11.2.3. Bijlage bij de toelichting Ecologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
ECOLOGISCH ONDERZOEK KERKDIJK 5 HEERDE Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving
Rapport EM190203 Datum 25-2-2019 In opdracht van
COLOFON
Titel: Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde Subtitel: Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving Projectcode: EM190203 Datum: 25 februari 2019 Auteur: Ing. R. Gerritsen Veldonderzoek: Ing. R. Gerritsen Opdrachtgever: VantErve Advies, Postbus 48, 8100 AA, Raalte
© EcoMilieu Advies Kötterskamp 21, 7688 RL, Daarle Tel: 0630315951, e-mail: info@ecomilieu.nl EcoMilieu is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van EcoMilieu; opdrachtgever vrijwaart EcoMilieu voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt mits onder bronvermelding: Gerritsen, R. (2019). Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde; Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving. Rapport EM190203. EcoMilieu Advies, Daarle.
INHOUDSOPGAVE 1
2
INLEIDING .........................................................................................................................1 1.1
Aanleiding .............................................................................................................1
1.2
Onderzoeksdoel en -vragen.................................................................................1
1.3
Leeswijzer ..............................................................................................................1
ONDERZOEKSMETHODIEK ..............................................................................................2 2.1
3
4
5
6
7
Algemene opzet en werkwijze ............................................................................2
PLANLOCATIE EN INGREPEN ...........................................................................................4 3.1
Planlocatie .............................................................................................................4
3.2
Beschrijving geplande ingrepen..........................................................................4
NATUURWAARDENONDERZOEK ....................................................................................6 4.1
Veldbezoek ............................................................................................................6
4.2
Flora .......................................................................................................................6
4.3
Grondgebonden Zoogdieren ...............................................................................6
4.4
Vleermuizen ..........................................................................................................7
4.6
Amfibieën, reptielen en vissen ............................................................................8
4.7
Dagvlinders, libellen en overige insecten en ongewervelde ...........................9
EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING .................................................................10 5.1
Mogelijk optredende effecten ...........................................................................10
5.2
Kwalificerende N2000 Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten ...............................11
5.3
Flora, dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde ...................13
5.4
Vissen en reptielen .............................................................................................13
5.5
Amfibieën en grondgebonden zoogdieren .....................................................13
5.6
Vleermuizen ........................................................................................................14
5.7
Vogels ..................................................................................................................15
EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING...............................................................17 6.1
Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb .....................................................17
6.2
Effectentoetsing NNN beleid .............................................................................19
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................20 7.1
Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb...................................20
7.2
Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming Wnb en NNN ................21
GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................22 BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED............................................................................24 BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUITEN ........................................................................28
1 1.1
INLEIDING Aanleiding In opdracht van VantErve Advies, heeft EcoMilieu Advies een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Kerkdijk 5 te Heerde, gemeente Heerde, provincie Gelderland. De Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuur Netwerk Nederland beleid (NNN) verplichten vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen of activiteiten conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten, wezenlijke kenmerken en waarden of instandhoudingsdoelen. Het plangebied ligt niet in het Overijsselse deel van het NNN en ligt vanaf ca. 1,8 kilometer afstand ten opzichte van omliggende Natura2000 (N2000) gebieden. In onderhavig rapport wordt een oriëntatie uitgevoerd aan gebiedsen soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid.
1.2
Onderzoeksdoel en -vragen In deze paragraaf wordt de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. Het doel is middels ecologisch onderzoek na te gaan of de geplande ingrepen negatieve effecten (kunnen) hebben op (potentieel) aanwezige beschermde plant- en diersoorten, wezenlijke kenmerken en waarden of instandhoudingsdoelen. Concreet komen uit de doelstelling de volgende onderzoeksvragen naar voren, die middels deze oriëntatie worden beantwoordt:
1.3
Welke beschermde plant- en diersoorten komen (potentieel) voor in of direct rond het plangebied? Wat zijn de effecten van de geplande ingrepen op deze beschermde soorten? Wat zijn de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van beschermde N2000 en NNN gebieden en kunnen (significant) negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van deze beschermde gebieden al dan niet met zekerheid worden uitgesloten? Zijn de mogelijke negatieve effecten van de geplande ingrepen een overtreding van de Wnb en kunnen mogelijk negatieve effecten worden voorkomen middels mitigerende of compenserende maatregelen?
