Raadsvoorstel Vaststelling Nota van Uitgangspunten omgevingsplan Woon- en centrumgebieden.pdf
Tekst van het document
Raadsbesluit Raadsvergadering: 25 juni 2026
Zaaknummer Team Portefeuillehouder Openbaarheid
: 1361008 : Ruimtelijk Beleid Heemstede : A.M.C.E. Stam : Actief openbaar
Onderwerp Vaststelling Nota van Uitgangspunten omgevingsplan Woon- en centrumgebieden
Kernboodschap Met deze Nota van Uitgangspunten stelt de gemeenteraad de kaders vast voor de eerste stap naar één integraal omgevingsplan, zoals vereist onder de Omgevingswet. Deze eerste gebiedsgerichte stap richt zich op de woon- en centrumgebieden. Daarbij kiezen we voor een beleidsneutrale omzetting van bestaande ruimtelijke regels. Zo behouden we rechtszekerheid voor inwoners en bedrijven en borgen we uitvoerbaarheid. Tegelijkertijd zorgen we ervoor dat het omgevingsplan aansluit bij de gemeentelijke ambities, in het bijzonder de Omgevingsvisie Heemstede 2040. Na vaststelling van deze Nota werken we de uitgangspunten verder uit in het omgevingsplan dat naar verwachting in het tweede kwartaal van 2027 door de gemeenteraad kan worden vastgesteld.
Besluit B&W 1. De raad voor te stellen om de Nota van Uitgangspunten vast te stellen, inclusief het participatieplan zoals opgenomen in bijlage 3, waarlangs het college het omgevingsplan opstelt voor de woon- en centrumgebieden van Heemstede. Deze uitgangspunten zijn: a. de ruimtelijke regels die overgaan van Rijk naar gemeenten (de ‘bruidsschat’, afdelingen 22.1 en 22.2) als vertrekpunt te hanteren; b. de bestaande bestemmingsplannen beleidsneutraal om te zetten; c. over te stappen van milieucategorisering naar milieunormering; d. de voormalige kruimelregeling niet over te nemen in het omgevingsplan; e. de hogere waarden besluit expliciet op te nemen; f. de rijks- en provinciale instructieregels beleidsneutraal om te zetten; g. de Omgevingsvisie Heemstede 2040 als strategisch kader te hanteren; h. het overige gemeentelijk ruimtelijk beleid richtinggevend te laten zijn; i. de bestaande vergunningplichtige activiteiten te hanteren als sturingsfilosofie; j. het casco in bijlage 2 te hanteren als leidende structuur voor de planregels. 2. Het voorstel voor te leggen aan de commissie Ruimte om advies te geven aan de raad (A-stuk). pagina 1 van 9
Besluit raad De raad van de gemeente Heemstede; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 mei 2026
Besluit: 1. De Nota van Uitgangspunten vast te stellen, inclusief het participatieplan zoals opgenomen in bijlage 3, waarlangs het college het omgevingsplan opstelt voor de woon- en centrumgebieden van Heemstede. Deze uitgangspunten zijn: a. de ruimtelijke regels die overgaan van Rijk naar gemeenten (de ‘bruidsschat’, afdelingen 22.1 en 22.2) als vertrekpunt te hanteren; b. de bestaande bestemmingsplannen beleidsneutraal om te zetten; c. over te stappen van milieucategorisering naar milieunormering; d. de voormalige kruimelregeling niet over te nemen in het omgevingsplan; e. de hogere waarden besluiten expliciet op te nemen; f. de rijks- en provinciale instructieregels beleidsneutraal om te zetten; g. de Omgevingsvisie Heemstede 2040 als strategisch kader te hanteren; h. het overige gemeentelijk ruimtelijk beleid richtinggevend te laten zijn; i. de bestaande vergunningplichtige activiteiten te hanteren als sturingsfilosofie; j. het casco in bijlage 2 te hanteren als leidende structuur voor de planregels. De raad voornoemd,
de griffier,
de voorzitter,
K. Millenaar
F. Binnendijk burgemeester
pagina 2 van 9
Wettelijke grondslag Juridisch en beleidskader De Omgevingswet verplicht gemeenten om te werken met één omgevingsplan voor het hele grondgebied en bevat ook regels over inhoud, vorm en procedure. De belangrijkste onderdelen zijn: • de Omgevingswet zelf, inclusief het overgangsrecht waardoor het tijdelijke omgevingsplan is ontstaan; • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) met rijksinstructieregels over onder meer erfgoed, geluid en een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL); • de Omgevingsverordening Noord-Holland, met provinciale instructieregels; • de digitale eisen (STOP/TPOD en DSO) voor publicatie en raadpleegbaarheid van het omgevingsplan. Het gemeentelijk beleid geeft richting aan de inhoud van het omgevingsplan. Centraal staat de Omgevingsvisie Heemstede 2040, waarin we onze langetermijnambities voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid, gezondheid en leefbaarheid hebben vastgelegd.
