18.7. Natuurversterkingsplan natuurbegraafplaats.pdf
Tekst van het document
Natuurversterkingsplan
Wapenveld, Natuurbegraafplaats De Polberg
Familie Stuyling de Lange
Datum: 7 juli 2020 Projectnummer: 190627
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
5
3
Plan van aanpak
7
4
N16.03/16.04 Droog bos/ vochtig bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos 10
4.1 4.2 4.3
Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Maatregelen voor omvorming Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming
10 10 10
5
N16.03 Droog bos met productie naar N07.01 Droge heide
12
5.1 5.2 5.3
Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Maatregelen voor omvorming Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming
12 12 12
6
N16.04 Vochtig bos met productie naar N06.02 Vochtige heide 13
6.1 6.2 6.3
Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Maatregelen voor omvorming Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming
13 13 13
7
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland naar N10.02 Vochtig hooiland
14
7.1 7.2 7.3
Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Maatregelen voor omvorming Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming
14 14 14
8
N00.01/N00.02 Nog om te vormen natuur/kwaliteitsimpuls naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
15
8.1 8.2 8.3
Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Maatregelen voor omvorming Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming
15 15 15
Geraadpleegde bronnen
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De familie Stuyling de Lange is voornemens een natuurbegraafplaats met ceremonieruimte en informatiepunt te realiseren op het hen in eigendom toebehorende Landgoed De Polberg te Wapenveld. Daarnaast zal een deel van het aangrenzende Landgoed Winfried in de planontwikkeling worden betrokken. Met de komst van de natuurbegraafplaats kan Landgoed De Polberg passend worden onderhouden en voor de toekomst worden veiliggesteld. De natuurbegraafplaats komt te liggen op het westelijke deel van beide landgoederen. De ceremoniële ruimte en het informatiepunt worden gerealiseerd in de bestaande opstallen op het (noord)oostelijke deel van Landgoed De Polberg. Het natuurbegraven zal plaatsvinden in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Op 1 maart 2017 is het nieuwe beleid voor natuurbegraven in het GNN vastgesteld door provinciale staten Gelderland, dat op 21 maart 2017 in werking is getreden. In het nieuwe beleid wordt het mogelijk gemaakt een natuurbegraafplaats te realiseren in het Gelders natuurnetwerk, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het opstellen van een natuurversterkingsplan. Met voorliggende rapportage wordt hierin voorzien.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het planvoornemen is om bij de ontwikkeling van een natuurbegraafplaats op Landgoed De Polberg, het aangrenzende Landgoed Winfred te betrekken. Beide landgoederen liggen ten zuidwesten van het dorp Wapenveld in de gemeente Heerde. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Groteweg aan de oostzijde, het Wapenvelderzand aan de noordzijde en zorghotel Groot Stokkert aan de zuidzijde. Aan de westzijde grenst het plangebied aan natuurgebied het Zwolsche Bos en Landgoed Petrea. Het plangebied wordt doorsneden door de Wapenveldseweg (die de oorspronkelijke landgoederen van elkaar scheid). De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 77 hectare, waarvan 62 hectare wordt aangewend ten behoeve van de natuurbegraafplaats. De kadastrale gegevens van Landgoed De Polberg zijn: Heerde, sectie A, nummers 973, 1113, 1118, 1246, 1247, 1680 en 2084. De kadastrale gegevens van Landgoed Winfried zijn: Heerde, sectie A, nummers 1224, 1226, 1225, 1416 en delen van de percelen Heerde, sectie A, nummers 1417, 1186 en 2088. De landgoederen Winfried en De Polberg zijn twee van de zes landgoederen die tussen 1850 en 1900 op de arme heidegronden tussen Hattem en Heerde werden gesticht als gevolg van verbeterde ontginnings- en bemestingstechnieken. Landgoed De Polberg heette oorspronkelijk Jacoba Hoeve en dankt zijn huidige naam aan een oude
3
dekzandrug - de Polberg - die ontstond op de afzettingen van oostelijke rivieren en smeltwater. 1.2.2
Toekomstige plannen Zoals genoemd zal er uiteindelijk op in totaal 62 hectare van het plangebied natuurbegraven mogelijk gemaakt worden. Op de natuurbegraafplaats zullen naar verwachting jaarlijks gemiddeld 250 begravingen plaatsvinden. De eerste 5 jaar zal het aantal begravingen vermoedelijk lager uitvallen (aanloopperiode). Uitgangspunt is dat maximaal 10% van de oppervlakte daadwerkelijk gebruikt gaat worden voor natuurbegraven. De natuur bepaald waar en hoeveel graven er gerealiseerd kunnen worden, met een maximum van 10%. Op basis van diverse onderzoeken - waaronder onderzoeken uit1 2 gevoerd in opdracht van provincie Gelderland en Natuurmonumenten - wordt bij een grafdichtheid van 10% geen significant negatieve natuureffecten verwacht.