Leeswijzer In dit hoofdstuk is beschreven hoe dit onderzoek, het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van soort- en gebiedsbescherming, tot stand is gekomen en werd de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethodiek besproken. In hoofdstuk 3 volgt een algemene beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingrepen. In hoofdstuk 4 wordt aan de hand van bronnenonderzoek, een veldbezoek en expert judgement de (potentiële) aan- of afwezigheid van beschermde soorten onderbouwd. In hoofdstuk 5 volgt de synthese van de resultaten en wordt een effectentoetsing uitgevoerd op beschermde soorten in het kader van de Wnb. In hoofdstuk 6 volgt een effectentoetsing op de gebiedsbescherming Wnb en NNN beleid. In hoofdstuk 7 volgen de conclusies en aanbevelingen met eventuele mitigerende maatregelen en wordt de eventuele noodzaak aangegeven tot vervolgonderzoek. Hierna volgen de geraadpleegde bronnen en bijlagen met een foto impressie van het plangebied en het N2000 aanwijzingsbesluit.
Pagina | 1
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
2 2.1
ONDERZOEKSMETHODIEK Algemene opzet en werkwijze Dit natuurwaardenonderzoek betreft een inschatting van de (potentiële) aanwezigheid van en mogelijke nadelige effecten op beschermde soorten planten en dieren, wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen in het kader van de natuurwetgeving. Aan de hand van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van het (potentieel) voorkomen van (functies van) beschermde flora en fauna en Habitattypen in en rond het plangebied. Op basis van beschreven ingrepen is een inschatting gemaakt van te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten, soortfuncties en gebieden. De mogelijk negatieve effecten zijn getoetst aan de Wnb en het NNN beleid. Tot slot wordt geadviseerd over de noodzaak tot het nemen van mitigerende (verzachtende of inpassings-) of compenserende maatregelen, dan wel de noodzaak tot het nemen van vervolgonderzoek. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn verspreidingsgegevens van internetmedia en diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd (zie geraadpleegde bronnen).
Oriënterend terreinbezoek Het plangebied is op 31 januari 2019 bezocht. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten, o.a. zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Expert judgement Een quickscan natuurwaardenonderzoek is een momentopname door het jaar heen. De onderzoeksdatum is doorgaans niet geheel representatief voor onderzoek naar alle beschermde plant- en diersoorten onder de Wnb. Desondanks wordt, door het toepassen van expert judgement tijdens de quickscanfase een goed beeld verkregen van de te verwachten beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Expert judgement betekent in deze, dat een ervaren en ecologisch geschoolde (veld)ecoloog op basis van abiotische, biotische en antropogene kenmerken van het onderzoeksgebied en omliggend terrein, een inschatting maakt van de trefkans van beschermde plant- en diersoorten in het onderzoeksgebied.
Tijdens het toepassen van expert judgement wordt gekeken naar onder andere aanwezige standplaatsfactoren, habitat- en biotoopkenmerken, soortspecifieke habitatseisen, zicht- en geluidswaarnemingen, sporen zoals pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc. en verspreidingsgegevens. Gebruikte onderzoeksinstrumenten Bij dit onderzoek zijn de volgende instrumenten gebruikt:
verrekijker (Zeiss 10x40); digitale fotocamera (Canon DSLR met groothoek lens).
Pagina | 2
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Het ecologisch onderzoek om tot beantwoording te komen van de onderzoeksvragen is uitgevoerd middels volgend schematisch overzicht (figuur 1).
Onderzoeksvragen
Inventarisatiefase
Analysefase
Synthesefase
Bronnenonderzoek, veldbezoek en expert judgement
Resultaten
Conclusie en aanbevelingen
Fig. 1: Schematische weergave onderzoeksmethodiek.
Pagina | 3
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
3 3.1
PLANLOCATIE EN INGREPEN Planlocatie Het plangebied ligt in Heerde, ten zuiden van de bebouwde kom van Heerde aan de Kerkdijk nummer 5. Het onderzoeksgebied betreft een perceel met kassen, weides, een fruitgaard, moestuin en omliggend grijs en groen (fig. 2, 3, 4 en foto-impressie bijlage I).
