Bijlage 1. Besluit tot wijziging GR ODIJ.pdf
Tekst van het document
Besluit tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJmond (9e wijziging) Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Velsen, Waterland, Wormerland, Uitgeest en Zandvoort, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft; Overwegende dat -
het Omgevingsbesluit deelnemers verplicht taken onder te brengen bij een omgevingsdienst;
-
het algemeen bestuur op 9 juli 2025 besloot om de financiering van Omgevingsdienst IJmond te herijken en hiervoor uitgangspunten vaststelde;
-
het algemeen bestuur op 9 juli 2025 uitgangspunten vaststelde voor het wijzigen van de regeling;
-
hierdoor wijziging en het opnieuw nummeren van de regeling nodig is;
Gelet op -
de toestemming van provinciale staten van de provincie Noord-Holland;
-
de toestemmingen van de raden van de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Velsen, Waterland, Wormerland, Uitgeest en Zandvoort;
-
de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Besluiten: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJmond als volgt te wijzigen:
Artikel I A. De artikelen 1 tot en met 43, 44 eerste, derde en vierde lid en 44a worden vervangen. Artikel 44 lid 2 wordt vernummerd tot artikel 42, tweede lid. De tekst van de regeling zal als volgt luiden:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In deze gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
basistakenpakket: de activiteiten genoemd in bijlage VI van het Omgevingsbesluit en de daarbij horende werkzaamheden genoemd in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;
-
colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie;
-
deelnemer(s): de aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van de gemeenten en provincie;
-
dienst: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;
-
dienstverleningsovereenkomst: de overeenkomst tot opdracht die een deelnemer of derde partij met de dienst kan sluiten over de uit te voeren taken en de voorwaarden waaronder die uitvoering plaatsvindt;
-
facultatieve taken: taken die niet verplicht zijn om in de regeling onder te brengen;
-
gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van provincie;
-
gemeente: gemeente Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Velsen, Waterland, Wormerland, Uitgeest en Zandvoort;
-
provincie: provincie Noord-Holland;
-
projecten: alle activiteiten waar de looptijd minder dan twee jaar van is, en waar geen vaste financieringsbron in de begroting is opgenomen;
-
regeling: deze gemeenschappelijke regeling;
-
samenwerkingsgebied: het gezamenlijk grondgebied van de deelnemende gemeenten aan deze regeling;
-
verplichte taken: taken die alle deelnemers in de regeling afnemen, behalve de provincie. Het verplichte takenpakket omvat het basistakenpakket en de gespecificeerde advisering voor de milieutaken. De omvang is in Bijlage I van deze regeling vastgelegd;
-
wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2 Openbaar lichaam 1.
Er is een openbaar lichaam genaamd Omgevingsdienst IJmond.
2.
Het openbaar lichaam is gevestigd in Beverwijk.
Artikel 3 Belang Deze regeling is ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken en bevoegdheden voor de fysieke leefomgeving in het algemeen, de Omgevingswet in het bijzonder en vergunningverlening, toezicht en handhaving op grond van het omgevingsrecht.
Hoofdstuk 2 Inrichting, samenstelling en werkwijze van het bestuur Paragraaf 2.1 Algemeen bestuur Artikel 4 Samenstelling 1.
Het algemeen bestuur bestaat uit vijftien leden.
2.
De colleges wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan.
3.
De colleges wijzen ieder uit hun midden één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, als bedoeld in het tweede lid, bij afwezigheid.
4.
Bepalingen in deze regeling voor leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.
Artikel 5 Zittingsperiode en beëindiging lidmaatschap 1.
Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na dit openvallen.
2.
Een tussentijds benoemd lid treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd volgens de Gemeentewet of de Provinciewet aftreedt.
3.
De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan, wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit.
4.
Een lid van het algemeen bestuur kan altijd ontslag nemen en deelt dit schriftelijk mee aan de voorzitter van de dienst en het college dat hem heeft aangewezen. Een lid dat ontslag neemt, blijft de functie waarnemen, totdat in de opvolging is voorzien.
5.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op het moment van uittreding uit deze regeling van de deelnemer die het lid vertegenwoordigt.
Artikel 6 Taken en bevoegdheden Het algemeen bestuur is in aanvulling op de wet bevoegd tot: a.
het vaststellen van het strategische beleidsplan, inclusief organisatieontwikkelings- en kwaliteitsborgingsplan;
b.
het vaststellen van het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en evaluatieverslag;
c.
het doen van voorstellen aan de deelnemers over toetreden tot, wijzigen van of opheffen van de regeling;
d.
het doen van voorstellen aan de deelnemers naar aanleiding van een besluit tot uittreding van een of meerdere deelnemers;
e.
het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter uit haar leden;
f.
het ontslaan van de plaatsvervangend voorzitter als deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Dit geldt niet voor zijn rol als lid van het algemeen bestuur.
Artikel 7 Incompatibiliteit In aanvulling op de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met een betrekking van ambtenaar of werknemer bij een van de deelnemers van deze regeling of van de dienst.
Artikel 8 Orde 1.
Het algemeen bestuur vergadert tenminste vier keer per jaar.
2.
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over het vaststellen van de begroting en de jaarrekening.
Artikel 9 Besluitvorming 1.
Besluiten worden genomen bij tweederde meerderheid van stemmen met een gewogen stemverhouding per deelnemer, tenzij deze regeling anders bepaalt.
2.
De gewogen stemverhouding per deelnemer wordt bepaald op basis van de jaarlijkse financiële bijdrage van de deelnemer aan de dienst. Dat zijn zowel de verplichte taken als de facultatieve taken van de deelnemer, als percentage van de totale begroting. Projecten worden hierin niet meegerekend.
3.
Deze gewogen stemverhouding wordt jaarlijks bepaald op basis van de vastgestelde begroting voor het volgende jaar. Als de begroting gedurende een jaar wordt gewijzigd, stelt het algemeen bestuur de stemverhouding opnieuw vast direct met het besluit tot vaststelling van de gewijzigde begroting.
Artikel 10 Inlichtingen en verantwoording 1.
Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat dit lid heeft aangewezen en aan de eigen raad of staten verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
2.
