CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Evaluatie Arrangementenmodel BW.pdf

Commissie Samenleving 11 januari 2022, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 3.3: Verwervingsstrategie Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang13.862 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het effect van arrangementenmodel op uitstroom en doorstroom is niet eenduidig op te maken Op basis van dit onderzoek is niet te concluderen of het arrangementenmodel heeft bijgedragen aan meer uitstroom en doorstroom van cliënten. De geïnterviewden verschillen hierover van mening en ook ontbreekt het aan eenduidige kwantitatieve gegevens hierover (zie hoofdstuk 3). Wel geven zorgaanbieders aan dat het arrangementenmodel bijdraagt aan meer zelfstandigheid. Echter, de randvoorwaarden voor uitstroom en doorstroom, in het bijzonder de beschikbaarheid van geschikte woningen, vormen een belemmering. Een ander inkoopmodel zou hierin waarschijnlijk geen verschil maken.

“Ik merk dat bewoners sneller klaar zijn voor zelfstandigheid. Deze wordt zeker aangewakkerd door het arrangementenmodel, omdat er heel erg per cliënt wordt gekeken wat iemand nodig heeft. Maar als er dan geen woning is stagneert de hele doorstroom.” Medewerker zorgaanbieder

Daarnaast zijn er een wel aantal elementen van het arrangementenmodel genoemd die op positieve wijze bijdragen aan door- en uitstroom: Duidelijke communicatie met de cliënt Zorgaanbieders en casemanagers communiceren aan het begin al duidelijk met de cliënt dat beschermd of beschut wonen een tijdelijke oplossing is. Op deze manier bereiden ze de cliënt voor op terugkeer naar zelfstandig wonen. Dit was voorheen met de ZZP-systematiek niet zo, geven aanbieders aan. Meer sturen op uitstroom en doorstroom Casemanagers geven aan dat vanuit de gemeente meer wordt gestuurd op resultaten. Door middel van (tussentijdse) evaluaties wordt er gekeken in hoeverre de doelen zijn behaald. Ook zeggen casemanagers meer contact te hebben met aanbieders ten opzichte van de oude systematiek. Hoewel het beperkte woonaanbod een belemmering vormt, geven casemanagers aan dat de doorstroom en uitstroom nog steeds hoger ligt dan voor de invoering van het arrangementenmodel. Ook de herstelgerichte benadering kan hieraan bijdragen.

Dit doelt op een gedifferentieerd aanbod van woonvormen en zelfstandige woningen, zoals omklappen van beschermd wonen naar zelfstandig wonen, af- en ombouw van intramurale voorzieningen en realiseren van zelfstandige woningen voor cliënten. 12

25

Voor specifieke cliëntgroepen worden knelpunten gezien. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten met multi-problematiek of een zware zorgvraag. Er is te weinig woonaanbod, bijvoorbeeld Skaeve Huse 13, voor deze cliëntgroep. Daarnaast richt het arrangementenmodel zich, door de op maat gemaakte aanpak, sterk op individuen. De herstelgericht manier van werken legt dus de focus op persoonlijke, individuele doelen van de cliënten en houdt in mindere mate rekening met de ondersteuningsvraag binnen een gezin. Volgens een ketenpartner ontbreekt hierdoor voor een kleine, specifieke groep cliënten aanbod dat past bij de gezinssituatie van de cliënt, zoals een beschermd wonen-plek voor moeder en kind. In een klein aantal gevallen is één integrale aanpak voor het hele gezin effectiever of beter passend bij de doelgroep.

Belemmeringen bij de doorstroom van beschermd naar beschut en zelfstandig thuis Het doel van het arrangementenmodel is mensen te begeleiden naar een zo zelfstandig mogelijke woonvorm met een zo hoog mogelijke mate van zelfredzaamheid. Voor de ontwikkeling naar meer zelfredzaamheid en participatie, is de stap van beschermd naar beschut wonen dan ook een belangrijke. De gemeente beschrijft een aantal veranderingen om de beweging naar het scheiden van wonen en zorg op gang te brengen, zoals een verandering in de vastgoedportefeuille van zorgorganisaties, een andere mindset bij de cliënt (beschermd wonen is van tijdelijke aard) en ondersteuning die gericht is op de randvoorwaarden om uit te stromen (zoals zelfstandigheid). Zoals eerder beschreven worden cliënten van begin af aan al geïnformeerd over de tijdelijkheid van het beschermd wonen en is de ondersteuning van de cliënt dankzij het arrangementenmodel meer ingericht op herstel en het streven naar zelfstandigheid. De afgelopen jaren is dan ook een ingezet op de realisatie van beschutte woningen. Ook wordt ingezet op zelfstandig thuis, waarbij soms zorgwoningen worden omgeklapt14 tot zelfstandige woningen. De meeste betrokkenen zijn positief over de doelstelling om wonen en zorg te scheiden en daarmee bij te dragen aan de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van cliënten.

