13.2. Ontwerp omgevingsvergunning solarcarport Heerderstrand.pdf
Tekst van het document
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Effectenbeoordeling Reptielen Er zijn geen reptielen waargenomen en het habitat is er ook niet optimaal voor. Effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Effectenbeoordeling Amfibieën Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten.
3
Broedseizoen: Vogels worden met name beschermd tijdens het broedseizoen. Een belangrijke vraag is dus: Van wanneer tot wanneer duurt het broedseizoen? Vaak wordt als grove lijn gezegd dat het broedseizoen duurt van 15 maart tot en met 15 juli. Inderdaad broeden vogels met name in deze periode. De bescherming van vogels is echter niet gebaseerd op een datum, maar op het daadwerkelijke broedseizoen. Dat kan ook al voor 15 maart of na 15 juli zijn. Het broedseizoen begint niet pas wanneer de eieren gelegd zijn. Het broedseizoen gaat al van start met de paarvorming, territorium afbakenen en het bouwen van nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Wet natuurbescherming. Het nest mag niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden (Bron: Vogelbescherming Nederland). 17
Effectenbeoordeling Vissen Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten.
5.5
Vlinders, libellen en juffers
Effectenbeoordeling Dagvlinders Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten. Effectenbeoordeling Libellen en juffers Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het gebied uitgesloten.
5.6
Vaatplanten
Effectenbeoordeling In het gebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten.
5.7
Overige doorsoorten
Effectenbeoordeling In het gebied zijn geen andere beschermde diersoorten aangetroffen.
5.8
Aanbevelingen voor natuurinclusief bouwen
Vanwege de achteruitgang van de biodiversiteit eisen provincies en gemeenten steeds vaker dat bij renovatie en nieuwbouw met natuur inclusief ontwerpt. Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging hebben een toolbox ontwikkeld (www.bouwnatuurinclusief.nl). Uit deze toolbox hebben we een aantal mogelijk bruikbare adviezen gehaald. Deze zijn opgenomen in bijlage 6.
18
6
Gelders NatuurNetwerk / Groene ontwikkelingszone
De provincie stelt: “Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur, wat bijdraagt aan een prettige leef- en werkomgeving. Hiertoe zetten wij in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit bereiken wij door de bestaande natuur in het Gelders NatuurNetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO).” Een deel van het Gelders NatuurNetwerk heeft zelfs Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Maar ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn stukken natuur die het beschermen waard zijn. Het plangebied ligt zoals uit onderstaande figuur blijkt niet in de volgens de Omgevingsverordening aangewezen Gelders NatuurNetwerk (donkergroen) of de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Ook is er geen sprake van externe werking, omdat de functie van het gebied niet veranderd. Effecten zijn dan ook op voorhand uitgesloten.
Figuur 4.
19
Overzicht van plangebied (rode stip) met ligging t.o.v. het Gelders NatuurNetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. (Bron: http://www.gelderland.nl)
7
Voortoets Wet natuurbescherming (gebieden)
Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Het vormt de basis van het Europese natuurbeleid. Natura 2000 is gericht op de instandhouding en ontwikkeling van soorten en ecosystemen die voor Europa belangrijk zijn. Een voorbeeld is de Noordse woelmuis, die alleen nog maar in Nederland voorkomt. Zoals uit onderstaande figuur blijkt ligt het plangebied net niet in het Natura 2000 gebied Veluwe. In dit hoofdstuk wordt gekeken of project effect heeft op de aangewezen Natura-2000-instandhoudingsdoelen.
Figuur 5.
7.1
Liggen plangebied (rode pijl) ten opzichten van het Natura 2000-gebied Veluwe (groen).
Doelen Veluwe
1. H2310 2. H2320 3. H2330 4. H3130 5. H3160 6. H3260A 7. H4010A 8. H4030 9. H5130 ` 10. H6230 11. H6410 12. H7110B 13. H7140A 14. H7150 15. H7230 16. H9120 17. H9190 18. H91E0C
20
Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Pioniervegetaties met snavelbiezen Kalkmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Habitatrichtlijn: soorten 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
H1042 H1083 H1096 H1163 H1166 H1318 H1831
Gevlekte witsnuitlibel Vliegend hert Beekprik Rivierdonderpad Kamsalamander Meervleermuis Drijvende waterweegbree
Vogelrichtlijn: vogelsoorten 1. A072 Wespendief 2. A224 Nachtzwaluw 3. A229 IJsvogel 4. A236 Zwarte specht 5. A246 Boomleeuwerik 6. A255 Duinpieper 7. A338 Grauwe klauwier 8. A233 Draaihals 9. A276 Roodborsttapuit 10. A277 Tapuit
7.2
Mogelijke effecten aanleg op habitattypen
Zoals uit onderstaande figuur blijkt, ligt alleen het habitattype Droge heide (H4030) binnen een straal van 500 meter van het plangebied.