Bevoegdheid In artikel 2.4 van de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele gemeentelijke grondgebied één omgevingsplan vaststelt, waarmee de raad ook het bevoegd gezag is voor de inhoud en het vaststellen van uitgangspunten voor dat omgevingsplan.
Bestuurlijke achtergrond De aanleiding voor deze Nota van Uitgangspunten ligt in de invoering van de Omgevingswet. Sinds 1 januari 2024 werken we niet langer met afzonderlijke bestemmingsplannen en verordeningen, maar geldt er één tijdelijk omgevingsplan voor de hele gemeente. Dit vormt voor ons de basis naar de doorwerking tot één definitief omgevingsplan. In het omgevingsplan leggen we vast welke regels gelden voor de fysieke leefomgeving van Heemstede: wat waar kan en mag en onder welke voorwaarden. We bundelen de regels uit voormalige bestemmingsplannen, diverse verordeningen en de Rijksregels uit de zogenoemde ‘bruidsschat’ in één samenhangend geheel. Daardoor bevat ons omgevingsplan niet alleen regels over bouwen en gebruik van gronden en gebouwen, maar ook over onderwerpen als milieu, het kappen van bomen, de bescherming van cultureel erfgoed en wanneer een vergunning nodig is. Het huidige tijdelijke omgevingsplan zorgt ervoor dat alle bestaande regels blijven gelden, maar is nadrukkelijk een tussenstap. Om de transitie naar het definitieve omgevingsplan te sturen, heeft het college op 24 juni 2024 ingestemd met een stappenplan voor de gefaseerde totstandkoming, inclusief tijdpad. Op basis hiervan werken we in zes stappen toe naar één volledig, gebiedsdekkend omgevingsplan. Onze eerste drie stappen zijn gebiedsgericht.
Daarvoor hebben we de gemeente ingedeeld in drie gebiedstypen (‘woon- en centrumgebieden’, ‘landgoederen en groene gebieden’ en ‘bedrijventerreinen’), zodat vergelijkbare gebieden op dezelfde manier worden behandeld. Het doel pagina 3 van 9
hiervan is om invulling te geven aan de wettelijke opgave om in uiterlijk 2031 te komen tot één nieuw omgevingsplan voor het gehele grondgebied. De Nota van Uitgangspunten is opgesteld omdat deze overgang ook om bestuurlijke keuzes vraagt. In deze nota stellen we de uitgangspunten vast die we daarbij hanteren en markeren we het startpunt voor de vernieuwing van het omgevingsplan, te beginnen bij de woon- en centrumgebieden. Wat verandert er concreet? Met deze Nota van Uitgangspunten veranderen voor inwoners en initiatiefnemers niet direct de bouwen gebruiksmogelijkheden. De belangrijkste verandering is procedureel en juridisch van aard: regels die nu verspreid staan over bestemmingsplannen, gemeentelijke verordeningen en Rijksregels uit de zogenoemde ‘bruidsschat’ willen we samenbrengen in één integraal omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving. Voor initiatiefnemers ontstaat hierdoor op termijn één overzichtelijk digitaal regelstelsel met zoveel mogelijk uniforme begrippen, opbouw en procedures. Daarbij blijft ons uitgangspunt dat bestaande rechten en mogelijkheden behouden blijven, tenzij de gemeenteraad later bewust nieuw beleid vaststelt.
