CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

12.2.5. WPVKWG24B_Bijlagen bij motivering_Bijlage 7 Quickscan flora en fauna

Raadscommissie 16 juni 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Wapenvelder Kerkweg 24B11.436 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld Projectnummer: 2024-0324 Datum: 8-4-2024 Versie 1.0 Opdrachtgever: Craeft advies Ben ten Oever

Merijn van Hoek

Projectleider Ecologie

Teamleider Ruimtelijke Ordening & Ecologie

b.tenoever@lycens.nl

m.vanhoek@lycens.nl

M 06 160 074 42

M 06 839 230 05

Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................ 4 1. Inleiding .................................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ...................................................................................................................... 7 2.1. Plangebied ............................................................................................................................................................ 7 2.2. Voorgenomen activiteiten ................................................................................................................................. 8 2.3. Onderzoeksgebied ............................................................................................................................................ 10

3. Natuurwetgeving en -beleid .............................................................................................. 11 3.1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 11 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 11 3.3. Soortenbescherming ........................................................................................................................................ 11 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................. 15

4. Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 18 4.1. Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Nationaal landschap, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied ........................................................................................................................ 18 4.2. Natura 2000 ......................................................................................................................................................... 20 4.3. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 21

5. Soortenbescherming ........................................................................................................... 22 5.1. Hypothese en bureauonderzoek ................................................................................................................... 22 5.2. Methode ............................................................................................................................................................... 22 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .................................................................................................... 24 5.4. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 27

6. Houtopstanden ..................................................................................................................... 29 7. Conclusies en advies ........................................................................................................... 30 8. Bronnen .................................................................................................................................. 32 Bijlagen ......................................................................................................................................... 33 Bijlage 1: Foto’s ........................................................................................................................................................... 34 Bijlage 2: Toelichting Omgevingswet aanvullingswet natuur ........................................................................ 36

3

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de gedeeltelijke beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten onder de LBV+ regeling en realisatie van 4 onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen aan Wapenvelder Kerkweg 24b en c te Wapenveld (Gelderland). Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet (aanvullingswet natuur) op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 12 maart 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het

Gelders

Natuurnetwerk,

Groene

ontwikkelingszone,

Nationaal

landschap,

Weidevogelgebied,

Ganzenrustgebied en natte landnatuur. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied, maar overlapt wel met het Nationaal landschap Veluwe. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Op basis van de kernkwaliteiten die zijn toegewezen aan het deelgebied Gradiënt Oost-Veluwe waartoe het onderzoeksgebied behoort kan worden uitgesloten dat beschermd gebied Nationaal landschap wordt aangetast. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden, maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening uit te voeren. Wettelijke consequenties m.b.t.

soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

4

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden In het onderzoeksgebied worden geen bomen aangetast. Toetsing aan regels van het omgevingsplan of aan rijksregels over houtopstanden is niet aan de orde. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.

5

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

1.

Inleiding

Er zijn concrete plannen voor de gedeeltelijke beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten onder de LBV+ regeling en realisatie van 4 onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen aan Wapenvelder Kerkweg 24b/c te Wapenveld (Gelderland). Om ruimte te creëren dienen de kalverstallen en paardenstal gesloopt te worden. Tevens wordt de kapschuur, die zich op het achtererf bevindt, afgebroken en weer opgebouwd achter de bestaande woning. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet en provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen. In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties en de consequenties ten aanzien van provinciaal beleid bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Gelderland.

Doel van deze rapportage De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het omgevingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Omgevingswet overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Omgevingswet is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komen de conclusies en advies aan de orde. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar hoofdstuk 8. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.

6

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

2.

De ontwikkeling

2.1.