In de dienstverleningsovereenkomsten kunnen afspraken worden vastgelegd over de manier waarop verantwoording en het verstrekken van inlichtingen plaatsvindt.
Artikel 11 Participatie 1.
Inwoners van de deelnemers en belanghebbenden kunnen door de deelnemers bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van de dienst betrokken worden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het algemeen bestuur in overleg met de deelnemers tot een andere participatieprocedure besluiten.
Artikel 12 Opdrachtgeversplatform 1.
Het algemeen bestuur kan besluiten een opdrachtgeversplatform in te richten.
2.
Het opdrachtgeversplatform richt zich op zaken die alle deelnemers betreffen en dient als plek om de samenwerking tussen deelnemers en dienst te bevorderen.
3.
Het opdrachtgeversplatform bestaat uit een (ambtelijke) vertegenwoordiging van alle deelnemers.
4.
Als een opdrachtgeversplatform wordt ingericht, wordt ook een jaarplan opgesteld met daarin de voorgenomen activiteiten.
Paragraaf 2.2 Dagelijks Bestuur Artikel 13 Samenstelling 1.
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere leden.
2.
In het dagelijks bestuur neemt tenminste één lid zitting uit regio Zuid-Kennemerland (Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Zandvoort), één lid uit regio IJmond (Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest, Velsen) en één lid uit regio Zaanstreek-Waterland (Edam-Volendam, Landsmeer, Purmerend, Oostzaan, Waterland, Wormerland).
Artikel 14 Zittingsperiode en beëindiging lidmaatschap 1.
De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling na de dag van aftreden van de colleges.
2.
Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt op het moment dat het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt.
3.
Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na dit openvallen.
4.
Een lid van het dagelijks bestuur kan altijd ontslag nemen en deelt dit schriftelijk mee aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag neemt, blijft lid, totdat in de opvolging is voorzien.
Artikel 15 Orde 1.
Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen. Dit reglement wordt aan het algemeen bestuur ter informatie toegezonden.
2.
Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter dit nodig oordeelt of wanneer twee leden hem dit schriftelijk verzoeken onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Als een vergadering is gevraagd door twee leden, wordt zij binnen twee weken gehouden.
3.
De vergaderingen van het dagelijks bestuur vinden achter gesloten deuren plaats.
Artikel 16 Besluitvorming 1.
Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.
2.
In de vergadering van het dagelijks bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van het aantal leden aanwezig is.
3.
Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.
4.
Bij staking van de stemmen heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
Paragraaf 2.3 Zienswijzen Artikel 17 Zienswijzen bij voorgenomen besluiten Buiten de in wet- en regelgeving bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter waarvoor eerst aan de raden en staten van de deelnemers een zienswijze als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de wet wordt gevraagd.
Paragraaf 2.4 Secretaris Artikel 18 Secretaris 1.
Het algemeen bestuur benoemt de secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur en kan de secretaris schorsen of ontslaan.
2.
De secretaris ondersteunt het algemeen en dagelijks bestuur, de voorzitter en eventuele commissies in de uitoefening van hun taak.
3.
Alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend.
4.
De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of dagelijks bestuur bepaalt dat de secretaris bij bepaalde (delen van) vergaderingen niet aanwezig is.
5.
De secretaris zorgt voor de verslagen van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.
Hoofdstuk 3 Taken en bevoegdheden Artikel 19 Taken en bevoegdheden dienst 1.
De dienst voert voor de deelnemers het verplichte takenpakket uit en kan daarnaast facultatieve taken uitvoeren.
2.
De colleges kunnen het dagelijks bestuur of de directeur van de dienst mandaat geven voor hun bevoegdheden binnen het belang van deze regeling.
3.
Voor de uitvoering van de verplichte taken is mandaat van de colleges aan het dagelijks bestuur en de directeur van de dienst nodig.
4.
Voor het uitbreiden of afbouwen van taken is instemming van het algemeen bestuur vereist.
Artikel 20 Verplichte taken 1.
De uitwerking van het verplichte takenpakket wordt overeengekomen in een dienstverleningsovereenkomst.
2.
Voor aanpassing van deze dienstverlening is instemming van het algemeen bestuur nodig. Het dagelijks bestuur bereidt daar een voorstel toe voor.
Artikel 21 Facultatieve taken 1.
De uitwerking van de facultatieve taken wordt overeengekomen in een dienstverleningsovereenkomst.
2.
Een deelnemer kan het algemeen bestuur schriftelijk verzoeken om aanpassing van de dienstverlening. Bij het verminderen van de dienstverlening worden de frictiekosten gedragen door de deelnemer die de dienstverlening wil verminderen. In de dienstverleningsovereenkomst worden hier afspraken over vastgelegd. Voor aanpassing van deze dienstverlening is instemming van het algemeen bestuur nodig als het financiële effect meer dan 3% van de facultatieve taken van de betreffende deelnemer is.
Artikel 22 Dienstverleningsovereenkomst 1.
2.
De dienstverleningsovereenkomst bestaat in elk geval uit drie delen: a.
Deel A: Algemeen juridische bepalingen en afspraken;
b.
Deel B: Product-dienstencatalogus verplichte en facultatieve taken;
c.
Deel C: Financiën.
De dienstverleningsovereenkomst wordt ten minste eens in de vijf jaar geëvalueerd door het algemeen bestuur.
Artikel 23 Beleidskader 1.
Op basis van het beleid van de deelnemers stelt de dienst jaarlijks een uitvoeringsprogramma conform artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit op.
2.
In het uitvoeringsprogramma legt de dienst vast welke diensten en producten op grond van de dienstverleningsovereenkomsten worden uitgevoerd voor de deelnemers of derden.
Hoofdstuk 4 Directie en personeel Artikel 24 Directeur 1.
De dienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur leiding geeft aan de ambtelijke organisatie en zorgt voor een juiste uitvoering van de taken van de dienst.
2.
De directeur fungeert als secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur, nadat hij door het algemeen bestuur is benoemd tot secretaris.
Artikel 25 Rechtspositie en bezoldiging Het algemeen bestuur beslist op voorstel van het dagelijks bestuur over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen Artikel 26 Boekjaar 1.