1
Natuurbegraven in Gelderland; verkennend onderzoek naar effecten op water, bodem en natuur, Onderzoekscentrum Bware, d.d. 2 november 2017.
2
Effecten van natuurbegraven op de vegetatie op Natuurbegraafplaats Heidepol, Wageningen Environmental Research (Alterra), ISSN 1566-7197, d.d. oktober 2017. 4
2
Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader wat betrekking heeft op de voorgenomen plannen.
2.1.1
Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.
De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied provinciale belangen raakt. Het plangebied is onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Op 1 maart 2017 hebben provinciale staten van Gelderland natuurbegraven in het GNN mogelijk gemaakt, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde voorwaarden. Artikel 2.47 (instructieregel bestemmingsplan natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk onder voorwaarden) 1. In afwijking van paragraaf 2.6.1 kan een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het Gelders natuurnetwerk een natuurbegraafplaats mogelijk maken, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
5
a. b. c. d. e.
de grafrust wordt gerespecteerd, er worden alleen menselijke stoffelijke resten en urnen begraven, er vinden geen bijzettingen plaats, er vindt geen as-verstrooiing plaats, er wordt alleen in vergankelijke materialen begraven, bij het dichten van een graf wordt de bodem in de oorspronkelijke volgorde teruggeplaatst, f. er worden geen grafmonumenten geplaatst, g. er worden geen nieuwe gebouwen of bouwwerken opgericht, h. er worden geen verhardingen of half verhardingen aangebracht, i. er vindt geen grondverzet plaats anders dan voor het delven van een graf of het begraven van een urn nodig is, j. het aantal graven bedraagt ten hoogste 500 graven per hectare, k. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk worden versterkt door per 250 graven per hectare één hectare nieuwe natuur te realiseren of door het omvormen van vijf hectare bestaande natuur naar een provinciaal doeltype zoals beschreven in het natuurbeheerplan en de beheerplannen Natura2000, l. in het bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting een beheerplan opgenomen dat inzicht geeft hoe met de ter plaatse voorkomende bijzondere soorten wordt omgegaan. 2. De initiatiefnemer legt de wijze van versterking van de kernkwaliteiten, de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed en het dichten van graven vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.
6
3
Plan van aanpak Zoals in hoofdstuk 2 staat aangegeven zijn er duidelijke voorwaarden voor het realiseren van een natuurbegraafplaats in het GNN. Voor de voorgenomen plannen krijgt 62 hectare naast de (hoofd)functie natuur de nevenfunctie natuurbegraven. Op de natuurbegraafplaats zullen naar verwachting jaarlijks 250 begravingen plaatsvinden. De natuur bepaald waar en hoeveel graven gerealiseerd kunnen worden, met dien verstande dat maximaal 10% van de totale oppervlakte wordt aangewend voor natuurbegraven. Dit komt neer op gemiddeld 370 graven per hectare. Uitgaande van gemiddeld 370 graven per hectare betekent dit dat voor het plan in totaal 92 hectare nieuwe natuur moet worden gerealiseerd, of 459 hectare bestaande natuur moet worden omgevormd naar een provinciaal beheertype zoals beschreven in het natuurbeheerplan en de beheerplannen Natura 2000. Het is niet haalbaar voorafgaand aan het initiatief te voldoen aan de volledige versterkingsopgave. Tegelijkertijd zal de potentiële capaciteit van het natuurbegraafterrein ook niet direct ten volle benut worden, maar zal het aantal natuurgraven verspreid over een groot aantal jaren gestaag groeien. Het voorstel is dan ook om steeds een deel van de versterkingsopgave te realiseren, zodat de capaciteit van de natuurbegraafplaats stapsgewijs wordt verhoogd.