Figuur 6.
Habitattypekaart Natura 2000-gebied Veluwe
7.2.1 H4030 Droge heiden Alleen het habitattype Droge heide ligt binnen de invloedsfeer van het gebied.
21
Tabel 10.
Mogelijke effecten ‘landrecreatie’ op habitattype Droge heide (Bron: Effectenindicator Alterra)
1 Oppervlakteverlies Kenmerk: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Beoordeling effect: De activiteit vindt buiten het Natura 2000-gebied en buiten het habitattype plaats. ` Effecten zijn derhalve uitgesloten. 7 Verontreiniging Kenmerk:
Beoordeling effect:
Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Verontreiniging kan hier met name optreden door de uitstoot van stikstof gedurende de aanlegfase. Hier gaan we in paragraaf 7.2.3 verder op in. Overige vormen van verontreiniging zijn uitgesloten.
16 Optische verstoring Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Beoordeling effect: De activiteit vindt buiten het Natura 2000-gebied en buiten het habitattype plaats. ` Effecten zijn derhalve uitgesloten.
17 Verstoring door mechanische effecten Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Beoordeling effect: De activiteit vindt buiten het Natura 2000-gebied en buiten het habitattype plaats. ` Effecten zijn derhalve uitgesloten.
7.2.2 Overige habitattypen Voor de overige habitattypen geldt dat deze op grotere afstand liggen en alleen de stikstofgevoelige habitattypes negatieve effecten ondervinden door de uitstoot van stikstof in de aanlegfase. Hier gaan we in paragraaf 7.2.3 verder op in.
22
7.2.3 Effecten van stikstof Uit de AERIUS-berekening volgt dat er in de aanlegfase een tijdelijke en beperkte depositie is op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de directe omgeving. Omdat het gaat om een tijdelijke emissie (uitvoering in 2021 of 2022 en met name om inzet van mobiele werktuigen wordt er alleen gekeken naar emissies die hoger zijn dan 0,05 mol/ha/jaar (zie bijlage 8). Er is alleen sprake van depositie > 0,05 mol/ha/jaar op de leefgebieden van de Zwarte specht en Wespendief, zijnde -
Lg14 - Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
Figuur 7.
23
Twaalf Hexagoonen met een depositie > 0,05 mol/ha/jaar
Tabel 11.
Depositie en oppervlak leefgebied per hexagoon
Mol/ha/jaar
Lg14
ZGLg14
Maximale depositie Hexagoon 1 Hexagoon 2 Hexagoon 3 Hexagoon 4 Hexagoon 5 Hexagoon 6 Hexagoon 7 Hexagoon 8 Hexagoon 9 Hexagoon 10 Hexagoon 11 Hexagoon 12
0,37 0,15 0,11 0,14 0,37 0,10 0,10 0,18 0,13 0,06 0,06 0,07 0,05
0,15 0,15 -
Ha. Oppervlak totaal Hexagoon 1 Hexagoon 2 Hexagoon 3 Hexagoon 4 Hexagoon 5 Hexagoon 6 Hexagoon 7 Hexagoon 8 Hexagoon 9 Hexagoon 10 Hexagoon 11 Hexagoon 12
Lg14
ZGLg14
5,5 ha. 0,0 0,5 0,8 0,0 0,9 0,1 0,1 0,0 0,2 1,0 1,0 1,0
0,0 ha. 0,0 -
Als uitgangspunt nemen we het zwaarst belaste hexagoon. In dit hexagoon ligt afgerond 0,0 ha leefgebied. Net als alle andere hexagonen is de kritische depositiewaarde (KDW) ruim overschreden. De achtergronddepositie bedraagt hier 2.029,26 mol/ha/jaar. Van het leefgebied is de KDW voor Lg14 - Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden 1.429,00 mol/ha/jaar. De achtergronddepositie gaat tijdelijk omhoog van 2.029,26 naar 2.029,63, ofwel 0,02%. Het effect van een dergelijk geringe tijdelijke toename op het instandhoudingsdoel is nihil. Verder geldt: 1. Een eventuele tijdelijke sluiting van het parkeerterrein i.v.m. de werkzaamheden is niet in de berekening meegenomen. 2. Er zijn geen negatieve effecten in de gebruiksfase. Het project heeft mogelijk een positief, omdat het elektrisch rijden / opladen wordt gestimuleerd. 3. De tijdelijke toename van de achtergronddepositie is verwaarloosbaar. Dit heeft geen effect op het leefgebied van de Zwarte specht. 4. De hexagonen die zijn aangewezen als leefgebied voor de Zwarte specht zijn in de huidige situatie van secundair belang. Er zijn geen broedlocaties geweest in de afgelopen 10 jaar. 5. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is recent door de eerste kamer vastgesteld. Naar verwachting treedt de wet per 1 juli 2021 in werking (Bron: Aanpakstikstof.nl).
