10.2.2. Stationsstraat 9-11 Heerde_Toelichting.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Gasleiding (N-556-60) Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een gasleiding van de Gasunie. Het gaat om gasleiding N556-60. Deze gasleiding heeft een diameter van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Voor een dergelijke gasleiding bevindt de 1% en de 100% letaliteitsgrens op een afstand van respectievelijk 100 meter en 50 meter. Voor de gasleiding geldt geen plaatsgebonden risicocontour. Doordat het plangebied op een afstand van 1,94 kilometer van de gasleiding ligt, is er geen nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 5.4.3
Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in een centrumgebied waar sprake is van een menging van functies (wonen, detailhandel en maatschappelijk). Daarom wordt voor dit plan uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de directe omgeving van het plangebied komen geen milieubelastende functies voor. Op circa 100 meter afstand van het plangebied ligt aan de Kamperweg 1, 8181 CR Heerde het bedrijvencomplex van The Dalli Group. Ingevolge de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" gelden voor "Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken" (SBI-code 2451) richtafstanden tot gevoelige objecten van 300 meter voor geur, 100 meter voor stof, 200 meter voor geluid en 100 meter voor gevaar.
In de praktijk wordt door omwonenden in de nabijheid van dit bedrijvencomplex aangegeven weinig tot geen overlast van “The Dalli Group" ondervonden. Op kortere afstand van de fabriek dan het plangebied staan reeds woningen. In de milieuvergunning van het bedrijf is met die woningen rekening gehouden en het bedrijf heeft maatregelen getroffen om op de gevels van die woningen te voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De nieuw te bouwen appartementen komen op grotere afstand van de fabriek te staan, zodat de fabriek geen extra maatregelen hoeft te treffen om aan alle normen te kunnen voldoen. De toegang tot de fabriek ligt aan de noordzijde van het complex, zodat de bedrijfsgebouwen een afscherming vormen naar de woningen in het plangebied. De aanwezigheid van dit bedrijvencomplex vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw binnen het plangebied en de nieuwe woningen vormen ook geen extra belemmering voor de bedrijfsvoering van het bedrijf.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de omliggende milieubelastende functies zich op voldoende afstand van het plangebied bevinden. Ter plaatse van de nieuwe appartementen in het plangebied wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied bevindt zich op een afstand van op circa 1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk de ‘Veluwe’. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapportage behorend bij dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie met significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN ligt op ruime afstand van het plangebied. Gezien de ligging buiten het GNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door Alcedo natuurprojecten een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen, het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4. 5.6.3.2 Beoordeling De onderzochte locatie betreft een voormalig winkelpand met bovenwoning, showroom en een achterliggende werkplaats. Het geheel is opgetrokken met een bakstenen muur (met spouw, zonder open stootvoegen), deels met twee verdiepingen, het woongedeelte is voorzien van een dak met dakpanplaten met in het midden een bakstenen schoorsteen, de showroom heeft een bitumen dakbedekking en de werkplaats een plat dak met bitumen dakbedekking. Naast de bebouwing is er sprake van een vrij grote met betonklinkers bestrate parkeerplaats. Er is geen sprake van een tuin en op het terrein staan geen bomen en is geen open water in de vorm van vijvers of sloten aanwezig. Op de onderzochte locatie is slechts marginaal sprake van wilde plantengroei omdat het een stedelijke omgeving betreft die vrijwel geheel is bestraat. Alleen langs de randen van de parkeerplaats komen inheemse wilde plantensoorten voor.
Het betreft algemene soorten zoals heermoes, akkerdistel, havikskruid en soortgelijke plantensoorten. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is niet aangetoond. Door de voorgenomen plannen zullen geen beschermde plantensoorten in het geding komen. In de directe omgeving van de onderzochte locatie komen diverse grondgebonden zoogdiersoorten voor zoals egel, huismuis, bruine rat, steenmarter en algemene muizensoorten. In de wijdere omgeving komen ook soorten voor zoals ree, vos, boommarter, bunzing, hermelijn, wezel en das. De soorten die in de directe omgeving voorkomen zullen incidenteel op of rond de onderzochte locatie aanwezig zijn, maar er werden geen sporen van deze soorten aangetroffen. Vaste rustplaatsen of nestplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten werden niet aangetroffen. Vervolgonderzoek op basis van kennisdocument huismus en gierzwaluw is niet noodzakelijk. Het wordt niet noodzakelijk geacht vervolgonderzoek uit te laten voeren volgens het vleermuisprotocol 2017, omdat kan worden uitgesloten dat er ter plaatse vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn van gebouw- of boom-bewonende vleermuissoorten. Er gaat geen foerageergebied van vleermuizen verloren en er zullen geen vliegroutes van vleermuizen worden doorsneden. Er zijn geen vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen.
Het is niet noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen bij de Provincie Gelderland. 5.6.4
Conclusie
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren conform wet- en regelgeving voor beschermde soorten en –gebieden.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Heerde beschikt over een archeologische verwachtingskaart. Op basis van deze kaart kan de archeologische verwachting in het plangebied worden bepaald. Op basis van de archeologische verwachtingskaart is het plangebied aangemerkt als een gebied met een ‘hoge verwachting’. Voor dergelijke gebieden geldt een onderzoeksplicht voor projecten waarbij bodemverstorende activiteiten groter dan 100 m² bedragen. In voorliggend geval wordt dit oppervlak overschreden, waardoor door Laagland Archeologie een archeologisch bureau en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is uitgevoerd. Het volledige rapport in opgenomen in bijlage 5. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Het noordelijke deel van plangebied heeft op de verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting en het zuidelijke deel een hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten onder een conserverend dek van tenminste 50 cm. Op basis van aanwezige bodemgegevens kan er geen uitspraak gedaan worden over een eventuele intact bodemprofiel.
Binnen het onderzoeksgebied zijn geen archeologische waarnemingen geregistreerd en uit historische gegevens blijkt dat er sprake is van bebouwing. Bij de aanleg van de huidige bebouwing is de bodem plaatselijk tot een aanzienlijke diepte verstoord waar de funderingen liggen. Omdat tussen deze funderingen nog vindplaatsen aanwezig kunnen zijn, wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek (inventariserende fase) uit te voeren. Advies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Op basis van deze conclusie is een nader onderzoek uitgevoerd. Laagland Archeologie heeft in januari-februari 2021 een Inventariserend veldonderzoek-verkennende fase uitgevoerd (opgenomen in bijlage 6) aan de Stationsstraat 9-11 te Heerde. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de realisatie van nieuwe woningen. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.
Het noordelijke deel van plangebied heeft op de verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting en het zuidelijke deel een hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten onder een conserverend dek van tenminste 50 cm. Op basis van aanwezige bodemgegevens kan er geen uitspraak gedaan worden over een eventuele intact bodemprofiel. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen archeologische waarnemingen geregistreerd en uit historische gegevens blijkt dat er sprake is van bebouwing. Bij de aanleg van de huidige bebouwing is de bodem plaatselijk tot een aanzienlijke diepte verstoord waar de funderingen liggen. Omdat tussen deze funderingen nog vindplaatsen aanwezig kunnen zijn, wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek (inventariserende fase) uit te voeren. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van greppelsporen en perceelgrenzen die in het oorspronkelijk lage en natte terrein te verwachten zijn.
Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden is door Laagland geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven van de archeologische dubbelbestemming. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Heerde, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heerde, in het plangebied zelf en de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.7.3
Conclusie
Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ zijn geen belemmeringen te verwachten.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Verantwoording vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ (D 11.2). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 woningen of meer) wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.9
Hittestress en klimaatadaptie
Initiatiefnemer tracht met deze ontwikkeling ook in te spelen op vergroening en klimaatadaptie. Om onderstaande maatregelen te kunnen garanderen is binnen de regels bij dit bestemmingsplan binnen artikel 3 een voorwaardelijke verplichting opgenomen inzake de uitvoering van deze maatregelen. Op dit moment is de locatie volledig bestraat en bebouwd. Dit heeft ermee te maken dat er altijd een garage heeft gezeten met bij behorend parkeerterrein. In de nieuwe situatie is sprake van een kleinere footprint bebouwd oppervlak. De nieuwbouw wordt straks omrand met groenzones en krijgen b.v. alle bergingen een sedumdak. Hiermee heeft de nieuwbouw een positief effect op hittestress in de omgeving van het plangebied. Daarnaast zal er waar mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzaam bouwmateriaal, en zal de (her)ontwikkeling leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Eveneens zullen er voorbereidingen worden getroffen voor de toekomst inzake het realiseren van voorzieningen met betrekking tot het opwekken van duurzame energie op het dak van de bebouwing. Hittestress Door klimaatverandering neemt het aantal zomerse en tropische dagen toe. De zomer van 2018 was de warmste in de afgelopen eeuwen en de zomer van 2019 kende de heetste week ooit: het werd voor het eerst warmer dan 40 graden.
Boven een zekere grens leiden hoge tempraturen tot hittestress. Deze hittestress kan leiden tot een verminderd thermisch comfort, slaapverstoring, gedragsverandering (grotere agressie) en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
verminderde arbeidsproductiviteit. Hittestress kan ook tot serieuze hitte gerelateerde ziekten leiden zoals: huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen. Soms kan hittestress zelfs sterfte tot gevolg hebben. Klimaat Door de afname van de bebouwde footprint in het plangebied neemt de kans op hittestress in Heerde af. Binnen het plangebied worden maatregelen getroffen om hittestress tegen te gaan. Dit zal geschieden door groenstructuren (sedumdaken op bijgebouwen) bij de nieuwbouw op te nemen. Daarnaast zal de nieuwbouwontwikkeling rekening houden met ondermeer de eventuele schaduwwerking, voor minder hitte en het minder snel verdampen van water na het sproeien. Meer groen betekent ook minder hitte. Planten/struiken/bomen voor droge en natte bodem - voor betere drainage/ wateropname van de grond en minder hitte. Planten nemen ook water op. Met betrekking tot wateroverlast worden maatregelen getroffen, zoals toepassen waterdoorlatende verharding. Verder wordt het plangebied zo ingericht dat er voldoende groen aanwezig is op- en rondom de nieuwe bebouwing. Op bijvoorbeeld een gazon kan het regenwater in de grond trekken en houdt regenwater tijdelijk vast. Al het regenwater wordt in de nieuwe situatie de locatie vastgehouden. Er gaat geen regenwater (meer) naar het openbaar riool.
Duurzame locatieontwikkeling (inbreiding versus uitbreiding) Realisatie van het plan levert een belangrijke bijdrage aan de forse taakstelling van de overheid om te zorgen voor voldoende woningbouw in de komende jaren. Door juist te kiezen voor inbreiding t.o.v. uitbreiding worden woningen gerealiseerd dicht bij de voorzieningen. Dit leidt tot minder voertuigbewegingen en daarmee minder overlast. Dit geldt o.a. voor de winkels voor de dagelijks boodschappen, de overige centrumvoorzieningen en ook voor bezoeken aan de huisarts, apotheek etc.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
De provincie Gelderland onderscheidt 3 speerpunten als het gaat om waterbeleid. Ruimte voor water De provincie streeft hier bij voorkeur rivierkundige maatregelen na waarin ruimte voor de rivier wordt gekoppeld aan andere ruimtelijke ontwikkelingen. Indien ruimte voor de rivier noodzakelijk is zal binnendijks gebied aan het winterbed worden toegevoegd. Hiervoor zullen planologische reservering worden ingesteld. Het bovenstaande geldt niet voor de twee locaties. Regionale berging Waterbergingsgebieden zijn een belangrijk onderdeel van het watersysteem. Voornamelijk zijn deze gebieden bedoeld voor het tijdelijk bergen van water uit regionale watersystemen ten tijde van extreme neerslaghoeveelheden. In deze gebieden wordt verstedelijking, de aanleg van bedrijventerreinen etc. uitgesloten. Gemeenten dienen deze waterbergingsgebieden vast te leggen in hun bestemmingsplannen. De percelen vallen niet binnen een dergelijk zoekgebied zoals deze staan weergegeven in het Streekplan Gelderland 2005. Drinkwater In Gelderland zijn een aantal gebieden aangewezen als grondwaterbeschermingsgebieden. Het doel van deze gebieden is er voor te zorgen dat het grondwater op eenvoudige wijze, zonder ingrijpende en kostbare zuivering ervan, kan worden gebruikt voor de bereiding van drinkwater. De locaties liggen niet nabij of binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
6.1.4
Waterschap Vallei en Veluwe
Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 20162021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1 2 3 4 5 6 6.1.5
We beschermen het gebied tegen overstromingen We zorgen voor de juiste hoeveelheid water We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden We halen de hoogst mogelijke waarde uit water We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners Gemeentelijk beleid
In de gemeente Heerde wordt continue aan de gemeentelijke infrastructuur gewerkt. Dit gebeurt door de realisatie van nieuwe woonwijken, inbreidingsplannen en de uitvoering van herinrichtingsplannen en reconstructies van bestaande openbare ruimte. De afdeling Leefomgeving van de gemeente Heerde is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Voor het beheer van de openbare ruimte is het gewenst om enige mate van standaardisatie in de te realiseren werken te hebben. Ten behoeve van een dergelijke standaardisatie, heeft de gemeente in november 2016 het beleidsstuk ‘Inrichtingseisen openbare ruimte van nieuwe werken, herinrichtingen en reconstructies’ uitgebracht. De inrichtingseisen zijn zo opgesteld dat er voor de ontwerper van de openbare ruimte voldoende speelruimte is om zijn of haar creativiteit er in kwijt te kunnen. De inrichtingseisen zijn een bouwsteen zoals de andere beleidsplannen die de gemeente heeft opgesteld voor het creëren van een prettige woon en werkomgeving binnen haar gemeentegrenzen.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Watertoets’ is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Doordat er sprake is van een ‘korte procedure’, onderschrijft het waterschap dat het voornemen geen essentiële waterbelangen raakt. Het waterschap geeft een positief wateradvies. Hierna wordt kort ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten
6.2.3.1 Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Dankzij de aanleg van de bij de woningen behorende tuinen is sprake van een afname van het verharde oppervlak. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. 6.2.3.2 Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer De mogelijkheden voor het infiltreren van hemelwater ter plekke zijn beperkt. Waar mogelijk zal het hemelwater geïnfiltreerd worden, bijvoorbeeld in de tuinen behorende bij de woningen of in het openbaar gebied. 6.2.3.3 Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in het noordwesten voor een beperkt deel in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen.
Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar Ten tijde van de uitwerking van de (bouw)plannen wordt rekening gehouden met de grondwaterstand en de potentiële hogere grondwaterstand. 6.2.3.4 Afvalwaterafvoer Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Hierbij wordt uitgegaan dat dit riool de toename van het afvalwater kan afhandelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen bouwregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval toegestaan dan wel strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen gebruiksregels;
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel worden voorwaarden gesteld ten aanzien van parkeer-, laad- en losruimte, alsmede hoeveel ruimte er moet worden gehouden tussen bouwwerken.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Wonen-Woongebouw (Artikel 3) De beoogde appartementen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen-Woongebouw’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, tuinen en paden, erven en. ondergrondse en bovengrondse containers voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Voor een hoofdgebouw gelden de volgende regels. Een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, buiten het bouwvlak is een gebouw toegestaan met een maximale bouwhoogte van 1.50 m. Ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mag de goothoogte en bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte, met dien verstande dat afwijkingen in de goothoogte van de voorgevel als gevolg van uitbouwen, onderbrekingen en/of architectonische verfijningen zijn toegestaan tot niet meer dan 50% van de totale gevelbreedte. De (verlengde) grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde mogen worden overschreden door: • • • •
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen; schotelantennes; gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; (hoek)erkers, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits over niet meer dan de halve gevelbreedte en mits de (verlengde) grenzen van het bouwvlak met niet meer dan 2 m worden overschreden;
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: • •
de totale oppervlakte van bijbehorend bouwwerken per woning bedraagt maximaal 8 m²; de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 2,50 m bedragen.
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen. In overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen. Er zijn voorwaardelijke verplichtingen binnen deze regels opgenomen inzake de beeldkwaliteit van het voornemen.
Verkeer (Artikel 4) De voor ' Verkeer ' aangewezen gronden in het plangebied zijn met name bestemd voor wegen, straten en paden en parkeervoorzieningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is planschade overeenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
HOOFDSTUK 9
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Gelderland
Voorliggend bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Gelderland. Vanuit de provincie Gelderland zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt. 9.1.3
Waterschap Vallei en Veluwe
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap Vechtstromen. Daarom wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in subparagraaf 6.2.2.
9.2
Inspraak en burgerparticipatie
Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Burgerparticipatie In de eerste helft van 2020 en ook gedurende 2021 hebben gesprekken plaats gevonden met omwonenden. Aan de buren zijn de plannen toegelicht en besproken. De omwonenden kunnen zich vinden in de plannen ervan uitgaande er niet hoger gebouwd gaat worden dan 2-laag met (woon)kap. Onlangs heeft ook een kennismaking plaats gevonden met de nieuwe eigenaar van perceel Stationsstraat 13. De nieuwe eigenaar heeft een omgevingsvergunning voor de sloop van het huidige pand en de realisatie van een 2-laag met (woon)kap gebouw. Over en weer zijn de plannen besproken en toegelicht. Afgesproken is om de komende tijd te onderzoeken of, en zo ja, op welke wijze de plannen op elkaar afgestemd kunnen worden.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 31 maart 2021 voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze inzagetermijn zijn er enkele zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen leiden niet tot aanpassingen aan het bestemmingsplan. De zienswijzennota zal als bijlage bij het vaststellingsbesluit worden gevoegd. Wel wordt er enkele ambtshalve wijzigingen toegepast, inhoudende dat er niet 16 maar slechts 15 appartementen mogelijk worden gemaakt. Daarnaast wordt een beeldkwaliteitsplan aan het bestemmingsplan BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
toegevoegd, deze wordt aan de regels middels een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Tenslotte worden de parkeerplaatsen aan de straatzijde voorzien van een passende verkeers-bestemming. Met inachtneming van bovenstaande dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden vastgesteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 3
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 4
Natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 5
Archeologisch bureauonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 6
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Stationsstraat 9-11 Heerde” Vastgesteld
Bijlage 7
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50