Bijlage 4a. Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Duin en Vaart 12 te Heemstede Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0384
Datum:
05 mei 2023
Samensteller: Collegiale toets: Opdrachtgever:
Planruimte
Contactpersoon:
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
20
3.3
Houtopstanden
22
4 Samenvatting
23
4.1
Soortenbescherming
23
4.2
Gebiedsbescherming
23
4.3
Houtopstanden
23
5 Conclusie
24
5.1
Conclusie
24
5.2
Uitvoerbaarheid
24
5.3
Vervolgstappen
24
5.4
Te treffen maatregelen
25
1 Inleiding Aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede is een woonperceel met woning, garage en schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning, garage en schuur op de planlocatie te slopen ten behoeve van een twee onder één kapwoning. Het bestemmingsplan voorziet deels niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve gedeeltelijk te worden gewijzigd van ‘Tuin’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Planruimte begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een woning, garage, schuur en tuin. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak. Aan de woning is een uitbouw gesitueerd dat opgetrokken is uit gemetselde muren met spouw en een plat dak. De garage is opgetrokken uit houten gevelplaten en golfplaten zadeldak met dakbeschot. De schuur is opgebouwd uit deels hout en deels damwand gevels en zadeldak zonder dakbeschot. De tuin is voorzien van verhard terras, gazon, diverse struiken, twee kleine vijvers en drie grote naaldbomen. De naaldbomen zullen in de beoogde situatie gekapt worden. Aan de noord- en westzijde van de planlocatie is een sloot gelegen waarbij de oevers volledig beschoeid zijn. De sloot komt uit op de Leidse vaart. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede waarbij op de planlocatie een woning (1), garage (2) en schuur (3) aanwezig is. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een landgoed aan de westzijde, en bebouwd gebied van Heemstede aan de andere zijdes. Circa 960 meter ten westen ligt natuurgebied Kennemerland-Zuid en circa 400 meter ten westen is de Leidse vaart gelegen. Circa 130 meter ten oosten is de N208 gelegen.
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de woning en garage (rechts) en de schuur (links) te slopen. 5
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de huidige bebouwing ten behoeve van een twee onder één kapwoning. Tijdens de ingreep zullen de twee kleine vijvertjes gedempt worden en drie naaldbomen gekapt worden. De functie van het perceel dient gedeeltelijk te worden gewijzigd van ‘Tuin’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van twee kleine vijvers: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Commondeur Haumann Architecten).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 30 maart 2023 en is uitgevoerd door MSc. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
8
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn.
Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de natuurverbindingen aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Bijzonder provinciaal landschap Kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen (tot 11 woningen of bouwwerken met een oppervlak minder dan 500m2) in Bijzonder Provinciale Landschappen (BPL) zijn mogelijk zolang de kernkwaliteiten niet aangetast worden. Uitvoering van grootschalige ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als is aangetoond dat er sprake is van een groot openbaarbelang en er geen reële alternatieven zijn. De schade aan het landschap dient daarbij te worden gecompenseerd.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1):
10
a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van kartuizer anjer en wilde ridderspoor (NDFF 2013-2023). De kartuizer anjer en wilde ridderspoor groeien voornamelijk op zonnige, kalkrijke, stikstofarme plekken. Enkele voorbeelden hiervan zijn akkerranden en ruderale rotsachtige plekken als bermen. Beide soorten zijn waargenomen op grote afstand van de planlocatie (>1.3km NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een woning, garage en omliggende tuin. De tuin op de planlocatie is volledig begroeid, waardoor er geen sprake is van ruderale terreinen waar soorten als kartuizer anjer en wilde ridderspoor op voor kunnen komen. De aanwezigheid van de soorten kan op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.
Enkele waargenomen soorten betreffen: blauwe druif, blauwe regen, cipres, dotterbloem, grote waterweegbree, hedera, kleine veldkers, kluwenhoornbloem, krabbenscheer en krulhazelaar. Op de muren van de bebouwing is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie zijn 3 naaldbomen aanwezig die in de beoogde situatie niet behouden blijven. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, rode eekhoorn, egel, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, damhert, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De boommarter, het damhert en de rode eekhoorn komen voor in bossen en boomrijke gebieden. Gezien de planlocatie onderdeel is van een woonwijk, kan op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van leefgebied van het damhert. De boommarter gebruikt als rust- en voortplantingsplaats onder andere boomholten en bestaande holen van andere zoogdieren. De rode eekhoorn bouwt nesten in bomen of gebruikt boomholten of oude vogelnesten als rust- of voortplantingsplaats. De dichtstbijzijnde waarneming van de boommarter is bekend op 800 meter ten zuidwesten van de planlocatie en van de rode eekhoorn op 250 meter ten oosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn geen boomholten of holen aanwezig. Tevens zijn er gedurende het veldbezoek geen (eekhoorn)nesten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Derhalve kan uitgesloten worden dat er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep sprake is van aantasting van rust- of voortplantingsplaatsen van de boommarter of rode eekhoorn.
Gezien het gebrek aan boomrijke gebied op de planlocatie, en de aanwezigheid van boomrijke gebieden dichtbij, vormt de planlocatie voor deze soorten geen essentieel leefgebied. 12
De bunzing, steenmarter en wezel zijn kenmerkend voor kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuurelementen die beschutting bieden, zoals houtstapels en heggen. De steenmarter komt echter ook voor in (de buurt van) dorpen en steden. Schuilplaatsen voor deze soorten bestaan uit oude holen van andere zoogdieren, holle bomen, boomwortels, hout- en stenenstapels of stro- en hooibalen. De vaste rust en voortplantingsplaatsen van de steenmarter bevinden zicht in het bijzonder regelmatig in bebouwing. De waarnemingen van de steenmarter en wezel zijn bekend op grote afstand (>1,3 km) van de planlocatie, de dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing is op 570 meter ten noorden van de planlocatie. De woning en de garage zijn voor deze soorten niet toegankelijk, de schuur is leeg, bevat geen schuil locaties waar deze marterachtigen kunnen verblijven en bevat geen sporen van de aanwezigheid van beschermde zoogdieren. Daarnaast ontbreekt het op de planlocatie aan mogelijk vaste verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen als structuurelementen, oude holen, holle bomen etc. Gezien de ongeschiktheid van de bebouwing en planlocatie, kan de aanwezigheid van een verblijfplaats op de planlocatie uitgesloten worden.
De planlocatie bevat aan de zuid- en oostzijde stedelijk gebied en is aan de noord- en westzijde slecht bereikbaar doordat de oever van de watergang aan de planlocatie volledig beschoeid is. De planlocatie is, gezien de aanwezigheid van stedelijk gebied, slechte toegankelijkheid voor de soorten en de grote hoeveelheid menselijke verstoring, geen sprake van essentieel leefgebied voor bunzing en wezel. Wegens de kleinschaligheid van de planlocatie kan tevens uitgesloten worden dat er sprake is van essentieel leefgebied van de bunzing, steenmarter en wezel. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, huismuis, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. 13
De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak. De spouw en/of dakruimte zijn voor vleermuizen toegankelijk middels kierende kantpannen, openingen tussen de gevel en het dak en openingen in de gevels als scheuren, stootvoegen, ontbrekende specie en ventilatieroosters (figuur 3.1). De kierende kantpannen en openingen tussen de gevel en het dak zijn van voldoende grootte voor de laatvlieger. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan in de woning derhalve niet uitgesloten worden.
Figuur 3.1 Impressie van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen in de te slopen woning. De garage is opgetrokken uit houten gevelplaten en golfplaten zadeldak met dakbeschot. De daklijsten zijn nauwsluitend en de gevel bevat geen openingen waardoor er geen toegang tot de dakruimte aanwezig is voor de vleermuis. De schuur is opgebouwd uit deels hout en deels damwand gevels en zadeldak zonder dakbeschot. Gezien het gebrek aan dakbeschot of spouw, bevat de schuur geen geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De schuur en de garage bevatten geen openingen in de gevels die openingen bieden voor vrij hangende vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan in de schuur en de garage derhalve uitgesloten worden. Gezien het bovenstaande is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (stedelijk gebied) en het type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3).
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De sloot en aangrenzende bomenrij die aan de noord- en westzijde van de planlocatie gelegen is kan potentieel als vliegroute fungeren voor vleermuizen. De sloot zal in de beoogde realisatie niet aangetast worden 14
waardoor de vliegroute in stand blijft. Gezien de kleinschaligheid van de planlocatie, bied deze geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt er geen essentiële vliegroute of foerageergebied aangetast. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Kleine dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Planlocatie ligt binnen stedelijk gebied met (te) veel lichtverstoring
Meervleermuis
Nee
Aanwezigheid/afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en binnen/buiten bekende verspreiding
Watervleermuis
Nee
Geen verblijfplaatsen in de bomen
Rosse vleermuis
Nee
Geen verblijfplaatsen in de bomen
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Kleine dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en rugstreeppad. De Alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, bossen, agrarisch gebied op zandgrond, maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen. De soort komt voornamelijk vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen. Veelal worden poelen en vennen gebruikt als voortplantingswater. Overwintering vindt veelal plaats op het land onder stronken, houtstapels en kleine holen. Het voortplantingswater dient vanaf de overwinteringsplaats goed bereikbaar te zijn (RAVON). De dichtstbijzijnde waarneming bekend van de Alpenwatersalamander is op circa 750 meter ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De naastgelegen sloot is volledig beschoeid waardoor migratie via deze sloot niet mogelijk is. Op de planlocatie is een grote mate van menselijke verstoring en ontbreekt het aan stronken, houtstapels en kleine holen die van belang zijn als overwinteringsstructuren.
Bij de twee kleine vijvers op de planlocatie ontbreekt het hierdoor aan toegang tot geschikt landhabitat en overwinteringsplaatsen vanuit deze vijvers.
15
Gezien het bovenstaande kan uitgesloten worden dat de planlocatie onderdeel is van het voortplantingsgebied of overwinteringsgebied van de Alpenwatersalamander. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de Alpenwatersalamander uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. De soort heeft een voorkeur voor in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatie loos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan vormen ideaal voortplantingswater (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Op de planlocatie ontbreekt het aan geschikt habitat voor de rugstreeppad waardoor het uit te sluiten is dat de planlocatie reeds als leefgebied voor rugstreeppadden functioneert. Tijdens de werkzaamheden ontstaan mogelijk wel geschikte omstandigheden voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is in de afgelopen 3 jaar niet waargenomen binnen een straal van 1km van de planlocatie (NDFF 2020-2023). Kolonisatie van de planlocatie is hierdoor uit te sluiten.
Derhalve zijn, conform het kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017), geen vervolgstappen benodigd om kolonisatie van de soort te voorkomen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van zandhagedis (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De zandhagedis leeft in zandige, droge en open terreinen als heide, duinen en open plekken in bossen met zandbodems. De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Vergrassing of verbossing heeft een negatief effect op het leefgebied (BIJ12, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van de zandhagedis is bekend op 750m ten noordwesten van de planlocatie aan de andere zijde van de Leidsevaart. De planlocatie bestaat uit een woning, garage, schuur en tuin waarbij het ontbreekt aan zandige open terreinen.
Gezien het ontbreken van geschikt habitat en de afstand tot de dichtstbijzijnde waarneming kan de aanwezigheid van de zandhagedis op de planlocatie uitgesloten worden. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Bij de beoogde dempingswerkzaamheden van de twee vijvers dienen enkele maatregelen getroffen te worden, zie H5.4. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2013-2023). De grote vos is gebonden aan bosgebieden en komt voornamelijk voor in vochtige bossen, boomgaarden en andere plekken met vrijstaande bomen. De waardplanten betreffen iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Wegens het ontbreken van de hiervoor benoemde waardplanten, zijn negatieve effecten ten aanzien van de grote vos uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.
Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere 16
ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, merel, koolmees en zilvermeeuw. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De te slopen schuur is opgebouwd uit deels hout en deels damwand gevels en zadeldak zonder dakbeschot.
