ANTWOORD vragen GroenLinks mbt de verordening jeugdhulp - feb 2025.pdf
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen van Groen Links met betrekking tot de 'verordening jeugdhulp' (cie. Samenleving op 12 februari a.s., agendapunt 4) 1. toelichting: In het Raadsbesluit en de toelichting daarop wordt gesproken over een regionale verordening jeugdhulp die is opgesteld voor de zeven gemeenten van Zuid Kennemerland en IJmond. Het is begrijpelijk, gezien de samenwerking tussen de 7 gemeenten als het gaat om de inzet van de gespecialiseerde jeugdhulp ('individuele voorzieningen'), dat de gemeenten de uitvoering van de lokale 'toeleiding' harmoniseren. Het gaat echter om 7 lokale verordeningen. In de Jeugdwet is binnen de kaders die de wet stelt, ruimte voor een bij de gemeente passende invulling van de jeugdhulp, dus met het oog op een specifieke problematiek, doelgroepen, gewenste volumes etc. Dit leidt tot verschillen tussen de gemeenten in hoe de jeugdhulp, toegang en algemene voorzieningen uitgevoerd worden. De lokale verordening geeft niet alleen uitdrukking aan de landelijke wetgeving, maar ook wat lokaal passend en nodig kan zijn en financieel haalbaar. ->Vraag 1 : Op welke wijze denkt het college de lokale uitvoering van jeugdhulp passend te maken voor de gemeente (‘lokale kleur’).
Staat de ‘regionale’ gelijkschakeling niet op gespannen voet met een mogelijk meer lokale invulling? Antwoord: In de regio Zuid-Kennemerland hebben we de jeugdhulp gezamenlijk ingekocht en bekostigen we deze samen volgens een regionale verdeelsleutel. Dat maakt dat we ook volgens dezelfde verordening jeugdhulp moeten werken. Want we willen in de regio op het gebied van specifieke problematiek, doelgroepen en gewenste volumes op eenzelfde wijze werken. Enerzijds vanwege de opdracht aan de consortia (perceel1) en jeugdzorgaanbieders in perceel 2, het is voor hen en ons niet werkbaar om zeven verschillende afspraken hierover te maken als er in de zeven gemeenten ruimte is voor lokale kleur in de opdracht aan hen. Anderzijds is het niet wenselijk dat een kind in Heemstede andere hulp krijgt dan een kind in Bloemendaal voor precies dezelfde (specialistische) problematiek, maar met keuzevrijheid voor ouders. Op het gebied van preventie zit de ruimte voor lokale kleur, maar preventie is geen onderdeel van de regionale verordening. Hierin trekken we regionaal steeds meer samen op, in ieder geval waar het gaat om opdrachten aan de consortia.
2. toelichting Onderdeel van de ‘lokale kleur’ is de wijze waarop het CJG (indicering en toeleiding) in de gemeente georganiseerd is als onderdeel van het gemeentelijk apparaat. Dit is een andere situatie als die in de andere 6 gemeenten waarmee samengewerkt wordt. De voorliggende verordening heeft vooral betrekking op de uitvoering door het CJG. ->Vraag 2 : betekent de ‘gelijkschakeling’ tussen de gemeenten als het gaat om de lokale verordening dat het CJG in de gemeente Heemstede op dezelfde wijze gaat werken als de CJG organisatie die werkzaam is in de andere gemeente? Antwoord: Het CJG Heemstede en CJG Kennemerland volgen eenzelfde training over de werkwijze en implementatie van de nieuwe verordening. Op deze manier werken we toe naar een zo gelijk mogelijke werkwijze. Met dat verschil dat waar mensen werken verschillen ontstaan in stijl en gedrag richting inwoners. Ons lokale aanbod blijft wel staan en wordt ingevuld op basis van wat er lokaal speelt, ook als dat afwijkt van het regionale aanbod. Denk hierbij aan het preventieve aanbod.
