CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

28z.q. Inwoners - Stukken raadvergadering 16-9-2026 ANONIEM

Commissie Samenleving 16 september 2026, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 0: Nieuws23.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

18018, toestemming 388247: *"Rijnland geeft hiermee toestemming voor het middels een zinker aanbrengen van een PE100 SDR 11 mantelbuis Ø 160 mm binnen de beschermingszone van een regionale kering bij/op Heemsteder Veld Zuid/Cruquiusbrug te Heemstede."* Een zinker is de gangbare techniek om een leiding onder een watergang door te brengen; een mantelbuis is de beschermbuis waar vervolgens een leiding of kabel doorheen gaat. "Heemsteder Veld Zuid" is de naam van de dijk langs de Ringvaart ter plaatse van dit perceel. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 26 Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 27 Waarom dit ertoe doet. Deze toestemming dateert van precies één jaar vóór de datum van Bijlage 7, en Bijlage 7 vermeldt haar niet. Bijlage 7 concludeert juist dat er geen waterleidingen in de directe omgeving zijn en baseert zich daarbij op een KLIC-oriëntatieverzoek, waarvan wij het gehanteerde zoekgebied hebben opgevraagd. Twee uitkomsten zijn mogelijk, en beide zijn relevant. Ligt er een leiding onder of langs het perceel, dan berust de conclusie in Bijlage 7 in zoverre op een onvolledige feitenvaststelling. Rond een transportleiding geldt bovendien een belemmeringen- of zakelijkrechtstrook: een zone waarin niet mag worden gebouwd en waarin grondroeren aan toestemming van de leidingbeheerder is gebonden.

Bij een tracé door of langs het perceel kan zo'n strook een deel van de bruikbare oppervlakte wegnemen — en op 0,8 hectare telt elke vierkante meter (zie §7.2). Ligt er géén leiding en markeren de palen iets anders, dan blijft de conclusie van Bijlage 7 onverkort staan: geen water, geen riool, tweemaal een beperkende factor. Wat wij hier niet doen: beweren dat er een leiding ligt. Wij stellen vast dat er een gepubliceerde toestemming voor een ondergrondse kruising is, dat die niet in de bijlagen voorkomt, en dat het met een KLIC-oriëntatieverzoek te verifiëren is. En er loopt een vierde aanvraag — waarvan de titel het verband zelf legt. Op 12 augustus 2026 publiceert de gemeente in het Gemeenteblad (gmb-2026-382974): "Aanvraag omgevingsvergunning voor *voortzetting tijdelijk werkterrein voor mogelijke realisatie opvanglocatie*, Cruquiusweg t.h.v. van de brug, Heemstede" De aanvraag is ontvangen op 28 juli 2026; het college beslist "tot en met 22 september 2026", met mogelijkheid van verlenging. Twee data verdienen aandacht. De aanvraag is ingediend op 28 juli en gepubliceerd op 12 augustus — beide vóór het collegebesluit van 25 augustus waarbij deze locatie voorkeurslocatie werd, en ruim vóór de behandeling in commissie en raad.

In de eigen bewoordingen van de gemeente wordt het werkterrein dus voortgezet "voor mogelijke realisatie opvanglocatie", op een moment waarop de raad zich nog niet had uitgesproken. Daarmee is de keten compleet en volledig gedocumenteerd: een tijdelijk werkterrein (2023), een verzoek om de voorzieningen te laten liggen met aanvaarding van een risico van € 50.000 tot € 100.000 (RIB26-40, juni 2026), een aanvraag tot voortzetting voor de opvanglocatie (juli/augustus 2026) — en vervolgens een raadsvoorstel dat het bestaan van diezelfde voorzieningen aanvoert als reden waarom de locatie "extra kansrijk" is. Het besluit op deze aanvraag valt naar verwachting uiterlijk 22 september 2026 — ná de commissie van 16 september en vóór de raad van 1 oktober. Wordt de vergunning verleend, dan gaat vanaf de dag na bekendmaking een bezwaartermijn van zes weken lopen. 6.4 Toegang voor nood‐ en hulpdiensten Bij het terrein staat een verkeersbord E1 met het onderbord "VRIJHOUDEN VOOR AMBULANCE EN BRANDWEER" (eigen opname, 30 augustus 2026). Een bord E1 met onderbord berust op een verkeersbesluit, en een verkeersbesluit heeft een motivering. De bereikbaarheid voor hulpdiensten op deze plek is dus geen punt dat wij opwerpen: het is een belang dat de gemeente zelf al heeft onderkend en met een besluit heeft beschermd.

Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 28 Tegelijk komt het onderwerp niet voor in Bijlage 10 (het verkeerskundig onderzoek), niet in Bijlage 11 (sociale veiligheid), en niet in het raadsvoorstel waar het over deze locatie gaat — terwijl het bij Leidsevaartweg 73 wél als bezwaar wordt genoemd. Wat Bijlage 7 erover zegt, gaat over draagvlak: de gemotoriseerde ontsluiting loopt via de wijk rond de Ingenieur Lelylaan, die volgens hetzelfde rapport ook TotsSlot ontsluit — de tijdelijke opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen — en dat "vormt mogelijk een belemmering voor het draagvlak". Daar komt bij dat de ontsluiting die het college als uitgangspunt neemt, volgens Bijlage 10 in zuidelijke richting naar de Ringvaartlaan loopt: dezelfde weg waaraan het bord staat. Vier vragen volgen daaruit: 1. Is de Veiligheidsregio Kennemerland om advies gevraagd over deze locatie? Artikel 10 onder b van de Wet veiligheidsregio's belast de veiligheidsregio met het adviseren van het bevoegd gezag over risico's van branden, rampen en crises. 2. Hoe bereiken ambulance en brandweer circa 160 opvangplekken, gegeven één gedeelde ontsluitingsroute die ook een andere opvanglocatie bedient? 3. Wat is de bluswatervoorziening ter plaatse? Deze vraag hangt rechtstreeks samen met §6.1: zonder waterleiding is er geen brandkraan. 4.

Is er een opstelplaats voor de brandweer voorzien, en voldoet de ontsluitingsroute aan de daarvoor geldende eisen? Bereikbaarheid voor hulpdiensten, opstelplaatsen en bluswatervoorziening zijn onder de Omgevingswet geregeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan — de zogenoemde bruidsschat — met een ruime maatwerkbevoegdheid voor de gemeente. Wij vragen het college de door haar gehanteerde grondslag te noemen. 6.5 Geluid — en de tienjaarshorizon die al in de stukken zit Het perceel ligt direct langs de N201/Cruquiusweg, een provinciale weg. Er is geen akoestisch onderzoek. Bijlage 7 baseert zich op een RIVM-kaartbeeld, geraadpleegd op 8 juni 2026, en beveelt zelf aan "om een onderzoek naar geluid door wegverkeerslawaai uit te voeren, waarin de exacte geluidswaarde ter plaatse van het onderzoeksgebied in kaart wordt gebracht". Op 27 augustus 2026 heeft de gemeente ons schriftelijk laten weten dat dat onderzoek onderdeel is van de omgevingsvergunning en pas start zodra de provinciale ontheffing is verleend. De provincie beoordeelt de ontheffingsaanvraag dus zonder akoestisch onderzoek. Wat Bijlage 7 wél schrijft: *"Bij een maximale termijn van 10 jaar gelden minder strenge eisen voor geluid.

(…) De geluideisen zijn maximaal 10 dB minder streng dan bij permanente nieuwbouw."* *"Het plangebied ligt langs een provinciale weg dus mag de geluidsbelasting 50 dB zijn (standaardwaarde) en is de grenswaarde 60 dB. (…) Maar omdat het om een tijdelijke functie gaat zijn de geluideisen maximaal 10 dB minder streng dan bij permanente nieuwbouw, dus is het mogelijk dat de geluidsbelasting tot 70 dB gaat."* In datzelfde stuk staat: "De WHO adviseert een waarde van 53 dB als advieswaarde." Vier constateringen. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 29 Eerst de termijn. De horizon van tien jaar zit al in het onderzoek van de gemeente zelf, terwijl het raadsvoorstel van vijf jaar met een mogelijkheid van verlenging spreekt en de motie van 8 juni 2026 om "maximaal circa 5 jaar" vroeg. Dat bevestigt dat feitelijk met 5 + 5 jaar rekening wordt gehouden — zie §7.5. Dan de redenering zelf. Die bevat een onderscheid dat niet is gemaakt. De verruiming van 10 dB in het Besluit bouwwerken leefomgeving ziet op de gevelwering en het binnenniveau, niet op de geluidbelasting op de gevel of in de buitenruimte. De conclusie dat "de geluidsbelasting tot 70 dB [kan] gaan" trekt die twee door elkaar. Voor de buitenruimte — waar mensen die jaren op deze plek wonen een deel van hun tijd doorbrengen — geldt die verruiming niet.

