CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

14.1. Raadsbesluit Re-integratieverordening PW, IOAW, IOAZ gemeente Heerde 2023

Raadscommissie 28 november 2023, gemeente HeerdeBij agendapunt: Re-integratieverordening PW, IOAW, IOAZ gemeente Heerde 202314.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsbesluit De raad van de gemeente Heerde; gelezen het voorstel van het college van 31 oktober 2023; gelet op artikel 8, eerste lid, artikel 8a en 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; besluit: 1. De Re-integratieverordening PW, IOAW, IOAZ gemeente Heerde 2023 vast te stellen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023; 2. De verordening Loonkostensubsidie gemeente Heerde 2017 en de verordening Re-integratie PW, IOAW en IOAZ gemeente Heerde 2017 + eerste wijziging 2021 in te trekken met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begrippen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. 2.

In deze verordening wordt verstaan onder: -

algemeen geaccepteerde arbeid:

-

arbeidsbeperking:

-

Awb: Bbz: college:

-

doelgroep beschut werk

-

doelgroep loonkostensubsidie: doelgroep:

-

interne werkbegeleiding:

Bijlage 1: 09-11-2023

alle (tijdelijke) arbeid die maatschappelijk aanvaard is en die niet indruist tegen de integriteit van de persoon; een functionele beperking van medische, psychische of sociale aard waardoor de belanghebbende ondersteuning nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; Algemene wet bestuursrecht; Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde; personen als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de PW; personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW; personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de PW; door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de

1 / 30

-

inwoner:

-

IOAW:

-

IOAZ:

-

jobcoaching:

-mantelzorg:

-

niet-uitkeringsgerechtigde:

-

overige voorzieningen:

-

persoonlijke ondersteuning bij werk:

-

Praktijkroute:

-

PW: UWV: voorziening:

-

werkgever:

-

werknemer:

Bijlage 1: 09-11-2023

werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; de inwoner van de gemeente Heerde, die als zodanig staat ingeschreven in de Basisregistratie personen en ook feitelijk op dit adres woonachtig is; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; een persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de PW die geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ maar wel tot de doelgroep behoort; voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de PW; ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de PW en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de PW; het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang

tot het doelgroepregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; Participatiewet; Uitvoeringsinstituut werknemersvoorzieningen; door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de PW met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;

2 / 30

Artikel 1.2

Aanvraagformulier

Aanvragen en verzoeken zoals in deze verordening vermeld worden schriftelijk ingediend en met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier, tenzij anders aangegeven.

Hoofdstuk 2 Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie Paragraaf 1

Beleid, evaluatie en algemene bepalingen over voorzieningen

Artikel 2.1.1 Evenwichtige verdeling en evaluatie 1. Het college biedt aan de belanghebbende behorend tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling voor zover deze ondersteuning door het college noodzakelijk wordt geacht, door het aanbieden van een voorziening. 2.

Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van de belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a.

de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en

b.

de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

3.

Het college kan voor verschillende soorten voorzieningen een subsidieplafond vaststellen. Het college weigert de inzet van de voorziening als dit plafond bereikt is, tenzij in de wet anders is bepaald. Indien een ingesteld plafond bereikt is, biedt het college een andere voorziening als alternatief aan indien dit voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk wordt geacht.

4.

Het college informeert de raad jaarlijks over de doeltreffendheid van de inzet van reintegratievoorzieningen.

Artikel 2.1.2 Inzet voorzieningen 1. Het college kan aan de belanghebbende die behoort tot de doelgroep in ieder geval de voorzieningen aanbieden die in deze verordening staan. 2. In aanvulling op het eerste lid houdt het college bij het voorzieningenaanbod ook rekening met: a. andere voorzieningen die binnen het gemeentelijk sociaal domein beschikbaar zijn; en b. overige wettelijke regelingen. 3. Indien het aanbieden van een voorziening zoals genoemd in het tweede lid, onder a, naar het oordeel van het college kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling of de maatschappelijke participatie van de belanghebbende, stemt het college dit waar nodig af binnen het gemeentelijke sociale domein zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de belanghebbende. 4. Het college beoordeelt individueel of de inzet van een voorziening noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. Bij de keuze voor de in te zetten voorziening worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. de belanghebbende wordt zo goed mogelijk naar passend werk of maatschappelijke participatie begeleid; Bijlage 1: 09-11-2023