Plangebied

Situering Het plangebied is gesitueerd aan Wapenvelder Kerkweg 24b/c te Wapenveld. De locatie ligt aan het Apeldoorns kanaal ten zuiden van de woonkern Wapenveld en wordt omgeven door landelijk gebied. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied

Beschrijving Het plangebied bestaat uit een vrijstaande woning (nummer 1, figuur 2.2), kalverstallen (nummer 2, figuur 2.2) twee kapschuren (nummer 3 en 4, figuur 2.2), één paardenstal (nummer 5, figuur 2.2) beplanting en verharding. In het Noordoosten van het plangebied bevindt zich een paardenweide en de oprijlaan met bomenrij bestaande uit esdoorns die toegang verschaft aan het erf. Aan de achterzijde, Zuidwest van het plangebied, loopt het Apeldoorns kanaal met daarnaast een jaagpad en bomenrij. Het plangebied wordt aan beide lange zijden (Noordwest en Zuidoost) begrenst door open akkers. De kapschuren worden gebruikt voor de opslag van landbouwvoertuigen en materialen, de kalverschuren hebben een agrarische functie. De kalverschuren (2, zie figuur 2.2) beschikken over bakstenen buitengevels en het dak is gedekt met kunststofgolfplaten. In de buitengevels zijn houten kozijnen met glazen ruiten aangebracht. Middels nauw sluitende metalen roldeuren kan toegang tot de kalverschuren worden verleend. Aan de binnenzijde van de schuren is dakbedekking aangebracht. Alle openingen in de buitengevels en de ruimtes tussen de golfplaten met de buitengevels zijn gedicht met purschuim. Aan de kopse kanten is het dak afgewerkt met kunststof beplating. Deze beplating sluit nauw op elkaar en op de buitengevel aan.

7

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Op het achtererf staat een kapschuur die dienst doet als opslag van hooi en landbouwvoertuigen (3, figuur 2.2). Deze kapschuur is opgebouwd uit metalen en hardhouten balken, met een gevel bestaande uit metalen damwanden en een golfplaten dakbedekking. De paardenstal (5, figuur 2.2) ten Oosten van het plangebied is opgebouwd uit houten wanden die ondersteund worden door metalen balken. Het gebouw is gedekt met kunststof golfplaten. De nokken van de kopse kanten van de paardenstal zijn afgewerkt met plastic platen. Deze plastic platen sluiten nauw aan op de gevels. Aan de zijde van de kalverschuur hangt het dak van de paardenstal over. Dit dakoverstek is aan de onderzijde afgewerkt met kunststof platen. Op het achtererf worden allerlei materialen opgeslagen, waaronder balen met zaagsel, hooibalen, werktuigen en bouwmateriaal in de vorm van betonblokken en metalen hekken. Daarnaast is een houthok en een mesthoop aanwezig. Voor een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar bijlage 1. In figuur 2.2 wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.

1

4

5

2 3

Figuur 2.2: Begrenzing van het plangebied

2.2.

Voorgenomen activiteiten

Initiatiefnemer is voornemens de kalverschuren en de paardenstal te slopen en de kapschuur op het achtererf (3, figuur 2.2) af te breken en naar voren te verplaatsen achter de woning (1, figuur 2.2) . De woning, en andere kapschuur (4, figuur 2.2), net als de bomenrij en houtwal blijven behouden. Op de plek van de te slopen kalverschuren en het achtererf worden 4 twee-onder-één-kapwoningen en twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Ten behoeve van de woningen wordt verharding verwijderd, beplanting gerooid en opgeslagen spullen weggehaald. Na de realisatie wordt verharding aangelegd en worden de erven landschappelijk ingepast door de aanplant van beplanting. Figuur 2.3 geeft het wenselijke eindbeeld weer.

8

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Figuur 2.3: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: Dirk Luijendijk)

9

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

De volgende flora- en fauna-activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: slopen bebouwing; rooien beplanting; verwijderen verharding; bouwrijp maken bouwplaats; bouwen woningen; verbouwen schuur; aanleggen verharding en beplanting.

2.3.

Onderzoeksgebied

Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden. Mogelijke permanente invloeden: mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Vaststellen van het onderzoeksgebied Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten het plangebied te kijken.

In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarische percelen en openbare ruimte. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.

10

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

3. Natuurwetgeving en -beleid 3.1.

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld, namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.

3.2.

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een omgevingsvergunning noodzakelijk op grond van artikel 11.1 uit het Bal. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland In de Omgevingswet is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'ja, mits'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van natuur en landschap in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland. In Gelderland worden de volgende gebieden beschermd door regels in de verordening van natuur en landschap: het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene ontwikkelingszone (GO), Nationaal landschap (NA), natte landnatuur (NL), Weidevogelgebied (WV) en Ganzenrustgebied (GR).

