bijlage 1 nota bodembeheer od ijmond (geanonimiseerd).pdf
Tekst van het document
de milieubelas-
tende activiteit opslaan grond of baggerspecie, maar onder de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie, zie ook deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 17 betreffende het verspreiden van baggerspecie. Versoepeling bodemvoorschrift voor grond van kwaliteitsklasse 'Wonen’ of ‘Industrie’ In de algemene rijksregels komen de bodemvoorschriften voor de opslag van grond met kwali teitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vervallen. Het doen van een eindonderzoek
bodem
is in be-
paalde gevallen nog wel verplicht. Het eindonderzoek heeft tot doel te controleren of de opslag de onderliggende bodem niet nadelig beïnvloed heeft. Het eindonderzoek gebeurt volgens para-
graaf 5.2.1 van Bal. Het eindonderzoek is verplicht in het geval dat de partij grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of “Industrie’ is of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht of matig verontreinigd is. Een eindonderzoek is niet nodig in het geval: e
De activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is, de
kwaliteit van de onderliggende bodem is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit;
e
Door middel voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de
plaats van opslaan is en de grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast. Het bevoegd gezag kan aanvullende voorwaarden stellen aan de opslag van verontreinigde grond in grond in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals bijvoorbeeld middels een instructieregel van de provincie. De meldingseisen zijn versimpeld
Onder de Omgevingswet is er één set aan meldingseisen in plaats van de verschillende eisen aan de melding gesteld vanuit het Besluit bodemkwaliteit en het activiteiten besluit van vóór de Omgevingswet. Dit maakt dat de meldingseisen onder de Omgevingswet zijn versimpeld. 21.13
Tijdelijke uitname Wet bodembescherming Artikel 36 lid 3 van het Besluit bodemkwaliteit regelt de tijdelijke uitname van grond of baggerspecie. In dit artikel staat dat het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan indien deze vervolgens, zonderte zijn bewerkt, op of nabij dezelfde
plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.
Blad
94 van 113
Nota
bodembeheer
Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0
2 anteagroup $
Omgevingsdienst IJmond
Op of nabij dezelfde plaats is n het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien [okale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij. In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende (water)bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond. Het is echter mogelijk dat er, op basis van andere wet- en regelgeving, toch een onderzoeksverplichting
geldt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de CROW publicatie 132 'Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water'. Wanneer uit deze onderzoeken blijkt dat sprake is van een verontreiniging, mag de grond of baggerspecie niet zomaar worden terugge-
plaatst. Dit in verband met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming. Deze zorgplicht, in relatie tot tijdelijke uitname, betekent feitelijk dat wanneer men aanwijzingen heeft (bijvoorbeeld op basis van bekende onderzoeksgegevens of zintuiglijke waarnemingen) dat met het te-
rugplaatsen van tijdelijk uitgenomen grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem, het grondwater of het oppervlaktewater zou kunnen verslechteren, er maatregeen dienen te worden getroffen om ditte voorkomen.
Naast het niet hoeven aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit, hoeft het tijdelijk uitnemen, eventueel op de locatie opslaan en terugplaatsen van grond of baggerspecie ook niet te worden
gemeld in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. 21.14
Tijdelijke uitname onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt het tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie niet onderde milieubelastende activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie' (artikel 3.2.26 van het Bal), maar onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (artikel 3.2.21 van het Bal). Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de
oorspronkelijke bodem. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: e _ De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal;
e _ Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of
nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen;
Het terugplaatsen vindt plaats onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen onder dezelfde omstandigheden, als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd).
Blad9svan
113
Nota bodembeheer
D
Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0
anteagroup
Omgevingsdienst IJmond
22
Bewijsmiddelen
221
Algemeen De kwaliteit van grond en baggerspecie moet worden aangetoond met een milieuhygiënische verklaring. Het Besluit bodemkwaliteit kent voor grond en baggerspecie de volgende typen milieuhygiënische verklaringen:
e
Partijkeuring; Erkende kwaliteitsverklaring; Fabrikant-eigenverklaring; (Water)bodemonderzoek; (Water)bodemkwaliteitskaart.