Tijdens ons onderzoek bleken er echter ook diverse belemmeringen te zijn in deze ontwikkeling, waardoor het werken met het arrangementenmodel niet bijdraagt aan een betere doorstroom van cliënten naar zelfstandiger woonvormen. We lichten de knelpunten hieronder per partij toe: Zorgaanbieders Als een cliënt van beschermd wonen naar beschut wonen gaat, kan de cliënt in principe op dezelfde plek blijven wonen. Indien de ambulante begeleiding afneemt en de wooncomponent overheersend wordt, kan de cliënt zich beroepen op zijn of haar recht op huurbescherming. De zorgaanbieder mag in dat geval de huur niet zomaar opzeggen. Ook kan de woning op den duur worden omgeklapt, waarbij de cliënt direct met de woningcorporatie een huurovereenkomst aangaat zonder de tussenkomst van de zorgaanbieder. Dit veroorzaakt een negatieve prikkel voor de aanbieder, omdat ze op deze manier een woning “kwijt” zijn. Hier botsen dus twee belangen: dat van de cliënt voor wie het van belang is in een vertrouwde omgeving te kunnen blijven wonen en dat van de aanbieder, voor wie het van belang is om de beschikking te hebben over beschermd wonen-locaties om andere cliënten te kunnen ondersteunen. Ook voor de

Skaeve Huse zijn kleine, eenvoudige woningen voor mensen die zich niet kunnen aanpassen aan het leven in een normale woonwijk en daar veel overlast veroorzaken (bron: gemeente Haarlem, www.haarlem.nl/opvang, geraadpleegd op 30 augustus 2021) 14 Wanneer een woning wordt ‘omgeklapt’, komt de woning op naam te staan van de cliënt. Deze huurt dan direct van de woningcorporatie. 13

26

bedrijfsvoering van de zorgaanbieder heeft het consequenties. Dit speelt in het bijzonder bij beschut groepswonen.

“We ondersteunen de gedachte van de transitie. Maar als je een kleine setting hebt met 22 plekken en je gaat omklappen dan heb je direct consequenties voor je bedrijfsvoering en inzet personeel.” Medewerker zorgaanbieder

Echter, hoeft het scheiden van wonen en zorg niet in alle gevallen te leiden tot het verlies van een woning. De gemeente geeft hierover aan dat dit niet zo hoeft te zijn en dat dit een inrichtingskwestie betreft. Een van de gesproken aanbieders, heeft voor dit ‘omklap-probleem’ een creatieve oplossing gevonden. Deze aanbieder heeft een aparte stichting opgericht van waaruit een cliënt de woning huurt. Net als bij de driepartijeenovereenkomst sluit de cliënt een tijdelijk huurcontract met de stichting en een zorgcontract met de desbetreffende zorgaanbieder. De cliënt is contractueel verbonden aan de afspraak dat de cliënt de woning alleen mag huren op voorwaarde dat hij of zij zorg ontvangt. Vooralsnog lijkt deze aanbieder de enige te zijn die via deze constructie het scheiden van wonen en zorg realiseert. De gemeente geeft aan dat in de afgelopen jaren afspraken zijn gemaakt tussen gemeente en zorgaanbieders dat sommige beschutte woningen eigendom blijven van aanbieders. Om hoeveel woningen het gaat, is echter niet duidelijk. Naast dat zorgaanbieders graag de beschikking houden over een voldoende aantal beschermde woningen zodat ze dit aan cliënten kunnen aanbieden, hebben ze ook vanuit het perspectief van de bedrijfsvoering aarzeling wat betreft het omklappen van woningen.

Om een locatie dekkend te krijgen, hebben ze een minimum omvang nodig, zodat er voldoende middelen en personeel beschikbaar zijn om een locatie als geheel te voorzien van voldoende begeleiding en veiligheid. Dit speelt met name bij beschermd wonen waar 24/7-aanwezigheid nodig is. Wanneer de beschermd wonen-plek omgeklapt wordt naar een beschutte woning, wordt de financiering voor de 24/7-aanwezigheid veelal niet beschikt. Een aanbieder kan niet zomaar een nieuw beschermd wonen-plek met 24/7-aanwezigheid creëren om de benodigde schaalgrootte te bereiken waardoor de kosten niet geheel worden gedekt. Ten slotte is het, naast bovenstaande argumenten, voor zorgaanbieders ook niet makkelijk om hun vastgoedportefeuille uit te breiden in kader van de huidige woning- en vastgoedmarkt. Deze zit landelijk, maar ook specifiek in de regio, volledig op slot, waardoor transformatie risico inhoudt. Aanbieders hebben belang bij behoud van eigen vastgoed en vastgoedaanpassingen kosten veel tijd.

“Het is afhankelijk van het aantal woningen dat beschikbaar is, want als cliënten klaar zijn voor de volgende stap en er is geen woning, dan stagneert toch de hele doorstroom. Misschien wel doorstromen naar zelfstandigheid, maar niet doorstromen naar een andere woonvorm” Medewerker zorgaanbieder

Casemanagers Een aantal casemanagers geeft aan dat er soms duurdere woonvormen (beschermd wonen) worden geïndiceerd dan nodig is wanneer een doorstroomoptie zoals beschut wonen niet beschikbaar is. Dit doen ze om te voorkomen dat cliënten te vroeg uitstromen naar zelfstandig

27

wonen en vervolgens een terugval krijgen. Ze geven liever een te hoge indicatie dan een te lage. De casemanagers geven daarbij aan, dat wanneer ze dat doen, ze dat in goed overleg met de zorgaanbieders doen. Om te voorkomen dat een dergelijke hogere indicatie te lang voortduurt, maken ze gerichte afspraken met de zorgaanbieder over de termijn.

“Als we te veel [een hogere indicatie] geven, zetten we er een termijn bij. Dan zeggen we: vanuit coulance, doen we zoveel maanden erbij. Ik denk wel dat we daar coulant in zijn.” “Bij nieuwe aanmeldingen zijn we wel streng. Maar als iemand al in een beschermd wonen-woning zit, dan is de cliënt de dupe van als ze weg moet.” Casemanagers

Overigens bestaan hier vanuit een deel van de zorgaanbieders andere beelden bij. Zij geven aan dat er situaties zijn geweest waarbij er wel beschutte plekken beschikbaar waren, maar dat de casemanagers desalniettemin terughoudend bleken met het toekennen van een indicatie voor beschut wonen.

“Wat ons heel erg verbaasd heeft is dat het aantal Beschut Wonen indicaties heel erg achter is gebleven. Wij hadden rekening gehouden met een paar honderd en inmiddels zijn dat er een stuk of 60. … Ik denk dat de woonconsulenten [= casemanagers] en begeleiders er heel voorzichtig in zijn. De begeleider laat dan in de aanvraag in het midden of het beschut of beschermd moet zijn en de woonconsulenten zelf zijn te weinig kritisch. Dan geven ze vaak een beschermd wonen indicaties af met een lange looptijd. Medewerker zorgaanbieder

Cliënten Uit het gesprek met cliëntenvertegenwoordigers blijken ze zich vooral zorgen te maken over de negatieve gevolgen van beschut wonen. Zij zien veel nadelen aan het omklappen van woningen. De begeleider is dan niet continu aanwezig in het gebouw en wordt daardoor minder toegankelijk voor de cliënten. Niet alleen voor cliënten waarvan de woning omgeklapt is, maar ook voor cliënten die nog wel beschut wonen, wordt de begeleiding zo nagenoeg ‘ambulant plus’, geven cliëntenvertegenwoordigers aan. Mede hierdoor is er vanuit de cliëntenvertegenwoordigers onbegrip over het nut van beschut wonen, het idee om op een bepaalde zorglocatie te moeten wonen om ondersteuning te krijgen als de locatie gaandeweg toch wordt omgeklapt. Daarnaast vinden cliëntenvertegenwoordigers het omklappen van beschutte woningen naar zelfstandig wonen niet duurzaam, omdat de zorgaanbieder de beschutte woning kwijtraakt als deze eenmaal is omgeklapt.

“Uiteindelijk stopt dat, als alle locaties omgeklapt zijn. Dan krijg je ook eenlingen in een gebouw.” “Wat is straks nog het doel van locaties van beschut wonen? Wij zien het als ambulant plus. Ik begrijp niet waarom we meer van zulke (beschut wonen) locaties nodig hebben. Dan kunnen we beter begeleiding bieden aan iedereen in plaats van alleen iemand die op locatie woont. Want die woning gaat toch op een gegeven moment weg.” Cliëntenvertegenwoordigers