3 / 30

b. betaald werk gaat voor onbetaald werk of inkomensondersteuning door de gemeente; c. de voorziening is adequaat, waarmee bedoeld wordt: zo licht als mogelijk en zo zwaar als noodzakelijk; d. een scholingstraject is in beginsel alleen mogelijk voor de belanghebbende van 27 jaar en ouder en als de scholing aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet; e. waar mogelijk worden groepsgewijs ondersteunende voorzieningen aangeboden; f.

er wordt rekening gehouden met de vraag op de arbeidsmarkt;

g. werkgevers worden zoveel mogelijk betrokken bij het re-integratie- en plaatsingsproces en door in te zetten voorzieningen ondersteund bij de indienstneming van de belanghebbende uit de doelgroep. 5. In samenspraak met de belanghebbende stelt het college in het plan van aanpak vast welke voorziening wordt aangeboden. 6. Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels vaststellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden en het verstrekken van subsidies. Daarnaast kan het college in beleidsregels een verdere invulling geven over de uitvoering van de voorziening.

Artikel 2.1.3 Weigering en beëindiging voorziening 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a.

de belanghebbende ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;

b.

de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;

c.

de belanghebbende een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

d.

de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of de maatschappelijke participatie;

e.

er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; of

f.

het inzetten van een lichtere voorziening naar het oordeel van het college ook passend en adequaat is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.

2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet nakomt; b. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het gaat om een belanghebbende als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de PW;

Bijlage 1: 09-11-2023

4 / 30

d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een adequate arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de belanghebbende die gebruik maakt van de voorziening; f.

de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

g. de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; of h. het inzetten van een lichtere voorziening naar het oordeel van het college ook passend en adequaat is voor de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie.

Paragraaf 2

Voorzieningen voor de doelgroep

Artikel 2.2.1 Activeringsprogramma gericht op arbeidsinschakeling of scholing 1. Het doel van een activeringsprogramma is het behouden of bevorderen van arbeidsritme, verbetering van de werknemers- en sollicitatievaardigheden of ondersteuning bij de toeleiding naar een baan of scholing. 2. Voor de belanghebbende jonger dan 27 jaar waarvoor de scholingsplicht geldt, kan het college een activeringsprogramma aanbieden gericht op deelname aan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. 3. De duur van het activeringsprogramma is afhankelijk van de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

Artikel 2.2.2 Bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling 1. Bemiddeling heeft als doel de belanghebbende zonder afstand tot de arbeidsmarkt op een zo kort mogelijke termijn te laten uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid. 2. Bemiddeling wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet.

Artikel 2.2.3 Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. Detachering wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet.

Artikel 2.2.4 Diagnose-instrument 1. Het diagnose-instrument heeft als doel om de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen en de mogelijkheden en belemmeringen voor de arbeidsinschakeling vast te stellen.

Bijlage 1: 09-11-2023

5 / 30

2. Voor de belanghebbende jonger dan 27 jaar kan een diagnoseprogramma ingezet worden om de mogelijkheden van scholing te bepalen en de scholingsplicht vast te stellen. Artikel 2.2.5 Groepsgerichte aanpak of training 1. Een groepsgerichte aanpak of training heeft als doel het verbeteren van vaardigheden die de arbeidsinschakeling bevorderen en de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 2. De groepsgerichte aanpak of training kan gericht zijn op een specifieke doelgroep, functie of het wegnemen van een gemeenschappelijke belemmering; 3. Een groepsgerichte aanpak of training wordt in beginsel voor maximaal de duur van een jaar ingezet.

Artikel 2.2.6 Ondersteuning leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden bij een leer-werktraject met als doel schooluitval te voorkomen. Voor deze vorm van ondersteuning komt in aanmerking: a. de belanghebbende van 16 en 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht nog niet is geëindigd; of b. de belanghebbende van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie heeft behaald. Met een startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo2-diploma. De ondersteuning is gericht op extra begeleiding op of naar een leer-werktraject.

Artikel 2.2.7 Overige vergoedingen 1. Het college kan aan de belanghebbende uit de doelgroep een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling en die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. 2. Er bestaat geen aanspraak op een vergoeding als bedoeld in het eerste lid indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die als passend en toereikend kan worden aangemerkt.

