Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Leidsevaartweg 15-17.pdf
Tekst van het document
Geconcludeerd kan worden dat bedrijven op een bedrijventerrein onder een eigen set geluidsregels vallen die uitgaan van het bieden van ruimte aan bedrijvigheid waarbij enige geluidproductie wordt geaccepteerd. De bescherming van geluidgevoelige objecten is beperkt tot gebouwen die niet functioneel bij het bedrijf horen. Vervangende nieuwbouw binnen een bestaande milieucategorie op een bedrijventerrein leidt hierdoor niet tot een verslechtering van het geluidsbeschermingsniveau, aangezien de bestaande kaders ongewijzigd blijven en geen extra bescherming voor aangrenzende bedrijfswoningen geldt. Aanvullend akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk hierdoor.
Analyse en conclusie De geluidsbelasting door de nieuwe gebouwen op de omgeving neemt niet noemenswaardig toe en voldoet aan het BKL. Hiermee vormt geluidsaspect geen belemmering voor het plan. 4.2.6 Luchtkwaliteit In de Omgevingswet staan regels over luchtkwaliteit. De Wet differentieert tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen niet of weinig bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (zoals opgenomen in het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bij deze grote projecten gaat het hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). NIBM Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan drie procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.
'Kleine' projecten die minder dan drie procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Uitwerking In het kader van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. • Ten eerste moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. • Ten tweede wordt gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatste voldoende is voor de activiteiten. Toetsing NIBM Conform het ’Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ draagt een besluit met betrekking tot een project niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van het besluit, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de drie
blad 24 van 38
procent grens overschrijdt. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor in ieder geval geldt dat ze in niet in betekenende mate bijdragen, als ze binnen bepaalde grenzen blijven (Bkl, artikel 5.54). Het gaat om: • woningen • kantoren • een combinatie van woningen en kantoren • het telen van gewassen • het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement Het planvoornemen is niet te categoriseren in een van bovenstaande categorieën. Echter zijn kantoren NIBM als het gaat om een bruto vloeroppervlakte van maximaal: • 100.000 m2 bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 200.000 m2 bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Omdat voorliggend projectvoornemen gaat om vervangende nieuwbouw met een totale vloeroppervlakte van nog geen 1500 m2 is te stellen dat voorgenomen ontwikkeling NIMB is. Hierdoor is er geen toetsting noodzakelijk aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Daarnaast is er met behulp van de NIBM-tool aangetoond dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof. De NIBM-tool is een rekentool in Excel waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kan worden.
Luchtkwaliteit ter plaatse Met behulp van de Atlas Leefomgeving (van onder andere ministerie I&W en RIVM), is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Het gaat dan om fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2). Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat de grenswaarden voor zowel fijnstof (25 μg/m³ voor PM2,5 en 40 μg/m³ voor PM10 ) als stikstofdioxide (40 μg/m³) op de projectlocatie niet worden overschreden. De verkeersbelasting door de beoogde ontwikkeling wordt niet groot genoeg geacht om een overschrijding van deze grenswaarden te veroorzaken. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat op de projectlocatie gewaarborgd en wordt er voldaan aan de Omgevingswaarde voor luchtkwaliteit. Figuur 9, Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM2,5 en PM10 ter plaatse van de projectlocatie, bron: Atlasleefomgeving, 2025
blad 25 van 38
Analyse en conclusie Het planvoornemen draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er voldaan aan de Omgevingswaarde voor luchtkwaliteit. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 4.2.7 Geur Er zijn meerdere sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.29 Bkl. In het kader van de realisatie van de beoogde bedrijfsgebouwen is er geen sprake van het toevoegen van geurgevoelige objecten of milieubelastende activiteiten waardoor naastgelegen woning hinder kan ervaren. Analyse en conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen
blad 26 van 38
4.3
Blauw
Binnen deze paragraaf worden alle zaken die betrekking hebben op het gebruik van water geanalyseerd. De waterhuishouding in de omgeving van het plangebied is geanalyseerd en het gebruik van oppervlaktewateren en het omgaan met afval- en hemelwater is onderzocht.
Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De weging van het waterbelang geeft de inbreng van water een plaats in de procedures over ruimtelijke plannen en besluiten en vormt als het ware een verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. De weging van het waterbelang is feitelijk het hele proces van adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De uitvoering geschiedt binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. Het waterbelang wordt integraal gewogen: alle relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen (naast veiligheid en wateroverlast ook waterkwaliteit en verdroging). Voorliggend plan is afgestemd met het Waterschap Rijnland. Het Waterschap heeft aangegeven dat zij geen belang hebben in het plan, waardoor dit geen belemmering vormt. 4.3.1 Waterkering De planlocatie is niet gelegen binnen de waterkering en de beschermingszone. Voor dit onderdeel hoeft geen vergunning worden aangevraagd. 4.3.2 Oppervlaktewater In de huidige en toekomstige situatie is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied.
Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit of -kwantiteit vanuit de ontwikkeling.
4.3.3 Afvalwater Lozingen van afvalwater kunnen worden ingedeeld in directe en indirecte lozingen. Lozingen op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, kortweg riolering, worden indirecte lozingen genoemd. Hierbij maakt het niet uit of vanuit die riolering al dan niet via een zuivering (bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringsinstallatie) in het milieu wordt geloosd, dus of het een vuilwater- of een schoonwaterriool betreft. Omdat de planontwikkeling te bezien is als “vervangende nieuwbouw” kan niet anders dan worden aangesloten bij de bestaande rioleringssituatie in Heemstede. Het bedrijfsafvalwater van de nieuwe gebouwen wordt derhalve afgevoerd op het bestaande stelsel. De capaciteit van het riolering stelstel van de gemeente Heemstede is in principe toereikend, aangezien dit om vervangende bebouwing gaat. 4.3.4 Hemelwater Conform de beleidsregels heeft het de voorkeur om regenwater vast te houden, te bergen en dan vertraagd af te voeren zodat overlast wordt voorkomen. Voorliggend plangebied was volledig verhard. In de toekomstige situatie wordt het voorerf aangelegd met halfverharding. Hierdoor neemt het waterbergend vermogen van het plangebied toe. Omdat er nieuwbouw plaatsvindt moet het planvoornemen voldoen aan de Hemelwaterverordening Heemstede 2023, artikel 4 Eisen hemelwaterberging.
Door middel van infiltratiekratten kunnen piekbuien worden opgevangen en wordt hemelwater conform de beleidsregels vertraagd afgevoerd.
blad 27 van 38
Analyse en conclusie De waterhuishoudkundige vormt geen probleem voor het planvoornemen, het waterbergend vermogen neemt toe t.o.v. de huidige situatie. 4.4
Groen
Binnen deze paragraaf wordt de natuur (flora- en fauna) binnen het plangebied en in de nabije omgeving ervan geanalyseerd.
4.4.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn wegens de aanwezigheid van bepaalde zeldzame en kwetsbare soorten en habitat-typen (de zogenoemde kwalificerende waarden). De bescherming ervan is geregeld in de Omgevingswet. Overheden dienen de kwaliteit van deze gebieden te waarborgen, waarbij deze aangewezen waarden centraal staan. Deze kwaliteit is mede afhankelijk van de omgeving. Invloeden buiten het gebied kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden binnen het gebied. Zo kunnen ontwikkelingen op korte afstand kwalificerende soorten in het Natura 2000-gebieden verstoren of verontrusten (externe werking van de bescherming). Externe werking Het volgende gebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in de omgeving van het planvoornemen: • Kennemerland-Zuid op circa 280 meter. Gezien deze afstand én de tussenliggende bebouwing en infrastructuur is er geen sprake van een negatieve externe werking van het plan op dit Natura 2000-gebied. figuur 10: ligging projectgebied (blauw gearceerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid, bron: HBA, 2024
4.4.2 Stikstofdepositie Ten behoeve van het planvoornemen is een stikstofdepositieberekening gemaakt. Zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn gemodelleerd. Dit is reeds ingediend bij de lopende omgevingsvergunning, conform de regelgeving ten tijde van de indiening. De resultaten en rapportage van het onderzoek zijn toegevoegd als bijlage 3. De AERIUS-calculator laat zien dat in de beide gevallen geen sprake is van stikstofdepositie
blad 28 van 38
op de Natura 2000-gebieden. Er zijn dan ook geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, wat betekent dat voor dit plan geen vergunning noodzakelijk is voor de Omgevingswet. 4.4.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen het NNN (Atlas Leefomgeving, geraadpleegd op 14-05-2025). Aangezien de NNN geen externe werking kent, hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten. 4.4.4 Noord-Hollandse Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening van Provincie Noord-Holland (11 januari 2022) zijn gebieden aangewezen met bijzondere, beschermingswaardige, waarden, Provinciaal Beschermd Landschap (BPL). Ter bescherming van deze gebieden zijn in de Verordening instructieregels opgenomen. Het plangebied ligt echter niet in één van deze bijzondere gebieden. 4.4.5 Soortbescherming Bescherming van flora en fauna (soorten) was voorheen geregeld in de Wet natuurbescherming (2017) en is sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. De werkzaamheden van het initiatief kunnen leiden tot verstoring van alle aanwezige flora en fauna. De zorgplicht uit de Omgevingswet geldt voor alle voorkomende soorten. Dit betekent dat bij de werkzaamheden, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, zorg wordt gedragen voor een zo min mogelijke verstoring of aantasting van de aanwezige flora en fauna.
Uit de QuickScan (uitgevoerd in 2024 door Antje Ehrenburg, zie bijlage 4) blijkt dat er geen beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn en dat er derhalve geen vervolgonderzoek nodig is. Daarnaast is de openheid van het gebied bevorderlijk voor flora en fauna.
Analyse en conclusie Er is geen negatieve invloed te verwachten op de Natura-2000 en/of NNN. Ten aanzien van de soortbescherming geldt dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.
blad 29 van 38
4.5
Grijs
In deze laatste paragraaf (grijs) worden zowel de bovengrondse als de ondergrondse infrastructuur geanalyseerd alsmede civieltechnische aspecten.
4.5.1 Infrastructuur Ontsluiting De locatie wordt ontsloten via de Leidsevaartweg. De verkeersafwikkeling verandert niet door deze ontwikkeling, derhalve worden er geen nieuwe (ontsluitings)wegen aangelegd. Aangezien het om vervangende nieuwbouw gaat, zal de afwikkeling op de Leidsevaartweg toereikend zijn voor voorgenomen ontwikkeling. 4.5.2 Verkeersaspecten Verkeer aantrekkende werking Het planvoornemen voorziet in de realisatie van sloop en nieuwbouw van 3 bedrijfsgebouwen. De verkeersaantrekkende werking is gehaald uit het stikstofrapportage van HBA (2024). Tabel 1, verkeersgeneratie nieuwe situatie, bron: HBA, 2024
Figuur 11, verkeersintensiteit op de Leidsevaartweg ter hoogte van het plangebied, bron: CIML, 2025
Zoals te zien is op figuur 8 is er sprake van ruim 7.500 verkeersbewegingen licht verkeer per etmaal op de Leidsevaartweg ter hoogte van de planlocatie. Volgens de stikstofberekening is de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen 50 lichte voertuigen per etmaal. Dit is circa 0,7% van het huidige verkeersbeeld op de Leidsevaartweg. Daarmee is aangetoond dat de ontsluiting voldoende is geregeld.
blad 30 van 38
Parkeren Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling geldt hetzelfde: de verantwoordelijkheid om het fiets- en autoparkeren op een goede, toekomstbestendige manier op te lossen, ligt primair bij de initiatiefnemer. Dit moet conform de Nota Parkeernormen Heemstede 2024 geschieden. Om de parkeernorm te bepalen heeft de gemeente een aantal zones ingesteld. Voorliggende projectlocatie ligt in zone 3. Figuur 12, parkeerzones gemeente Heemstede, projectlocatie is rood omcirkeld, bron: Nota Parkeernormen Heemstede, 2024
Hier gelden de volgende parkeernormen.
blad 31 van 38
Figuur 13, parkeernormen gemeente Heemstede, bron: Nota Parkeernormen Heemstede, 2024
Voorgenomen ontwikkeling betreft het bouwen van bedrijfsunits, de parkeernorm is hier 2,2 parkeerplaatsen per 100m2. Voor de ontwikkeling van 1000 m2 (bouwdeel A) betekent dit dat er 22 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De parkeervraag wordt opgelost door te parkeren voor de bedrijfsunits, hier is ruim voldoende plaats om te parkeren. In voorgenomen ontwikkeling is de volledige parkeervraag opgelost binnen eigen terrein op het bedrijventerrein en wordt voldaan aan de normering van de parkeernota. Hierdoor vormt parkeren dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
Straalverbindingen, (riool)leidingen en kabels Ondergrondse infrastructuur In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. In de directe nabijheid van het plangebied is dat niet het geval. Analyse en conclusie Uit onderzoek blijkt dat het onderdeel verkeer en parkeren geen belemmering oplevert voor het planvoornemen. Daarnaast bevinden zich geen planologisch relevante leidingen. Er wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering oplevert voor de ontwikkeling.
blad 32 van 38
4.6 MER De milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als hoofddoel het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten die mogelijk aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. De basis hiervoor ligt in de EU-richtlijn m.e.r., die in Nederland is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bijlage V van het Omgevingsbesluit bevat een lijst van zowel mer-plichtige als mer-beoordelingsplichtige gevallen en de daarvoor benodigde besluiten. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden beoordeeld of er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. De initiatiefnemer van een merbeoordelingsplichtig project moet dit schriftelijk melden aan het bevoegd gezag (Omgevingsbesluit artikel 11.10) door middel van een aanmeldnotitie, zoals vereist door artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Deze melding bevat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of een MER vereist is. Als belangrijke milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. Bijlage V, kolom 2 (in samenhang met kolom 1), bevat de projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld (artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet).
Kolom 3 (in samenhang met kolom 1) bevat de projecten waarvoor beoordeeld moet worden of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor, indien dat het geval is, een milieueffectrapport moet worden gemaakt (artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet). Kolom 1 groepeert de projecten die getoetst moeten worden aan kolom 2 of 3. Valt een project niet binnen deze groep, dan zijn aanzienlijke milieueffecten uitgesloten en is er geen m.e.r. nodig. De ontwikkeling Voorgenomen ontwikkeling is dusdanig klein van schaal dat deze niet mer-beoordelingsplichtig is.
blad 33 van 38
5 Economische haalbaarheid 5.1 Wet- en regelgeving Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Daarbij gaat het over de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Voorbeelden zijn het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechterlijke kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een BOPA. Bij dit planvoornemen zullen de kosten conform de Nota kostenverhaal Heemstede 2024, worden geregeld. Dit houdt in dat de kosten via legeskosten worden geregeld en er geen sprake is van een anterieure overeenkomst (omdat de kosten niet hoger dan 10.000 euro uitvallen). 5.2 Onderzoeks- en plankosten De kosten voor voorliggend initiatief en de daarbij behorende noodzakelijke onderzoeken worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten van de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor planbegeleiding. De betaling van deze kosten is verzekerd via legeskosten.
5.3 Nadeelcompensatie Door het verlenen van een afwijking van het Omgevingsplan voor de betreffende gronden is de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van de locatie, bij de Gemeente op grond van artikel 13.3c Omgevingswet een verzoek tot tegemoetkoming in de nadeelcompensatie wordt ingediend. De Omgevingswet biedt dus een zelfstandige grondslag voor een overeenkomst over nadeelcompensatie (inclusief planschade). De mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de nadeelcompensatie zullen door de initiatiefnemer worden gedragen. Deze overeenkomst nadeelcompensatie dient nog getekend te worden.
5.4 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht worden besteed aan de rol en/of het doel van de participatie. De initiatiefnemer heeft voorliggend plan bij de eigenaar van de aangrenzende woningen voorgelegd (betreft 1 eigenaar). Deze is positief over de plannen.
5.5 Conclusie Op basis van voornoemde overwegingen mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat de uitvoering van het voorliggende initiatief niet door een onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
blad 34 van 38
6
Conclusie inpasbaarheid
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie Leidsevaartweg 15-17 in Heemstede, waar Beelen Vastgoed Renovatie B.V. drie bedrijfsgebouwen wil realiseren. Eén van deze gebouwen (bouwdeel A) valt deels buiten het bestaande bouwvlak, tevens wordt de bouwhoogte 7 meter. Om dit juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt gebruikgemaakt van een tijdelijk TAM-IMRO omgevingsplan. De onderbouwing beschrijft de locatie, het huidige gebruik en bestemmingsplan, en de beoogde ontwikkeling. Vervolgens wordt het plan getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid op nationaal, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau. Hieruit blijkt dat het plan past binnen het bestaande beleid en geen strijd oplevert met wet- en regelgeving. Daarnaast zijn diverse omgevingsaspecten onderzocht, waaronder: • Welstand en cultuurhistorie: het plan past binnen het straatbeeld en voldoet aan de eisen van de commissie ruimtelijke kwaliteit. Archeologisch onderzoek is niet nodig. • Milieu: duurzaamheid, gezondheid, omgevingsveiligheid, milieuzonering, bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en geur. Uit deze analyses blijkt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de omgeving. • Water: de ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterkering, oppervlaktewater of riolering. Het waterbergend vermogen van de locatie verbetert zelfs.
• Natuur: er is geen impact op Natura 2000-gebieden, stikstofdepositie of beschermde soorten. Ook is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. • Infrastructuur: de verkeersgeneratie is beperkt en parkeren is binnen het plangebied goed geregeld. Ondergrondse leidingen vormen geen belemmering. Tot slot is de economische haalbaarheid aangetoond, waarbij kostenverhaal en plankosten zijn geregeld en geen belemmeringen worden verwacht vanuit nadeelcompensatie of uitvoerbaarheid. Op basis van alle aspecten wordt geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee vormt deze onderbouwing een passende basis voor het vaststellen van het nieuwe omgevingsplan.
blad 35 van 38
7 Bijlages 7.1 Bijlage 1 VO concept 7.2 Bijlage 2 Bodemonderzoek 7.3 Bijlage 3 Stikstof rapportage 7.4 Bijlage 4 Ecologische QuickScan
blad 36 van 38
Dit rapport is opgesteld in opdracht van: Beelen Vastgoed Renovatie B.V. Wagenweg 63 A 2012 NC Haarlem Projectnummer: 25Q0136 Locatie: Heemstede Opsteller: J. (Jens) Smits Controleur: ing. K.W. (Klaas) Romijn
Equipe Adviseurs B.V. Daltonstraat 30D 3316 GD Dordrecht 088 078 1100 info@equipe-adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl BANK NL45ABNA0586840729 KVK 24459961 BTW NL820721141B01