28

De cliëntenvertegenwoordiging geeft juist aan dat de snelheid waarmee op doorstroom en uitstroom wordt gekoerst soms te hoog is. In sommige gevallen leidt dat tot een terugval. Ook geven cliëntvertegenwoordigers aan dat cliënten niet goed genoeg geïnformeerd worden over beschut en zelfstandig wonen en de consequenties ervan. Zo zijn er ook voorbeelden van cliënten die niet wisten dat hun beschermd wonen indicatie omgezet zou worden naar een beschut wonen. Daarnaast zijn niet alle cliënten bewust van het feit dat cliënten alle opgebouwde inschrijfjaren voor een sociale huurwoning kwijtraken zodra een woning wordt omgeklapt of de cliënt naar een contingentwoning gaat. Dan huurt de cliënt direct van een woningcorporatie en komen daarmee de opgebouwde inschrijfjaren bij WoningNet te vervallen. Voor de cliënten die hier wel van op de hoogte zijn, veroorzaakt dit een negatieve prikkel om door- en uit te stromen. Ook draagt het betalen van huur mogelijk bij aan de weerstand van cliënten om door- en uit te stromen: zo betalen cliënten geen huur bij beschermd wonen, maar wel bij beschut en zelfstandig wonen. Cliënten geven aan weinig keuze te hebben over de contingentwoning die zij toegewezen krijgen. Dit wordt ook beaamd door woningcorporaties, die aangeven dat het een grote opgave is om een passende woning voor cliënten te vinden vanwege de woningschaarste.

“Contingentwoningen, daar zijn issues mee. Ik kon er een toegewezen krijgen, maar ik zou dan in een slechte buurt wonen, in een kleine woning etc. Nu woon ik in een goeie, rustige buurt, maar dat kon alleen omdat ik ingeschreven stond bij WoningNet. Je moet maar geluk hebben bij contingentwoningen. Daar heb je geen keus in welke woning je wilt wonen. Bij WoningNet heb ik het nog zelf in de hand, maar dat kon alleen omdat ik jarenlang ingeschreven stond.” Cliëntvertegenwoordiger

Woningcorporaties Woningcorporaties geven aan alle (financiële) risico’s te dragen wanneer een zorgwoning wordt omgeklapt naar een zelfstandige woning, bijvoorbeeld als de cliënt de huur niet betaalt of de buren lastigvalt. Woningcorporaties geven daarom aan alleen bereid te zijn om woningen om te klappen als de cliënten bewezen goed zelfstandig kunnen wonen. Het leren omgaan met geld en het betalen van huur wordt daarbij gezien als een belangrijke randvoorwaarde voor zelfstandig wonen. Sommige medewerkers van woningcorporatie hebben niet het idee dat daar in de begeleiding genoeg aandacht aan wordt besteed. Hoewel bij contingentwoning ook sprake kan zijn van overlast en huurachterstand, is de risicoverspreiding bij een contingentwoning anders, geeft een medewerker van de woningcorporatie aan. Bij het omklappen van woningen wordt het contract voor een onbepaalde periode afgegeven. Bij een contingentwoning wordt een tijdelijk contract van minimaal twee jaar afgegeven, via een driepartijenovereenkomst met zorgaanbieder, cliënt en woningcorporatie. Een cliënt die deze overeenkomst ondertekent, kan alleen zelfstandig wonen onder voorwaarde dat hij of zij meewerkt aan zorg en begeleiding.

“Contingentwoningen zijn er genoeg. Daar zijn afspraken over gemaakt, over een vast aantal dat corporaties moeten leveren. Als iemand een beschikking voor een contingentwoning krijgt, dan krijgen wij een half jaar om een woning te zoeken. Dat lukt veelal wel. Ik heb nog niet meegemaakt of gevoel gehad dat we geen contingentwoningen kunnen leveren.” Medewerker woningcorporatie

Het aantal contingentwoningen dat een woningcorporatie moet leveren wordt bepaald door middel van een verdeelsleutel. Woningcorporaties geven aan dat het veelal lukt om het afgesproken aantal

29

contingentwoningen te leveren. Wel hebben woningcorporaties soms het idee dat cliënten een contingentwoning toegewezen krijgen terwijl ze nog niet in staat zijn om zelfstandig te wonen. Bijvoorbeeld cliënten die onhandelbaar gedrag vertonen, of niet in staat zijn huur te betalen of de buren lastigvallen. Woningcorporaties benadrukken het belang van een gerichte ambulante begeleiding en nauwe afstemming met de zorgaanbieder gedurende de stap naar zelfstandig. Echter, horen we ook vanuit het stedelijk team en casemanagers dat wachttijden op contingentwoningen zijn toegekomen. Ook zorgaanbieders herkennen het beeld dat cliënten soms te snel moeten doorstromen niet. Zij herkennen juist het omgekeerde: cliënten die al klaar zijn om uit te stromen, maar moeten wachten op een huis. We zien dat er aangaande dit onderwerp verschillende denkbeelden zijn. Doordat wij geen zicht hebben op wachttijd voor contingentwoningen is het binnen het kader van dit onderzoek niet mogelijk geweest om te beoordelen of er voldoende aanbod van contingentwonen is om aan de vraag te kunnen voldoen.

“Niet iedereen is geschikt om zelfstandig te wonen. Een kleine groep zal altijd ondersteuning nodig hebben. Ik vind het een zorgelijke trend dat mensen vervroegd doorstromen. Ik snap niet waarom sommige cliënten een contingentregeling krijgen terwijl ze echt nog niet zelfstandig kunnen wonen.” Medewerker woningcorporatie “Soms merk je dat cliënten nog niet klaar zijn om zelfstandig te gaan wonen. Te veel overlast; dan willen we de woning terug. Dan is er voor die persoon geen plek om naar terug te gaan. Lijkt dan onze schuld dat die cliënt op straat komt te staan.” Medewerker woningcorporatie

Er wordt (te) weinig gebruikgemaakt van overbruggingszorg Aanbieders hebben een maximale inspanningsverplichting om de cliënt te voorzien van adequate ondersteuning en zorg. Dit houdt in dat aanbieders zich maximaal inspannen binnen de eigen organisatie, een passende overbruggingszorg leveren of een alternatieve ondersteuning inschakelen bij andere zorgaanbieders. Overbruggingszorg is een tijdelijke zorg in de vorm van extramurale begeleiding en dagbesteding voor cliënten die op de wachtlijst staan én een arrangement hebben met woontrede 2 (beschut groepswonen) of woontrede 3 (beschermd wonen) en niet intramuraal verblijven. In principe is de aanbieder waarbij de cliënt op de wachtlijst staat verantwoordelijk voor het bieden van overbruggingszorg en niet intramuraal verblijven. Indien de benodigde expertise niet intern aanwezig is kan de aanbieder ervoor kiezen om via onderaannemerschap de overbruggingszorg te organiseren. In de gesprekken met betrokkenen is niet eenduidig op te maken of er goed gebruik wordt gemaakt van de overbruggingszorg. Het gevoel heerst onder sommige casemanagers en ketenpartners dat overbruggingszorg nog niet goed van de grond komt. Ook enkele aanbieders geven aan dit zo te ervaren, hoewel er ook aanbieders zijn die wel aangeven overbruggingszorg te bieden.

Het is in het onderzoek niet duidelijk geworden waarom het de ene aanbieder wel lukt en de andere niet.

“Overbruggingszorg wordt niet gebruikt. Daar hebben we met z’n allen niet op zitten te letten. Zo thuis mogelijk iemand begeleiden bereik je soms meer dan als iemand in een beschermd wonen setting komt in een vreemde omgeving. Daar is meer aandacht voor nodig.” Medewerker zorgaanbieder

30

Kernconclusie In het arrangementenmodel zitten een aantal elementen die bijdragen aan de uit- en doorstroom van cliënten naar een zelfstandige woning. Zo wordt er meer maatwerk geleverd, wordt duidelijk aan de cliënt gecommuniceerd dat beschermd wonen van tijdelijke aard is en wordt er meer gestuurd op het behalen van resultaten door periodieke evaluaties. Dit zijn ingrediënten die kunnen leiden tot een betere en eerdere uit- en doorstroom, mits hiervoor de randvoorwaarden op orde zijn. Zo komt het voor dat er cliënten zijn die klaar zijn om uit te stromen, maar dat er geen woning is waar zij naartoe kunnen. Ook komt het voor dat cliënten zelf terughoudend zijn om door- of uit te stromen of dat er hogere indicaties worden afgegeven dan nodig. Om de komende jaren met het arrangementenmodel de door- en uitstroom te stimuleren, is het van belang dat er voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn. Op het moment lijkt het steeds lastiger te worden dergelijke nieuwe plekken te realiseren. Zorgaanbieders geven bijvoorbeeld aan dat het ‘omklappen’ van een beschermde woning naar een beschutte of zelfstandige woning voor problemen in de bedrijfsvoering zorgt. Bovendien geven zorgaanbieders aan het niet altijd wenselijk te vinden om hun beschermde woonplekken ‘kwijt te raken’. Het ‘omklappen’ wordt dan als een negatieve prikkel ervaren.