3.3.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Onderstaand zijn deze drie beschermingsregimes weergegeven. Artikel 11.37 Soorten Vogelrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Vergunningplicht

11

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Voor de volgende activiteiten geldt een vergunningplicht: Schadelijke handelingen bij vogels Commercieel bezit van vogels Niet-commercieel bezit van vogels Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van vogels

Schadelijke handelingen bij vogels Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd. Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen: Lid 1a het opzettelijk doden of vangen ervan; Lid 1b het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren; Lid 1b het opzettelijk wegnemen van hun nesten; Lid 1c het rapen en onder zich hebben van hun eieren; Lid 1d het opzettelijk storen ervan. Artikel 11.46 Habitatrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Vergunningplicht Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. Ze kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Voor die soorten geldt een vergunningplicht bij: Schadelijke handelingen Bezit Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Schadelijke handelingen bij dieren De bedoelde diersoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van: Bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn Bijlage II bij het Verdrag van Bern Bijlage I bij het Verdrag van Bonn Onder schadelijke handelingen bij dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid 1a opzettelijk doden of opzettelijk vangen; Lid 1c opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur; Lid 1b opzettelijk verstoren; Lid 1d hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’.

Schadelijke handelingen met planten De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van:

12

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn Bijlage I bij het Verdrag van Bern Onder schadelijke handelingen bij planten zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid e het is voerboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 11.54 Andere soorten (soorten van het Bal) Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), kan een vergunningplicht gelden bij schadelijke handelingen. Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren, als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is.

Vergunningplicht Soorten die in Nederland beschermd zijn, zijn in bijlage IX van het Bal weergegeven. Deze soorten staan niet in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gaat hierbij onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Er kunnen namelijk ook vrijstellingen gelden zoals in de omgevingsverordening.

Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan Dieren Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: Lid 1a opzettelijk doden of vangen; Lid 1b opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen.

Planten Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij planten van bijlage IX, onder B van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Onder schadelijke handelingen bij die planten vallen: Lid 1c het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteiten kunnen nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

13

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (BBT) gebruikt. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen of omgevingsplannen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen. Bij het artikel in het Bal (artikel 11.27) over een specifieke zorgplicht staat meestal een verplichting in drie stappen. Hieronder staan drie stappen weergegeven waarbij de stappen is voorkeursvolgorde zijn genoteerd. Degene die een activiteit verricht is verplicht volgens artikel 11.27 lid 1: 1. (a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2.

(b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

3.

(c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht conform artikel 11.27 lid 2 in ieder geval in dat: a.

Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van

1°. Van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°. Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°. Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3, van de wet; en 4°. Voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.

Als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;

c.

Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;

d.

Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;

e.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en

14

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

f.

Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Algemeen verbod Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit staat wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg en voor welke gevallen het verbod geldt. Dit verbod is ook een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wél zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel geldt of een vergunningvoorschrift. Het algemeen verbod is strafrechtelijk handhaafbaar.

3.4.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden.

Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteit leefomgeving (Bal)): Houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied Houtopstanden op erven of in tuinen Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen en niet ouder zijn dan 20 jaar Kweekgoed Populieren of wilgen van •

Wegbeplantingen

•

Beplantingen langs waterwegen, of

•

Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden

Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: •

Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats

• •

De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 meter brede onbeplante stroken

•

De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013

Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel

15

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen

Meldingsplicht voor vellen Indien rijksregels gelden over vellen dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk vier weken én niet eerder dan één jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).

Herbeplantingsplicht Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht.

Bosbouwkundig verantwoord Herbeplanting moet op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvinden. Dat betekent dat herbeplanting zich moet richten op: Een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden Een adequate vervulling van de functies van die houtopstanden De bodem, het water en de lucht in de omgeving van die houtopstand Het is aan degene met een herbeplantingsplicht zelf om met eigen of andermans deskundigheid te bepalen wat hiervoor nodig is. Het is ook mogelijk dat het bevoegd gezag met maatwerk aangeeft wat onder ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’ valt. Bij een herplantingsplicht moet het herbeplanten binnen 3 jaar na het vellen plaatsvinden. Het is verplicht om beplanting die niet binnen 3 jaar gaat groeien, te vervangen. Verder moet het herbeplanten op dezelfde grond als het vellen plaatsvinden. Het is mogelijk om maatwerk op te stellen over de regels. Er zijn ook uitzonderingen op de meldingsplicht voor het vellen en de herbeplantingsplicht. Dit geldt niet in een van de volgende gevallen: Het periodiek vellen van griend- of hakhout. Het vellen is voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Het vellen is voor het uitvoeren van maatwerk dat preventieve of herstelmaatregelen voorschrijft die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied te bereiken.