Concreet betekent dit bijvoorbeeld: • Een inwoner die een uitbouw aan de achterzijde van een woning wil realiseren, krijgt straks te maken met één samenhangende set regels in het omgevingsplan, in plaats van losse regels uit een bestemmingsplan, de bruidsschat en andere regelingen. • Een ondernemer die een winkelpand wil wijzigen naar een combinatie van detailhandel en dienstverlening, kan straks in één omgevingsplan terugvinden welke functies zijn toegestaan en welke vergunningprocedure geldt. Ook procedureel verandert het nodige. Onder de Omgevingswet geldt voor afwijkingen van het omgevingsplan in beginsel de reguliere procedure. Hierdoor vervalt de noodzaak van de voormalige ‘kruimelregeling’ en ontstaat één meer uniforme werkwijze voor vergunningverlening.
Motivering Het hanteren van de voorliggende uitgangspunten is vooral een keuze voor zorgvuldigheid, voorspelbaarheid en beheersbaarheid in een grote wettelijke transitie. Doordat we beleidsneutraal starten, blijven bestaande rechten van inwoners en bedrijven gerespecteerd en voorkomen we dat de omzetting naar het omgevingsplan onbedoeld leidt tot discussies over nieuw beleid of financiële risico’s. De focus op ruimtelijke regels uit de bestemmingsplannen helpt om tempo te houden en eerst datgene te regelen wat het meest zichtbaar en relevant is voor de dagelijkse praktijk, terwijl complexere milieuthema’s later zullen worden uitgewerkt. Door aan te sluiten op al vastgesteld beleid zorgen we dat eerdere bestuurlijke keuzes doorwerken in het omgevingsplan en dat de Omgevingsvisie en regels met elkaar in lijn zijn. Tegelijk willen we met duidelijke, uitvoerbare regels ervoor zorgen dat vergunningverlening en handhaving werkbaar blijven en dat inwoners weten waar zij aan toe zijn.
pagina 4 van 9
Argumenten In raadsbesluit 1 staan de uitgangspunten waarlangs het college het omgevingsplan gaat opstellen voor de woon- en centrumgebieden. Met dit raadbesluit stelt de raad deze uitgangspunten vast. De uitgangspunten worden hieronder kort toegelicht (a t/m j). a. Van bruidsschat naar omgevingsplan Bij de start van de Omgevingswet heeft het Rijk een zogenoemde bruidsschat meegegeven: een pakket regels dat automatisch onderdeel werd van het tijdelijke omgevingsplan om een juridisch gat te voorkomen. Deze regels zijn digitaal beschikbaar in het Omgevingsloket en werken door in onze vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Voor de wijziging van het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden kijken we vooral naar de ruimtelijke regels uit afdelingen 22.1 en 22.2 van de bruidsschat. Deze zijn artikel voor artikel geïnventariseerd en beoordeeld. Het uitgangspunt is een zoveel mogelijk beleidsneutrale omzetting: • Regels blijven in beginsel ongewijzigd, tenzij aanpassing nodig is vanwege gemeentelijk beleid of uitvoerbaarheid. • Voor vergunningvrij bouwen (art. 22.27) geldt dat we inhoudelijk in principe niets veranderen, maar wel verkennen of kleine aanpassingen wenselijk zijn. Deze regels worden geïntegreerd in het omgevingsplan, zodat duidelijk is wat vergunningvrij is en onder welke voorwaarden. b.
Van bestemmingsplannen naar omgevingsplan Het uitgangspunt is een zoveel mogelijk beleidsneutrale omzetting van de bestaande ruimtelijke plannen naar het nieuwe omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden. Dat betekent dat bestaande rechten en plichten leidend blijven. Voor deze omzetting vormen vijf zogenoemde ‘moederplannen’ het vertrekpunt. Deze bestemmingsplannen zijn Woonwijken Noordwest; Woonwijken Zuidoost; Woonwijken Noordoost; Woonwijken zuid en west; en Centrum en omgeving. Deze plannen zijn inhoudelijk doorgelicht en gebruiken we als basis voor de vertaling naar het omgevingsplan: • De huidige bestemmingen zetten we om naar functies met bijbehorende gebruiksactiviteiten; • Waar nu gemengde bestemmingen gelden, splitsen we deze op in losse functies die op dezelfde plek kunnen gelden; • Dubbelbestemmingen krijgen een passende plek als gebiedsaanwijzingen, bijvoorbeeld voor leidingen, archeologie of waterkeringen. Bij het omzetten hanteren we een vaste aanpak: bouwregels leggen we zoveel mogelijk als normen op de kaart vast en we onderscheiden verschillende typen bouwwerken. Afwijkingsmogelijkheden nemen we niet standaard over, maar laten we via de reguliere vergunningprocedure lopen. c. Van milieucategorie naar norm Het uitgangspunt is dat we bij bedrijven overstappen van oude milieucategorieën naar duidelijke geluid- en geurnormen.