Ook blijken woningcorporaties soms terughoudend, mede vanwege hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de wijk. Of het arrangementenmodel ook heeft bijgedragen aan de doelstelling om een betere en eerdere doorstroom en uitstroom van cliënten te realiseren kan niet worden geconcludeerd op basis van dit onderzoek, door gebrek aan kwantitatieve data en beschikbaarheid van woningen, en uiteenlopende meningen van geïnterviewden. Echter, we denken niet dat we met een ander inkoopmodel een andere uitkomst hadden kunnen hebben aangezien sommige situaties buiten de invloed van het model liggen, zoals een landelijk tekort aan woningen en toegenomen problematiek van de cliënten. Wel kan geconcludeerd worden dat het arrangementenmodel bijdraagt aan een snellere groei in zelfstandigheid.

31

Samenwerken in de keten In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag in hoeverre de betrokken partijen invulling hebben gegeven aan de beleidsdoelstellingen omtrent ketensamenwerking, acceptatieplicht, integraliteit en preventie, zoals eerder benoemd in hoofdstuk 1, sectie 1.2.

Er wordt samengewerkt door de ketenpartijen op gebied van beleid en casuïstiektafels, maar tussen aanbieders onderling is er op cliëntniveau weinig samenwerking In het aanbestedingsdocument is een opdracht opgenomen over ketensamenwerking. Van aanbieders wordt verwacht dat zij samenwerken met andere aanbieders en ketenpartners in de regio. Door alle partners wordt gesproken over een nauwe samenwerking op beleidsniveau. Uit de gesprekken met aanbieders blijkt dat aanbieders in principe niet op cliëntniveau met andere aanbieders samenwerken, tenzij het gaat over dagbesteding of wanneer zij samen aan de casuïstiektafels zitten. Vaak wordt aan de casuïstiektafels wel besproken waar een cliënt het beste zou kunnen passen. Er wordt echter nog geen integraal zorgpakket, met samenwerking tussen de resultaatgebieden, aangeboden aan een cliënt door een samenwerking van verschillende aanbieders. Zorgaanbieders geven aan dat dit organisatorisch lastig te bewerkstelligen is, aangezien de beschikking wordt toegekend aan één zorgaanbieder.

“In mijn ogen werken we al actief samen. We sparren, we hebben een veldtafeloverleg. Maar ik denk dat het wel actiever kan. We kijken nu niet specifiek naar de bouwstenen, bijvoorbeeld die aanbieder kan die bouwsteen oppakken. Tot op heden lukt het zelf om alle bouwstenen op te pakken, maar het zou in de toekomst mooi zijn als we per cliënt kunnen kijken of er een bouwsteen door een andere zorgaanbieder opgepakt kan of moet worden.” “Iedereen doet zijn eigen ding. Als een deelnemer iets nodig heeft dat jij niet kan bieden, zou eigenlijk als vanzelfsprekend een andere aanbieder binnen moeten komen. Dat gebeurt nog niet.” “Je zit wel heel erg met de indicatie, daar valt niet in te splitsen. Organisatorisch zitten er dingen in de weg die opgelost moeten worden ten behoeve van de cliënt, zodat je per cliënt diverse zorgaanbieders kan betrekken.” Medewerkers zorgaanbieders

Aanbieders werken daarnaast ook samen met GGZ-instellingen in het geval van een GGZbehandeling. Echter, zij lopen hier soms wel tegen de grenzen van het gemeentelijk domein aan. Ook landelijk speelt deze problematiek als gevolg van schotten tussen de GGZ en het gemeentelijk domein. Ook lopen zij aan tegen de wachttijden bij GGZ-instellingen.

Acceptatie vanuit de wijk is een randvoorwaarde voor de integratie van de cliënt Naast een betere ketensamenwerking wordt ook een betere preventie genoemd in het aanbestedingsdocument. Onder preventie wordt verstaan: vroegtijdige signalering om escalatie te voorkomen en een goede nazorg. Op deze manier wordt zowel aan de voorkant als aan de achterkant gewerkt om maatschappelijke uitval te voorkomen. Van aanbieders wordt verwacht hier actief aan mee te werken door signaleringskracht te versterken en soepele overgang naar zelfstandig

32

wonen te organiseren. Ook kan er door middel van voorlichtingen of een andere interventie gewerkt worden aan een betere acceptatie en begrip in de buurt. In de gesprekken met aanbieders komt naar voren dat sommige aanbieders cliënten voorbereiden op zelfstandig wonen en de terugkeer naar de samenleving door cliënten te leren omgaan met OV en huur betalen. Om vroegtijdige signalering en zachte landing te bevorderen is het Pact voor uitstroom, een samenwerkingsverband tussen gemeenten, woningcorporaties en zorgorganisatie, ontstaan. Daarbij worden (sociale) netwerken en informele voorzieningen gebruikt om terugval te voorkomen. Wel geven meerdere respondenten aan te merken dat de acceptatie vanuit de wijk steeds minder wordt. Dit maakt de plaatsing en integratie in de wijken lastiger. Het draagvlak vanuit de wijk wordt gezien als een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere betrokkenen en lijkt een randvoorwaarde te zijn voor de invloed van het arrangementenmodel op het al dan niet behalen van de beleidsdoelstellingen.