Artikel 2.2.8 Participatieplaats 1. Het college kan een participatieplaats aanbieden aan de belanghebbende van 27 jaar of ouder die een uitkering ingevolge de PW, IOAW of IOAZ ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is. 2. De participatieplaats bestaat uit het verrichten van onbeloonde additionele werkzaamheden met behoud van uitkering. De voorwaarden en verplichtingen die hiervoor gelden staan omschreven in artikel 10a van de PW. 3. De duur van de participatieplaats bedraagt in eerste instantie maximaal twee jaar. Deze periode kan met maximaal twee jaar worden verlengd als daarbij wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden. 4. De premie zoals bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de PW, bedraagt € 50,- per periode van zes maanden, mits de belanghebbende in die periode voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Bijlage 1: 09-11-2023

6 / 30

Artikel 2.2.9 Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt aan de belanghebbende uit de doelgroep beschut werk de voorziening beschut werk aan, indien door het UWV beoordeeld is dat de belanghebbende uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2.

Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen wordt vastgesteld op het aantal dienstbetrekkingen waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het rijk.

3.

De datum van het (positief) advies van het UWV is in beginsel bepalend voor de volgorde waarin de voorziening beschut werk wordt aangeboden aan belanghebbenden.

4.

Het college wijst een organisatie aan die optreedt als werkgever van de belanghebbende in beschut werk.

5.

Om beschut werk mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

6.

Het college kan tijdelijk een andere voorziening of een voorziening binnen het gemeentelijk sociaal domein aanbieden aan de belanghebbende: a. van wie die dienstbetrekking nog niet is gestart omdat het aantal te realiseren dienstbetrekkingen in dat kalenderjaar al is bereikt; b. bij wie tijdens de dienstbetrekking is gebleken dat de voorziening beschut werk tijdelijk niet passend is.

Artikel 2.2.10 Persoonlijke ondersteuning bij werk doelgroep 1. Het college kan aan de belanghebbende behorend tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van jobcoaching of interne werkbegeleiding aanbieden indien de belanghebbende: a. een arbeidsbeperking heeft; b. een afstand tot de arbeidsmarkt heeft en de persoonlijke ondersteuning vanwege een in de persoon gelegen belemmering naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. 2. Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3. Bij die beoordeling is het bepaalde zoals vermeld in artikel 2.1.2, eerste tot en met vijfde lid, mede van toepassing.

Artikel 2.2.11 Proefplaats 1. Het college kan de belanghebbende uit de doelgroep met een uitkering op grond van de PW toestemming verlenen om met behoud van uitkering op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten. 2. Het doel van de proefplaats is de arbeidsinschakeling van de belanghebbende te bevorderen. 3. Toestemming voor een proefplaats wordt verleend indien:

Bijlage 1: 09-11-2023

7 / 30

a. de belanghebbende, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de belanghebbende niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor die dienstbetrekking. 5. De duur van de proefplaats bedraagt in eerste instantie maximaal twee maanden. Deze termijn kan met maximaal vier maanden worden verlengd indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. 6. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode zoals genoemd in het vijfde lid buiten beschouwing gelaten. 7.

Het college kan de belanghebbende op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen zoals genoemd in paragraaf 3.

Artikel 2.2.12 Scholing 1. Het college kan een belanghebbende uit de doelgroep een scholingstraject aanbieden voor zover de scholing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om de stap te zetten naar passend werk. 2. Het scholingstraject: a. is gericht op arbeidsinschakeling of op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt; b. is beroepsgericht; en c. duurt niet langer dan nodig is. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de belanghebbende jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, tenzij naar het oordeel van het college sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

Artikel 2.2.13 Sociale activering 1. Het college kan activiteiten in het kader van sociale activering aanbieden aan de belanghebbende uit de doelgroep met een afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het doel van sociale activering is een eerste stap op weg naar reguliere arbeid te zetten. Indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, heeft het tot doel zelfstandige maatschappelijke participatie mogelijk te maken.

Bijlage 1: 09-11-2023

8 / 30

3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. Sociale activering richting arbeidsinschakeling wordt in beginsel voor de duur van maximaal een jaar ingezet. Aan sociale activering richting maatschappelijke participatie is in beginsel geen maximale duur verbonden.

Artikel 2.2.14 Tegenprestatie 1. Het college kan een belanghebbende uit de doelgroep met een afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2. Indien reeds activiteiten worden verricht in het kader van het plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.1.2, vijfde lid, wordt geen tegenprestatie opgedragen. 3. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; b. de persoonlijke situatie, individuele omstandigheden, talenten, wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen bij de bepaling of een tegenprestatie kan worden opgedragen. 5. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; b. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; c. niet strijdig zijn met de doelstelling(en) van het plan van aanpak en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunen dan wel in ieder geval niet in de weg staan. 6.

