Bijlage 2. Toelichting Verordening jeugdhulp Heemstede 2025.pdf
Tekst van het document
68315 10 december 2018) waarbij een symbolisch laag bedrag per kalendermaand kan worden uitbetaald aan personen die hulp vanuit het sociaal netwerk verlenen aan een houder van een persoonsgebonden budget (Pgb). Deze personen zijn kort gezegd mensen die niet beroeps- of bedrijfsmatig en onverplicht jeugdhulp verlenen op basis van de sociale relatie met de jeugdige of de cliënt. Het maximale bedrag is daarbij op € 141,- per maand gesteld. Daarnaast is een vergoeding voor schoonmaakmiddelen e.d. mogelijk, dit laatste zal in beperkt aantal gevallen aan de orde zijn, hierbij kan worden gedacht aan een jeugdige waarbij veel verschoning als gevolg van een aandoening noodzakelijk is.
De budgethouder kan ten laste van het Pgb op aanvraag per kalendermaand een bedrag laten uitbetalen door Svb van ten hoogste per maand € 141 als een symbolische tegemoetkoming en/of onkostenvergoeding. De vergoedingen kennen vier kostensoorten, namelijk: schoonmaakmiddelen, levensmiddelen (eten & drinken), kleding en reiskosten. De Svb heeft kunnen toetsen op de uitvoerbaarheid van deze vier kostensoorten. Deze tegemoetkomingen worden berekend op het gebruik van deze zaken ten behoeve van de hulp die wordt geboden. De bedragen moeten worden aangevraagd bij de Svb. Er worden naar het Svb alleen vergoedingen doorgegeven, geen gewerkte uren. De Svb heeft hiervoor een modelverklaring vastgesteld. Daarin is opgenomen dat de budgethouder en de hulp uit het sociaal netwerk een hulpverleningsrelatie met elkaar hebben. Het college moet deze verklaring goedkeuren. Het college zal hierbij niet alleen kijken naar de eisen die deze regeling aan die verklaring stelt, maar ook naar de eigen eisen die zij aan het Pgb stelt. Het daarbij is uitgesloten dat een hulpverlener die een tegemoetkoming, zoals hiervoor beschreven, ontvangt kan daarnaast niet een Pgb ontvangen voor hulp aan dezelfde jeugdige. De norm van verantwoorde werktoedeling is van toepassing bij hulp die wordt ingezet op basis van een Pgb, zoals opgenomen in lid 5.
De norm van verantwoorde werktoedeling is de uitgewerkt in het kwaliteitskader jeugd, wat te vinden is bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). https://informatiebank.skjeugd.nl/wp-content/uploads/2022/08/kwaliteitskader-Jeugd.pdf In de beleidsregels worden deze kaders verder uitgewerkt. De leden 6 en 7 geven aan hoe de tarieven voor een Pgb moeten worden berekend. Lid 8 geeft aan dat het tarief nooit hoger is dan de goedkoopste ingekochte voorziening. De tarieven moeten jaarlijks worden geïndexeerd met de OVA-index (de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), zoals opgenomen in lid 9. Voor de Jeugdwet (en de Wmo) bestaat er geen apart landelijk indexeringspercentage. Het Rijk gebruikt het OVA-percentage om de tarieven in de Zvw en de Wlz te indexeren, deze index is overgenomen voor het objectief vaststellen van de jaarlijkse indexatie van de Pgb tarieven.
Hoofdstuk 6 Herzien, intrekken, terugvorderen en opschorten Artikel 6.1 Informatieplicht In de Jeugdwet is in art. 8.1.2 de verplichting opgenomen om onmiddellijk mededeling te doen van gewijzigde omstandigheden als een Pgb wordt ontvangen, met deze bepaling wordt de verplichting ook van toepassing op zorg in natura. Voorbeelden hiervan zijn het verhuizen naar een andere gemeente, het stoppen van de hulpverlening of het veranderen van hulpverlener.
Artikel 6.2 Herziening of intrekking Het college kan een besluit tot het verlenen van een individuele voorziening, het intrekken of het herzien van de voorziening. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herzieningen intrekking regelt van verstrekte Pgb's. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Artikel 6.3 Terugvordering Pgb bij de Pgb-aanbieder Intrekking of herziening van een jeugdhulp-voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verstrekt. Het eerste lid regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldwaarde van het teveel of ten onrechte verstrekte, dan wel het teveel of ten onrechte verstrekte Pgb, terug te vorderen. Terugvordering bij de Pgb-aanbieder is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Artikel 6.4 Opschorting betaling uit het Pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging, weigering of zelfs het intrekken of herzien van het
verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale verzekeringsbank (SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: a. b. c.
de jeugdige onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of; de jeugdige het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Van de onder b genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige niet langer voldoende in staat is om zelf, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. En als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Er kan voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.
Artikel 6.5 Wangedrag Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van het CJG of de zorgaanbieders. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen, door het college, van al dan niet tijdelijke maatregelen, zoals het beëindigen van een voorziening. Uiteraard wordt daarbij de ondersteuningsbehoefte van ouders en jeugdige betrokken.