In dit plan van aanpak staat beschreven hoe deze insteek vorm krijgt en welke stappen doorlopen worden voordat de potentiële capaciteit van het plangebied benut kan worden voor natuurbegraven. De voorwaarden zullen daarnaast worden geborgd in het bestemmingsplan. Daarin wordt een bepaling opgenomen dat per 250 natuurgraven binnen of buiten het plangebied natuurversterking moet plaatsvinden conform het voorliggende natuurversterkingsplan. Het is van belang dat er in dit natuurversterkingsplan een concrete werkwijze aanwezig is, wat voldoende borgt dat de versterking plaats vindt voor er natuurgraven worden uitgegeven. Aangezien voorafgaand niet bekend is in welke gebieden de versterking plaats gaat vinden, kan geen locatie-specifiek stappenplan met tijdschema aangeleverd worden. Wel zijn stappenplannen toegevoegd voor de realisatie van verschillende doeltypes met de bijbehorende randvoorwaardes (hoofdstuk 4 t/m 6). De randvoorwaardes betreffen zowel de eisen waar een gebied aan moet voldoen om geschikt geacht te worden voor omvorming naar het gewenste beheertype, en eisen waaraan het gebied uiteindelijk moet voldoen om beoordeeld te worden als ’succesvol omgevormd gebied’. Wanneer het gebied aan de randvoorwaarden voldoet, kan gesteld worden dat aan een bepaald oppervlak van de opgave is voldaan.
Afhankelijk van het gebied kan een volledige omvorming naar een beheertype vele jaren duren. Het is niet haalbaar de omvorming volledig af te wachten voordat een oppervlakte vrijgegeven kan worden voor natuurbegraven. Per gebied zal echter een officieel verzoek ingediend worden om het beheertype te veranderen met een locatiespecifiek plan van aanpak. In dit plan van aanpak wordt onderscheidt gemaakt van inrichting van het gebied (de actieve omvorming) en het beheer van het gebied wat er op lange termijn voor zorgt dat het gebied zal voldoen aan de randvoorwaarden voor een volledig omgevormd gebied. Na het indienen van het verzoek en het uitvoeren van de inrichting van het gebied, is geborgd dat de omvorming plaatsvindt en kan het oppervlakte vrijgegeven worden voor natuurbegraven.
7
In het GNN wordt onderscheid gemaakt tussen een groot aantal verschillende beheertypes. Het is echter belangrijk dat de beheertypes die gerealiseerd worden in het kader van de versterkingsopgave goed aansluiten bij de ambities van de provincie en bij de bestaande natuurgebieden. Elke omvorming van natuur in het GNN is mogelijk en kan kwalificeren als kwaliteitsimpuls zolang het aansluit bij het provinciaal beleid en/of de ambities voor de Natura 2000-gebieden. Veel omvormingen zijn echter maar op heel beperkte oppervlakten land mogelijk. Daarom zullen enkele veel voorkomende omvormingen besproken worden. Met inachtneming van het beheerplan Natura 2000 Veluwe (Provincie Gelderland, 2017) en de ambitiekaart 2020 van het natuurbeheerplan (Provincie Gelderland, 2020) komen daardoor vijf voorbeelden van omvormingen van natuurbeheertypen naar voren. Als eerste optie is er in het Natura 2000-gebied De Veluwe een enorm oppervlak aan beheertype N16.03 Droog bos met productie en enkele stukken N16.04 Vochtig bos met productie. Deze beheertypen hebben een erg lage natuurwaarde. Geen van deze gebieden behoort ook tot een habitatrichtlijngebied van de Natura 2000. Met omvorming naar het beheertype N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos kan een grote stimulans aan de biodiversiteit in de bossen in en rondom de Veluwe gegeven worden.