Vrijwilligerswerk dat voldoet aan de voorwaarden van een tegenprestatie, zoals bedoeld in de wet en in deze verordening, wordt aangemerkt als een tegenprestatie. 7. Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 8. De duur en omvang van de tegenprestatie worden bepaald in het plan van aanpak. 9. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal vier uur per week gedurende maximaal drie maanden. 10. De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden maximaal viermaal worden opgedragen voor een periode zoals bepaald in het negende lid. 11. Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht en voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.

Bijlage 1: 09-11-2023

9 / 30

Artikel 2.2.15 Werkervaringsplek 1. Het college kan aan de belanghebbende die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, indien de belanghebbende: a. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid en waarbij het voor de belanghebbende belangrijk is om arbeidsvaardigheden te verwerven; b. actief is geweest op de arbeidsmarkt, maar door persoonlijke of economische omstandigheden het werk is kwijtgeraakt en waarbij het voor de belanghebbende belangrijk is om arbeidsvaardigheden in stand te houden. 2. Het doel van een werkervaringsplek is het aanleren en ontwikkelen van werknemersvaardigheden, het opdoen van werkervaring, het opdoen of behouden van werkritme en het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Een werkervaringsplek wordt in beginsel gedurende maximaal 36 uur per week en voor de duur van zes maanden aangeboden. 4. Het college plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. In de schriftelijke overeenkomst met de werkgever wordt het leerdoel, de omvang en inhoud van de werkzaamheden en de begin- en einddatum van de werkervaringsplek vastgelegd.

Artikel 2.2.16 Werkgeversvergoeding 1. Het college kan aan de werkgever een incidentele subsidie verlenen indien dit naar het oordeel van het college vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling van de belanghebbende uit de doelgroep en het verstrekken van een overige voorziening als bedoeld in paragraaf 3, onder C of D daarin niet of onvoldoende voorziet. 2. Het college stelt de hoogte van de werkgeversvergoeding en de eventueel daaraan verbonden voorwaarden vast op grond van de individuele omstandigheden. De vergoeding voorziet in de goedkoopst adequate en kwalitatief verantwoorde oplossing. 3. De kosten van de werkgeversvergoeding moeten opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van de arbeidsinschakeling.

Artikel 2.2.17 Werkstage 1. Het college kan een belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als de belanghebbende: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

Bijlage 1: 09-11-2023

10 / 30

a. het doel van de werkstage, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5. Een werkstage wordt voor minimaal drie en maximaal zes maanden aangeboden.

Paragraaf 3

Specifieke bepalingen doelgroep Breed Offensief

A.

Administratief proces loonkostensubsidie

Artikel 2.3.1 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de PW, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een belanghebbende die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of kwetsbare werknemers die niet het minimumloon kunnen verdienen. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de belanghebbende, aan de werkgever en de belanghebbende. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een belanghebbende betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de PW, of te toetsen dat deze werknemer door omstandigheden niet het minimumloon kan verdienen. Indien de aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een belanghebbende als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, onder b, van de PW, wordt de vaststelling of de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.

Het college stelt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de PW. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

B.

Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Artikel 2.3.2 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden of behouden van werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een belanghebbende met een arbeidsbeperking of met een in de persoon gelegen belemmering als bedoeld in artikel 2.2.10, eerste lid, onder b. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen bij het vinden of behouden van werk zoals bedoeld in het eerste lid gelden de volgende voorwaarden: a. de belanghebbende behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij voortgezet speciaal onderwijs of praktijkonderwijs heeft genoten; b. de belanghebbende kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; Bijlage 1: 09-11-2023

11 / 30

c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan die naar het oordeel van college voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende, gelet op zijn afstand tot de arbeidsmarkt en zijn mogelijkheden en belemmeringen; d. het betreft geen voorziening of taak waarvoor de werkgever op grond van Arbo-wetgeving verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f.

er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en

g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 3. De bepalingen zoals genoemd in artikel 2.1.2, eerste tot en met vijfde lid, zijn hierbij mede van toepassing. Artikel 2.3.3 Aanvraagprocedure bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de belanghebbende of zijn werkgever. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen als de beoordeling van de aanvraag dit vereist. 4. Het college bepaalt na overleg met de belanghebbende, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het meest adequaat kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 5.

Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, van de PW. Artikel 2.3.4 Inhoud beschikking bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en

Bijlage 1: 09-11-2023

12 / 30

f.

voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is of kan zijn, waaronder de wijze waarop de belanghebbende integraal kan worden ondersteund.

C.

Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk

Artikel 2.3.5 Doel en vormen van persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk kan worden aangeboden in de vorm van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 2. Jobcoaching heeft als doel dat de belanghebbende uit de doelgroep wordt begeleid in het vinden of behouden van werk waarin hij uiteindelijk zonder deze voorziening bij een werkgever werkzaam kan zijn. Dit betekent dat de belanghebbende aan het einde van de jobcoachingsperiode zelfstandig zijn werk kan uitvoeren. Daarnaast kan jobcoaching gericht zijn op de begeleiding van de werkgever met als doel de directe collega’s van de belanghebbende en zijn directe leidinggevende zodanig te coachen dat zij na afloop zelfstandig de begeleiding kunnen verzorgen. 3. Interne werkbegeleiding is gericht op de begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet ook op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching. Deze vorm wordt ingezet als er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder aan ondersteuning op andere leefgebieden. 4. Jobcoaching of interne werkbegeleiding kan worden verricht door: a. een jobcoach die werkzaam is bij het werkleerbedrijf; b. een externe jobcoach, werkzaam bij een externe organisatie of als zelfstandig ondernemer; c.

een interne jobcoach, werkzaam in een dienstbetrekking bij de werkgever of ingehuurd door de werkgever; d. een interne werkbegeleider, een werknemer in dienst bij de werkgever.

Artikel 2.3.6 Voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van jobcoaching in natura toekennen door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstbetrekking bij of in opdracht van het werkleerbedrijf. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. Samenloop van interne en externe jobcoaching is in beginsel niet mogelijk. 4. De in het eerste en tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in een reguliere dienstbetrekking.

Artikel 2.3.7 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk

Bijlage 1: 09-11-2023

13 / 30

1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk moet binnen twaalf weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van de dienstbetrekking de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Bij een aanvraag die na afloop van de in het eerste lid genoemde periode wordt ingediend en waarbij door het college is vastgesteld dat er recht op deze voorziening bestaat, wordt de persoonlijke ondersteuning in beginsel maximaal vier weken met terugwerkende kracht toegekend. Hierbij is de datum van ontvangst van de aanvraag bepalend. 3. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.

Artikel 2.3.8 Kwaliteitseisen jobcoaching 1. De jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij het vinden en behouden van werk verzorgt, is vakbekwaam en voldoet aan de eisen zoals vermeld in dit artikel. 2. De jobcoach als bedoeld in het eerste lid heeft: a. een afgeronde hbo-opleiding of een relevante afgeronde opleiding op mbo niveau 4; waarbij er wordt beschikt over een werk- en denkniveau waarmee de jobcoach in staat is in complexe situaties zelfstandig te opereren en zich theorie, visie en methodiek eigen te maken om de belanghebbende adequaat te kunnen begeleiden bij het vinden en behouden van werk; en b. een opleidingsmodule voor jobcoach gevolgd waarvoor een diploma of certificaat is behaald; en c. relevante ervaring in de praktijk binnen de organisatie. 3. De externe jobcoach toont met een bewijsstuk aan dat hij door het UWV is erkend op grond van de ‘Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019’. Bij toekomstige wijziging van genoemde beleidsregel dient altijd te worden voldaan aan de eisen zoals vermeld in het meest actuele erkenningskader. 4. Het college kan de kwaliteitseisen voor jobcoaches, waaronder jobcoaches voor specifieke doelgroepen, in nadere regels uitwerken.

Artikel 2.3.9 Inzet, duur en intensiteit jobcoaching 1. De in te zetten jobcoaching wordt door het college vastgesteld op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar aan de hand van de volgende begeleidingsregimes:

I.

Regime licht

II.

midden

III.

zwaar

Traject 1 jaar maximaal 20 uur per jaar maximaal 40 uur per jaar maximaal 52 uur per jaar

Traject 2 jaar maximaal 10 uur per jaar maximaal 30 uur per jaar maximaal 40 uur per jaar

Traject 3 jaar maximaal 5 uur per jaar maximaal 20 uur per jaar maximaal 30 uur per jaar

Deze begeleidingsuren zijn inclusief reistijd, voorbereidingswerkzaamheden en andere tijdsinvesteringen. 2. Jobcoaching wordt in beginsel toegekend voor de duur van een jaar en met ingang van de eerste dag van de dienstbetrekking, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.3.7, tweede lid.