Het boekjaar van de dienst is gelijk aan het kalenderjaar.
2.
Het eerste boekjaar loopt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december daaraanvolgend.
Artikel 27 Begroting 1.
Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting opgenomen ramingen en wijzigingen en wordt ook rekening gehouden met de laatst bekende cao-Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties, het prijsindexcijfer voor de overheidsconsumptie en autonome ontwikkelingen.
2.
De begroting wordt voorzien van een toelichting waarin inzicht wordt gegeven in de kosten in relatie tot de te leveren diensten of producten en waarin de hoofdlijnen van de (gewenste) (beleids)ontwikkelingen in het samenwerkingsgebied worden aangegeven.
3.
Aan de begroting wordt een meerjarenprognose toegevoegd.
4.
De meerjarenprognose omvat een globale raming van uitgaven en inkomsten en wordt van een toelichting voorzien.
5.
De in de meerjarenprognose op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loon- en kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting.
6.
Op het wijzigen van de begroting zijn het tweede tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, tenzij het technische begrotingswijzigingen betreft die niet zorgen voor een verhoging van de bijdragen van de deelnemers. Voor laatstgenoemde begrotingswijzigingen is het algemeen bestuur bevoegd deze vast te stellen zonder daarvoor een zienswijze van de raden en de provinciale staten van de deelnemers te verzoeken.
Artikel 28 Rekening 1.
Van de baten en lasten van de dienst legt het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording af aan het algemeen bestuur met de jaarrekening en het jaarverslag en de daarbij behorende bescheiden. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en het jaarverslag zonder uitstel en stelt haar binnen de wettelijke termijn vast.
2.
De SiSa-verantwoordingsbijlage met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen maakt deel uit van de toelichting op de jaarrekening. Het dagelijks bestuur verantwoordt zich met de
jaarrekening over de uitvoering van de regelingen van de specifieke uitkeringen volgens artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 3.
Het dagelijks bestuur stuurt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag ter kennisneming aan de raden en provinciale staten van de deelnemers.
Artikel 29 Tussenrapportage 1.
Het algemeen bestuur stelt een keer per jaar een tussenrapportage vast met daarin informatie over het lopende begrotingsjaar.
2.
In de tussenrapportage staan: a. de beleidsmatige en financiële tussenstand; b. de afwijkingen in de geleverde prestaties ten opzichte van de geraamde prestaties met een toelichting. c. overige relevante zaken voor de stand van zaken.
3.
Het algemeen bestuur stuurt de tussenrapportage van het betreffende jaar aan de deelnemers.
Artikel 30 Rekeningresultaat 1.
Verrekening van het verschil tussen de betaalde voorschotten en het jaarrekeningresultaat volgt meteen na vaststelling van de rekening. Negatieve resultaten worden verrekend met de algemene reserve. Positieve resultaten vullen eerst de algemene reserve aan tot door het algemeen bestuur vastgestelde weerstandsratio bereikt is en worden daarna verrekend met de deelnemers.
2.
Het algemeen bestuur kan besluiten tot verhoging van de algemene reserve tot boven voornoemd bedrag bij toetreding van nieuwe deelnemers of uitbreiding van ingebrachte taken door bestaande deelnemers.
Artikel 31 Financiering 1.
De dienst verantwoordt zich in de begroting en de jaarstukken over de in artikel 8 van de Wet financiering decentrale overheden genoemde gegevens, conform de bij of krachtens die wet gestelde normen en regels. Bij afwijkingen of dreigende overschrijding van de in de Wet financiering decentrale overheden genoemde normen, wordt daarover afzonderlijk en onverwijld gerapporteerd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.
Als garantstelling van één of meer deelnemers nodig is voor een geldlening of een rekeningcourant overeenkomst of het uitlenen van geld, dan wordt het conceptbesluit hiervoor aan de betrokken deelnemer of aan alle deelnemers ter besluitvorming voorgelegd.
3.
De betrokken deelnemers staan garant voor het betalen van rente en aflossing van de geldlening en in rekening-courant op te nemen gelden voor zover door andere overheidsorganen geen garantie is verstrekt. De betrokken deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding van de omzet van die deelnemer in het voorgaande jaar.
Artikel 32 Verdeling van baten en lasten 1.
De lasten van de dienst worden gedekt door: a.
bijdragen van de deelnemers voor de uitoefening van verplichte taken, zoals vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst;
b.
bijdragen van de deelnemers voor de uitoefening van facultatieve taken, zoals vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst;
c.
bijdragen van de deelnemers aan schadevergoedingen. Deze schadevergoedingen komen volledig ten laste van de deelnemer voor wie de dienst de taak uitvoert.
2.
d.
subsidies, andere bijdragen dan de onder a. bedoelde bijdragen en schenkingen;
e.
overige inkomsten;
f.
reserves.
Het algemeen bestuurt stelt de hoogte van de bijdragen in het eerste lid, aanhef en onder a en b steeds voor vijf jaar vast op basis van de door de dienst jaarlijks vastgelegde tijdschrijfgegevens.
Hoofdstuk 6 Archiefbescheiden Artikel 33 Archiefbescheiden 1.
Het dagelijks bestuur zorgt voor de archiefbescheiden van de dienst volgens de geldende Archiefwet en de door het algemeen bestuur vastgestelde regels op basis van de geldende Archiefwet.
2.
Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is de gemeente waar de dienst is gevestigd, aangewezen als archiefbewaarplaats.
3.
Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de archiefbescheiden bij deze deelnemers.
4.
De archivaris van de deelnemers houdt toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken.
5.
De secretaris-directeur beheert de archiefbescheiden, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
6.
De archivaris houdt toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 34 Toetreding Het algemeen bestuur doet na een verzoek tot toetreding een voorstel over toetreding aan de deelnemers en kan daarbij voorwaarden stellen. Toetreding is alleen mogelijk bij unaniem besluit van het algemeen bestuur.
Artikel 35 Uittreding 1.
De procedure van uittreding begint zodra het algemeen bestuur het uittredingsbesluit van de deelnemer ontvangt.
2.