In plaats van te werken met VNG-categorieën uit de ‘moederplannen’, nemen we in het omgevingsplan per bedrijf een geluidgebruiksruimte op die aansluit bij de nieuwe systematiek uit de Omgevingswet.
pagina 5 van 9
Waar nu bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan, geldt straks in beginsel een geluidruimte van 50 dB(A) op 30 meter van het perceel (met lagere waarden in de avond en nacht), aangevuld met de bestaande standaardwaarden uit de bruidsschat. Zo houden we de totale geluidbelasting beheersbaar. Deze aanpak is zoveel mogelijk beleidsneutraal, maar kan theoretisch in enkele gevallen gevolgen hebben. Daarom stellen we een overgangstermijn voor van tien jaar, met ruimte voor maatwerk waar nodig. d. Van kruimelregeling naar standaardprocedure Met de komst van de Omgevingswet is de oude ‘kruimelregeling’ komen te vervallen. Deze regeling was vroeger bedoeld voor kleine, veelvoorkomende afwijkingen van het bestemmingsplan waarvoor een snellere vergunningprocedure kon worden doorlopen. Omdat onder de Omgevingswet de reguliere (korte) procedure nu standaard geldt voor álle afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA’s), heeft een aparte kruimelregeling geen meerwaarde meer en nemen we deze daarom niet over in het omgevingsplan. e. Hogere waarden besluiten In de woon- en centrumgebieden zijn in het verleden hogere waarden besluiten genomen om woningbouw mogelijk te maken op plekken met een hogere geluidsbelasting. Deze besluiten maken wel onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan, maar zijn nu nog niet zichtbaar in de regels.
In de eerste wijziging van het omgevingsplan nemen we deze hogere waarden daarom expliciet op, zodat ze beter raadpleegbaar zijn en we ervaring opdoen met de manier waarop ze in het omgevingsplan worden geregeld. f. Doorwerking van rijks- en provinciale instructieregels Bij het opstellen van het omgevingsplan houden we rekening met de instructieregels van zowel het Rijk als de provincie Noord-Holland. Voor de woon- en centrumgebieden zetten we de bestaande regels zoveel mogelijk beleidsneutraal om, waardoor in de praktijk al grotendeels aan deze eisen wordt voldaan. Waar nodig verwerken we specifieke rijksregels in het plan, zoals de bescherming van cultureel erfgoed, een verbod op hyperscale datacentra en de doorwerking van rijksassets zoals spoorwegen en radarzones. De milieutechnische rijksregels volgen later via een aparte parapluwijziging; tot die tijd gelden de regels uit de bruidsschat. Ook de provinciale regels nemen we mee. Deze zijn grotendeels een voortzetting van bestaand beleid. Voor de woon- en centrumgebieden borgen we in ieder geval de bescherming van (provinciale en gemeentelijke) monumenten en dat provinciale wegen niet worden belemmerd. g.
De Omgevingsvisie Heemstede 2040 als strategisch kader Het uitgangspunt is dat het omgevingsplan volgt uit de beleidscyclus: eerst bepalen we de koers in de Omgevingsvisie en pas daarna vertalen we dit in juridische regels in het omgevingsplan. De Omgevingsvisie Heemstede 2040 vormt daarom ons strategisch kader. In het omgevingsplan borgen we de kernambities uit de visie: behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie, een duurzame en klimaatadaptieve leefomgeving, waarin bereikbaarheid leefbaarheid en duurzame mobiliteit centraal staan. Voor de centrumgebieden zetten we in op een vitaal en geconcentreerd kernwinkelgebied, met meer functiemenging aan de randen.