Bijlage 1: 09-11-2023

14 / 30

3. De maximale duur van jobcoaching bedraagt drie jaar. Per periode van zes maanden wordt geëvalueerd of jobcoaching nog langer noodzakelijk is. 4. In afwijking van het derde lid kan jobcoaching voor een langere periode worden ingezet indien dit naar het oordeel op grond van de individuele omstandigheden van de belanghebbende noodzakelijk is. 5. Het college biedt jobcoaching door of in opdracht van het werkleerbedrijf met voorrang aan. 6. Het college kan ten aanzien van jobcoaching nadere regels vaststellen.

Artikel 2.3.10 Jobcoaching in natura 1. Het college kan, ambtshalve of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 2.3.2 tot en met 2.3.9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3.11 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie verlenen aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.3.2 tot en met 2.3.9 worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de belanghebbende behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de belanghebbende voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college hanteert voor jobcoaching een maximumtarief per uur dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Het college kan in beleidsregels in ieder geval uitwerken: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd dient te zijn; en d.

hoe de evaluatie van de jobcoaching plaatsvindt. 5. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.

Bijlage 1: 09-11-2023

15 / 30

6. Het college kan onverschuldigd verleende subsidie voor jobcoaching terugvorderen op de grondslag van artikel 4:57 van de Awb.

Artikel 2.3.12 Interne werkbegeleiding 1. Het college kan een subsidie verlenen aan de werkgever voor de meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding indien het gaat om een belanghebbende uit de doelgroep die voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding. 2. De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de interne werkbegeleiding de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat en de meerkosten reëel en aangetoond zijn. 3. De wijze waarop de subsidie wordt verleend en onder welke voorwaarden wordt door het college in nadere regels vastgesteld. 4. Het college kan onverschuldigd verleende subsidie voor interne werkbegeleiding terugvorderen op de grondslag van artikel 4:57 van de Awb.

D.

Specifieke bepalingen overige voorzieningen

Artikel 2.3.13 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan de belanghebbende uit de doelgroep die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de belanghebbende kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de vervoersvoorziening in natura wordt verstrekt. Indien dat niet mogelijk of passend is, kan een vergoeding in geld worden verstrekt. 4. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 5. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 2.3.14 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1.

Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Het college kan in nadere regels uitwerken hoe de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit wordt bepaald.

Artikel 2.3.15 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Bijlage 1: 09-11-2023

16 / 30

1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen als dit voor de belanghebbende uit de doelgroep noodzakelijk is voor het vinden of behouden van werk. 2. Onder een meeneembare voorziening als bedoeld in het eerste lid wordt volstaan: een voorziening of hulpmiddel waarvan de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aangetoond of aannemelijk is gemaakt en niet tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie. 3. De meeneembare voorziening kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. 4. Het college kan in nadere regels in ieder geval uitwerken hoe de noodzaak en de meerwaarde in werksfeer worden bepaald en onder welke voorwaarden de meeneembare voorziening kan worden verleend.

Artikel 2.3.16 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen 1. Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen als dit voor de belanghebbende uit de doelgroep noodzakelijk is voor het vinden of behouden van werk. 2.

Onder een werkplekaanpassing als bedoeld in het eerste lid wordt volstaan: een niet meeneembare voorziening op of rond de werkplek, waarvan de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aangetoond of aannemelijk is gemaakt en niet tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie.

3.

Het college kan in nadere regels in ieder geval uitwerken hoe de noodzaak en de meerwaarde in werksfeer worden bepaald en onder welke voorwaarden de werkplekaanpassing kan worden verleend.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen Artikel 3.1 Nadere regels en beleidsregels Onverminderd het bepaalde in deze verordening kan het college ten behoeve van de uitvoering van deze verordening regels vaststellen. Deze regels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van nadere regels. Beleidsregels geven aan hoe het college met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met nadere regels worden bepaalde regels of onderdelen die in de verordening op hoofdzaken zijn benoemd, verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze regels te maken wordt begrensd door de wet. Artikel 3.2 Innovatie en experimenten 1. Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken wanneer experimenten ter bevordering van de participatie en re-integratie daartoe aanleiding geven; 2.