Volgens het beheerplan van de Veluwe is er in het natuurgebied een oppervlakte van 6660 ha bos op oude bosbodem (Droog bos met productie) waar een ambitie ligt om dit om te vormen naar oud loofbos en beuken eikenbos met hulst (Dennen-, eiken-, en beukenbos). De locaties van deze terreinen zijn te vinden op de kansenkaart van het beheerplan Natura 2000 Veluwe. Daarnaast is in het plangebied zelf veel ‘Droog bos met productie’ aanwezig. Het is ook mogelijk de omvorming binnen het plangebied toe te passen. Er kan ook voor gekozen worden meer open habitats te creëren waar dit gewenst is. Daarom is een tweede optie tot omvorming om beheertype N16.03 om te vormen naar beheertype N07.01 Droge Heide. Zoals in de vorige alinea staat beschreven is er veel droog bos met productie aanwezig. Droge heide is een zeer karakteristiek beheertype voor op de Veluwe en heeft een hogere natuurwaarde dan een productiebos. Naast droog productiebos is op verschillende plaatsen beheertype N16.04 Vochtig bos met productie aanwezig. Het is niet logisch dit te verdrogen. In plaats daarvan wordt als derde optie tot omvorming voorgelegd om beheertype N16.04 vochtig bos met productie om te vormen tot beheertype N06.02 Vochtige heide. Dit heeft wederom een veel hogere natuurwaarde en sluit aan bij de ambities voor het Veluwegebied.
Als vierde optie tot omvorming wordt er gekeken naar de mogelijkheid tot een kwaliteitsimpuls voor graslanden. Er zijn voornamelijk in Natura 2000-gebied Rijntakken veel oppervlakten aan N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland aanwezig. Hoewel dit beheertype voor veel algemene soorten al een nuttig gebied is, valt er voor veel van de doelsoorten van de Rijntakken veel winst te behalen door dit om te vormen naar N10.2 Vochtig hooiland. De wens naar deze omvorming staat beschreven in beheerplan Natura 2000 Rijntakken (Provincie Gelderland, 2018). De locaties waar deze ambitie ligt staat ook op de kansenkaarten van dit document weergegeven.
8
Ten slotte zijn er buiten de Natura 2000-gebieden, maar binnen het GNN veel percelen aanwezig waar nu het beheertype N00.01 ‘Nog om te vormen natuur’ ligt. Dit zijn veelal (voormalig) agrarische percelen met een lage natuurwaarde en een voedselrijke bodem. Het is vaak niet mogelijk dergelijke terreinen direct om te vormen naar een hoogwaardig natuurdoeltype, zoals bijvoorbeeld ‘Vochtig hooiland’. Wel is het mogelijk het terrein te verschralen en om te vormen naar N12.02 ‘Kruiden- en faunarijk grasland’, wat al een enorme impuls geeft aan de biodiversiteit in dat gebied. Wanneer het enkele jaren verschraald is kan het ooit weer omgevormd worden naar een hoogwaardiger beheertype. De oppervlakte van beheertype N00.01 staan weergegeven in het natuurbeheerplan 2020. De bovenstaande voorbeelden geven ruimschoots genoeg opties om aan de volledige compensatieopgave te voldoen. In hoofdstuk 4 tot en met 8 zullen deze opties uitgewerkt worden in een concrete stappenplannen met randvoorwaardes. De vijf verschillende opties hebben een vergelijkbare positieve impact op de biodiversiteit van het gebied. Het ligt daarom bij de initiatiefnemer om geschikte locaties te vinden waar één van deze omvorming toegepast kan worden. Dit zal altijd voorafgaand aan de werkzaamheden gemeld worden bij de provincie.
Ondanks dat bovenstaande voorbeelden voldoende mogelijkheden geven om aan de volledige compensatieopgave te voldoen, is het niet nodig om beperkt te worden tot deze opties. Alle omvormingen die aansluiten bij de ambitiekaart van het natuurbeheerplan kunnen kwalificeren als compensatie, zolang maar goed aangetoond kan worden dat de omvorming haalbaar is. Zo kunnen bijvoorbeeld kruiden- en faunarijke graslanden niet alleen omgevormd worden naar vochtige hooilanden, maar soms ook naar vochtige schraallanden, droge schraallanden, heischrale graslanden of zelf tot bossen, zolang dit maar aansluit bij de ambities van het natuurbeheerplan. Daarnaast blijft de optie bestaan om aansluitend aan het huidige GNN nieuwe natuur te ontwikkelen. Hiervoor kan, net als voor de kwaliteitsimpulsen, een locatie specifiek plan van aanpak ingediend worden voor de omvorming van een gebied tot een natuurbeheertype van het GNN. Los van de kwaliteitsimpulsen die buiten het plangebied gerealiseerd zullen worden, zal ook binnen het plangebied gekeken worden welke delen een voordeel hebben aan een kwaliteitsimpuls.
9
4
4.1
N16.03/16.04 Droog bos/ vochtig bos met productie naar N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Een gebied moet aan alle volgende eisen voldoen om geschikt bevonden te worden voor omvorming naar natuurbeheertype N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos.
Het gebied staat in het meest recente natuurbeheerplan beschreven als beheertype N16.03 Droog bos met productie of N16.04 Vochtig bos met productie. Wanneer het gebied in Natura 2000-gebied De Veluwe ligt moet het op de kansenkaart van het beheerplan Natura 2000 Veluwe aangegeven zijn als gebied met de ambitie om dit om te vormen naar oud eikenbos en beukeneikenbos met hulst. Het gebied moet niet al voor een ander project omgevormd worden naar het nieuwe beheertype.
Naast bovengenoemde eisen wordt geadviseerd een gebied te zoeken wat aansluit bij een reeds functioneel gebied met beheertype N15.02. Dit omdat het een toegevoegde waarde heeft om een zaadbank van de gewenste soorten in de omgeving van je gebied te hebben. Zo hoeven er niet kunstmatig bepaalde soorten ingebracht te worden om de gewenste flora te realiseren. Dit is echter geen eis, maar maakt de versterkingsopgave wel eenvoudiger.
4.2
Maatregelen voor omvorming Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het terrein om te vormen naar het gewenste beheertype. Welke maatregel het belangrijkst is voor het gebied verschilt per regio. Dit zal dus per locatie bekeken moeten worden.
4.3
Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming Een gebied moet aan de volgende eisen voldoen om geclassificeerd te mogen worden als beheertype N15.02 Dennen-, eiken en beukenbos. Deze eisen komen overeen met de afbakening van het beheertype op de website van BIJ12.
Dennen-, eiken-, of beukenbos omvat bossen en struwelen gedomineerd door eiken, dennen, beuken, berken, lijsterbes, ratelpopulier of vuilboom. Maximaal 20% van het areaal van het betreffende bosgebied wordt gedomineerd door boomsoorten die oorspronkelijk van buiten Europa zijn ingevoerd, zoals Amerikaanse eik en Douglasspar. Op 80% van de oppervlakte wordt geen hout geoogst of is de houtoogst minder dan 20% van de bijgroei. Op de overige oppervlakte kan meer geoogst worden in het kader van omvorming naar een natuurlijker bos. Initiatiefnemer dient verzoek in bij provincie op beheertype te wijzigen naar beheertype N15.02
10
11
5
5.1
N16.03 Droog bos met productie naar N07.01 Droge heide Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Een gebied moet aan alle volgende eisen voldoen om geschikt bevonden te worden voor omvorming naar natuurbeheertype N07.01 Droge heide.
Het gebied staat in het meest recente natuurbeheerplan beschreven als beheertype N16.03 Droog bos met productie. Het gebied moet niet al voor een ander project omgevormd worden naar het nieuwe beheertype. Het gebied ligt binnen 200 meter van een ander gebied met het beheertype N07.01 Droge heide.
Naast bovengenoemde eisen wordt geadviseerd een gebied te zoeken waar de grenswaarde voor stikstofdepositie op droge heide niet wordt overschreden. Heidegebieden zijn erg gevoelig voor verzuring en vermesting. Bij lage stikstofdepositie is het eenvoudiger een functioneel heidegebied te realiseren.