pagina 6 van 9
h. Overig bestaand ruimtelijk relevant beleid is richtinggevend Het uitgangspunt is dat het overige bestaande, ruimtelijk relevante gemeentelijke beleid richtinggevend is voor het omgevingsplan. Bij de wijziging voor de woon- en centrumgebieden gebruiken we dit beleid als inhoudelijk kader voor een zoveel mogelijk beleidsneutrale omzetting van regels en voor het formuleren van nieuwe planregels waar dat nodig is. Concreet vertalen we de kern van beleidsstukken zoals de Erfgoedvisie, Welstandsnota, Woonvisie, Transitievisie Warmte, Groenbeleidsplan, Programma Water en Klimaat, Nota Ecologie, Nota Parkeernormen en het Ontwikkelperspectief Binnenduinrand naar toetsbare regels in het omgevingsplan. Daarbij maken we, met behoud van bestaande rechten, passend gebruik van dynamische verwijzingen en leggen we relevante structuren en werkingsgebieden op de kaart vast. Voor nieuw beleid dat nog in voorbereiding is ten tijde van het opstellen van het omgevingsplan, zoals de Economische Visie, geldt dat dit we nieuw beleid kunnen verwerken wanneer het tijdig bestuurlijk is vastgesteld en voldoende concreet en uitvoerbaar is om juridisch te kunnen worden vertaald naar planregels. Wanneer beleid nog niet is vastgesteld of nog onvoldoende concreet is uitgewerkt, vormt het daarom geen direct toetsingskader voor deze eerste wijziging van het omgevingsplan.
Doorwerking van nieuw beleid gaat dan plaatsvinden via een latere wijziging of actualisatie van het omgevingsplan. Hiermee gaan we dus nu uit van enerzijds een beleidsneutraal overgangstraject en anderzijds voldoende flexibiliteit om nieuw beleid op een later moment juridisch te verankeren. i. Bestaande regulering van vergunningplichtige activiteiten leidend Bij de overgang naar het volwaardige omgevingsplan laten wij de bestaande regels en rechten in beginsel ongewijzigd. Daarmee blijft onze huidige wijze van regulering leidend. Activiteiten die momenteel vergunningplichtig zijn, blijven dat dus ook onder het nieuwe omgevingsplan. Zo borgen wij voor inwoners en bedrijven rechtszekerheid en uitvoerbaarheid. Wij passen deze sturingsfilosofie in principe alleen aan wanneer daarvoor een beleidsmatige of juridische basis bestaat, bijvoorbeeld door hogere regelgeving, doorwerking van vastgesteld beleid, een uitvoerbare ‘quick win’ of wanneer toepassing van een regel tot onredelijke gevolgen zou leiden. Dergelijke afwijkingen zullen we bij de uitwerking gemotiveerd vastleggen. Dit in lijn met het gedachtegoed van de Omgevingswet dat uitgaat van het borgen van omgevingskwaliteit, het verminderen van regeldruk en het creëren van ruimte voor gebiedsgericht maatwerk. j.
Casco in bijlage 2 als leidende structuur voor de planregels Wij hanteren het casco in bijlage 2 als uitgangspunt voor de wijziging van het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden. Dit biedt een vaste juridische en digitale structuur voor de regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Om het plan overzichtelijk en hanteerbaar te houden, ordenen wij de activiteiten in vijf hoofdactiviteiten, elk met een eigen hoofdstuk en vaste opbouw. Daarbij werken wij met de zogenaamde ‘regelpyramide’, waarin wordt onderscheiden wat is toegestaan, meldingsplichtig, vergunningplichtig of verboden. In paragraaf 4.3 gaan wij hier uitvoeriger op in.