3.2
Beschrijving geplande ingrepen Gepland staat het grootste deel van de kassen (blauwe arcering figuur 2) te slopen en een vervangende nieuwbouwwoning te plaatsen nabij de Kerkdijk. Daarbij blijven enkele kassen, een schuur, paardenstal en de noordelijke houtwal geheel behouden. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het amoveren van kassen, verplaatsen / verwijderen van fruitbomen, het vlaktrekken van de gronden en het nieuwbouwen van een woning aan de Kerkdijk zijde van het plangebied. In figuur 2 wordt de globale situering van het plangebied weergegeven (rode arcering). In figuur 3 en 4 volgt een verdere uitzooming van het plangebied (rode arcering) in de regio. Foto’s van het plangebied zijn opgenomen in bijlage I.
Fig. 2: Globale situering planlocatie / onderzoeksgebied (bron: PDok).
Pagina | 4
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Fig. 3: Globale situering planlocatie / onderzoeksgebied in de omgeving (bron: PDok).
Fig. 4: Globale situering planlocatie / onderzoeksgebied in de regio (bron: PDok).
Pagina | 5
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
4
NATUURWAARDENONDERZOEK In dit hoofdstuk zijn de (potentiële) aan- of afwezigheid van de onderzochte plant- en diersoorten in het onderzoeksgebied onderbouwd. De relevante soorten zijn nader toegelicht.
4.1
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek, is een oriënterende inventarisatie uitgevoerd van de (potentie van) aanwezige beschermde soorten Wnb in en rond het plangebied, met de nadruk op de niet vrijgestelde beschermde soorten Wnb. De waarnemingscondities waren gunstig voor het uitvoeren van oriënterend ecologisch veldonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd tijdens gunstig weer, de bodemvegetatie was zichtbaar en het was droog met weinig wind. Door het toepassen van expert judgement (§2.1), is de onderzoeksdatum representatief voor oriënterend ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van alle beschermde plant- en diersoorten onder de Wnb in en rond het plangebied. Er is een goed beeld verkregen van de al dan niet aanwezige en in potentie te verwachten beschermde soorten Wnb in het plangebied. Tabel 1: Waarnemingscondities veldbezoek Datum 31 januari 2019
4.2
Begintijd 09:00
Eindtijd 12:00
Weersomstandigheden Wind ZO 1B, bewolking 7/8, droog, 1°C
Flora In betreffende onderzoekslocatie zijn de volgende biotopen (CBS, 2005) aangetroffen:
521: Erven, volkstuinen en moestuinen; 524: Glastuinbouwgebieden.
De onderzoeksdatum is niet geheel representatief voor onderzoek naar plantensoorten, desondanks is door het toepassen van expert judgement een goed beeld verkregen van de te verwachten plantensoorten in het onderzoeksgebied. In en rond het onderzoeksgebied zijn alleen algemene plantensoorten aangetroffen en te verwachten van eutrofe standplaatsen onder de agrarische invloedsfeer. Ontheffingsplichtige plantensoorten binnen de Wnb zijn niet aangetroffen in het onderzoeksgebied tijdens het veldonderzoek en worden gezien de terreingesteldheid, aangetroffen soortensamenstelling en verspreidingsgegevens ook niet verwacht.
4.3
Grondgebonden Zoogdieren In het onderzoeksgebied en directe omgeving zijn een aantal vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten, zoals veldmuis, huisspitsmuis, huismuis, bruine rat en konijn. In de kassen zijn sporen van de veldmuis en konijn aangetroffen. In de noordelijke houtwal binnen het plangebied is aan de noordkant van deze houtwal (grenzend aan een sloot en weiland) een in gebruik zijnde dassenburcht aangetroffen.
Pagina | 6
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
In en rond het onderzoeksgebied zijn verder geen sporen, habitat- of biotoopkenmerken aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van (vaste rust- of verblijfplaatsen van) overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, zoals o.a. steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, boommarter of eekhoorn. Gezien de terreingesteldheid, situering van het plangebied en verspreidingsgegevens worden ook verder geen ontheffingsplichtige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren verwacht.