Het vellen is voor het uitvoeren van een maatwerkvoorschrift dat verbonden is aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit. Het vellen is voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen. Het vellen en herbeplanten vindt aantoonbaar plaats volgens een gedragscode. Het vellen dat voldoet aan alle volgende voorwaarden: •

Het is een activiteit van nationaal belang of hangt daarmee samen. Het Omgevingsbesluit geeft aan welke activiteiten van nationaal belang zijn (artikel 4.12, Omgevingsbesluit).

•

Het gaat om een houtopstand die niet is aangeplant vanwege een herbeplantingsplicht (van het Bal, de Wet natuurbescherming of de Boswet).

•

De minister van LNV heeft in het verleden een kennisgeving ontvangen (en dat bevestigd) voor het aanleggen van de houtopstand. Die kennisgeving moet het tijdstip en de plaats van de (destijds aan

16

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

te leggen) houtopstand aangeven. Uit de kennisgeving moet ook blijken dat het om tijdelijke houtopstand gaat waarvan het vellen (in z’n geheel) zal plaatsvinden binnen 40 jaar na dat tijdstip. Dit staat in artikelen 11.126, 11.129 en 11.131 van het Bal.

Binnen bebouwingscontour houtkap De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.

17

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

4.

Gebiedsbescherming

4.1.

Gelders

Natuurnetwerk,

Groene

Ontwikkelingszone,

Nationaal

landschap, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied Ligging onderzoeksgebied t.o.v. GNN, GO, NA, NL, WG & GR Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied behoren. Gronden die tot de Groene ontwikkelingszone behoren liggen op minimaal 550 meter afstand van het onderzoeksgebied (zie figuur 4.1). Gronden die tot natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 660 meter afstand van het onderzoeksgebied (zie figuur 4.1) . Het onderzoekgebied behoort echter wel tot het Nationaal landschap (zie figuur 4.2).

Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. GNN, GO, NL, WG & GR

18

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NA

Effectbeoordeling en consequenties t.a.v. GNN, GO, NL, WG & GR De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het GNN en GO ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid ten aanzien van deze beschermde gebieden. Geplande activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied. Effectbeoordeling en consequenties t.a.v. NA Het onderzoeksgebied overlapt met gronden van het nationaal landschap Veluwe en behoort tot het deelgebied Gradiënt Oost-Veluwe. Aan dit deelgebied zijn de volgende kernkwaliteiten toegewezen: Fraaie en beleefbare gradiënt van Veluwe naar IJssel: van besloten boslandschap in het westen via kleinschalig met houtwallen (ten westen van het Apeldoorns kanaal) naar grootschalige openheid in het oosten.

Dorpen op de Veluweflank, op loopafstand (één uur gaans) van elkaar (o.a. Epe, Heerde) Landgoederen langs de westrand, grondgebonden landbouw Sterk microreliëf door oost-west gerichte ruggen Cultuurhistorisch erfgoed zoals de sprengen, watermolens, Apeldoorns kanaal

19

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Open essen en broekgebieden Als gevolg van het realiseren van de woningen zullen geen van bovenstaande kernkwaliteiten worden aangetast. Voorgenomen activiteiten leiden dan ook niet tot consequenties ten aanzien van het Nationaal landschap.

4.2.

Natura 2000

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Veluwe is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op minimaal 0,9 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.3 wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.

Figuur 4.3: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000-gebied Veluwe

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten en consequenties t.a.v. Omgevingswet De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura

20

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Veluwe bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof in realisatie- en gebruiksfase en consequenties t.a.v. Omgevingswet Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel. Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van de extra woningen een toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Geadviseerd wordt om een stikstofberekening te laten uitvoeren.

4.3.