De eerste 3 typen milieuhygiënische verklaringen kunnen ook voor bouwstoffen worden gebruikt.
22.2
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van een partij vrijkomende grond worden gebruikt als aan beide onderstaande voorwaarden
a
is voldaan:
Eris een historisch vooronderzoek (overeenkomstig de NEN 5725) uitgevoerd waarmee wordt onderbouwd dat er geen aanwijzingen zijn (zoals activiteiten welke tot bodemver-
ontreiniging geleid kunnen hebben) waardoorde daadwerkelijk van de bodemkwaliteit op de bodemkwaliteitskaart; b.
Erzijn geen overige bewijsmiddelen
beschikbaar
waarmee
bodemkwaliteit afwijkt
de milieuhygiënische bodem-
kwaliteit van de partij vrijkomende grond is bepaald (zoals een partijkeuring of bodemonderzoek). Volgen er verdachtmakingen uit het vooronderzoek, dan kan de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond. In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hier-
voor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals verderop beschreven in dit hoofdstuk.
Uitgesloten gebieden op de bodemkwaliteitskaart Uitgesloten gebieden zijn op de bodemkwaliteitskaart niet ingekleurd. Voor deze gebieden geldt
dat de bodemkwaliteitskaart niet kan dienen als bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit. De kwaliteit van een partij grond dient in dat geval op een andere wijzete worden aangetoond.
Een aantal locaties/gebieden binnen het beheergebied is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten van de regio: e _ De bodem onder oppervlaktewater;
e _ Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging; e Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart); e _ Ook het grondwateris uitgesloten van de bodemkwaliteitskaartTerrein Tata Steel (voor-
malige Corus terrein); * _ Locaties waarvan wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit heterogeen is (zoals voormalige stortlocaties, dan wel het bodemgebruik een belemmering vormt voor vrij grondverzet (verdachte locaties).
Blad96van
113
Nota bodembeheer
D
Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0
anteagroup
Omgevingsdienst IJmond
Dit zijn locaties waar (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden (of plaatsvinden) waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie c.q. perceel
afwijkt van die van de omgeving. Deze locaties zijn, voor zover bekend, buiten beschouwing gelaten bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Het overzicht van uitgesloten locaties is dynamisch en hiervoor wordt verwezen naar de Omgevingsdienst. Derhalve is voorafgaand aan eventueel grondverzet altijd historisch onderzoek noodzakelijk. Voor de uitgesloten gebieden mag geen gebruik worden gemaakt van onderlig-
gende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. 22.2.1
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als be
middel
Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaarten van het vastgestelde beheergebied. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk
verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook paragraaf 21.1). Het is niet toegestaan om zich van
grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: e _ De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000) mag overal worden toegepast. In bepaalde gevallen kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring, zie hiervoor de toepassingseisen in deel 1 van deze Nota;
e
De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse Wonen’ mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast n gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie
Ook hier gelden enkele uitzonderingen voor locaties met gevoelig bodemgebruik, zie deel 1 van deze Nota;
e
De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgra-
vingskwaliteitsklasse ‘Industrie' mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is. Ook hier gelden enkele uitzonderingen, zie deel 1 van deze Nota. Zo zijn in de regio Zuid-Kenne-
merland-Jmond extra locaties aangewezen waar partijen met de kwaliteitsklasse ‘industrie’ mogen worden toegepast. Daarnaast is voor de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen
B en Oud Edam’ en ‘01. Wonen B, Oud Edam, Oud
Volendam en Purmer’ vastgelegd dat grond vanuit deze bodemkwaliteitszones voorafgaand aan de beoogde toepassing altijd moet worden gekeurd (zie hoofdstuk 6). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden ge-
transporteerd naar een erkend verwerker. Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partij-
keuring vastgestelde kwaliteit Ieidend. Als uit de keuring/ bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodem-
kwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten.