Gezien het gebrek aan dakbeschot, bevat het geen ruimten die geschikt zijn als nestlocaties voor de huismus. De aanwezigheid van huismusnesten in de schuur kan derhalve uitgesloten worden. De garage is opgetrokken uit houten gevelplaten en golfplaten zadeldak met dakbeschot. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak. Bij zowel de garage als de woning is aan de dakvoet en bij de woning is aan de kilkeper sprake van voldoende ruimte onder de dakplaten voor de aanwezigheid van huismusnesten (figuur 3.2). Derhalve is er mogelijk sprake van het aantasten van nestlocaties van de huismus. Op de planlocatie zijn daarnaast diverse groenstructuren aanwezig welke mogelijk onderdeel zijn van het leefgebied van de huismus. Indien deze groenstructuren binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komen te vervallen, is er mogelijk sprake van aantasting van essentieel leefgebied van de huismus. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus vast te stellen, dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).
17
Figuur 3.2 Impressie van openingen in de te slopen woning en garage die voor huismussen kunnen dienen als (potentiële) nestlocaties. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De te slopen garage en schuur kennen een laag karakter en beschikken niet over openingen met achterliggende ruimte van voldoende grootte en een geschikte aanvliegroute. De te slopen woning is opgetrokken met een pannen zadeldak. De kantpannen bevatten openingen met voldoende grootte voor de gierzwaluw (figuur 3.3). Derhalve is er mogelijk sprake van het aantasten van nestlocaties van de gierzwaluw.
Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw vast te stellen, dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).
Figuur 3.3 Impressie van openingen in de te slopen woning en garage die voor huismussen kunnen dienen als (potentiële) nestlocaties.
18
In de bebouwing zijn geen openingen of sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn de te kappen naaldbomen specifiek nauwkeurig onderzocht naar de aanwezigheid van in bomen broedende soorten. Er zijn geen krijtsporen, grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Gezien de grote hoeveelheid vergelijkbaar gebied, is op de planlocatie geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
19
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (figuur 3.4).
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natura 2000-gebied ‘KennemerlandZuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de huidige bebouwing en realisatie van twee woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien de geringe afstand (1 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland zuid’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland inclusief natuurverbindingen of Bijzonder provinciaal landschap. Het Natuurnetwerk Nederland en Bijzonder Provinciaal hebben betrekking op een deel van de watergang waardoor de planlocatie grenst aan deze aangewezen gebieden (figuur 3.5 en figuur 3.6). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
20
Figuur 3.5 De planlocatie grenst aan het Natuurwerk Nederland die betrekking heeft tot een deel van de watergang (bron: noord-holland.tercera-go.nl).
Figuur 3.6 De planlocatie grenst aan het Natuurwerk Nederland die betrekking heeft op de watergang (bron: noord-holland.tercera-go.nl).
21
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
22
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuis, huismus en gierzwaluw. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
art. 3.5
Ja
Verblijfplaats
art. 3.1 art. 3.1
Ja Ja
Nestlocatie/foerageergebied Nestlocatie
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Gierzwaluw Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Bijzonder Provinciaal Landschap
1 km 0 km 0 km
Stikstof Geen Geen
AERIUS N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
23
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli met minstens één veldbezoek tussen 20 juni en 7 juli, conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
• Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.
24
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
Voorafgaand de werkzaamheden dient, om het doden van individuen te voorkomen, de te dempen watergang afgevist te worden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
25
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Zandhagedis (Lacerta agilis) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.maps.noord-holland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.noord-holland.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
26
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Duin en Vaart 12 te Heemstede en bestaat uit een woning, garage en schuur. De foto weergeeft de zuidzijde van de woning, schuur en omliggende groen.
Figuur 2
Impressie van de oostzijde van de woning en garage. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komen de weergegeven groenstructuren mogelijk te vervallen.
27
Figuur 3
Impressie van de sloot aan de noord- en westzijde van de planlocatie. De oever aan de planlocatie is volledig beschoeid.
Figuur 4
Impressies van de vijvers die op de planlocatie aanwezig zijn. De vijver op de achtergrond is tot op 2cm volledig gevuld met bladeren.
28
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
29
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
30
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
31
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 32