Slotconclusie

Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied, maar overlapt wel met het Nationaal landschap Veluwe. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Op basis van de kernkwaliteiten die zijn toegewezen aan het deelgebied Gradiënt Oost-Veluwe waartoe het onderzoeksgebied behoort kan worden uitgesloten dat beschermd gebied Nationaal landschap wordt aangetast. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden, maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening uit te voeren.

21

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

5.

Soortenbescherming

5.1.

Hypothese en bureauonderzoek

Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen: amfibieën; flora; grondgebonden zoogdieren; vleermuizen; vogels. Ongewervelden Het onderzoeksgebied vormt geen geschikt habitat voor beschermde ongewervelden omdat het onderzoeksgebied buiten het normale verspreidingsgebied ligt. Er zijn eveneens geen geschikte waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten aanwezig. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van ongewervelden (NDFF, 2018-2023) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

Reptielen Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2018-2023) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen. Vissen en kreeftachtigen Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2018-2023) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

5.2.

Methode

Veldbezoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 12 maart 2024 tijdens de daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën

22

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Flora De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde planten. Vroeg in het voorjaar bloeien nog niet alle planten en is determinatie niet altijd mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen.

Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat de meeste vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats, maar er zijn ook soorten die de zomerverblijfplaats bezetten in de wintermaanden dat er geen sprake van streng winterweer. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Gewone dwergvleermuizen zijn al wel actief in deze periode van het jaar.

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoeksgebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats.

23

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

5.3.

Resultaten en wettelijke consequenties

Amfibieën

Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 20182023). Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het onderzoeksgebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig en daarnaast worden deze soorten op basis van de aanwezige terreinkenmerken niet verwacht.

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. Flora

Verspreiding en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd voor het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2018-2023).

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Conclusie

24

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor flora. Grondgebonden zoogdieren

Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd. Er zijn echter geen waarnemingen bekend van beschermde grondgebonden zoogdieren (NDFF, 2018-2023). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, haas en konijn. De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. De konijn en haas gebruiken het onderzoeksgebied mogelijk als

foerageer- of rustgebied. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het

onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. Bovendien zijn de stallen niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Ook beschikken de bomen niet over geschikte holen. Mogelijk gebruikt de steenmarter het onderzoeksgebied als foerageergebied. Het onderzoeksgebied wordt niet als essentieel leefgebied beschouwd gezien de ligging en het relatief kleine oppervlakte. Overige beschermde soorten welke niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, zoals de eekhoorn en das, kunnen door het ontbreken van geschikt leefgebied in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Daarnaast zijn eveneens geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de betreffende soorten aangetroffen.

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. Vleermuizen

Verspreiding en functie: verblijfplaats Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd zoals de gewone dwergvleermuis. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vleermuissoorten in de nabijheid van het onderzoeksgebied (NDFF, 2018-2023).

25

Quickscan Flora & Fauna Wapenvelder Kerkweg 24b/c, Wapenveld

8-4-2024

Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. De kalverschuren beschikken (2, figuur 2.2) weliswaar over bakstenen buitengevels, maar er zijn geen potentiële invliegopeningen in de buitengevels waargenomen, zoals open stootvoegen. Ventilatiegaten en kieren tussen de golfplaten met de buitengevels zijn afgedicht met gaas of pur. De kozijnen sluiten eveneens nauw aan met de buitengevels. De te verplaatsen kapschuur bestaat enkel uit buitengevels van damwanden. Deze wanden bieden geen geschikt klimaat om als vaste rust- en voortplantingsplaats te dienen. Ook het dak en de gevels van de paardenstal is op een dusdanige wijze opgebouwd dat deze niet dienst kan doen als vaste rust- en voorplantingsplaats. De kapschuur en paardenstal zijn beide toegankelijk voor vleermuizen, maar deze worden niet benut als rustplaats door vleermuizen. Rustplaatsen in gebouwen zijn doorgaans goed vast te stellen aan de hand van uitwerpselen en prooiresten op de grond onder de hangplek. De opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, deze bomen beschikken niet over holen in de stam of losse schors.

Verspreiding en functie: foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de bebouwing en beplanting en vliegen ze over het onderzoeksgebied terwijl ze foerageren rond bomen die net buiten het onderzoeksgebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Verspreiding en functie: vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen en gevels van woningen. Het onderzoeksgebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=39199d3d-d3ff-4dfd-9deb-82f229af7761