Dan een tegenstrijdigheid tussen twee stukken van de gemeente zelf. Op 21 augustus 2026 liet de gemeente ons schriftelijk weten dat voor de N201 op grond van het overgangsrecht een maximale ontheffingswaarde van 53 dB geldt (zie §3.4). Bijlage 7 acht een geluidbelasting "tot 70 dB" mogelijk. Dat zijn twee verschillende regimes en zij sluiten elkaar niet noodzakelijk uit — maar het verschil bedraagt zeventien decibel, het is nergens toegelicht, en zonder akoestisch onderzoek is niet vast te stellen welke van beide hier maatgevend is. Wij vragen het college welke waarde geldt. Ten slotte de kwalificatie. De vrijstellingen waarop Bijlage 7 zich beroept, gelden voor bepaalde gebruiksfuncties. Bij een verblijf van vijf tot tien jaar ligt de kwalificatie woonfunctie meer voor de hand dan logiesfunctie; de rechtbank Oost-Brabant oordeelde in die zin (ECLI:NL:RBOBR:2025:3066). Bijlage 7 gaat er onder het thema omgevingsveiligheid zelf ook van uit dat het om woonfuncties gaat: "Er wordt vanuit gegaan dat dit wel het geval is (woonfuncties)." Is het een woonfunctie, dan gelden de geluidregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving onverkort — en vervalt de grondslag onder de verruiming waarop Bijlage 7 zich baseert.

7. De schaal en de oppervlakte Dit hoofdstuk gaat over één vraag: op welke opgave zijn de onderzoeken gebouwd, en is die opgave dezelfde als die aan de raad wordt voorgelegd? 7.1 De maatvoering van het hele locatieonderzoek is gebouwd op vijftig plekken De longlist Omvang locaties van 4 maart 2025 — het oudste locatieoverzicht dat wij hebben, en vijftien maanden ouder dan de motie van 8 juni 2026 — zegt het onomwonden: "De kolommen 'Grootte' geven de omvang van de locatie aan (…). Daarbij hebben we gekeken naar de benodigde omvang van een locatie voor circa 50 opvangplekken." Daarmee is de herkomst van het getal vijftig gevonden. Het is geen vergissing in één document: het is de maatvoering waarop de hele locatieverkenning vanaf maart 2025 is opgezet. En die maatvoering is nooit vervangen. Bijlage 5, 6 en 7 — de milieuanalyses van de drie overgebleven locaties — rekenen alle drie met vijftig plekken en 4.000 m². In Bijlage 7 staat het expliciet: de parkeerparagraaf rekent met "(50 kamers)", de stikstofberekening met "4.000 m2 BVO, en een plangebied van 4.000 m2" en "5 parkeerplaatsen". Dat raakt niet alleen deze locatie. De onderlinge vergelijking van de drie locaties berust op dezelfde te kleine opgave. Wie op vijftig plekken vergelijkt, vergelijkt niet de opgave die voorligt.

Eerlijk erbij: de stikstofconclusie houdt vermoedelijk stand, want Bijlage 7 heeft zelf een vertienvoudiging doorgerekend en komt ook dan onder de drempel uit. Dat zeggen wij erbij omdat het de rest sterker maakt. Voor de parkeerbalans en de archeologische afweging geldt het niet. 7.2 De oppervlakte, en wat er volgens de eigen tabel op past De oppervlakte van dit perceel staat in vijf stukken, met vijf uitkomsten: Stuk | Datum | Oppervlakte Longlist Omvang locaties | 4 maart 2025 | 2.732 m² — 0,3 ha Bijlage 2, Locatieanalyse 8 criteria | 26 juli 2026 | 0,8 ha Bijlage 7, stikstof en parkeren | 30 juni 2026 | plangebied 4.000 m² Raadsvoorstel augustus 2026 circa 10.000 m² Bodemonderzoek — | het werkterrein, | januari 2024 | circa 8.404 m² begrensd door sloten Kadaster, eigendomsinformatie — het | 13 september 2026 | 45.674 m² — grens en grootte hele perceel C 4085 | vastgesteld Die uitkomsten spreken elkaar niet tegen; zij gaan ov er verschillende gebieden. Het loont om dat uiteen te halen, want dan wordt zichtbaar waar de begrenzing van de locatie vandaan komt. Het perceel. Heemstede C 4085 meet 45.674 m² — grens en grootte vastgesteld, sinds 12 februari 2001 eigendom van de gemeente Heemstede, omschrijving "Terrein (grasland)" (Kadaster, eigendomsinformatie 13 september 2026). Ruim vier en een halve hectare. Het werkterrein.

Het bodemonderzoek van januari 2024 gaat niet over dat hele perceel. Het heet "Nulsituatie bepaling werkterrein Cruquiusbrug", noemt als adres "Bouwplaats naast de N201 te Heemstede", omschrijft het gebruik als "Braakliggend/werkterrein in ontwikkeling" en begrenst het onderzochte gebied in het zuiden met de Ringvaartlaan en de Ringvaart en "aan de west- en noordzijde (…) met sloten". Oppervlakte: circa 8.404 m². Dat is een fysiek afgebakend deel van het perceel — tot aan de sloten — en de gegevens komen blijkens het rapport zelf | "van de opdrachtgever en het kadaster". En dat werkterrein is de locatie geworden. Bijlage 2 rondt de oppervlakten af op duizendtallen (voetnoot 2) en komt voor locatie 23 uit op 0,8 ha. Dat is precies waar 8.404 m² op afrondt. De locatie zoals de gemeente haar in juli 2026 heeft begrensd, valt dus samen met het terrein dat het brugproject zelf heeft ingericht. Daarmee sluit het argument in het raadsvoorstel zichzelf. Het terrein is "extra kansrijk" omdat het "tot voor kort in gebruik was als ketenpark" — en de omvang van de locatie ís de omvang van dat ketenpark. De aantasting bepaalt de begrenzing, en de begrenzing bepaalt waarop de toets uitkomt. Dat de gemeente op hetzelfde perceel daarbuiten nog ruim 3,7 hectare onaangetast grasland in eigendom heeft, komt in geen van de stukken voor. Correctie op onszelf, 13 september 2026.

In eerdere versies van dit rapport, en in onze brieven van 8 en 13 september, is het getal van 8.404 m² aangeduid als de oppervlakte van het kadastrale perceel. Dat is niet juist: het is de oppervlakte van het werkterrein binnen dat perceel. Wij hebben de kadastrale gegevens zelf opgevraagd en melden de onnauwkeurigheid uit eigen beweging. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 30 Het getal van 8.404 m² zelf blijft staan, en het blijft de maatgevende oppervlakte: het is het gebied dat is onderzocht, het is het gebied dat door sloten wordt begrensd, en het is het gebied dat in Bijlage 2 als de locatie is opgevoerd. Wat vervalt is uitsluitend de aanduiding "het perceel" — en wat erbij komt, is de vraag waarom van 4,6 hectare eigen grond juist deze 0,8 hectare is afgebakend. Wat de gemeente er in juli 2026 zelf over concludeerde. Bijlage 2 bevat per locatie drie kolommen — 1L, 2L en 3L — met per kolom "Ja" of "Nee" bij een scenario van | 150 opvangplekken. Voor locatie 23 staat er: Locatie 23 — 0,8 ha | 1 bouwlaag | 2 bouwlagen | 3 bouwlagen 150 opvangplekken | Nee Ja | Ja Dat is geen lezing van ons. Dat is de uitkomst die het college zelf heeft laten opschrijven: bij honderdvijftig plekken past deze locatie niet in één bouwlaag. Het voorstel dat nu voorligt gaat over circa honderdzestig, en de mal in Bijlage 8 rekent met honderdzeventig.

Wij hebben die tabel nagerekend zoals wij dat ook met de longlist van 2025 hebben gedaan. Over alle achttien locaties met een "Ja/Nee"-oordeel is zij volledig consistent: één bouwlaag staat op "Ja" vanaf 1,3 ha en op "Nee" bij 0,9 ha en minder; twee bouwlagen vanaf 0,8 ha; drie bouwlagen vanaf 0,5 ha. De drempel voor één bouwlaag ligt dus tussen 0,9 en 1,3 hectare — wat exact aansluit bij Bijlage 1, die op pagina 13 circa één hectare nodig acht voor "een opvanglocatie met eenlaagse bebouwing, uitgaande van (…) maximaal 170 opvangplekken" | . Twee onafhankelijke stukken van dezelfde opsteller, met dezelfde uitkomst. Locatie 23 ligt daarmee precies op de grens van twee bouwlagen en onder de grens van één. De tabel van 2025, nagerekend. Hetzelfde was in maart 2025 al vastgesteld, bij een andere begrenzing en een kleiner aantal. De longlist kleurt per locatie negen kolommen groen of rood: drie inrichtingsvarianten maal één, twee of drie bouwlagen, met drempelwaarden in de kolomkoppen. Wij hebben die kleuren uitgelezen en teruggerekend; voor elke gecontroleerde locatie kwamen kleur en drempel exact overeen.

Voor deze locatie, toen begrensd op 0,2732 ha: Variant | 1 bouwlaag | 2 bouwlagen | 3 bouwlagen Minimale maat | rood (0,27 < 0,51) | groen | groen Ruimere maat — haaks | rood (0,27 < 0,59) | rood (0,273 < 0,28) | groen Ruimere maat — circulair | rood (0,27 < 0,59) | rood (0,27 < 0,35) | groen In alle drie de varianten rood voor één bouwlaag — en dat was bij vijftig plekken. De gevolgtrekking, en zij is van de gemeente zelf: er moet meerlaags worden gebouwd. Die keuze staat in geen enkel stuk beschreven, laat staan gewogen. Zij is niet neutraal. Bij locatie 8 (parkeerterrein, 0,5 ha) was de noodzaak van meerlaags bouwen juist de reden om af te vallen. Daar waren drie bouwlagen nodig, hier twee — dat verschil noemen wij erbij — maar het bezw | aar is van dezelfde soort, en bij locatie 23 is het niet gewogen. In Bijzonder Provinciaal Landschap werkt het aantal bouwlagen rechtstreeks door in de toets op de kernkwaliteiten. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 31 Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 32 Daar staat de omgekeerde vraag naast, en die is door de kadastrale gegevens pas mogelijk geworden: de gemeente bezit op ditzelfde perceel 45.674 m². Bij circa één hectare zou volgens haar eigen maatstaf wel in één bouwlaag kunnen worden gebouwd. Wat verhindert dat? Eén tegenwerping hoort hier meteen bij, en wij maken haar zelf.

Van dit perceel is 3,1 hectare verpacht — sinds 1 augustus 2006, als compensatiegrond (zie §6.2). Die grond is dus niet zonder meer beschikbaar. Maar daarmee is de vraag niet beantwoord, om drie redenen. Ten eerste blijft er dan nog circa 1,4 hectare over, en dat is méér dan de circa één hectare die Bijlage 1 voor eenlaagse bebouwing nodig acht. Ten tweede is niet bekend wélk deel van C 4085 de verpachte 3,1 hectare is; ligt het werkterrein daarbinnen, dan rust de pacht juist óp de voorgestelde locatie en is dat een vraag over de beschikbaarheid daarvan. Ten derde staat deze afweging nergens: als de begrenzing op 0,8 hectare door de pacht wordt bepaald, dan is dát de motivering, en die ontbreekt — terwijl het raadsvoorstel "gemeentelijk eigendom" juist als voordeel aanvoert en de pacht niet noemt. Weegt het college de landschappelijke winst van eenlaagse bebouwing af tegen het nadeel dat daarvoor onaangetast grasland buiten het oude werkterrein moet worden betrokken? Die afweging is in de stukken niet te vinden — en zonder haar ontbreekt de motivering die art. 3:46 Awb verlangt. Wat wij hier bewust niet doen: zelf uitrekenen of 160 plekken op deze locatie passen. Dat zou een eigen berekening op andermans uitgangspunten zijn. Wij stellen vast wat er in de stukken staat en vragen om de keuze die daarin ontbreekt.

7.3 De variant van circa vijftig plekken is mondeling afgewezen en nergens vastgelegd Bijlage 3, de Oplegnotitie 2026, schrijft dat opvang "niet per definitie op één locatie" hoeft. Wij hebben gevraagd of een variant met circa vijftig plekken, of met twee of drie kleinere locaties, is doorgerekend en waarom die is afgevallen. Het antwoord daarop is mondeling gegeven en in geen enkel stuk terug te vinden. Dat is niet alleen een informatiekwestie. Een besluit moet berusten op een zorgvuldige voorbereiding (art. 3:2 Awb) en een deugdelijke motivering (art. 3:46 Awb). Een afweging die alleen mondeling bestaat, is voor de raad niet te controleren en voor een rechter niet te toetsen. 7.4 De maatstaf is omgekeerd — en de binnenstedelijke locaties stonden op "Ja" In de longlist van 4 maart 2025 staat dit perceel op regel 24: Nr. Locatie Grootte Meenemen 23 Weiland locatie Slottuinen/Ringvaart 3.799 m² — 0,4 ha Nee, BPL 24 Weiland Ringvaart/Oude Slot 2.732 m² — 0,3 ha Nee, BPL De inleiding zegt waarom: de verkenning richtte zich op locaties "met voldoende omvang en die buiten het NNN en/of BPL liggen". Ligging in beschermd landschap was een uitsluitingsgrond. In juli 2026 is diezelfde ligging het selectiecriterium geworden: Bijlage 1 en 2 gaan uitsluitend over BL-locaties.

Dezelfde eigenschap van dezelfde grond, twee keer beoordeeld, met tegengestelde uitkomst — en beide keren door de gemeente zelf opgeschreven. En de locaties die in 2025 wél werden meegenomen. De lijst telt 47 locaties. De drie binnenstedelijke locaties waarover het onderzoek van 2024 vaststelde dat er "geen showstopper" was, staan er alle drie op "Ja": Nr. | Locatie | Grootte | Meenemen 11 | Terrein SEIN (Meer en Bosch) | 5.632 m² | Ja 35 | AWZI Cruquiusweg | 16.694 m² | Ja 43 | Constantijn Huijgenslaan — totaal perceel | 3.529 m² | Ja 46 | Binnenweg 160 — perceel | 2.074 m² | Ja 16 | Leidsevaartweg 73 | 8.011 m² | Nee, BPL 24 | Weiland Ringvaart/Oude Slot | 2.732 m² | Nee, BPL Twee voetnoten bij die tabel verdienen aandacht: bij locatie 39 en bij locatie 46 (Binnenweg 160) staat dat de maatvoering daar niet opgaat "omdat het een bestaand pand betreft dat verbouwd kan worden". De gemeente hield in maar t 2025 dus uitdrukkelijk rekening met hergebruik van bestaande panden als variant naast nieuwbouw. Dat maakt de vraag naar het SEIN-terrein scherper, niet vager. Eén voorbehoud dat wij zelf maken: de nummering verschilt tussen de longlist van 2025 en Bijlage 2 van 2026 — daar draagt de gelijknamige locatie nummer 23. Wi | j hebben die verschuiving niet sluitend kunnen uitzoeken en baseren ons daarom uitsluitend op naam, oppervlakte en uitkomst, niet op nummers.

7.5 De motie van 8 juni vroeg om maximaal circa vijf jaar — | en om woningbouw daarna De motie waarmee dit perceel in beeld kwam, M26-06-v3 van 8 juni 2026, is ondertekend door de fractievoorzitters van HBB, CDA, D66, VVD, PRO Heemstede en Lijst Post-van Zon. Onder Verzoekt het college staat, woordelijk: "Mocht deze locatie geschikt worden bevonden deze voor maximaal circa 5 jaar ter beschikking van het COA te stellen en **daarna te onderzoeken of deze beschikbaar gemaakt kan worden voor (jonge)Heemsteedse woningzoekenden**." Daar staan twee dingen in die het voorstel dat nu voorligt raken. Ten eerste de termijn. De raad vroeg om maximaal circa vijf jaar. Het raadsvoorstel gaat uit van vijf jaar met een verlengingsmogelijkheid tot tien, en Bijlage 7 rekent bij geluid uitdrukkelijk met "een maximale termijn van 10 jaar" als grondslag voor soepeler eisen. Dat is een verschil tussen wat de raad heeft gevraagd en wat hem nu wordt voorgelegd — en het is geen uitleg van ons, maar een vergelijking van twee gemeentelijke stukken. Ten tweede het vervolggebruik. Dat de locatie ná de opvangperiode voor woningbouw in beeld komt, staat in de motie van de raad zelf.

Dat maakt de vraag naar het tijdelijke karakter van deze ontwikkeling een andere vraag dan zij op het eerste gezicht is, en zij raakt rechtstreeks aan de provinciale maatwerkregeling voor Beschermd Landschap — die immers over wóningbouw gaat. Als de aantasting van het landschap wordt gerechtvaardigd met het argument dat zij tijdelijk is, is releva nt dat de raad in dezelfde motie om een vervolgbestemming vraagt. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 33 Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 34 Nog één passage uit dezelfde motie verdient vermelding. De raad verzoekt het college "met spoed met de provincie in overleg te gaan teneinde ontheffing te krijgen om, op voorhand, in het beschermde landschap een duurzaam tijdelijke opvanglocatie te situeren". "Op voorhand" — dus vóórdat het locatieonderzoek was afgerond. Wat wij hier niet uit afleiden: dat er een plan zou zijn om via de opvang woningbouw te realiseren. Dat staat er niet en dat beweren wij niet. Wat er staat is dat de raad om een onderzoek naar een vervolgbestemming heeft gevraagd, en dat hoort bij de beoordeling van de tijdelijkheid. 7.6 Terwijl dit voorstel wordt behandeld, is het aantal opnieuw veranderd Het aantal is sinds maart 2025 zes keer verschoven: 50 → 100+ → 150 → 160 → 170 → 172 → 190.

Dat laatste getal werd op 10 september 2026 publiek, samen met een maximale duur van vijf jaar en een opening in de zomer van 2027 — terwijl het raadsv oorstel circa 160 plekken noemt, vijf jaar mét verlengingsmogelijkheid, en het eerste kwartaal van 2028. Bijlage 8 (Mal 170 opvangplekken, 30 juni 2026) biedt daarvoor een mogelijke verklaring, en wij leggen die als vraag voor en niet als vaststelling. Dat stuk hanteert twee opslagfactoren op het aantal plekken: het programma van eisen noemt een "bezettingsgraad van 91%, bouwgrootte van 110%", en de tabel Totalen rekent met een "aantal bewoners (= 109 % van capaciteit)". Toegepast op 170 plekken komt dat uit boven de 185. Datzelfde stuk laat nog iets zien. Er is geen kolom voor 170 plekken. De mal kent drie schaalklassen — minder dan 50, 50 tot 150, en 150 tot 300 — en de kla sse waarin deze locatie valt is opgezet voor een capaciteit van 200 en 216 bewoners, bij 4.580 m² bruto vloeroppervlak. Ter vergelijking: het plangebied waarmee Bijlage 7 rekent is 4.000 m² in totaal. En het parkeren. Bijlage 8 schrijft één parkeerplek per tien opvangplekken voor — bij 170 plekken zeventien — terwijl de tabel Terrein voor de toepasselijke schaalklasse 20 parkeerplaatsen noemt, naast 100 plaatsen in fietsenrekken en een afsluitbare stalling voor 20 fietsen.