4.4
Vleermuizen Potentiële verblijfplaatsen Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in boomholten, huizen, kelders etc. In het onderzoeksgebied zijn geen geschikte rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen in de kassen, locatie voor de vervangende nieuwbouw of omliggend groen. De grote zomereiken in de noordelijke houtwal en de schuur zijn niet nader onderzocht op vleermuizen omdat er geen werkzaamheden worden uitgevoerd in of nabij de houtwal of schuur. In het onderzoeksgebied zijn vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen potentieel in de noordelijke houtwal en schuur die geheel behouden blijven. De schuur en houtwal zijn daardoor niet verder meegenomen in deze beoordeling tav vleermuizen. In Tabel 2 is weergegeven welke combinatie van soorten en functies (potentieel) voorkomen in het plangebied. Potentiële vliegroutes Van veel vleermuissoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde ruimtelijke structuren voor oriëntatie en via deze verbindingselementen van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken en weer terug. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bv. rijen woningen, watergangen, rijen bomen en singels) een belangrijk onderdeel van een vliegroute.
Er zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die vleermuizen richting of van het onderzoeksgebied kunnen geleiden, waardoor vliegroutes van vleermuizen geheel uitgesloten zijn (tabel 2). Potentieel foerageergebied Vleermuizen foerageren op locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen en bomenrijen, bij lantaarnpalen of boven open terreinen of water. Verwacht wordt dat het onderzoeksgebied, gezien aanwezige luwtedelen, enigzins deel kan uitmaken van foerageerroutes, -gebieden van vleermuizen (tabel 2).
Pagina | 7
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Watervleermuis Baardvleermuis Franjestaart Rosse vleermuis Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis
Foerageerroute
Vliegroute
Winterverblijfplaats
Paarverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Zomerverblijfplaats
Tabel 2: De potentieel voorkomende vleermuizen en aanwezige functies in het plangebied.
x x x x x x x x
X = potentieel aanwezig
4.5
Vogels Aangezien dit natuurwaardenonderzoek een quickscan betreft, is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek in combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement is echter wel een goede uitspraak te doen over de te verwachten soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen, zicht of geluidswaarnemingen) van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen in en rond het onderzoeksgebied zoals o.a. huismus, steenuil of kerkuil. Essentiële (nest)functies van jaarrond beschermde vogelsoorten, worden vanwege de terreingesteldheid en afwezigheid (van sporen/geluid/zicht) tijdens het veldbezoek ook niet verwacht. De noordelijke houtwal en de schuur zijn niet nader onderzocht omdat er geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de houtwal of schuur. Gezien de terreingesteldheid, worden in het plangebied verder alleen functies van algemene broedvogels verwacht. Op en direct rond het onderzoeksgebied aangetroffen en te verwachten broedvogels zijn algemene broedvogels van buitengebiedserven als graspieper, witte kwikstaart, merel, zanglijster, zwartkop, tjiftjaf, fitis, heggenmus, roodborstje, koolmees, pimpelmees, etc.
4.6
Amfibieën, reptielen en vissen Vanwege de terreingesteldheid en situering van het onderzoeksgebied ten opzichte van omliggende sloten en wateren, kunnen incidenteel foeragerende exemplaren van de kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker worden verwacht. Gezien de terreingesteldheid en verspreidingsgegevens worden geen ontheffingsplichtige beschermde soorten amfibieën, reptielen of vissen verwacht in het onderzoeksgebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën, reptielen of vissen aangetroffen in het onderzoeksgebied.
Pagina | 8
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
4.7
Dagvlinders, libellen en overige insecten en ongewervelde In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soorten dagvlinders, libellen en overige insecten en ongewervelde aangetroffen. Gezien de terreingesteldheid, ligging en verspreidingsgegevens, worden in het onderzoeksgebied ook geen beschermde soorten uit deze soortgroepen verwacht.
Pagina | 9
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
5
EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de soortbescherming Wnb uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt voor welke (potentieel) aanwezige beschermde soorten mogelijk negatieve effecten optreden door de geplande ingrepen en of hiervoor aanvullend onderzoek, mitigerende dan wel compenserende maatregelen, of een ontheffing in het kader van de Wnb vereist is.