5.2
Maatregelen voor omvorming Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het terrein om te vormen naar het gewenste beheertype. Welke maatregel het belangrijkst is voor het gebied verschilt per regio. Dit zal dus per locatie bekeken moeten worden.
5.3
Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming Een gebied moet aan de volgende eisen voldoen om geclassificeerd te mogen worden als beheertype N07.01 Droge heide. Deze eisen komen overeen met de afbakening van het beheertype op de website van BIJ12.
Het beheertype Droge heide bestaat voor tenminste 60% uit heidevegetaties of vegetaties gedomineerd door bochtige smele of pijpenstrootje. Jeneverbesstruwelen en bremstruwelen kunnen onderdeel uitmaken van Droge heide evenals verspreide bomen, kleine open zandige plekken en grazige vegetaties op basenarme zand- en leemgronden. De heidevegetatie bestaat voor tenminste 30% uit struikheide, kraaiheide en/of bosbessoorten, al dan niet gemengd met gewone dophei.
Initiatiefnemer dient verzoek in bij provincie op beheertype te wijzigen naar beheertype N07.01
12
6
6.1
N16.04 Vochtig bos met productie naar N06.02 Vochtige heide Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Een gebied moet aan alle volgende eisen voldoen om geschikt bevonden te worden voor omvorming naar natuurbeheertype N06.02 Vochtige heide.
Het gebied staat in het meest recente natuurbeheerplan beschreven als beheertype N16.04 Vochtig bos met productie. Het gebied moet niet al voor een ander project omgevormd worden naar het nieuwe beheertype. Het gebied ligt binnen 200 meter van een ander gebied met het beheertype N06.02 Vochtige heide.
Naast bovengenoemde eisen wordt geadviseerd een gebied te zoeken waar de grenswaarde voor stikstofdepositie op droge heide niet wordt overschreden. Heidegebieden zijn erg gevoelig voor verzuring en vermesting. Bij lage stikstofdepositie is het eenvoudiger een functioneel heidegebied te realiseren.
6.2
Maatregelen voor omvorming Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het terrein om te vormen naar het gewenste beheertype. Welke maatregel het belangrijkst is voor het gebied verschilt per regio. Dit zal dus per locatie bekeken moeten worden.
6.3
Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming Een gebied moet aan de volgende eisen voldoen om geclassificeerd te mogen worden als beheertype N06.02 Vochtige heide. Deze eisen komen overeen met de afbakening van het beheertype op de website van BIJ12.
Het beheertype Vochtige heide omvat voor tenminste 60% vegetatie gedomineerd door dwergstruiken of pijpenstrootje. Naast heide bevat dit type ook struwelen, verspreide bomen, grazige vegetaties, kleine stilstaande watertjes en kale bodem op zandige tot venige plaatsen. De heidevegetatie dient voor tenminste 30% uit gewone dophei al dan niet gemengd met struikhei of kraaihei, te bestaan en enkele karakteristieke soorten bevatten: gevlekte orchis, kleine zonnedauw, ronde zonnedauw, klokjesgentiaan, moeraswolfsklauw, beenbreek, heidekartelblad, eenarig wollegras, veenpluis, witte snavelbies, bruine snavelbies, gewone en noordse veenbies, waterveenmos, rood veenmos, slank veenmos, kussentjesveenmos, week veenmos of zacht veenmos.
Initiatiefnemer dient verzoek in bij provincie op beheertype te wijzigen naar beheertype N06.02
13
7
7.1
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland naar N10.02 Vochtig hooiland Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Een gebied moet aan alle volgende eisen voldoen om geschikt bevonden te worden voor omvorming naar natuurbeheertype N10.02 Vochtig hooiland.
7.2
Het gebied staat in het meest recente natuurbeheerplan beschreven als beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Wanneer het gebied in Natura 2000-gebied Rijntakken ligt moet het op de kansenkaarten van het beheerplan Natura 2000 Rijntakken aangegeven zijn op de kansenkaart ontwikkeling plas-dras. Wanneer het niet binnen een Natura 2000-gebied ligt moet het gebied vrijwel jaarlijks overstroomd worden door oppervlaktewater; staat het onder invloed van uitredend kwelwater (beekdalen) of is gelegen op een veenbodem met een gemiddeld waterpeil van 20-30 cm onder maaiveld, waarbij het peil in de zomer alleen gedurende korte tijd dieper kan wegzakken. Het gebied moet niet al voor een ander project omgevormd worden naar het nieuwe beheertype.
Maatregelen voor omvorming Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het terrein om te vormen naar het gewenste beheertype. Welke maatregel het belangrijkst is voor het gebied verschilt per regio. Dit zal dus per locatie bekeken moeten worden.
7.3
Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming Een gebied moet aan de volgende eisen voldoen om geclassificeerd te mogen worden als beheertype N10.02 Vochtig hooiland. Deze eisen komen overeen met de afbakening van het beheertype op de website van BIJ12.
Vochtig hooiland omvat dotterbloem-, kievitsbloem- of pimpernelhooilanden, weidekervelgraslanden, veldrusschraallanden of de wat schralere bovenveengraslanden. Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Er vindt geen bemesting plaats. Initiatiefnemer dient verzoek in bij provincie op beheertype te wijzigen naar beheertype N10.02
14
8
8.1
N00.01/N00.02 Nog om te vormen natuur/kwaliteitsimpuls naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Randvoorwaarden voor een geschikt gebied Een gebied moet aan alle volgende eisen voldoen om geschikt bevonden te worden voor omvorming naar natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.
8.2
Het gebied staat in het meest recente natuurbeheerplan (ambitiekaart) beschreven als beheertype N00.01 Nog om te vormen natuur of N00.02 Omvorming - Kwaliteitsimpuls. Het betreft een (voormalig) agrarisch perceel. Het gebied maakt deel uit van het GNN of de GO. Het is geen gebied dat vrijwel jaarlijks in winter en voorjaar langdurig overstroomd (dit wordt tot het beheertype Zilt- en overstromingsgrasland gerekend)
Maatregelen voor omvorming Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om het terrein om te vormen naar het gewenste beheertype. Welke maatregel het belangrijkst is voor het gebied verschilt per regio. Dit zal dus per locatie bekeken moeten worden. Herstelbeheer van kruiden- en faunarijk grasland begint tegenwoordig altijd bij voedselrijk en soortenarm agrarisch grasland of akker. Doel van het herstelbeheer is het verwijderen van nutriënten om de biomassaproductie te verlagen en zo een grotere biodiversiteit te verkrijgen. Het herstelbeheer is in twee fasen op te delen: 1) Inrichtingsbeheer: a) Uitmijnen b) Ontgronden 2) Het doorbreken van de dominantie van grassen: a) Hooilandbeheer: maaien en afvoeren b) Actief kale grond creëren c) Kruidenrijk maaisel aanbrengen
8.3
Randvoorwaarden voor succesvolle omvorming Een gebied moet aan de volgende eisen voldoen om geclassificeerd te mogen worden als beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Deze eisen komen overeen met de afbakening van het beheertype op de website van BIJ12.
Het betreft grasland, de grasachtigen (monocotylen) zijn dominant, maar kruiden (dicotylen) en mossen hebben een oppervlakteaandeel van tenminste 20%. De graslanden zijn niet tot andere beheertypen te rekenen (zie afbakeningen andere graslanden op BIJ12.nl).
15
Initiatiefnemer dient verzoek in bij provincie op beheertype te wijzigen naar beheertype N12.02
16
Geraadpleegde bronnen Literatuur Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Oosterbaan, A. Olsthoorn, A.F.M. van den Berg C.A. 2003. Beheersingsstrategieën voor Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Gewone esdoorn Provincie Gelderland, 2017, Beheerplan Natura 2000 Veluwe Provincie Gelderland 2018, Beheerplan Natura 2000 Rijntakken Provincie Gelderland 2020, Natuurbeheerplan
Websites www.aerius.nl www.bij12.nl www.eis-nederland.nl www.natuurkennis.nl www.ndff.nl www.synbiosys.alterra.nl