De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. Deze vrijstelling maakt vergunningverlening voor de aanleg/bouw van onder andere woningen, utiliteitsbouw, energieprojecten en activiteiten in de grond-, weg- en waterbouw makkelijker.
7.3
Mogelijke effecten aanleg op Habitatrichtlijnsoorten
7.3.1 Gevlekte witsnuitlibel Soort van vennen in het Natura 2000-gebied. Er zijn geen effecten.
7.3.2 Vliegend hert Larve leeft in dood hout. Soort is volgens het NDFF niet in het onderzoeksgebied bekent. Daarnaast wordt er ook geen voor Vliegend hert geschikt dood hout verwijdert. Er zijn geen effecten.
7.3.3 Beekprik Soort van beken. Er zijn geen effecten.
24
7.3.4 Rivierdonderpad Soort van beken. Er zijn geen effecten.
7.3.5 Kamsalamander Soort leeft in vennen, maar deels ook op een landhabitat. Er wordt geen landhabitat aangetast. Er zijn geen effecten.
7.3.6 Meervleermuis Er zijn geen verblijfplaatsen van Meervleermuizen in het onderzoeksgebied. Er zijn geen effecten.
7.3.7 Drijvende waterweegbree Soort van vennen en andere grotere wateren. Er zijn geen effecten.
7.4
Mogelijke effecten Vogelrichtlijnsoorten
Van de aangewezen soorten leven de meeste met name voor op de heiden en stuifzandhandheiden. Voor de Zwarte specht en Wespendief geldt dat deze vooral in bosgebieden en bosranden voorkomen.
7.4.1 Zwarte specht De Zwarte specht leeft in oude bossen van minimaal 100 ha, ook middeloude bossen mits oude lanen van beuk, Amerikaanse eik en eik aanwezig zijn. De soort is vrijwel exclusief aan zandgronden gebonden. De zwarte spechten hakken hun nestplaatsen doorgaans uit in oude beuken en Amerikaanse eiken, in mindere mate ook in grove dennen, dikke populieren en abelen. Zijn voedsel zoekt de Zwarte specht meestal in oud bos, vooral in bos van oude grove dennen waarin boomstammen met een ruwe schors overheersen. Het voedsel bestaat uit larven van houtbewonende kevers die hij zoekt in dood op de grond liggend hout en bos- en houtmieren die te vinden zijn op kleine open plekken in het bos. Jongere naaldhoutopstanden zijn als voedselbronnen eveneens van belang, daar bevinden zich kolonies van houtmieren. Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot enkele kilometers rond de nestplaats. De Zwarte specht heeft een matige tot gemiddelde gevoeligheid voor verstoring (verstoring bij < 100 - 300 m afstand). De gevoeligheid voor verstoring van het leefgebied is matig groot: de Zwarte specht leeft in besloten tot halfopen landschap. Mogelijke effecten van verstoring op de populatie zijn onbekend. De zwarte specht broedt voornamelijk in oude bomen. De jonge beuken op het parkeerterrein zijn voor de Zwarte specht ongeschikt.
Ook is er op het terrein geen voedsel aanwezig voor de Zwarte specht.