De uittredingstermijn is drie jaar. De termijn start na ontvangst van het uittredingsbesluit. De feitelijke uittreding gaat in op 1 januari. Het algemeen bestuur kan van deze termijn afwijken.
3.
Bij uittreding komen de gevolgen voor rekening van de uittredende deelnemer. De gevolgen voor het vermogen bestaan in ieder geval uit personeelslasten en overige financiële lasten.
4.
Uitgangspunt is dat het personeel, dat toe te rekenen is aan de werkzaamheden voor de uittredende deelnemer, in dienst treedt van de uittredende deelnemer. Als dit niet mogelijk is dan komen de afvloeiingskosten voor rekening van de uittredende deelnemer.
5.
Onder overige financiële lasten, als bedoeld in het derde lid, wordt onder meer verstaan financiële, juridische, en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
6.
Het dagelijks bestuur geeft aan een onafhankelijke derde de opdracht om een impactanalyse of uittredingsplan op te stellen. Over deze opdracht heeft het dagelijks bestuur overleg met de uittredende deelnemer.
7.
De kosten voor deze impactanalyse of uittredingsplan zijn voor de uittredende deelnemer.
8.
Na de impactanalyse of uittredingsplan wordt een projectgroep samengesteld die het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer op basis van de impactanalyse of uittredingsplan adviseert.
9.
De projectgroep bestaat in ieder geval uit: a.
de financiële controller van de uittredende deelnemer;
b.
de financiële controller van de dienst;
c.
een afgevaardigde van het dagelijks bestuur;
d.
een afgevaardigde van de uittredende deelnemer.
10. De uittreedsom is gelijk aan de afvloeiingskosten, als bedoeld in het vierde lid, en de overige financiële lasten, als bedoeld in het vijfde lid. 11. Het algemeen bestuur stelt de uittreedsom vast met in achtneming van het advies van de projectgroep. 12. De uittreedsom kan door de uittredende deelnemer gespreid betaald worden gedurende een periode van drie jaar na vaststelling van de uittreedsom.
Artikel 36 Wijziging Als het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenst, doet het een voorstel aan de deelnemers.
Artikel 37 Opheffing 1.
Deze regeling wordt opgeheven wanneer het algemeen bestuur daartoe besluit.
2.
De in het eerste lid bedoelde besluitvorming vindt pas plaats nadat het algemeen bestuur een liquidatieplan heeft vastgesteld en de raden en provinciale staten van de deelnemers heeft gehoord.
3.
Het liquidatieplan bevat tenminste de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en in de gevolgen voor het personeel van de dienst, inclusief de toewijzing van personeel van de dienst aan de deelnemers.
Artikel 38 Vereffening vermogen 1.
De dienst blijft na zijn ontbinding voortbestaan zolang dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is. Bij de vereffening wordt het liquidatieplan betrokken.
2.
Het dagelijks bestuur wordt als vereffenaar aangewezen.
Hoofdstuk 8 Aansprakelijkheid Artikel 39 Aansprakelijkheid 1.
2.
De dienst verzekert zich tegen: a.
civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen en
b.
wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.
Als de verzekering een voor rekening van de dienst komende schade niet dekt, komt deze voor rekening van de deelnemer wiens takenpakket de schade veroorzaakte.
3.
De afzonderlijke deelnemers verzekeren zich tegen het risico van bestuurdersaansprakelijkheid voor structurele of incidentele bedrijfsschade en vermogensschade.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 40 Evaluatie 1.
Het algemeen bestuur evalueert iedere vier jaar het functioneren van de dienst en de dienstverlening aan de deelnemers en bepaalt hierbij de specifieke onderwerpen waar de evaluatie over gaat.
2.
Het algemeen bestuur rapporteert aan de colleges het resultaat en de conclusies van de evaluatie.
3.
Het algemeen bestuur bepaalt de wijze waarop de evaluatie en de rapportage plaatsvindt.
Artikel 41 Overgangsrecht Als door wijziging van wettelijke regelingen de door de dienst uit te voeren taken onder een andere regeling vallen of niet wezenlijk veranderen, blijven het taken die aan de dienst zijn opgedragen.
Artikel 42 Bekendmaking en inwerkingtreding 1.
Gedeputeerde staten zorgen voor bekendmaking van deze regeling en van besluiten tot toe- en uittreding, wijziging of opheffing.
2.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1998 dan wel later op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin goedkeuring door gedeputeerde staten en inschrijving in het gemeentelijk register overeenkomstig artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaats gevonden.
Artikel 43 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJmond.