De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar.

3.

Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.

Artikel 3.3 Maatwerk Het college kan, gelet op alle omstandigheden, in het individuele geval ten gunste van de inwoner afwijken van deze verordening indien het afwegingskader hiertoe noodzaakt. Bij het toepassen van maatwerk maken we gebruik van de Waardendriehoek.

Bijlage 1: 09-11-2023

17 / 30

Artikel 3.4 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening indien de toepassing tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 3.5 Onvoorziene omstandigheden Het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet. Artikel 3.6 Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht 1. De Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ gemeente Heerde 2017 en de Verordening Loonkostensubsidie gemeente Heerde 2017 worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. 2. De belanghebbende die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond hoofdstuk 2 van de Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ 2017 en die beëindigd moet worden op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ 2017 voor de duur: a. van twaalf maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is toegekend, indien die periode korter is dan de periode als genoemd onder a. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.

Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op grond van de Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ 2017 wordt beslist met inachtneming van de oude verordening.

Artikel 3.7 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening re-integratie PW, IOAW, IOAZ gemeente Heerde 2023.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 11 december 2023.

griffier,

Bijlage 1: 09-11-2023

voorzitter,

18 / 30

Toelichting Verordening en re-integratie Algemene toelichting

Deze verordening geeft uitvoering aan het nieuwe artikel 8a van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen voor de doelgroep en de werkgevers. Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Wijzigingen verordening 2017 Met ingang van 1 juli 2023 is de PW aanzienlijk gewijzigd. Onder de noemer “Breed offensief” heeft de wetgever diverse maatregelen getroffen om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (Uitvoeren Breed offensief”)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. De wijzigingen in hoofdstuk 2 van deze verordening zijn dermate omvangrijk dat ervoor gekozen is om de verordening met ingang van genoemde datum opnieuw vast te stellen. In verband daarmee zijn ook de begripsbepalingen in hoofdstuk 1 gewijzigd en is in hoofdstuk 3 een specifiek artikel over het verlenen van maatwerk opgenomen.

Voor het overige is de verordening een voortzetting van hetgeen al was bepaald in de Verordening re-integratie PW, IOAW en IOAZ 2017. De verordening is onderverdeeld in drie hoofdstukken. Enkele hoofdstukken zijn verder onderverdeeld in paragrafen, als dat gelet op de omvang of de diversiteit bijdraagt aan het overzicht. Dit geldt met name voor hoofdstuk 2, Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie. Zowel de inhoudelijke bepalingen als de indeling van het hoofdstuk is gebaseerd op de modelverordening van de VNG, al is dit uiteraard aangepast naar de situatie in Heerde. Toelichting per artikel Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begrippen Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen, waarbij het uitgangspunt is dat de begrippen die niet nader worden omschreven, dezelfde betekenis hebben als in de van toepassing zijnde wetgeving.

Hoofdstuk 2

Re-integratie, uitstroombevordering en tegenprestatie

Paragraaf 1

Beleid, evaluatie en algemene bepalingen over voorzieningen

Artikel 2.1.1 Evenwichtige verdeling en evaluatie Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de PW moet de gemeenteraad in de verordening aangeven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, en werkgevers van deze personen, in aanmerking komen voor in de verordening omschreven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. Bijlage 1: 09-11-2023

19 / 30

Het college heeft de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat mogelijk zouden willen zien. Bij het vaststellen van de ondersteuning zal altijd onderzocht worden wat de mogelijkheden en de belemmeringen van de belanghebbende zijn. Het is aan het college om op grond van artikel 8a van de PW te zorgen voor een voldoende aanbod van reintegratievoorzieningen, maar het college heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaaleconomische factoren. Bij de inzet van ondersteuning wordt rekening gehouden met de aanpalende regelingen die beschikbaar zijn voor de doelgroep binnen het sociale domein. Het vierde lid draagt het college op om de raad periodiek over de doeltreffendheid van de inzet van reintegratievoorzieningen te informeren. Hierbij wordt zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestaande cyclus van informeren van de raad, zoals bij de jaarstukken en meerjarenprogrammabegroting en de Themaraad Sociaal Domein. Artikel 2.1.2 Inzet voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden.

Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een belanghebbende. Al naar gelang de afstand van een belanghebbende tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Dit artikel strekt ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met de inzet van voorzieningen. Het gaat dan om alle voorzieningen, dus ook om voorzieningen die niet expliciet in deze verordening zijn opgenomen. Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling is immers breder dan enkel het inzetten van voorzieningen. Zo kan in sommige gevallen worden volstaan met een concreet advies of een gerichte doorverwijzing naar een andere instantie. Ook is het mogelijk dat voorzieningen worden ingezet die vanwege de onderzoeks- en experimentfase (nog) niet in de verordening zijn opgenomen. Daarnaast regelt dit artikel in het tweede en derde lid de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein.

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de PW dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de belanghebbende (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen. De uitgangspunten die het college bij het inzetten van voorzieningen hanteert, volgen uit de kadernota Maatschappelijke ontwikkeling. Daarbij is het van belang dat maatwerk en aandacht voor duurzame uitstroom mede bepalend kan zijn voor de keuze van de inzet van een re-integratievoorziening. In het zesde lid wordt aan het college bevoegdheden gegeven om nadere regels te stellen voor de uitvoering van deze verordening. Artikel 2.1.3 Weigering en beëindiging voorziening. Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan.

De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat er voor een aantal voorzieningen ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2.1.1 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met de specifieke omstandigheden die kunnen vragen om individueel maatwerk te leveren.

Bijlage 1: 09-11-2023

20 / 30

Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de PW wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de belanghebbende als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die belanghebbende in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de PW is verleend. De PW voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Eventuele terugvordering van de belanghebbende of de werkgever dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Paragraaf 2

Voorzieningen voor de doelgroep

Artikel 2.2.1 Activeringsprogramma gericht op arbeidsinschakeling of scholing Een activeringsprogramma kan bestaan uit: voorlichting, sollicitatietrainingen, tijdelijke werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij in het kader van de arbeidsontwikkeling lichte productiewerkzaamheden worden verricht, bemiddeling en eventuele stages of leerwerkplekken. De voorziening kan worden ingezet als een belanghebbende werkritme moet opdoen of behouden. Daarnaast kan het programma als doel hebben de toeleiding naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs. Tevens kan het worden ingezet als diagnose-instrument om de capaciteiten, competenties en werkhouding beter in beeld te brengen of de opleidingsmogelijkheden en wensen van een belanghebbende vast te stellen. Artikel 2.2.2 Bemiddeling richting arbeidsinschakeling Directe bemiddeling kan voor de belanghebbenden zonder afstand tot de arbeidsmarkt als voorziening worden ingezet. Een cursus of scholing kan hiermee samengaan. Het doel van bemiddeling is om na een korte actie uitstroom te bereiken. Vandaar dat de maximale duur van deze voorziening in beginsel op een jaar is gesteld. Bij deze voorziening moet een gerede kans aanwezig zijn dat een baan kan worden gevonden voor een belanghebbende.

Artikel 2.2.3 Detacheringsbaan De PW biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een belanghebbende een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. De werkgever biedt een dienstverband volgens voorwaarden die in een cao zijn vastgelegd. De werkgever kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de wijze waarop de beoogde werkervaring wordt verkregen. In het derde lid is bepaald dat de werknemer uitsluitend wordt geplaatst als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 2.2.4 Diagnose-instrument In de meeste gevallen zal voordat tot de inzet van re-integratievoorzieningen wordt besloten een diagnose worden gesteld.

Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden alsnog advies van derden in te winnen. Artikel 2.2.5 Groepsgerichte aanpak of training Waar mogelijk wordt een groepsgerichte aanpak en/of training ingezet als voorziening. De belangrijkste motivatie hiervoor ligt in de kosten-baten afweging. Een groepsgerichte aanpak kan gericht zijn op een specifieke doelgroep, maar kan ook gericht zijn op het wegnemen van een gemeenschappelijke belemmering. Daarnaast kan gedacht wordt aan een training die gericht is op een specifieke functie.

Bijlage 1: 09-11-2023

21 / 30

Artikel 2.2.6 Ondersteuning bij leer-werktraject Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 49). In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de PW betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de PW. Artikel 2.2.7 Overige vergoedingen Het college kan ter stimulering van de arbeidsinschakeling besluiten kosten te vergoeden voor activiteiten die daartoe bijdragen. Voorwaarde daarbij is dat het om zeer bijzondere omstandigheden moet gaan. Hieruit volgt al dat de kosten per definitie individueel bepaald zijn en ook heel divers kunnen zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=267ef373-f0cf-48d0-80b9-17b9683d5baa