7.4.2 Wespendief De Wespendief (zie ook 4.1 soorten) is overwegend een bosbewoner, met een voorkeur voor minstens 250 ha grote en minstens 40 jaar oude bossen op zandgrond. De vogel lijkt enige afwisseling met andere gebieden op prijs te stellen. Dat kunnen vennen zijn, stukken heide, beekdalen, natte bosdelen of extensief onderhouden graslanden. De soort ontbreekt in uitgestrekte agrarische gebieden en vermijdt over het algemeen harde kleibodems. De wespendief broedt zowel in naaldbossen als in opgaande loofbossen met een rijke ondergroei, maar vermijdt jonge bossen en te sterk versnipperde bossen. Zijn nest bouwt de vogel bij voorkeur in een spar. De minimale grootte van zijn gebied van activiteiten rond het nest bedraagt ongeveer 1.400 ha. (Gebiedsanalyse Veluwe, 2017). Wespen vormen het hoofdvoedsel van deze soort. Omdat de wespennesten worden uitgegraven, is de soort afhankelijk van redelijk zachte bodems. Het menu omvat behalve wespen ook o.a. amfibieën, reptielen, sprinkhanen en (jonge) kleine vogels. Uit onderzoek met gezenderde Wespendieven (Van Manen et al. 2011)) is bekent dat de soort soms zijn voedsel van ver haalt. In vergelijking met andere roofvogels is de Wespendief minder gevoelig voor verstoring: de soort vertoont een matige verstoringsgevoeligheid (verstoring bij minder dan 100 meter afstand).
In zijn leefgebied is de soort ook in matige mate gevoelig voor verstoring (de vogel leeft in min of meer besloten gebieden). Het is onbekend of verstoringen effecten hebben op populaties van de Wespendief. Van Manen et. Al. geeft wel aan dat de soort bebouwing binnen de 50 meter mijdt. De soort foerageert wel op recreatieterreinen. Andere in het bos broedende roofvogels zoals Sperwer en Havik lijken echter weinig effect te ondervinden van verstoring.
25
Er zijn geen geen geschikte bomen in het plangebied om in te broeden. Wel zouden Wespendieven op het parkeerterrein kunnen foerageren. Echter doordat het zomers vaak druk is op het terrein is het geen geschikt foerageergebied. De uitvoering van het project heeft geen effecten op het instandhoudingsdoel van de Wespendief.
26
8
Conclusies
8.1
Conclusie Wet natuurbescherming (Soortenbescherming)
Als de aanbevelingen uit onderstaande tabel en hoofdstuk 5 worden uitgevoerd, dan kunnen effecten op beschermde soorten voorkomen worden en is er geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In de tabel zijn de effecten samengevat. Wij adviseren wel om deze conclusie (het rapport) door het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (Gemeente Heerde) te laten bevestigen. Het is ook raadzaam, om het rapport voor te leggen ter beoordeling aan de terrein beherende organisaties en de provincie. Tabel 12.
Overzicht conclusies aangaande verstoring en de eventueel te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Ingreep verstorend
Nader onderzoek noodzakelijk
Wnbontheffing noodzakelijk
Nee, mits..
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.1
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.1
Verblijfplaatsen
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.2 & 5.8
Vliegroutes
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.2
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.3 & 5.8
Amfibieën
Nee, mits
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.4
Reptielen
Nee, mits
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.4
Vissen
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.4
Libellen en vlinders
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.5
Vaatplanten
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.6
Overige soortgroepen
Nee
Nee
Nee
Zie verder paragraaf 5.7
Vogels
Broedvogels
Vleermuizen
Overige zoogdieren
8.2
Bijzonderheden / opmerkingen
Conclusie Gelders NatuurNetwerk
Er zijn geen effecten op de GNN-gebieden te verwachten.
8.3
Conclusie Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming)
Er zijn geen blijvende effecten van de aanleg op de Natura 2000-gebieden te verwachten. Er is een gering tijdelijk effect door de uitstoot van stikstof. Maar door de komt van de nieuwe Stikstofwet wordt dit vergunningvrij. Een vergunning op grond van Wet natuurbescherming is dan ook op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Wij adviseren wel om deze conclusie (het rapport) door het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (Gemeente Heerde) te laten bevestigen. Het is ook raadzaam, om het rapport voor te leggen ter beoordeling aan de terrein beherende organisaties en de provincie.