B
Bijlage 1
Bijlage 1 Bevoegdheden en Taken vervalt. Bijlage 1 zal als volgt luiden:
Bijlage 1 Dienstverlening ODIJmond Toezicht (voorm.) C / controle locatie met vergunningspl. MBA
B
Indirecte lozingen (ex. externe kosten) 24 uurs bereikbaarheid (voorm.) A / eerste controle
B V+
(voorm.) A / hercontrole
V+
Administratieve controle (voorm.) B / controle locatie m. meldingen en maatwerk (voorm.) B / hercontrole locatie met maatwerk Beoordelen van klachten Bodem (voorm.) C / hercontrole locatie m. vergunningspl. MBA Energiecontroles Evenementen advies Evenementen controle
B
Label C
+
Ondermijning Strafrecht (milieu, bodem, asbest, etc.) Toezicht asbest / sloop Bodem overgangsrecht Vergunningverlening en meldingen
B
Procedure omgevingsvergunning MBA
B
Actualisatietoets
B
Advies omgevingsplannen Bodem maatwerk en gelijkwaardigheid Bodem MBA informatieplicht Bodem MBA meldingsplicht Melding / advies asbest Procedure informatieplicht MBA Procedure maatwerk / gelijkwaardigheid MBA Procedure meldingsplicht MBA Vragen van derden / adviseren van derden
+
Wettelijk adviseursschap Bodem overgangslocaties / nazorg Advies
+
Advisering omgevingsplannen
V+
B
B B B B B B B B
B B B
B B B B B B B B B
Omgevingswet en verorderingen
V+
Beleid Ruimtelijke ontwikkelingen en omgevings–vergunningen (Variant A / generiek overleg) Ruimtelijke ontwikkelingen en omgevings-vergunningen (Variant B / specifieke overleggen) Juridisch milieu Bezwaar, beroep, hoger beroep, vovo’s Handhavingszaken Projecten & kwaliteit Juridische ondersteuning Bouwvergunningverlening, toezicht en handhaving
+ V+ V+ B B B B
Bouwen vergunningverlening & toezicht Projecten Uitvoering stimuleringsprojecten GreenBiz IJmond Gezonde leefomgeving IJmond IJmond Bereikbaar Overig
+
Beheer Inrichtingen bestand Contactfunctionaris
B
Data analisten VTH Fondsenwerving Projectleider regionale projecten en programma’s
B
Schiphol
+ + + + +
Alcoholwet Brandveiligheid Natuur en Milieu Educatie (NME) Havens
Pr Pr Pr Pr
B B B
C
Toelichting
De toelichting vervalt. De toelichting zal als volgt luiden:
Toelichting Algemene toelichting
Deelnemende gemeenten en DVO-partners In 1997 richtten de raden, colleges en burgemeesters van gemeenten Beverwijk, Heemskerk en Velsen de Gemeenschappelijke Regeling Milieudienst IJmond (hierna: de regeling) op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: wet) op. Per 1 januari 1999 was de dienst operationeel. In 2001 traden ook de raad, het college en de burgemeester van gemeente Uitgeest toe tot de regeling. De dienst is opgericht voor een efficiënte en kwalitatieve uitvoering van de milieutaken van de deelnemers en volgt het samenwerkingsverband Gewest IJmond op. De dienst richtte zich vanaf het begin op uitvoering van taken voor meer gemeenten dan alleen de deelnemers en onderzocht de mogelijkheden daartoe. Vanaf 2001 voert de dienst ook taken uit voor de gemeenten Bloemendaal, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemstede, Noordwijkerhout en Zandvoort en vanaf 2005 voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland. Deze taken voerde de dienst uit op basis van afspraken en dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s). In 2014 traden de colleges van gemeente Haarlem en provincie Noord-Holland toe en in 2015 de colleges van de gemeenten Beemster en Purmerend.
Door de Wet dualisering gemeentebestuur en de wijziging van de wet zijn per 1 januari 2016 de raden en burgemeesters van de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest en Velsen uit de regeling geschreven. Deze bestuursorganen brachten geen eigen taken of bevoegdheden in de dienst en hadden daarom hier geen plaats meer. De regeling werd vanaf 1 april 2016 met de zesde wijziging een collegeregeling. In 2017 traden de gemeenten Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en Zandvoort toe voor het basistakenpakket door een wijziging van de toenmalige regeling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Later brachten gemeenten meer taken in de dienst. Het takenpakket voert de dienst vanaf de negende wijziging in 2027 alleen nog uit op basis van dienstverleningsovereenkomsten. Dit is vastgelegd in de regeling.
Doel en taakuitvoering dienst Oorspronkelijk luidde het belang waarvoor de dienst is ingesteld: ‘het belang van de bescherming van het milieu in het samenwerkingsgebied’. Dit is later uitgebreid naar ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’. Deze omschrijving sloot meer aan bij de Omgevingswet en het takenpakket dat de dienst uitvoert, dat breder is dan alleen milieu. De dienst voert ook taken uit voor brandveiligheid, bouw- en woningtoezicht, verkeer en mobiliteit, de Alcoholwet en de Algemene Plaatselijke Verordening. Daarom wijzigde vanaf 1 januari 2015 de naam van de dienst in Omgevingsdienst IJmond. Het belang is bij de negende wijziging in 2027 aangescherpt en vastgelegd in artikel 3. Kern van de door de deelnemers in de regeling ingebrachte taken waren de milieutaken (waaronder vergunningverlening, toezicht en handhaving, beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering op milieugebied,
begeleiden van bodemsaneringen) van de IJmondgemeenten. In 2014 is hier het basistakenpakket voor regionale uitvoeringsdiensten in verwerkt. Dit betrof de complexere milieutaken waarvan door het Rijk, samen met IPO en VNG overeen kwamen dat de uitvoering hiervan door uitvoeringsdiensten op schaalgrootte van een veiligheidsregio dient te geschieden. Op verzoek kan de dienst ook taken uitvoeren voor bijvoorbeeld brandveiligheid, Alcoholwet of de Algemene Plaatselijke Verordening. In 2027 is de regeling grondig gewijzigd en is het onderscheid tussen verplichte en facultatieve taken (niet verplichte taken) in de regeling vastgelegd. Dit onderscheid betekent ook uniformering van afname van taken door de deelnemers. De verplichte taken zijn het basistakenpakket en enkele plustaken (met name de gespecificeerde advisering op milieu). De facultatieve taken zijn alle andere taken die binnen de regeling uitgevoerd worden (met name op bouw- en woningtoezicht).
Bevoegdheden: delegatie en mandaat Deelnemers en derden kunnen op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de regeling bevoegdheden aan het dagelijks bestuur, een bestuurscommissie of de directeur op- of overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Om de ingebrachte taken goed en efficiënt uit te kunnen voeren, droegen de colleges van de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest en Velsen bij de oprichting van de regeling een deel van hun beslissingsbevoegdheden over aan het algemeen bestuur (delegatie). Daarnaast hadden zij ook, net als andere deelnemers aan de regeling en partijen waar de dienst op DVO-basis taken voor uitvoert, in mandaat handhavende of vergunningverlenende bevoegdheden aan het dagelijks bestuur of de directeur opgedragen. Door de wijziging in 2027 vervalt de combinatie voor deelname aan de regeling via delegatie. Vanaf 2027 kunnen deelnemers hun bevoegdheden voor het uitvoeren van taken alleen mandateren aan de dienst. Hierdoor nemen alle deelnemers op dezelfde wijze deel aan de regeling, namelijk via een mandaat. Van een gelijke deelname in de regeling was vóór 2027 geen sprake.
Beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften Het vaststellen van beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften is aan de deelnemers voorbehouden. In de regeling vindt geen rechtstreekse overdracht of mandatering van bevoegdheden voor het vaststellen van beleid plaats, zodat de politieke verantwoordelijkheid voor het (milieu)beleid onaangetast blijft. De door de deelnemers vastgestelde beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften zijn kaders die ook bepalend zijn voor de wijze waarop door de dienst aan de haar gemandateerde taken en bevoegdheden invulling wordt gegeven. De dienst vervult wel een rol in de voorbereiding van beleidsplannen en kaders van haar deelnemers en stelt daarnaast periodiek een uitvoeringskader op en jaarlijks een uitvoeringsprogramma vast (conform artikelen 13.5 en 13.8 van het Omgevingsbesluit). Bij Omgevingsdienst IJmond zijn contactfunctionarissen aangesteld voor direct contact met de deelnemers en derden, opdrachten ophalen en terugkoppelen over de uitvoering. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2 Openbaar lichaam De Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJmond is een regeling op grond van de wet. Bij het treffen van de regeling is gekozen voor de meest vergaande vorm, waarbij een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid is ingesteld. De rechtspersoonlijkheid is geregeld in artikel 8 van de wet en is
daarom uit de regeling gehaald. De regeling is met de zesde wijziging omgevormd naar een collegeregeling. Alleen colleges van gemeenten en provincie brengen namelijk taken en bevoegdheden in de dienst. Artikel 12 lid 1 van de wet regelt dat het bestuur van de dienst uit een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter bestaat. Daarom is dit uit de regeling gehaald waardoor het artikel, zoals gold na de 8e wijziging, vervalt.
Artikel 3 Belang Volgens de wet kan een gemeenschappelijke regeling alleen worden opgericht voor het behartigen van een of meer bepaalde belangen van de deelnemers. Bij de negende wijziging is het belang niet meer ondergebracht bij de definities in artikel 1, maar in een apart artikel en herschreven, zodat alle taken die de dienst uitvoert eronder vallen.
Artikel 4 tot en met 10, 13 tot en met 16 Algemeen en dagelijks bestuur In deze artikelen komt de relatie tussen het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter en secretaris naar voren. De wet regelt grotendeels al deze samenwerking. Bij de negende wijziging zijn alleen bepalingen opgenomen, die niet in de wet zijn geregeld. De colleges van de deelnemende gemeenten en provincie wijzen ieder één lid aan dat hun college vertegenwoordigt in het algemeen bestuur van de dienst. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur loopt gelijk met de periode waarvoor het college waarin het betreffende lid zitting heeft benoemd is. Het college dat een lid heeft aangewezen als lid van het algemeen bestuur, kan dit lid wegens het ontbreken van vertrouwen ook weer ontslaan. De Gemeentewet en Provinciewet regelen al het aftreden van leden van het algemeen en dagelijks bestuur en het is daarom niet verder in de regeling uitgewerkt. In het algemeen bestuur geldt een gewogen stemverhouding tussen de deelnemers, die gebaseerd is op de financiële inbreng van de betreffende deelnemer in de regeling. De stemverhouding wordt door het algemeen bestuur vastgesteld op grond van de vastgestelde begroting. De projecten wegen niet meer voor de stemverhouding. Wat onder projecten wordt verstaan is daarom in artikel 1 van deze regeling gedefinieerd.
Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is primair een vorm van verlengd lokaal bestuur. De leden van het algemeen en dagelijks bestuur zijn in dat kader primair vertegenwoordiger van hun gemeente of provincie die niet zonder last of ruggespraak tot besluitvorming komen. Deze politieke verantwoordelijkheid krijgt op twee manieren vorm, namelijk een interne verantwoordings- en informatierelatie tussen dagelijks en algemeen bestuur en een externe verantwoordings- en informatierelatie tussen (de leden van) het bestuur van het openbaar lichaam en het gemeente- en provinciebestuur. Schematisch ziet dit er als volgt uit:
De blauwe pijlen geven een inlichtingen- en verantwoordingplicht aan, de rode pijlen het recht van het bestuursorgaan om een door haar aangewezen lid te ontslaan. De informatieplicht van het dagelijks aan het algemeen bestuur is een actieve informatieplicht. Dit laat onverlet de verantwoordingsplicht van de colleges van de gemeenten en provincie aan de raden en provinciale staten.
Een verzoek om inlichtingen te ontvangen kan alleen worden geweigerd of onder geheimhouding worden gegeven als dit is vastgelegd in wetgeving. De Wet gemeenschappelijke regelingen, Provinciewet en Gemeentewet bevatten bepalingen over het opleggen van geheimhouding op grond van de belangen genoemd in de Wet open overheid. Daarnaast bepalen artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 167, derde lid, van de Provinciewet dat informatie niet wordt gegeven als dit in strijd is met het openbaar belang. Van belang bij het toedelen van bevoegdheden aan het algemeen bestuur recht wordt gedaan aan het principe van een daadwerkelijke interne bestuurlijke aansturing en controle door het algemeen bestuur (als hoogte orgaan binnen een regeling) op het dagelijks bestuur en dat het dagelijks bestuur in beginsel bestuursbevoegdheden uitoefent. Het algemeen bestuur heeft in beginsel alle bevoegdheden die niet bij het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn belegd. De wet staat het algemeen bestuur toe om bestuurs- of adviescommissies in te stellen. Het dagelijks bestuur mag volgens de wet alleen adviescommissies en geen bestuurscommissies instellen. Het algemeen bestuur wijst, naast de voorzitter, minimaal drie en maximaal vier andere leden van het dagelijks bestuur uit haar midden aan.
Het algemeen bestuur kan de leden van het dagelijks bestuur wegens gebrek aan vertrouwen ook weer ontslaan. In het dagelijks bestuur heeft ieder lid één stem. Sinds de zevende wijziging kan het algemeen bestuur een vijfde lid van het dagelijks bestuur aanwijzen uit haar midden. Met de negende wijziging is de samenstelling van het dagelijks bestuur opengesteld voor alle deelnemers. De wet regelt in de artikelen 12, 13, 19a de rol van de voorzitter en is daarom niet in de regeling opgenomen. De voorzitter is hierdoor ook een zelfstandig bestuursorgaan van de regeling en kan de dienst naar buiten toe vertegenwoordigen. De procedure hoe de voorzitter wordt aangewezen uit en door het algemeen bestuur kan worden geregeld in een door het algemeen bestuur vastgesteld reglement van orde of protocol. Artikel 13, negende lid, van de wet regelt dat het algemeen bestuur de (plaatsvervangend) voorzitter aanwijst uit zijn midden. Het algemeen bestuur kan de voorzitter bij gebrek aan vertrouwen ontslaan. De plaatsvervangend voorzitter kan ook in die hoedanigheid worden ontslagen. Artikel 20 van de wet regelt de onverenigbaarheid van functies van leden van het algemeen bestuur.