Samen met Bijlage 7 (5), het verkeerskundig onderzoek (6) en Iv-Infra (16) staan er daarmee vijf verschillende aantallen parkeerplaatsen in de bijlagen bij één raadsvoorstel. De stikstofberekening hangt daaraan. 7.7 De best beoordeelde locatie valt af op één datum De AWZI-locatie aan de Cruquiusweg wordt in het onderzoek van Sweco aangemerkt als "de meest kansrijke binnenstedelijke locatie voor duurzame opvang op langere termijn". Het raadsvoorstel erkent de kwaliteiten: *"De locatie biedt voldoende ruimte voor een opvanglocatie van circa 160 asielzoekers, ligt in een groene omgeving en bevindt zich op relatief korte afstand van voorzieningen zoals openbaar vervoer, winkels en andere maatschappelijke functies. Na verwerving van de locatie door de gemeente kan bovendien een hoge mate van regie worden gehouden op de ontwikkeling en het beheer van de locatie."* En verwerpt haar op één grond: *"Het belangrijkste bezwaar op dit moment is echter de beschikbaarheid op korte termijn. (…) Daarmee kan de AWZI-locatie geen tijdige bijdrage leveren aan de huidige opvangopgave van de gemeente Heemstede en de termijnen die voortvloeien uit de Spreidingswet en de regionale afspraken."* Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 35 De hele afweging draait dus op de vraag wat "tijdig" is.

In het interview van 26 augustus 2026 noemt de wethouder de concrete datum: "Er wordt alleen gezegd dat locaties die je nu bij het rijk of bij de provincie aanbiedt, dat die per 30 juni van komend jaar, dus zomer 2027, gereed moeten zijn. Nou, dus daar richten we ons op." Wij hebben op 30 augustus 2026 gevraagd waar die datum is vastgelegd — in een regeling, een beschikking, een bestuursovereenkomst, een brief of een verslag van de provinciale regietafel — en wat het gevolg is als zij niet wordt gehaald. Dat antwoord hebben wij niet. Dat antwoord is bepalend, want het is deze datum die de best beoordeelde locatie uitsluit. En terugrekenend vanaf 1 oktober 2026 is 30 juni 2027 moeilijk haalbaar. Onderstaande stappen en termijnen volgen uit de wettelijke regeling en uit de volgorde die de gemeente zelf noemt; de tijdsduren zijn indicatief. Stap Benodigde tijd Akoestisch onderzoek — start volgens de gemeente pas ná de provinciale ontheffing 4–8 weken Weging van het waterbelang, met akkoord van Rijnland 6–8 weken Actueel bodemonderzoek — art.

16.5 Ow staat maximaal 2 jaar toe 4–8 weken Verkennend natuuronderzoek en mogelijk soortgericht veldonderzoek seizoensgebonden, meerdere maanden Definitieve stikstofberekening op 160 plekken 2–4 weken Tweede fase onderzoek sociale veiligheid onbekend Eventuele m.e.r.-beoordeling 6 weken Ontheffing Beschermd Landschap provincie, plus bezwaartermijn Q4 2026 + 6 weken Omgevingsvergunning, reguliere procedure (art. 16.62/16.64 Ow) 8 weken + 6 weken verlenging Bezwaartermijn omgevingsvergunning 6 weken Uitgestelde inwerkingtreding (art. 16.79 lid 2 Ow), met schorsende werking bij een verzoek om voorlopige voorziening (lid 4) 4 weken Watervergunning Rijnland 6–8 weken Bouwrijp maken, ophogen, aanleg water- en rioolaansluiting, bouw — Beide mogelijke uitkomsten zijn relevant voor uw afweging. Is 30 juni 2027 niet haalbaar, dan berust de uitsluiting van de best beoordeelde locatie op een aanname die niet standhoudt. Is die datum wél haalbaar, dan alleen door onderzoeken over te slaan of te verkorten — en dan raakt dat rechtstreeks aan art. 3:2 Awb en aan art. 16.5 Omgevingswet. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 36 Wat wij hier niet doen: vaststellen dat de datum onjuist is. Wij vragen waar hij staat.