Blad97
van 113
Nota bodembeheer
D
Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0
anteagroup
Omgevingsdienst IJmond
Grond afkomstig van buiten het beheergebied als beschreven in de inleiding (paragraaf |) moet voldoen aan de generieke toepassingseisen. Uitzondering hierop zijn de gebieden met vastge-
stelde lokale maximale waarden. Indien strenger, geldt het gebiedsspecifieke beleid in plaats van het generieke beleid (zie hoofdstuk 1 van deze Nota voor de LMW). 22.2.2
Formulier ‘Vragenformulier NEN 5725 Teneinde
uit te sluiten dat de locatie van herkomst als ‘verdacht' ten aanzien
van bodemveront-
reiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een historisch onderzoek overeenkomstig de NENS725 te worden uitgevoerd. Om de procedure te vergemakkelij-
ken werken de deelnemende gemeenten met het ‘Vragenformulier NEN 5725'. Dit formulier kan zowel worden ingevuld door een bodemadviesbureau, als door bijvoorbeeld een initiatiefnemer, eigenaar of de gemeente. Het formulier
wordt volledig ingevuld en ondertekend en wordt als bij
lage bij de melding ‘Besluit bodemkwaliteit’ ingediend. In bijlage 3 is het formulier opgenomen. Het formulier i zodanig ingericht dat deze voldoet aan alle eisen aan vooronderzoek die zijn gesteld in de NEN
22.3
5725.
Overige erkende bewijsmiddelen Wanneer er geen gebruik mag worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel,
dient de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond (of baggerspecie) en/of van de ontvangende bodem op een andere wijze te worden aangetoond: 1.
Partijkeuring;
2. 3.
Erkende kwaliteitsverklaring; Fabrikant-eigen-verklarin
4.
(Water)bodemonderzoek (waaronder in-situ partijkeuring).
In de navolgende paragrafen volgt per bewijsmiddel een korte toelichting. 22.3.1
Partijkeuring Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit, en daarmee de toepassingsmogelijkheden, van een partij grond of (gerijpte) baggerspecie die al dan niet is ontgraven.
Eisen
Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (zoals onder andere ook blijkt uit artikel
4,3.3 van de Regeling bodemkwaliteit): e _ Een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ; e
De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden be-
monsterd conform SIKB BRL 1000: VKB-protocol 10012; e _ De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform
het accreditatieprogramma APO4 door een
hiervoor erkend labo-
ratorium.
Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij,
naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden
onderzocht.
21 Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protacol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer)
Blad98van
113
Nota
bodembeheer
Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0
2 anteagroup $
Omgevingsdienst IJmond
22.3.2
Erkende kwaliteitsverklaring Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen: e _ Heteerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certifi-
cerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse ‘Landbouw/natuur’ (AW2000), klasse ‘Wonen' of klasse 'Industrie');
e _ Het tweede deel betreft een attest, afgegeven door een erkende producent. De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+. 22.3.3
Fabrikant-eigen-verklaring Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant eigenverklaring geen peri-
odieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag
afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet. De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven fabrikanteigen-verklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+. 22.3.4
(Water)bodemonderzoek Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 en NEN
5720 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Voor toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toege-
staan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit: e _ Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem; e _ Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;
e _ Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof. Deze onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 gaan uit van een monsternemingsintensiteit die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de partijkeuring en de erkende kwaliteitsverklaringen. Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van toe te passen of te verspreiden baggerspe-
cie en voor de kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 5720 toegestaan. Indien grond van buiten het beheergebied wordt aangevoerd is het generieke beleid van toepassing (d.w.z. uitvoering van dubbele toets op ontvangende bodem en functieklasse). De kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden aangetoond met de onderstaande middelen:
1.
Bodemkwaliteitskaart (kwaliteit van de ontvangende bodem);
Blad
99 van 113