ANONIEM tekst inspreker 17.pdf
Tekst van het document
Hooggeachte Raadsleden! Ik ben En ik woon
Al 20 jaar, met veel genoegen! Ik voel me een geluksvogel. Ooit, lang geleden, hield uw moeder u in haar armen, u als baby, en zei:
Ach, lieve schattebout, Wat zal er ooit nog eens van jou worden? Wel, u bent raadslid geworden,
Maar uw broer of zus of buurjongen of schoolvriendin is misschien minder succesvol. Maar u en zij, zijn even waardevol! Kostbare mensen, allemaal, nog steeds kostbare mensenkinderen.
Maar onze levenswegen zijn verschillend verlopen, door lot of noodlot. Zo zijn ook de jongeren, die we nu AMV-ers noemen ooit geliefkoosd door hun moeder, Zij zei: ach, lieve schattebout, wat zal er ooit van jou worden? Wel, zij zijn aangespoeld of komen lopen, of liften,
En zijn nu hier. En vragen om onderdak. leder mens heeft daar recht op, een echt mensenrecht! Op bad en brood en bed en begeleiding, Dus op huisvesting, een veilige leefomgeving om verder te leven. Tot nu hebben zij onbeschrijflijke gebeurtenissen meegemaakt, vaak diepe trauma's opgelopen. En we mogen hopen dat zij niet zodanig beschadigd zijn dat hun levensloop verder verstoord zal verlopen.
Want wat doet het aan een mens als je merkt dat je niet gewenst bent, dat je teveel bent. Kijk hen in de ogen.
Nu iets persoonlijks: ik weet minder van economische en planologische en bouwkundige zaken af dan u. Maar dit weet ik wel, als heel diepe overtuiging: De God, die ik vertrouw, die ik geloof, die houdt van ALLE mensen,
En wel in het bijzonder van de meest hulpbehoevenden en kwetsbaren, In de bijbel genoemd: de armen en de vreemdeling. Ik ben voldoende theologisch geschoold om te weten dat je de bijbel niet mag laten buikspreken.
En dus niet de begrippen van die bijbelse tijd zo maar mag gebruiken voor hier en nu. Maar dit weet ik: God laat die hulp aan hulpbehoevenden nu aan ons over. Wij mogen , ja moeten, zijn medewerkers zijn.
Ik geloof ten diepste Jezus van Nazareth, die zei Ik ben een vreemdeling geweest en jullie hebben mij opgenomen. Wat jullie aan de vreemdelingen hebben gedaan, hebben jullie aan mij gedaan. Geachte Raadslieden, Wilt u daarom deze morele overweging meenemen en hopelijk prioriteit verlenen bij uw
besluitvorming Daarvoor wens ik u Geestkracht en moed.