27
9
Bronnen
9.1
Literatuur
• • • • • • • •
9.2 • • • • • • • •
28
Bijlsma, R.G. (et al) 2001, Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2) GMB uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. Dietz, C. (et al.) 2009, Vleermuizen; Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, Tirion Natuur. Janssen A.M. & Schaminée H.J. 2003. Europese Natuur in Nederland; Habitattypen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Janssen A.M. & Schaminée H.J. 2008. Europese Natuur in Nederland; Soorten van de Habitatrichtlijn, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & Winden J. van der 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels, Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Bureau Waardenburg Rapport 08-173, Culemborg. Lange R. (et al.) 1994. Zoogdieren van West-Europa, KNNV Uitgeverij, Utrecht. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002 Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000, Nederlandse fauna 5, Naturalis, KNNV-uitgeverij Leiden. SOVON & CBS 2005, Trends van vogels in het Nederlandse Natura 2000 netwerk, SOVONinformatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
Geraadpleegde websites www.vogelatlas.nl www.rijksoverheid.nl & www.synbiosys.alterra.nl www.natuurloket.nl www.overheid.nl www.uilen.org www.waarneming.nl www.zoogdieratlas.nl www.ndff.nl
[verspreidingsgegevens vogels papieren versie 2020] [natuurwetgeving / soortbescherming & gebiedsbescherming N2000 / EHS, profielendocument] [waarnemingen van flora en fauna] [actuele wetteksten] [vogelwaarnemingen en informatie / uileninformatie] [waarnemingen van flora en fauna] [waarnemingen zoogdieren]
BIJLAGE 1
Algemene verbodsbepalingen Wnb.
§ 3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a) in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c) vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2.
Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b) ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c) ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d) ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e) in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f) in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
29
g) in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
30
BIJLAGE 2
Proces beoordeling ontheffing Wnb
Verdere uitwerking van het schema op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/routeplanner.aspx?subj=routeplanner#initiatiefnemer
31
BIJLAGE 3
Jaarrond beschermde vogels
Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rusten verblijfplaats. 2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
3.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
5.
Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
32
Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Nederlandse naam
Categorie Nederlandse naam
Categorie
blauwe reiger
5
ruigpootuil
5
boerenzwaluw
5
spreeuw
5
bonte vliegenvanger
5
tapuit
5
boomklever
5
torenvalk
5
boomkruiper
5
zeearend
5
bosuil
5
zwarte kraai
5
brilduiker
5
zwarte mees
5
draaihals
5
zwarte roodstaart
5
eidereend
5
zwarte specht
5
ekster
5
huismus
2
gekraagde roodstaart
5
kerkuil
3
glanskop
5
oehoe
3
grauwe vliegenvanger
5
ooievaar
3
groene specht
5
ransuil
4
grote bonte specht
5
roek
2
hop
5
slechtvalk
3
sperwer
4
huiszwaluw
5
steenuil
1
ijsvogel
5
wespendief
4
kleine bonte specht
5
zwarte wouw
4
kleine vliegenvanger
5
boomvalk
4
koolmees
5
buizerd
4
kortsnavelboomkruiper
5
gierzwaluw
2
oeverzwaluw
5
grote gele kwikstaart
3
pimpelmees Raaf
5 5
havik
4
33
BIJLAGE 4
Samenvatting NDFF (1-1-2016 tot 7-5-2021)
Wnb - Vogelrichtlijn Appelvink Boerenzwaluw Bonte Vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boompieper Brilduiker Dodaars Fitis Fluiter Fuut Gaai Gekraagde Roodstaart Glanskop Goudhaan Goudvink Grauwe Vliegenvanger
Groenling Grote Bonte Specht Grote Lijster Heggenmus Holenduif Koolmees Krakeend Kuifeend Kuifmees Matkop Meerkoet Merel Middelste Bonte Specht Pimpelmees Roodborst Sijs Slobeend
Spotvogel Spreeuw Staartmees Tafeleend Tjiftjaf Tuinfluiter Veldleeuwerik Vink Vuurgoudhaan Wilde Eend Winterkoning Witte Kwikstaart Zanglijster Zwarte Mees Zwarte Specht Zwartkop
Wnb - Habitatrichtlijn Baard- / Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis
Gewone grootoorvleermuis Rosse vleermuis Watervleermuis
Zandhagedis
Wnb - andere soorten Boommarter Eekhoorn Gewone pad
Haas Hazelworm Levendbarende hagedis
Ree Vos Wild zwijn
34
BIJLAGE 5
POV Gelderland
Soortenvrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer of onderhoud Behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland Soorten als bedoeld in artikel 3.7.2.3.