“We merken dat het draagvlak in de wijk minder wordt. Zeker in de wijken waar meer mensen met meer geld wonen. Daarin moeten we ook beter samenwerken met de zorgaanbieders. Want daarin hebben we toch verschillende belangen: zij gaan voor de cliënt en wij voor de buurt. Als wij aangeven dat er klachten uit de buurt komen, wordt dat door de zorgverlening soms gebagatelliseerd.” Medewerker woningcorporatie

Betrokkenen geven aan dat acceptatieplicht niet altijd door alle zorgaanbieders wordt nageleefd, maar de situatie ligt genuanceerder Voor de gecontracteerde aanbieder geldt in beginsel een acceptatieplicht voor alle cliënten die in aanmerking komen voor beschermd of beschut wonen. De aangewezen aanbieders zijn daarbij verplicht om ondersteuning te leveren aan cliënten met een geldige beschikking. Indien er niet direct een woning beschikbaar is en een cliënt niet intramuraal verblijft, zijn aanbieders verantwoordelijk voor het leveren van de overbruggingszorg aan de cliënt op de wachtlijst. Aanbieders kunnen echter in uitzonderlijke situaties een cliënt weigeren of eenzijdig de ingezette zorg stopzetten, bijvoorbeeld bij het aantoonbaar tekortschieten van de benodigde expertise (intern of extern), bij een groot risico op fysiek of psychisch letsel voor medewerkers of in het geval van eenzijdige zorgbeëindiging, wanneer de cliënt de essentiële verplichtingen niet nakomt. Uit de gesprekken met de betrokkenen blijkt in de praktijk dat zorgaanbieders vaker dan gewenst cliënten weigeren. Ook de zorgaanbieders zelf vinden dit een onwenselijke situatie, maar worstelen met de volgende knelpunten: Complexiteit van de doelgroep Vrijwel alle betrokkenen geven aan dat de problematiek van de doelgroep complexer en zwaarder is geworden in de afgelopen jaren.

Aanbieders geven aan dat door complexere zorgvragen ook meer hoger opgeleid personeel nodig is. Bij enkele aanbieders heeft dit daadwerkelijk geleid tot meer inzet van hoogopgeleide medewerkers, maar dit lijkt vooralsnog een uitzonderingsgeval te zijn. De complexere zorgvraag vereist daarnaast een bepaalde mate van specialisme die niet altijd in huis is. Dit hangt ook samen met het volgende punt, personeelstekorten. Personeelstekorten Meerdere betrokkenen geven aan dat zorgaanbieders moeite hebben met het aantrekken van personeel dat om kan gaan met de zware problematiek van de cliënten. Volgens hen kampen zorgaanbieders met een hoog personeelsverloop en is er sprake van veel werkstress onder

33

medewerkers. Bovendien werken er ook veel jonge, onervaren personeelsleden die niet opgewassen zijn tegen onhandelbaar gedrag van sommige cliënten. Voor sommige aanbieders zijn dit de redenen om bepaalde cliënten te weigeren. Dynamiek in de groep Zorgaanbieders geven aan dat zij het lastig vinden dat zij worden toegekend als ‘voorkeursaanbieder’ voor een cliënt, zonder dat zij hier zelf inbreng in kunnen hebben. Dit is voornamelijk het geval bij de complexere casuïstiek. De zorgaanbieders geven aan dat dit voortkomt uit een tekort aan voorzieningen zoals Skaeve Huse. Niet iedere combinatie van cliënten gaat goed samen, dus niet iedere plek kan door iedereen ingevuld worden. Daarnaast functioneren sommige cliënten niet (goed) in groepsformatie; een voorziening als Skaeve Huse is in dat geval passender dan een plaatsing binnen een beschermd wonen groep. Zoals hierboven aangegeven is er bij de casuïstiektafels een goede samenwerking tussen zorgaanbieders aangaande het bepalen waar een cliënt het beste zou kunnen passen. Zorgaanbieders geven aan dat dit minder het geval is wanneer de acceptatieplicht in beeld komt, gezien dit toch veelal gaat om complexe casuïstiek waarvoor bij andere aanbieders vaak ook geen passende plek is.