Met de aanvulling in artikel 7 van deze regeling wordt ook uitgesloten dat een lid van het algemeen bestuur ook een arbeidsovereenkomst heeft of aangaat bij een van de andere deelnemende gemeenten of provincie, dan de gemeente of provincie die het lid vertegenwoordigt.
Artikel 11 Participatie Op uitdrukkelijke wens van de raden is deze bepaling in 2024 opgenomen in de regeling na de achtste wijziging. De wetswijziging in 2022 versterkte de positie van de raden. Als in de regeling niets bepaald is over participatie, dan gelden de algemene regels uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit is geregeld in artikel 10, zevende en achtste lid, van de wet.
Artikel 12 Opdrachtgeversplatform Voor het versterken van de goede samenwerking tussen Omgevingsdienst IJmond en de gemeenten en provincie is bij de negende wijziging in 2027 de mogelijkheid voor een formeel opdrachtgeversplatform in de regeling vastgelegd (artikel 12). Hiermee kunnen gemeenten en provincie als opdrachtgever en Omgevingsdienst IJmond als opdrachtnemer de gezamenlijke doelen, de onderlinge samenhang in de uit te voeren taken en de gevolgen van aanpassingen in de dienstverlening voor een of meer deelnemers bespreken. Deze formalisering beoogt dus om het opdrachtgeversplatform een duidelijker positie te geven en afstemming tussen de deelnemers makkelijker te maken.
Artikel 17 Zienswijzen bij voorgenomen besluiten Artikel 10, vijfde lid, van de wet regelt dat de regeling een bepaling inhoudt over welke voorgenomen besluiten van het bestuur van de dienst een zienswijze wordt gevraagd. In deze regeling is gekozen om alleen verplicht om een zienswijze te vragen als dit wettelijk is voorgeschreven.
Artikel 18 en 24 Secretaris en directeur De secretaris ondersteunt het algemeen en dagelijks bestuur en wordt benoemd door het algemeen bestuur. De secretaris is in de praktijk vaak ook de directeur van de dienst. Het algemeen bestuur is niet bevoegd om de directeur te benoemen. Het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de directeur is een privaatrechtelijke rechtshandeling en is daarom een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Dit is in de wet geregeld. Het algemeen bestuur kan de secretaris schorsen of ontslaan, maar schorst of ontslaat daarmee niet de directeur van de dienst. Deze twee rollen zijn wel verenigd in één persoon, maar het algemeen en dagelijks bestuur hebben dus verschillende bevoegdheden. In praktijk wordt eerst de secretaris benoemd door het algemeen bestuur en daarna wordt met de directeur een arbeidsovereenkomst door het dagelijks bestuur aangegaan.
Artikel 19 tot en met 21 Taken en bevoegdheden Bij de negende wijziging is onderscheid aangebracht tussen verplichte en facultatieve taken. Verplichte taken worden door alle deelnemers afgenomen. De Omgevingswet verplicht deelnemers om deze taken onder te brengen bij een omgevingsdienst. Het niet afnemen van deze taken betekent uittreding uit de regeling. Bij uittreding is de uittredende deelnemer verplicht om de taken onder te brengen bij een andere omgevingsdienst. De verplichte taken omvatten het basistakenpakket en enkele gespecifieerde adviestaken, conform bijlage 1. Dit is de basis van de samenwerking binnen de regeling. De facultatieve taken omvatten verschillende plustaken, de bouw- en woningtoezichtstaken en enkele aanvullende taken. In bijlage I zijn deze taken uitgewerkt. De deelnemers en derden waarvoor taken worden uitgevoerd, kunnen mandaat verlenen aan het dagelijks bestuur, als uitvoerend orgaan, of rechtstreeks aan de directeur. De Algemene wet bestuursrecht regelt het verlenen van een mandaat.
Artikel 22 Dienstverleningsovereenkomst De taken uit Bijlage I worden uitgewerkt in een dienstverleningsovereenkomst (DVO). Deze is voor alle deelnemers in opzet en inrichting gelijk en omvat ook een product-dienstencatalogus van de verplichte en facultatieve taken. De DVO wordt in principe voor onbepaalde tijd aangegaan. De wijze waarop aanpassingen kunnen plaatsvinden wordt in de DVO verder uitgewerkt. Het dagelijks bestuur is bevoegd om de dienstverleningsovereenkomst aan te gaan met de colleges van de deelnemers, omdat het een privaatrechtelijke rechtshandeling is. Invulling van de concrete uitvoering per jaar vindt plaats in het uitvoeringsprogramma dat door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. Facultatieve taken kunnen voor zowel deelnemers als niet-deelnemers op grond van een dienstverleningsovereenkomst worden uitgevoerd. Bij deelname aan de regeling zijn de deelnemers verplicht om het basistakenpakket en de gespecificeerde adviestaken conform Bijlage 1 te laten uitvoeren door de dienst. Voor de facultatieve taken hebben de deelnemers de keuze om deze door de dienst te laten uitvoeren.
Artikel 23 Beleidskader Artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vaststellen voor de werkzaamheden, Vervolgens regelt artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit dat deze bestuursorganen de vastgestelde uitvoerings- en handhavingsstrategie uitwerken in een uitvoeringsprogramma. De regeling legt aanvullend op de bepalingen uit de Omgevingswet vast dat alles wordt meegenomen in het door de wet vereiste uitvoeringsprogramma.