35
BIJLAGE 6
Adviezen natuurinclusief bouwen
Advies 1 Vleermuizen (kast)
Vleermuis inbouwkast Type Schwegler 1FE .
(Veldshop.nl)
Of een externe kast.
Links: Type: Vleermuizenkast Beaumaris Maxi Rechts: Type: Vleermuis Zomergevelverblijf 1FQ
(Vivara.nl) (Veldshop.nl)
Bron: https://www.checklistgroenbouwen.nl/maatregelen/maatr-details/inbouwkast-voor-vleermuizen
36
Advies 2 Kleine marterachtigen Bij de landschappelijke inrichting kan met rekening houden met kleine marterachtigen en egels door: 1.
2. 3.
4.
De aanplant van heggen en houtwallen of de aanleg van groene oevers vormen een mogelijkheid om de leefgebieden van bunzing, egel, hermelijn en wezel te verbeteren. Hiermee kunnen zowel verbindingen als rustplaatsen worden ontwikkeld. Droge greppels kunnen geschikt worden gemaakt als leefgebied of verbindingszone door de aanplant van struiken, zodanig dat ze voldoende dekking bieden. Rommelhoekjes in de tuin of op het erfkunnen worden gecreëerd door het aanleggen van een takkenhoop of een hoop stenen met daaronder een ruimte waarin de kleine marterachtigen nestkamer kan bouwen. Eventueel kan een nestkast van hout worden gebouwd. Het voedselaanbod kan worden vergroot door het graven van poelen, het maken van takkenrillen en het plaatsen van ‘muizenruiters’. Muizenruiters werden vroeger gebruikt om hooi in het veld te drogen en bestaan uit een stellage van drie tegen elkaar staande staken, met daartussen dwarsbalken. Hierop wordt hooi aangebracht. Veldmuizen verblijven graag in hooi en vormen een voedselbron voor kleine marterachtigen. Het hooi moet ten minste jaarlijks vervangen worden.
(Bron: brochure Soortenbescherming in Overijssel: Bunzing Egel Hermelijn en Wezel, provincie Overijssel)
37
Bijlage 7 AERIUS-berekening aanlegfase
38
39
40
41
42
43
44
Bijlage 8 Tijdelijke effecten mobiele werktuigen Vooruitlopend op de Stikstofwet wordt onderstaande richtlijn door BIJ12 (Q&A’s) uitgedragen op haar website. Ondertussen is duidelijk dat de norm van 0,05 mol/ha/jaar in de nieuwe wet wordt losgelaten.
45
Parkeerterrein Heerderstrand, gemeente Heerde rapport 4273
Behoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, voor het (tijdelijk) realiseren van een zonnepark op de parkeerplaats gelegen nabij de recreatieplas ‘Heerderstrand’, zoals geregistreerd onder nummer 518652
Parkeerterrein Heerderstrand, gemeente Heerde Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
J. Holl
2
Colofon ADC Rapport 4273 Parkeerterrein Heerderstrand, gemeente Heerde Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteur: J. Holl In opdracht van: Leisurelands © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 17 januari 2018 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Autorisatie: J. Huizer
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033-299 81 81 Fax 033-299 81 80 Email info@archeologie.nl
3
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methodiek 2.3 Resultaten 2.4 Gespecificeerde verwachting en conclusie 3 Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.1 Plan van Aanpak 3.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.3 Conclusies 4 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlage 1 Boorgegevens
5 7 9 9 9 9 13 14 14 15 16 17 17 18 18 27
4
5
Samenvatting In opdracht van Leisurelands heeft ADC ArcheoProjecten in januari 2017 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie parkeerterrein Heerderstrand in de gemeente Heerde. Aanleiding is de voorgenomen herinrichting van de parkeerplaats. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich op stuwwalglooiingen bevindt. Binnen dergelijke zones kunnen archeologische resten voorkomen uit de periode Neolithicum – Romeinse tijd, en eventueel het Paleo- of Mesolithicum. Het plangebied was in deze perioden waarschijnlijk geschikt voor bewoning, hoewel het, gezien de helling van het maaiveld, niet de voorkeur gehad zal hebben. De vlakkere stuwwalplateaus vormden interessantere vestigingslocaties. In ARCHIS staan slechts weinig archeologische waarnemingen in de omgeving van het plangebied geregistreerd, maar dit is waarschijnlijk ook deels te wijten aan het feit dat weinig ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Eventuele archeologische vondsten werden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Archeologische sporen tekenen zich af in de top van de Chorizont, naar verwachting op ca. 50 cm –mv. Na de Romeinse tijd raakte de stuwwal grotendeels verlaten tot ver in de Nieuwe tijd. Op oude kaarten is het plangebied tot aan het eind van de 20e eeuw in gebruik als heide- en bosgebied.