5.1
Mogelijk optredende effecten De geplande ingrepen (§3.2) kunnen potentieel overtreding van de onderstaande verbodsbepalingen van de Wnb inhouden. Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatsrichtlijn: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Pagina | 10
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
5.2
Kwalificerende N2000 Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten Enigzins binnen de externe invloedsfeer (dichstbijzijnde ligging ten opzichte van het plangebied) op een afstand van ca. 1,8 kilometer oostelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied Rijntakken (gele arcering figuur 5). De N2000 aanwijzingsbesluiten van het N2000 gebied zijn weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende soorten door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. In figuur 6 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het dichstbijzijnde Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit woningbouw. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten van het N2000 gebied.
Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 soorten door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande ingrepen geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.
Fig. 5: Globale begrenzing planlocatie (rode arcering) versus omliggende N2000 (gele arcering) gebieden (bron: PDok).
Pagina | 11
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Fig. 6: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Natura2000 door activiteit woningbouw (bron:www.synbiosys.alterra.nl).
Pagina | 12
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitaten Vogelrichtlijnsoorten daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.
Verstoring door geluid (13), licht (14), trilling (15), optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. De kwalificerende soorten komen, gezien de verspreidingsgegevens voor in de N2000 gebieden en direct daar om heen. Gezien de situering van het plangebied ten opzichte van de N2000 gebieden en de beperkte locale aard van de activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is ten aanzien van de geplande activiteiten geen sprake van cumulatieve effecten.
5.3
Flora, dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen in het plangebied redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten op soorten uit deze soortgroepen, door de geplande ingrepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroepen dan ook geen overtreding van de Wnb in.
5.4
Vissen en reptielen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen in het plangebied redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten op soorten uit deze soortgroep, door de geplande ingrepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de Wnb in.
5.5
Amfibieën en grondgebonden zoogdieren Door de ingrepen gaan mogelijk foerageer- en verblijfplaatsen van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren verloren. Voor algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verboden zoals opgenomen in artikel 3.10 Wnb.
Pagina | 13
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
De ingrepen houden voor deze soorten dan ook geen overtreding van de Wnb in. Er zijn geen ontheffingsplichtige beschermde amfibieën of grondgebonden zoogdieren aangetroffen of te verwachten in het plangebied, anders dan de das. Das Aan de noordkant van de noordelijk houtwal is in de noordoostelijke hoek een dassenburcht (fig. 7) gesitueerd. De burcht ligt op meer dan 50 meter afstand van de te slopen kassen. In het plangebied en directe omgeving zijn geen vluchtpijpen of bijburchten aangetroffen. Het plangebied vormt marginaal leefhabitat voor de das, gezien de zichtbare wissels van west tot oostwaarts langs de sloot lopen en noordwestelijk richting houtwallen en bossen. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de aanwezige populatie dassen, de functionaliteit van de dassenburcht of essentieel dassenleefgebied. Na het slopen van de kassen en herinrichting van de locatie van de kassen in het plangebied, houden de dassen per saldo meer (sub)optimaal leefgebied over. De ingrepen houden voor de aanwezige dassenpopulatie dan ook geen overtreding van de Wnb in.
Fig. 7: Locatie dassenburcht (zwarte ster) (kaartbron: PDok).
5.6
Vleermuizen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen of te verwachten zijn in de te amoveren kassen of locatie voor de nieuwbouw van een vervangende woning. In het onderzoeksgebied zijn alleen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen potentieel in de noordelijke houtwal en schuur die behouden blijven. De schuur en houtwal blijven behouden en zijn daardoor niet verder meegenomen in deze beoordeling.
Pagina | 14
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
In het plangebied zijn tevens geen lijnvormige elementen aanwezig die geschikt kunnen zijn voor vleermuizen als vliegroute. Het plangebied wordt verder potentieel gebruikt door vleermuizen als foerageerroute en -gebied. Gezien de hoeveelheid alternatief foerageergebied in de directe omgeving, wordt door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de foerageermogelijkheden van vleermuizen in het plangebied. De geplande ingrepen (§3.2) houden voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de Wnb in. In Tabel 3 is weergegeven op welke in het plangebied potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties, mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn.