3. toelichting De vraag aan jeugdhulp – zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht - wordt beïnvloedt door op kinderen, jongeren, ouders en andere ‘functionarissen’ gerichte preventieve, algemene activiteiten. Wanneer in een gemeente vragen worden opgevangen of bestreken vanuit het preventieve domein, kan verwacht worden dat dit de vraag aan (gespecialiseerde) jeugdhulp zal temperen. ->Vraag 3 : Betekent gelijkschakeling via een gemeenschappelijke lokale verordening, de gelijkschakeling als het gaat om activiteiten of initiatieven die de instroom in de jeugdhulp moeten temperen, c.q. een gezonde ontwikkeling van kinderen moeten faciliteren en stimuleren? Antwoord: Voor een deel wel en een deel niet, daar waar consortia de opdracht hebben om dit uit te voeren is dit gelijk in de regio. Op het gebied van lokale preventie is er ruimte voor lokale kleur en invulling. Bijvoorbeeld een lokale educatieve agenda, jongerenwerk, mentale gezondheid, uitvoering van het jeugdakkoord etc.
4. toelichting De voorliggende conceptverordening wordt verder uitgewerkt in de Nadere regels jeugdhulp. Tevens worden nieuwe beleidsregels ontwikkeld. ->Vraag 4 : Kan het college een voorbeeld geven van deze nieuwe beleidsregels, welke verhouding hebben deze tot de verordening en mogelijk andere afspreken in de regio? Antwoord: De nadere regels en beleidsregels zijn in de hele regio gelijk. De nadere regels zijn een uitwerking van de verordening en bevatten algemeen verbindende voorschriften. Ze zijn bedoeld om specifieke details en uitvoeringsaspecten van de verordening vast te leggen. Een voorbeeld hiervan zijn het benoemen van de voorwaarden voor individuele voorzieningen of hoe de toeleiding, diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie geschiedt. Beleidsregels kunnen uitvoerders helpen om besluiten te nemen over het toe- of afwijzen van voorzieningen. Hier kunnen geen rechten of plichten voor inwoners in worden vastgelegd. Een voorbeeld hiervan zijn kwaliteitseisen en andere zaken rond een pgb of wanneer andere voorzieningen zoals Wlz, Zvw, passend onderwijs, Wmo van toepassing zijn.
5. toelichting Een tweede ronde om de conceptverordening aan te passen was nodig na uitspraken van de CRvB naar aanleiding van besluiten van een drietal gemeenten over toekenning van een jeugdhulpvoorziening. In de voorliggende verordening zijn deze uitspraken verwerkt in o.a. de artikelen 3.4 en 3.6 Met artikel 3.4 wordt het beperken van de reikwijdte van de jeugdhulp aangezet. De toepassing van de voorwaarden lijkt vooralsnog een aangelegenheid van subjectieve beoordeling door medewerkers binnen het CJG en doorverwijzende artsen. ->Vraag 5.1 : In artikel 3.4 zijn voorwaarden op genomen voor de toekenning ‘individuele’ voorziening. Op welke wijze denkt het college deze voorwaarden te voorzien van objectieve criteria? Antwoord: politieke vraag, wordt beantwoord tijdens de commissievergadering. >vraag 5.2 : In artikel 3.4, lid 2. c wordt een minimum periode van 6 maanden (we nemen aan de periode dat de hulp verleend zou moeten worden) genoemd voor het verkrijgen van een individuele voorziening, behalve als het behandeling betreft. Betekent dat wanneer professionele gezinsbegeleiding gedurende 5 maanden een noodzakelijke impuls is om een gezin uit een crisis te
helpen, deze hulp niet toegekend wordt? Is het college op de hoogte van dat kortdurende intensieve jeugdhulp in een aantal gevallen meer effectief is dan langdurige trajecten? Antwoord: het gaat in dit artikel niet om de duur van het jeugdhulptraject, maar om de duur van het bestaan van de hulpvraag. Het uitgangspunt van deze bepaling is dat in kortdurende situaties ouders zelf, met hulp van hun netwerk, de ondersteuning bieden. Het gaat om lichte vormen van ondersteuning zoals het bieden van begeleiding. Deze ondersteuning moet haalbaar en uitvoerbaar zijn voor een ouder. Behandeling valt daar niet onder, omdat deze wordt uitgevoerd door een professional. Dit geldt eveneens voor crisishulp en crisisopvang.
6. toelichting In artikel 3.5 wordt beschreven wat in de beschikking ter verstrekking van een individuele voorziening opgenomen wordt. 1 van de uitspraken van de CRvB was dat er een scheiding dient te zijn in verantwoordelijkheden tussen de indicatiesteller (waarom, wat, waartoe, intensiteit en duur) en de uitvoerder van de hulp. Hier kan met de verordening (nog) niet aan voldaan worden. Intensiteit en duur worden niet genoemd in de beschikking voor jeugdhulp in natura. In de toelichting op de verordening (p.10) wordt aangegeven dat dit door de gecontracteerde consortia wordt bepaald en dit betekent dat aard en omvang niet in de beschikking worden opgenomen. De client weet dus niet wat hij in formele zin kan verwachten. Nu bepalen aard, intensiteit en duur van de zorg in belangrijke mate wat de jeugdhulporganisaties aankunnen met het beschikbare budget. Zij sturen daar dus zelf op. De taakgerichte (of populatie-) bekostiging zou er voor moeten zorgen dat de uitvoerende organisaties krachtig (maar verantwoord) sturen op duur om binnen het budget te blijven. Echter wachttijden, tekorten, onvoldoende samenwerking en integraliteit van de hulp zouden kunnen wijzen op gebrekkige sturing.
In de rapportage Quickscan inkoop Jeugdhulp gemeente Haarlem (van toepassing op de regio, zie ingekomen stuk 1 raadsvergadering 30-1-25) worden een aantal stevige tekortkomingen geconstateerd die daar o.i. mee samenhangen. ->vraag 6: Hoe denkt het college ondanks de wijze waarop aanbesteed is toch te sturen op duur van de zorg, intensiteit en daarmee op de kwaliteit en kosten. Blijkbaar is het motto ‘zo licht mogelijk en zwaar als nodig’ niet genoeg. Ziet het college (op termijn)een nadrukkelijker rol van het CJG Heemstede om te sturen op duur en intensiteit? Antwoord: Bij de verwijzing richting perceel 1, geeft het CJG indirect aan dat er op meerdere leefgebieden problemen spelen. Verder is er hierin geen rol weggelegd voor het CJG. Deze rol ligt bij de consortia en is een standaard agendapunt bij de contractgesprekken. Binnen perceel 2 stelt het CJG wel de aard en omvang vast. NB: Wachtlijsten zijn geen onderdeel van de verordening. Dit heeft de aandacht met de regionale aanpak wachttijden.
7. toelichting De lokale verordening jeugdhulp Heemstede ligt voor. Regionale samenwerking, afstemming en regionale uitvoering van geïndiceerde jeugdhulp vormen de reden voor gelijkschakeling van de lokale verordeningen. De samenwerking, c.q. de ambtelijke beleidsontwikkeling en uitvoering, de besluitvorming van de gemeenten op regionaal niveau mbt de jeugdhulp kent geen formele inrichtingsvorm, bijv. in de vorm van een Gemeenschappelijke Regeling met een rol- en verantwoordellijkheidsverdeling tussen regionaal bestuur, college en gemeente Raad. Dit vraagt naast een lokale verordening een regionale verordening m.b.t. de governance. In het raadsbesluit wordt gewag gemaakt van de ontwikkeling van een GR (vereiste toekomstige JW). –
> vraag 7 : Wanneer denkt het college samen met de andere regiogemeenten een GR ingesteld te hebben. Zijn er afspraken over het te volgen proces en op welke wijze wordt de raad daarbij betrokken? Antwoord: de planning en het te volgen proces wordt opgenomen in het regionale programma Jeugdhulp. Zodra de nieuwe jeugdwet ingaat, hebben we nog 1 tot 1,5 jaar de tijd om deze GR neer te zetten. De raad wordt bij dit proces betrokken, zij zal zienswijze op de GR moeten geven en instelling van de GR moeten vaststellen (eenzelfde proces als de instelling van de GR Beschermd wonen). Voor de definitieve planning zijn we afhankelijk van het Rijk.
> vraag 8. De rapportage Quickscan inkoop Jeugdhulp gemeente Haarlem (van toepassing op de regio, zie ingekomen stuk 1 raadsvergadering 30-1-25) geeft zicht op wat er goed en minder goed gaat in de regionale jeugdhulp. Dat raakt jeugdigen en gezinnen in Heemstede en kan een goede uitvoering van de jeugdhulp in Heemstede (CJG, artsen, aanbieders) belemmeren. Is het college willens op deze rapportage te reageren en rapportage en de gevolgen voor de inwoners van Heemstede op een geschikt moment met de cie te bespreken? Antwoord: politieke vraag, wordt beantwoord tijdens de commissievergadering.