Vandaar dat geen archeologische resten uit de Middeleeuwen of Nieuwe tijd verwacht werden. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek is een grotendeels intact haarpodzolprofiel aangetroffen met een zeer sterk ontwikkelde E- en B-horizont. Deze bodem is ontwikkeld in zowel stuifzandafzettingen als gestuwde afzettingen. De bodemopbouw is nog bijna geheel intact. De B-horizont is overal nog aanwezig en ook de E-horizont is in het grootste deel van het plangebied nog aanwezig. Lokaal is de A-horizont niet meer aanwezig, waarschijnlijk als gevolg diverse fasen van planten en rooien van bomen. Vanwege de intactheid van de bodem kan de bovenstaande archeologische verwachting gehandhaafd blijven. Archeologische vondsten worden vanaf het maaiveld verwacht, of afgedekt met een maximaal 40 cm dikke laag opgebrachte grond. De C-horizont (sporenniveau) bevindt zich op 40 à 100 cm –mv. ADC ArcheoProjecten adviseert op basis van deze resultaten om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen.
Aangezien theoretisch vindplaatsen uit alle archeologische perioden kunnen voorkomen, wordt aanbevolen gebruik te maken van de ‘Brede Zoekoptie’. Hierbij wordt geboord in een 20x25 m grid (20 boringen per hectare), met een 15 cm Edelmanboor. Het opgeboorde materiaal wordt gezeefd over een 4 mm zeef. Naar verwachting zullen in het plangebied ca. 78 karterende boringen geplaatst moeten worden. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) of Programma van Eisen (PvE). Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
6
Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode
Afkorting
Tijd in jaren
Nieuwe tijd
NT
1500 - heden
Middeleeuwen:
XME
450 – 1500 na Chr.
Late Middeleeuwen
LME
Vroege Middeleeuwen
VME
Romeinse tijd:
ROM
1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.
Laat-Romeinse tijd
ROML
270 - 450 na Chr.
Midden-Romeinse tijd
ROMM
70 - 270 na Chr.
Vroeg-Romeinse tijd
ROMV
12 voor Chr. - 70 na Chr.
IJzertijd:
IJZ
Late IJzertijd
IJZL
250 - 12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
IJZM
500 - 250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
IJZV
Bronstijd:
BRONS
Late Bronstijd
BRONSL
800 – 12 voor Chr.
800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr.
Midden-Bronstijd
BRONSM
1800 - 1100 voor Chr.
Vroege Bronstijd
BRONSV
2000 - 1800 voor Chr.
Neolithicum (Jonge Steentijd):
NEO
Laat-Neolithicum
NEOL
5300 – 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr.
Midden-Neolithicum
NEOM
4200 - 2850 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum
NEOV
Mesolithicum (Midden-Steentijd):
MESO
5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.
Laat-Mesolithicum
MESOL
6450 - 4900 voor Chr.
Midden-Mesolithicum
MESOM
7100 - 6450 voor Chr.
Vroeg-Mesolithicum
MESOV
8800 - 7100 voor Chr.
Paleolithicum (Oude Steentijd):
PALEO
Laat-Paleolithicum
PALEOL
35.000 - 8800 voor Chr.
Midden-Paleolithicum
PALEOM
300.000 – 35.000 voor Chr.
Vroeg-Paleolithicum
PALEOV
tot 300.000 voor Chr.
Bron: Archeologisch Basis Register 1992
tot 8800 voor Chr.