Watervleermuis Baardvleermuis Franjestaart Rosse vleermuis Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis
Foerageerroute
Vliegroute
Winterverblijfplaats
Paarverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Zomerverblijfplaats
Tabel 3: De potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties in het plangebied en mogelijke negatieve effecten van de geplande ingrepen.
x x x x x x x x
X = potentieel aanwezig = Negatief effect niet te verwachten = Negatief effect niet uitgesloten
5.7
Vogels Alle broedvogels zijn gedurende hun broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden, mits kan worden aangetoond dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden.
Pagina | 15
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Jaarrond beschermde vogelsoorten Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen essentiële functies van jaarrondbeschermde vogelsoorten zijn aangetroffen of zijn te verwachten. De schuur en noordelijke houtwal blijven geheel behouden en zijn daardoor niet meegenomen in deze beoordeling. De geplande ingrepen houden daarmee voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de Wnb in.
Pagina | 16
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
6
EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb en NNN beleid uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingrepen mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde N2000 en NNN gebieden, en of hiervoor een passende beoordeling, danwel een vergunning in het kader van de Wnb vereist is.
6.1
Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb In een oriënterende toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb dient na gegaan te worden of het optreden van (significante) negatieve effecten op aangewezen Habitattypen door activiteiten en ontwikkelingen in of nabij N2000 gebieden al dan niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden getoetst te worden op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, de zogeheten ‘externe werking’. Enigzins binnen de externe invloedsfeer (dichstbijzijnde ligging ten opzichte van het plangebied) op een afstand van ca. 1,8 kilometer oostelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied Rijntakken (gele arcering figuur 5). De N2000 aanwijzingsbesluiten van het N2000 gebied zijn weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie van EZ, kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitattypen. In figuur 8 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit woningbouw.
In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitattypen van het N2000 gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 Habitattypen door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande werkzaamheden geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij.
Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitattypen daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.
Pagina | 17
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Fig. 8: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitattypen Natura2000 door activiteit woningbouw (bron: synbiosys.alterra.nl).
Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verstoring door optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door licht, geluid of trilling. Gezien de situering van het plangebied ten opzichte van de N2000 gebieden en de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegeomen. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is ten aanzien van de geplande activiteiten geen sprake van cumulatieve effecten.
Pagina | 18
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
6.2
Effectentoetsing NNN beleid Het NNN is een netwerk van Nederlandse natuur- en groen-blauwe landschapselementen. Binnen de provincie Gelderland is het NNN opgesplitst in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelzones (GO). Het plangebied ligt niet in een GNN of GO gebied (fig. 9). Er is geen afname van GNN en GO areaal en er wordt niet binnen de GNN of GO begrenzing gewerkt. Door de geplande ingrepen worden geen negatieve effecten verwacht op beschermde plant en diersoorten onder de Wnb of kwalificerende N2000 plant- en diersoorten of Habitattypen. Geconcludeerd wordt, dat door de geplande ingrepen in het plangebied geen negatieve effecten te verwachten zijn op Habitat-, Vogelrichtlijnsoorten, Habitattypen of op beschermde plant- en diersoorten onder de Wnb. De geplande ingrepen veroorzaken daarmee geen negatieve effecten op de samenhang en kwaliteit van de bestaande flora en fauna, natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen zijn voor (nieuwe) groene en blauwe nieuwe natuur. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de GNN en GO zijn daarmee uitgesloten. De geplande sloop en nieuwbouw passen daarnaast binnen de gewenste ontwikkelingen in Gelderland.
Fig. 9: Planlocatie (rode arcering) versus omliggende NNN (groene arcering) gebieden (bron: PDok).
Pagina | 19
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN EcoMilieu Advies heeft een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Kerkdijk 5 te Heerde, gemeente Heerde, provincie Gelderland. Het onderzoeksgebied betreft een perceel met kassen, weides, een fruitgaard, moestuin en omliggend grijs en groen. Gepland staat het grootste deel van de kassen te slopen en een vervangende nieuwbouwwoning te plaatsen. Daarbij blijven enkele kassen, een schuur, paardenstal en de noordelijke houtwal geheel behouden. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het amoveren van kassen, verplaatsen/verwijderen van fruitbomen, het vlaktrekken van de gronden en het nieuwbouwen van een woning. Het plangebied ligt niet in het Gelderse deel van het NNN en ligt vanaf ca. 1,8 kilometer afstand ten opzichte van omliggende Natura2000 (N2000) gebieden. In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid.