Hoofdstuk 7 Controle en toezicht Artikel 7.1 Controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een Pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet. Informatie vanuit andere wettelijke kaders en instanties kan ook de grondslag voor onderzoek zijn. Ervaringen elders met de zogenaamde “zorgcowboys” laat zien dat deze zich meestal niet tot één gemeente of zorgdomein beperken. Het onderzoek van de Algemene rekenkamer “Een zorgelijk gebrek aan daadkracht” https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2022/04/14/een-zorg-gebrekaan-daadkracht laat zien dat samenwerking en daadkracht essentieel zijn bij het aanpakken van onterechte uitgaven voor zorg.
Artikel 7.2 Toezichthouders Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. De bevoegdheden van deze toezichthouders zijn hier ook omschreven. Deze bevoegdheden zijn reeds in de Algemene wet bestuursrecht bepaald, maar zijn hier voor de duidelijkheid opgenomen. Om de bevoegdheden van de toezichthouders te duiden is opgenomen dat eenieder mee dient te werken aan het onderzoek. Daarbij is bewust gekozen voor een brede definitie. De toezichthouder moet zelf immers gronden hebben voor het doen
van onderzoek, omdat degene die onder de reikwijdte van dit onderzoek vallen niet bij voorbaat te bepalen zijn.
Artikel 7.3 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik Het college kan instrumenten inzetten ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. Hierbij gaan we uit van vertrouwen in de aanbieders, maar door middel van de genoemde instrumenten kan er wel toezicht worden gehouden, om te beoordelen of het vertrouwen niet wordt beschaamd. Het gaat hier om organisaties die een wettelijke bevoegdheid hebben om dergelijk onderzoek uit te voeren. Hierbij kan worden gedacht aan de Politie, IGJ (inspectie gezondheidszorg en jeugd) zorgverzekeraars, sociale recherche maar ook aan gemeentelijke organisaties buiten onze regio die ook jeugdigen hebben bij een instelling waar ook jeugdigen uit onze regio zitten.
Artikel 7.4 Fraudepreventie Aan het bestrijden van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en Pgb’s gaat een poging dit te voorkomen vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de ouder en jeugdige en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Het gaat hier om organisaties die een wettelijke bevoegdheid hebben om dergelijk onderzoek uit te voeren. Hierbij kan worden gedacht aan de Politie, IGJ (inspectie gezondheidszorg en jeugd) zorgverzekeraars, sociale recherche maar ook aan gemeentelijke organisaties buiten onze regio die ook jeugdigen hebben bij een instelling waar ook jeugdigen uit onze regio zitten. In de Jeugdwet en besluit en regeling Jeugdwet is geregeld in welke situaties er inzage in een dossier mogelijk is, dit is zeer beperkt mogelijk en alleen door een professional die onder het tuchtrecht valt.
Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 8.1. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders Op grond van artikel 2.12 van de wet dient de gemeente bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Dit is gevat in dit artikel. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst uit de modelverordening van de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG).
Artikel 8.2 Vertrouwenspersoon Het college is verantwoordelijk dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders zonder tussenkomst van anderen een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon, dit staat in artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren voor een goede invulling van deze functie. De vertrouwenspersoon is ondergebracht bij een onafhankelijke organisatie en geeft informatie, ondersteuning etc. aan jeugdigen en ouders.
Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap Het is belangrijk dat inwoners van de gemeente mee kunnen denken en praten. Hier is opgenomen hoe aan deze inspraak en medezeggenschap vorm wordt gegeven. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is nadrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Het college geeft in nadere regels een exacte invulling van de medezeggenschap vorm.
De mogelijkheid tot medezeggenschap bij de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet en is dus niet in deze verordening opgenomen.
Artikel 8.4 Klachtregeling De gemeente heeft een klachtregeling voor mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Met een klachtenregeling wordt voorzien in de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders over geleverde diensten van de gemeente of de instelling waar zij hulp ontvangen, voor zover deze diensten en hulp betrekking hebben op de Jeugdwet. In de regel zal eerst de aanbieder of het CJG worden aangesproken bij klachten over gedragingen van hun medewerkers of de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Voor klachten over gedragingen van gemeenteambtenaren of wanneer de klachtenregeling bij de aanbieder of het CJG voor de klager niet bevredigend is afgerond, komt de gemeentelijke klachtregeling in zicht. Volgens de Jeugdwet, artikel 2.10 en de regeling Jeugdwet art. 3, zijn gemeenten vanaf 2016 verplicht jaarlijks de cliënttevredenheid te onderzoeken onder een representatief aantal jongeren en ouders die gebruik hebben gemaakt van hulp of ondersteuning die onder de Jeugdwet valt.
Het cliëntervaringsonderzoek moet ingaan op de bekendheid en toegankelijkheid van voorzieningen, de kwaliteit van de jeugdhulp en de bijdrage die de ondersteuning biedt aan gezond en veilig opgroeien, aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van jongeren.
Artikel 8.5 Nadere regels Dit artikel geeft aan het college de grondslag om voor zover noodzakelijk nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening.
Artikel 8.6 Hardheidsclausule Dit artikel geeft ruimte om af te wijken van de regels van de verordening, wanneer, naar het oordeel van het college, strikte hantering van de regels leidt tot een schrijnende situatie. Zeker na het kinderopvangtoeslag schandaal is duidelijk geworden dat er in bijzondere en niet voorziene gevallen van regels moet kunnen worden afgeweken, daarin voorziet deze bepaling. Wordt de hardheidsclausule vaker voor hetzelfde onderwerp gebruikt, dan kan dit een signaal zijn om het beleid ter zake aan te passen.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen Dit artikel spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 9.2 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting.