en/of een spouw. Gebouw B heeft een aantal ventilatieroosters welke toegang bieden tot de spouw. In de garage van gebouw B bevinden zich kierende boeidelen en ventilatieroosters. De bedrijfsbebouwing biedt eveneens mogelijkheden voor vleermuis verblijven (figuur 4). Gebouw D heeft een spouwmuur met ventilatie roosters die vleermuizen toegang kunnen verschaffen tot de spouw. Daarnaast zijn er kierende boeidelen en kierende daklijsten aanwezig. Gebouw C leek niet geschikt te zijn voor vleermuisverblijven, echter was het gebouw niet volledig te inspecteren vanwege beperkte toegankelijkheid. Volledigheidshalve kan dit gebouw ook meegenomen worden in aanvullend onderzoek naar de soortgroep. Het is niet uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Er is tevens (beperkte) potentie aanwezig voor (massa)winterverblijfplaatsen. Volledigheidshalve kan het voorkomen van dergelijke (massa)winterverblijfplaatsen eveneens beoordeeld worden.
Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 6 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen). A
B
C
D
Figuur 4
E
Diverse structuren in de woningen en bedrijfsbebouwing welke vleermuizen mogelijk toegang bieden tot een verblijfplaats. A) (beperkte) kierende kantpannen in woning A; B) ventilatieroosters in woning B; C) ventilatieroosters en kierende boeidelen in de garage van woning B; D) ventilatieroosters in gebouw E; E) kierende boeidelen in gebouw E.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.
8
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie zal geen sprake zijn van een essentiële vliegroute, gezien er geen rechtlijnige structuren als bomenlanen of oevervegetatie langs sloten aanwezig zijn, welke diverse delen van het habitat van vleermuizen met elkaar verbinden. Van essentieel foerageergebied zal eveneens geen sprake zijn, gezien er geen sprake is van open plekken tussen bomen in de buurt van oppervlaktewater. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, poelkikker en vuursalamander (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker en vuursalamander.
Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie of de directe ogmeving daarvan is geen oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie biedt eveneens geen mogelijkheden als overwintering- of foerageergebied, gezien het grotendeels verhar den bebouwd is. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde amfibieën als de poelkikker en vuursalamander. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en zandhagedis (NDFF 2011-2021). (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.
Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van bebouwing, verharding en menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen zoals hazelwormen en zandhagedissen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: de kleine ijvogelsvlinder en de beekrombout (NDFF 2011-2021). De beekrombout komt voornamelijk voor bij grotere beken en kleine rivieren. De kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos (Vlinderstichting, 2020). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de kleine ijsvogels vlinder of de beekrombout. de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
9
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd (overvliegend), houtduif, huismus (bij buren), koolmees, kleine mantelmeeuw, merel, tjiftjaf, vink en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De bedrijfsbebouwing heeft platte daken of zaagtanddak bedekt met bitumen, wat geen mogelijkheden biedt voor huismusnesten. Het pannendak van woning B is niet goed toegankelijk voor huismussen. De dakpannen zijn plat (zonder bolling), waardoor er geen ruimtes aanwezig zijn waarin huismussen kunnen nestelen (figuur 5).
Onder de dakpannen van woning A zijn plekken aanwezig die huismussen toegang zouden kunnen bieden tot een potentiële nestruimte, zoals onder de eerste rij dakpannen en onder enkele scheef liggende dakpannen (figuur 5). Het voorkomen van nestlocaties van huismussen op de planlocatie kan derhalve niet uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot beperkte aantasting van groene delen. De tuin van woning B kan mogelijk functioneel leefgebied vormen voor aanwezige huismussen. Er dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van huismussen op de planlocatie (zie Vervolgstappen).
Figuur 5
De toegang tot de onderste rij dakpannen van woning A wordt geblokkeerd door een houten balk (links). De dakpannen van woning B zijn plat, wardoor er geen ruimtes onder aanwezig zijn waar huismussen zouden kunnen nestelen.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De te slopen bebouwing heeft geen geschikte invliegopeningen voor gierzwaluwen. De kieren onder de kant- en nokpannen zijn te klein voor gierzwaluwen (< 2 cm). Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten, gezien het grotendeels bebouwd of verhard is. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
10
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
11
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en op een afstand van circa 2,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 210 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 200 m ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 5).
Veluwe
1,8 km
2,7 km
Rijntakke
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en op een afstand van circa 2,7 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: Arcgis.com).
210 m 200 m
Figuur 5
12
De planlocatie ligt op een afstand van circa 210 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 200 m ligt de Groene ontwikkelingszone (bron: geoportaal.gelderland.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van bedrijfsbebouwing en twee woningen ten behoeve van de realisatie van 30 appartementen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen.
De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er een vrij geringe afstand (1,8 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
13
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismussen en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk eveneens geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten omtrent stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus
14
Artikel 3.5
Artikel 3.1
Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee
Ja
Verblijfplaatsen
Nestlocaties/foerageergebied
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Ja
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Baardvleermuis
Nee
Ja
Ja
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute Essentieel foerageergebied
Nee Nee
N.v.t. N.v.t.
N.v.t. N.v.t.
Geen lijnvormige structuren Geen houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. Vleermuissoort Zomer Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
Ja Ja Ja
Ja Nee Nee
Tabel 5
Ja Ja Ja
Ja Nee Ja
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
1,8 km
Stikstof
AERIUS
Gelders Natuurnetwerk
210 m
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
200 m
Geen
N.v.t.
Tabel 6
15
Potentiële openingen in bebouwing Hoge bebouwing met bufferend vermogen Potentiële openingen in bomen én bebouwing Potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing Geen aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Geen geschikte bomen en geen aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Geen uitgestrekte donkere bosgebieden en geen boomholte(s) met voldoende inrotting Geen uitgestrekte donkere bosgebieden Geen agrarisch gebied zonder (te) veel lichtverstoring Geen boomholte(s) met voldoende inrotting en geen bosachtig gebied. Geen geschikte hoogbouw
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Er is geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De sanering van de twee woningen en de bedrijfsbebouwing aan de Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels zes gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2021. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 3 in het najaar (augustusseptember) plaats te vinden. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied is geen sprake.
• Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
16
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
17
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geoportaal.gelderland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
18
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
19
Bijlage 1 Fotografische impressie
20
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bonenburgerlaan 44 & 48 te Heerde en bestaat uit twee woningen en bedrijfsbebouwing.
Figuur 2
De tuine tussen de twee woningen (gebouw A & B) in.
21
Figuur 3
De groenstrook ten noorden van de planlocatie.
Figuur 4
Gebouw D gezien vanuit het noordwesten met het transformator huisje
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
22
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
23
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
24