Artikel 25 Rechtspositie en bezoldiging Vanaf 1 januari 2020 geldt de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Hierdoor vallen ambtenaren onder het private arbeidsrecht, geregeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en stelt het bestuur de rechtspositie niet meer vast. Ambtenaren worden ook niet meer benoemd, maar krijgen een arbeidsovereenkomst. Dit is een private rechtshandeling, die wordt uitgevoerd door het dagelijks bestuur of (in mandaat) de directeur. De CAR-UWO is vervangen door de CAO gemeenten en de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO). De Cao Gemeenten geldt voor werknemers in dienst bij gemeenten en de Cao SGO geldt voor werknemers in dienst bij (aangesloten) gemeentelijke organisaties. Voor omgevingsdiensten geldt het laatste. Als een CAO verbindend is verklaard, dan geldt deze automatisch. Het bestuur kan alleen nog overige arbeidsvoorwaarden vaststellen.
Artikel 26 tot en met 32 Financiële bepalingen Jaarlijks stelt het algemeen bestuur, voorafgaand aan het jaar waarvoor deze geldt, de begroting vast. Van de baten en lasten van de dienst wordt in de rekening tenslotte door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur verantwoording afgelegd. Vaststelling van de begroting kan slechts plaatsvinden nadat de betrokken raden/Provinciale Staten van de deelnemers in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze hierover uit te spreken. De regels en termijnen die de wet al dwingend voorschrijft, zijn uit de regeling geschrapt. In de regeling staan alleen aanvullende bepalingen. Deze artikelen regelen de financiële planning- en controlcyclus van de dienst in aanvulling op de regels in de artikelen 58, 58a, 58b en 59 van de wet. In de wet staan ook de termijnen genoemd wanneer het bestuur van de dienst de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor de begroting toezendt aan de raden en provinciale staten. Omgevingsdienst IJmond stuurt meestal begin april de ontwerpbegroting, inclusief meerjarenprognose, beleidsmatige ontwikkelingen en de voorlopige jaarrekening. De ontwerpbegroting geldt dus ook als stuk waarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar of jaren zijn opgenomen. In artikel 31 staat waar de inkomsten van de dienst uit bestaan.
Vanaf 2027 worden de bijdragen door de deelnemers steeds voor vijf jaar vastgesteld op basis van de door de dienst jaarlijks vastgelegde tijdschrijfgegevens. Een keer per jaar wordt een tussenrapportage vastgesteld door het algemeen bestuur en aangeboden aan de colleges van de deelnemers, zodat de informatie beter is afgestemd op de planning & control cyclus van de deelnemers. Onder technische wijzigingen, genoemd in artikel 27 lid 6, worden verstaan wijzigingen die niet van invloed zijn op de opgedragen bevoegdheden en taken of (financiële) gevolgen hebben voor de deelnemers aan de regeling. Het gaat om het in overeenstemming brengen van de regeling met veranderde wet- en regelgeving.
Artikel 33 Archiefbescheiden De Archiefwet verplicht om in een gemeenschappelijke regeling bepalingen op te nemen over de gevormde en te vormen archiefbescheiden. De bepaling is afgestemd met de archiefinspecteurs van de deelnemers. De Tweede Kamer stemde op 18 februari 2025 in met het wetsvoorstel voor een nieuwe Archiefwet en deze ligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. Inwerkingtreding van de nieuwe Archiefwet wordt medio 2026 verwacht. Hierom is in de regeling gekozen voor ‘geldende’ Archiefwet.
Artikel 34 tot en met 38 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Volgens artikel 9, eerste lid, van de wet bevat de regeling bepalingen over het toetreden tot, uittreden uit, wijzigen en opheffen van de regeling. Voor toetreden en wijzigen geldt unanieme besluitvorming. Voor uittreden geldt de unanimiteit van besluitvorming alleen voor het bepalen van de financiële en overige gevolgen van het uittreden. Een deelnemer beslist zelfstandig over het uittreden, maar heeft wel te maken met de financiële en overige gevolgen hiervan. De bevoegdheid van de colleges om een regeling te wijzigen is vastgelegd in artikel 51 van de wet. Het algemeen bestuur kan geen wijzigingen in de regeling vaststellen, maar wel voorstellen hierover doen aan de colleges, omdat zij hiervoor een aanleiding zien in de gewijzigde wet- en regelgeving of als de praktijk niet meer overeenstemt met de regeling. De termijn van drie jaar in artikel 35 lid 2 van de regeling is voor volledige uittreding uit de regeling, omdat een uittreding flinke consequenties heeft voor de deelnemers. Dit is iets anders dat een wijziging in het takenpakket van de deelnemers, dat in de artikelen 19 tot en met 22 van deze regeling is geregeld. Vervolgens is geregeld dat de uittreding feitelijk pas per 1 januari volgend op de drie jaar termijn ingaat.
Deze datum hangt samen met het boekjaar, dat van 1 januari tot en met 31 december loopt, zoals in artikel 26 van deze regeling is geregeld.
Artikel 39 tot en met 43 Aansprakelijkheid en slotbepalingen Deze bepalingen regelen algemene zaken als aansprakelijkheid, evaluatie, overgangsregeling, bekendmaking, inwerkingtreding en de citeertitel. Wat de wet en de Algemene bestuursrecht hierover zelf regelen is niet meer opgenomen in de regeling. Volgens artikel 26, eerste lid, van de wet mogen de deelnemers in de regeling bepalen wie het bekendmaakt. Als hierover in de regeling geen bepaling staat, dan is het de verantwoordelijkheid van gemeente Beverwijk, omdat het openbaar lichaam in Beverwijk is gevestigd. In artikel 42 van de regeling is bepaald dat gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland de regeling bekendmaakt. Ook regelt gedeputeerde staten dat de geconsolideerde versie beschikbaar komt. De andere colleges kunnen er facultatief voor kiezen om de negende wijziging van de GR ook in het Gemeenteblad te publiceren OD IJmond zorgt voor de verwerking in het GR-register (artikel 26, tweede lid, van de wet).
Artikel II Dit wijzigingsbesluit treedt in werking op 1 januari 2027.
Ondertekening Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam op DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uitgeest op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort op [DATUM]
De secretaris,
De burgemeester
Vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland op [DATUM]
De secretaris,
De commissaris van de koning,