7
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Leisurelands heeft ADC ArcheoProjecten in januari 2017 een bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie parkeerterrein Heerderstrand in de gemeente Heerde (afb. 1 en 2). Aanleiding is de voorgenomen herinrichting van de parkeerplaats. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en is de Monumentenwet 1988 komen te vervallen. De bepalingen van de Monumentenwet zijn echter opgenomen in de Erfgoedwet. Op grond van de Erfgoedwet moeten archeologische (verwachtings)waarden gewaarborgd zijn in het bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’, dat op 20 januari 2011 door de gemeente Heerde is vastgesteld, heeft het plangebied de dubbelstemming ‘Waarde – Middelhoge archeologische verwachting’.1 Volgens de hierin opgenomen bouwregels is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm –mv met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. Ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning dient de initiatiefnemer een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden.
In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 3.3).2 Gemeenten kunnen hierop aanvullende uitvoeringskaders vaststellen. De gemeente Heerde heeft voor zover bekend echter geen aanvullende uitvoeringskaders vastgesteld voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek, noch zijn deze voor dit project afzonderlijk opgesteld.3 Dit onderzoek is dus gebaseerd op de algemene criteria die in de KNA staan geformuleerd.
1
http://www.ruimtelijkeplannen.nl/
2
SIKB 2013.
3
www.heerde.nl
8
De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: Opdrachtgever:
Leisurelands dhr. H. Heinhuis Postbus 2108 6802 CC Arnhem
Fasen AMZ-cyclus:
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
Aanleiding:
herinrichting parkeerterrein
Locatie:
Ossenbergweg
Plaats:
Heerde
Gemeente:
Heerde
Provincie:
Gelderland
Kadastrale gegevens:
Heerde, sectie A, nrs. 2.668, 2.669 & 2.673
Kaartblad:
27B
Oppervlakte plangebied
3,9 ha
Coördinaten:
197.407 / 491.061 197.681 / 491.061 197.681 / 490.815 197.407 / 490.815
Bevoegde overheid met contactgegevens:
gemeente Heerde mevr. M. Bijsterbosch Postbus 175 8181 AD Heerde 0578-699494 gemeente@heerde.nl
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code):
4028295100
ADC-projectcode:
4181103
Auteur:
J. Holl
Projectmedewerker(s):
n.v.t.
Autorisatie:
J. Huizer
Periode van uitvoering:
januari 2017
Beheer en plaats documentatie:
ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort
Beheer en plaats digitale documentatie (e-depot):
http://dx.doi.org/10.17026/dans-z46-fmf9
9
2
Bureauonderzoek 2.1
Doelstelling en vraagstelling
Het bureauonderzoek vormt de eerste stap in het vaststellen van de archeologische waarde van het gebied. Het doel van bureauonderzoek is het aan de hand van schriftelijke bronnen verwerven van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in het plangebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting? • Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
2.2
Methodiek
Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek. Het bureauonderzoek bestaat uit de volgende elf processtappen: 1. Afbakenen plan- en onderzoeksgebied en vaststellen consequenties van mogelijk toekomstig gebruik; 2. Aanmelden onderzoek bij Archis; 3. Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid; 4. Beschrijven huidig gebruik; 5. Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen; 6. Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden in de ondergrond; 7. Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke waarden; 8. Opstellen gespecificeerde verwachting; 9. Opstellen standaardrapport bureauonderzoek; 10. Afmelden onderzoek bij Archis: overdracht onderzoeksgegevens; 11. Aanleveren digitale gegevens bij e-Depot. De processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan processtap 8, de gespecificeerde verwachting wordt opgesteld. De gespecificeerde verwachting kan worden beschouwd als een belangrijke conclusie van het bureauonderzoek, omdat hierin wordt aangegeven of, en zo ja, welke archeologische waarden worden verwacht, indien relevant weergegeven op een kaart. De resultaten van processtappen 1 tot en met 8 worden behandeld in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport.
De processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het voor derden openbaar maken van de resultaten van het bureauonderzoek bij onder meer Archis en het e-Depot.
2.3
Resultaten
2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied, beschrijving huidig gebruik en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik Het plangebied is gelegen in het bosgebied bij Heerde, ten noorden van het Heerderstrand. Het wordt aan de zuidwest- en noordwestzijden begrensd door de Ossenbergweg en aan de oostzijde bevindt zich een groenstrook met hierachter de Rijksweg A50. Het plangebied is momenteel in gebruik als parkeerterrein. Er zijn voor het plangebied geen gegevens over de milieuhygiënische situatie beschikbaar.