7.1
Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb Uit de effectentoetsing Soortbescherming Wet natuurbescherming wordt geconcludeerd dat bij uitvoering van de geplande ingrepen negatieve effecten mogelijk zijn op:
Broedvogels.
Er worden door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde en kwalificerende soorten of aanwezige functies. Broedvogels Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Worden eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd, dan kunnen negatieve effecten op broedvogels uitgesloten worden. Als broedseizoen kan globaal de periode van 15 maart t/m 1 juli worden aangehouden. Zorgplicht Voor de Nederlandse soort- en gebiedsbescherming gelden tevens de algemene beschermingsmaatregelen van Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde
Pagina | 20
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Indien de planning het toelaat, kan schade aan de algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden geminimaliseerd door werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van februari t/m augustus. De minst schadelijke periode is de vorstvrije periode in september t/m november.
7.2
Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming Wnb en NNN Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het N2000 gebied Rijntakken ligt vanaf een afstand van ca. 1,8 kilometer ten opzichte van het plangebied en ligt ten opzichte van het plangebied enigzins binnen de externe invloedsfeer. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Gezien de locale aard van de geplande ingrepen en de situering van het plangebied ten opzichte van omliggende N2000 gebieden wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen. Vervolgstappen in het kader van de Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming zijn dan ook niet aan de orde. Natuur Netwerk Nederland beleid Gezien de resultaten uit het natuurwaardenonderzoek hoofdstuk 4 en de effectentoetsing Wnb en NNN hoofdstuk 5 en 6, kunnen negatieve effecten op beschermde soorten Wnb, aangewezen Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten en Habitattypen uitgesloten worden. Het plangebied ligt niet binnen de GNN of GO begrenzing. Er is geen afname van GNN of GO areaal en er wordt niet binnen de GNN of GO begrenzing gewerkt. Door de geplande ingrepen kunnen negatieve effecten op de GNN of GO uitgesloten worden.
De geplande omvormingen passen daarnaast binnen de gewenste ontwikkelingen in Gelderland. Vervolgstappen in het kader van het Natuur Netwerk Nederland beleid, zijn dan ook niet aan de orde.
Pagina | 21
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
GERAADPLEEGDE BRONNEN Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill, 2011. Vleermuizen, alle soorten vleermuizen van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur i.s.m. Zoogdierverenining. Douma, M., C.P.M. Zoon &A.D. Bode, 2011. De zoogdieren van Overijssel, leefwijze en verspreiding in de periode 1970t/m 2010. Uitgeverij Profiel Bedum. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap; Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs BV/ Provincie NoordHolland, Haarlem. Krijgsveld, K.L., et al, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Vogelbescherming Nederland. Lange, R., P. Twisk , A. van Winden & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van LNV, 2004. Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Opzeeland, I. et al, 2007. Herrie onder water: Vissen en geluidsoverlast. De Levende Natuur,jaargang 108, nummer 2. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard Grote modderkruiper 2.0. Sierdsema, H., 1995.
Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nederlands Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en EIS-Nederland, Leiden. Sparreboom (red.), 1981. De amfibieën en reptielen van Nederland, België en Luxemburg. Twisk, P. et al, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. KNNV Uitgeverij en Zoogdiervereniging. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1994. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. KNNV Uitgeverij / IVN, Utrecht. Websites: SOVON (www.sovon.nl) Telmee (www.telmee.nl) RAVON, Reptielen Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland. (www.ravon.nl). Rijkswaterstaat (www.rijkswaterstaat.nl) Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl).
Pagina | 22
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
BIJLAGEN
Pagina | 23
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED Planlocatie straatzijde
Planlocatie
Pagina | 24
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Planlocatie
Planlocatie kassen erfgrens
Pagina | 25
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Planlocatie kassen
Planlocatie kassen
Pagina | 26
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Planlocatie kassen
Planlocatie kassen
Pagina | 27
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUITEN
Pagina | 28
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Pagina | 29
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Pagina | 30
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Pagina | 31
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde
Pagina | 32
Ecologisch onderzoek Kerkdijk 5 Heerde