Kanttekeningen, risico’s en beheersmaatregelen Vertraging De wijziging van het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden is een belangrijke stap richting duidelijkere en efficiëntere ruimtelijke procedures. Tegelijkertijd is er een reëel risico op vertraging, pagina 7 van 9
bijvoorbeeld door beperkte capaciteit, beperkingen in landelijke digitale systemen of de juridische en technische complexiteit van het nieuwe stelsel. Niet alle factoren hebben we zelf in de hand. Daarom blijven we investeren in voldoende capaciteit, kennisopbouw en het actief volgen van ontwikkelingen rond de kerninstrumenten uit de Omgevingswet. Op basis van een ambtelijke inschatting van de benodigde middelen en inzet verwachten we dat de opgave grotendeels kan worden uitgevoerd binnen de beschikbare gemeentelijke mogelijkheden. Daarbij geven we het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden een duidelijke prioriteit, naast lopende gebiedsontwikkelingen zoals Manpad en ’t Groot Clooster. Waar dat nodig is schakelen we aanvullende externe expertise in, zoals we ook bij eerdere actualisaties van bestemmingsplannen hebben gedaan. Nadeelcompensatie Bij het wijzigen van een omgevingsplan kan er in principe sprake zijn van nadeelcompensatie. Dit is een vergoeding aan inwoners of ondernemers voor schade die voortvloeit uit rechtmatig overheidshandelen en die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico. In Heemstede geldt hiervoor de Verordening Nadeelcompensatie 2024. We hanteren voor het opstellen van het omgevingsplan het uitgangspunt ‘beleidsneutraal, tenzij…’.
Omdat bestaande ruimtelijke regels één-op-één worden omgezet, is er in beginsel geen risico op nadeelcompensatie. Dat verandert pas wanneer we bewust afwijken van deze lijn om in het omgevingsplan vastgesteld beleid te laten doorwerken. In die gevallen is het van belang dat wijzigingen voorzienbaar zijn op basis van eerder vastgesteld en bekendgemaakt beleid, zodat eventuele schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Financiën De vaststelling van de Nota van Uitgangspunten heeft op zichzelf geen directe financiële consequenties. De nota vormt een kaderstellend document voor de verdere uitwerking van het omgevingsplan. In de gemeentelijke begroting is een bestemmingsreserve ‘Implementatie Omgevingswet’ ingericht, waarin ook de ontvangen rijksmiddelen zijn opgenomen. De kosten die samenhangen met de uitwerking en implementatie van het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden worden gedekt binnen de bestaande budgetten en deze reserve. Op basis van de huidige inzichten is hiervoor voldoende budget beschikbaar.
Samenwerking en communicatie We stellen het omgevingsplan op in lijn met het participatieplan uit bijlage 3. Gezien het beleidsneutrale karakter ligt de nadruk op informeren, raadplegen en het verifiëren van de feitelijke situatie. In de volgende uitwerkingsfase betrekken we bestuurlijke ketenpartners (zoals provincie, waterschap en de omgevingsdienst IJmond). Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties informeren pagina 8 van 9
we actief en nodigen we uit om te reageren op de conceptversie, met name op de juistheid en volledigheid van de regels. De formele participatie vindt vervolgens plaats bij het ontwerpomgevingsplan, dat zes weken ter inzage ligt. In die periode kan eenieder zienswijzen indienen die we betrekken bij de verdere besluitvorming. De communicatie verloopt via de gebruikelijke gemeentelijke kanalen. We informeren de gemeenteraad gedurende het proces periodiek over de voortgang.
Planning/uitvoering In het wijzigingsproces van een omgevingsplan volgen we een aantal vaste stappen. Nadat de Nota van Uitgangspunten en het participatieplan zijn vastgesteld, werken we de uitgangspunten samen met betrokken partijen verder uit. Daarna stellen we een ontwerp op dat formeel ter inzage wordt gelegd. Na verwerking van ingediende zienswijzen en besluit de gemeenteraad over het omgevingsplan. Indien er beroep wordt ingesteld, volgt een juridische procedure; zo niet, dan treedt het plan vier weken na vaststelling in werking. Met deze aanpak werken we toe naar vaststelling van het omgevingsplan voor de woon- en centrumgebieden in het tweede kwartaal van 2027. Stap Vaststellen NvU in raad Uitwerking (incl. participatie) Ontwerp in college en cie. Ruimte Ontwerp ter inzage Oplevering omgevingsplan Vaststelling in college en raad Beroepstermijn en inwerkingtreding
Q2’26 Q3 ‘26
Q4. ‘26
Q1. ‘27 Q2. ‘27
Q3 ‘27
Bijlage(n) 1. Bijlage 1, Nota van Uitgangspunten omgevingsplan Woon- en centrumgebieden (incl. gebiedsafbakening en modelregels); 2. Bijlage 2, Casco Omgevingsplan Heemstede; 3. Bijlage 3, Participatieplan omgevingsplan Woon- en centrumgebieden.
pagina 9 van 9