“Het is gek dat je zomaar iemand op je naam gezet krijgt. Dan ligt de verantwoordelijkheid opeens bij ons. De andere zorgvragers lijden daaronder. Wij moeten dan zorgen dat de cliënt wel op de juiste plek komt en dat kost heel veel tijd.” “Wij kunnen een cliënt dan ook niet doorplaatsen naar een andere zorgaanbieder, want die heeft hetzelfde probleem. Het gaat om een groep die niet functioneert in groepsformatie.” Medewerker zorgaanbieder

34

Conclusie Er is veel draagvlak voor het gedachtengoed van het arrangementenmodel. Uitgangspunten zoals het herstelgerichte traject op maat, resultaatgericht werken, ketensamenwerking en één integraal plan voor de cliënt worden over het algemeen breed gedragen en nagestreefd door alle betrokken partijen. Wanneer gekeken wordt naar de mate waarin het arrangementenmodel bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de gemeenten geven veel partijen aan dat er meer aandacht is voor maatwerk, resultaatgericht werken, zelfregie en de doelen van de cliënten. Al bij de start van een traject weten cliënten dat dat beschermd wonen een tijdelijke oplossing is en is de ondersteuning van de cliënt meer ingericht op herstel en de randvoorwaarden om door- of uit te stromen. Het feit dat aanbieders de verantwoordelijkheid hebben over het totale arrangement voor een cliënt wordt als prettig ervaren. Partijen geven wel aan dat er meer overleg plaatsvindt tussen de verschillende stakeholders en ook tussen aanbieders onderling. Echter, wordt er nog niet op arrangementenniveau samengewerkt, wat wel de wens is van de verschillende partijen. Tot slot wordt de acceptatieplicht niet altijd nageleefd, onder andere door de complexiteit van de doelgroep en personeelstekorten. Of met het arrangementenmodel ook een snellere door- en uitstroom is gerealiseerd, is op basis van de beschikbare data niet te zeggen.

Zorgaanbieders geven aan dat er sneller sprake is van enige mate van zelfstandigheid bij cliënten sinds de introductie van het arrangementenmodel, maar uit de interviews met de verschillende betrokkenen blijken er ook diverse belemmeringen te zijn. Deze liggen voornamelijk in de randvoorwaardelijke sfeer en dan in het bijzonder de beperkte beschikbaarheid van geschikte woonvormen. Al met al kan geconcludeerd worden dat de uitgangspunten van het arrangementenmodel veel draagvlak kunnen ontvangen van de verschillende partijen. Er zijn nog een aantal knelpunten, zoals geformuleerd in deze rapportage, maar het is niet te verwachten niet dat een ander inkoopmodel hier direct een andere invloed op zal hebben. Daarnaast bestaat, indien voor een ander inkoopmodel wordt gekozen, ook het risico dat er opnieuw ‘gewend’ moet worden met alle gevolgen van dien.

Reflectie en denkrichtingen De denklijn die wij mee willen geven is om vooral in te zetten op meer communicatie over de verschillende opvattingen die op dit moment nog bestaan aangaande het arrangementenmodel en de mogelijkheden die dit model met zich meebrengt. We kunnen hieromtrent verschillende voorbeelden noemen: de inrichting van het scheiden van wonen en zorg, regie op woningen, de perceptie van ‘stabilisatie’ als doel of als basisvoorwaarde en de flexibiliteit aangaande het omgaan met de budgetten. Hier blijkt nog veel verschil in interpretatie te zijn tussen de verschillende partijen. Maar ook de cliëntvertegenwoordigers geven aan dat zij behoefte hebben aan meer communicatie, omdat zij zich niet altijd goed genoeg geïnformeerd voelen.

35

/

Gesprekspartners Betrokkenheid bij het arrangementenmodel

Gesprekspartners

Primair proces

18 Medewerkers (combinatie van senior begeleiders, management en inkoop- /contractmedewerkers) van 7 verschillende zorgaanbieders 5 Casemanagers

Beleid en contractmanagement

2 Cliëntenvertegenwoordigers 2 Contractmanagers gemeente 5 Beleidsadviseurs gemeente 1 Extern adviseur die betrokken was bij de totstandkoming

Omgevingsstakeholders

van arrangementenmodel 2 Medewerkers van 2 Woningcorporaties 1 GGD veldregisseur 2 Medewerkers van het (F)Act team 2 Medewerkers van het Meerteam 1 Medewerker van het Stedelijk team 1 Medewerker van de Nazorg ex-gedetineerden

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/1440/documents/17560