7.8 Het zicht vanaf de overzijde van de Ringvaart is niet beoordeeld Het perceel ligt in Beschermd Landschap, aan de Ringvaart, recht tegenover de kern Cruquius in de gemeente Haarlemmermeer. Sinds 29 augustus 2026 hebben bewoners van Cruquius zich bij onze groep aangesloten. Zij kijken rechtstreeks op het perceel uit, over open water. Bij de beoordeling van een ontheffing voor het Beschermd Landschap beoordeelt Gedeputeerde Staten het landschap als geheel; de provinciale bescherming volgt niet de gemeentegrens. Het participatieplan (Bijlage 9) voorziet zelf in een aparte bijeenkomst voor bewoners van Cruquius op 10 september 2026, "in afstemming met de gemeente Haarlemmermeer". Wij hebben het college van Haarlemmermeer op 29 augustus gevraagd waaruit die afstemming bestaat en of het een standpunt heeft ingenomen. Op 31 augustus ontvingen wij een verzoek om onze adresgegevens; een inhoudelijk antwoord niet. Constatering. In geen van de bijlagen is het zicht vanaf de overzijde van de Ringvaart beoordeeld. Bijlage 4 merkt de kernkwaliteit "openheid en ruimtebeleving" voor deze locatie aan als "Aanwezig", maar beoordeelt die openheid vanaf de Heemsteedse zijde. De Ringvaart is ter plaatse smal; de bebouwing van Cruquius staat aan de overkant in beeld op de foto's in dit rapport.

Wij vragen het college of het zicht vanaf de Haarlemmermeerse oever is meegewogen, en zo ja in welk stuk. 8. De bodem 8.1 Er bestaat een bodemonderzoek uit januari 2024 dat in Bijlage 7 ontbreekt Bijlage 7 schrijft over de bodem: "In Bodemloket zijn geen eerdere onderzoeken naar voren gekomen." en baseert zich vervolgens op één onderzoek uit 2000, waarvan het stuk zelf vaststelt dat het "zonder degelijke onderbouwing niet volstaat". Op de website van Omgevingsdienst IJmond — de bron die Bijlage 7 zelf noemt — staat echter een nulsituatie-bodemonderzoek met kenmerk P2023.1773, gedateerd 5 januari 2024, met veldwerk van 7 december 2023, uitgevoerd op dit perceel. Het vooronderzoek is dus onvolledig geweest op de bron die het zelf noemt. Dat is geen detail: het is precies het soort onvolledigheid waardoor een besluit niet berust op een zorgvuldige voorbereiding (art. 3:2 Awb). Eerlijk erbij: ook dat onderzoek van januari 2024 is inmiddels ouder dan de twee jaar die artikel 16.5 van de Omgevingswet toestaat. De aanbeveling om actueel bodemonderzoek te doen blijft dus terecht. Ons punt is de onvolledigheid van het vooronderzoek, niet dat er wél actueel onderzoek zou zijn. 8.2 Dat onderzoek legt vast dat het perceel nooit bebouwd of verhard is geweest Het rapport van januari 2024 beschrijft de toestand van het perceel vóór de ingebruikname als werkterrein.

Twee vaststellingen daaruit zijn voor dit dossier bepalend. De onderzoekslocatie is circa 8.404 m² groot — Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 37 dat is het door sloten begrensde werkterrein, niet het gehele perceel, dat blijkens het Kadaster 45.674 m² meet — en zij is "nooit bebouwd, of verhard is geweest". Leg dat naast het raadsvoorstel, dat als voordeel van deze locatie aanvoert dat het terrein "tot voor kort in gebruik was als ketenpark" en daardoor "extra kansrijk" is. De toestand die als voordeel geldt, is door het project zelf gecreëerd. Eind 2023 was dit onaangetast grasland. Dat het nu een doorkruiste functie heeft, is geen eigenschap van het perceel maar het gevolg van een gebruik waarvan het herstel is aangehouden — hetz elfde herstel dat de raad op 8 juni 2026 juist verzocht stil te leggen. 8.3 Het is een nulsituatie, en die schept een verplichting Een nulsituatieonderzoek legt de bodemkwaliteit vast vóórdat een bodembedreigende activiteit begint. Het bestaan ervan heeft één rechtstreeks gevolg: er hoort een eindsituatieonderzoek bij, en bij een geconstateerde verslechtering een herstelverplichting voor degene die de activiteit verrichtte. Dat is geen theoretische mogelijkheid maar de hele reden waarom zo'n onderzoek wordt gedaan.

Voor dit dossier betekent het dat de uitgangssituatie van dit perceel vastligt, met een datum, en dat daaraan te meten is wat het werkterrein heeft achtergelaten. De vragen die daaruit volgen zijn feitelijk en zakelijk: is dat eindsituatieonderzoek uitgevoerd of opgedragen, en zo nee, wanneer gebeurt dat? En zit de eindsituatie en het eventuele herstel in de raming van € 50.000 tot € 100.000 die het raadsvoorst el noemt, of komt dat daar bovenop? Op beide ligt op de peildatum van dit rapport geen antwoord. 8.4 De toepassingsklasse is landbouw/natuur Het onderzoek van januari 2024 plaatst de grond in de toepassingsklasse landbouw/natuur — de strengste klasse van de bodemkwaliteitskaart. Dat is de kwaliteit die deze grond had, en waaraan toepassingen op dit perceel op grond van het Besluit bodemkwaliteit moeten voldoen. Inmiddels zijn er zand en puin opgebracht en zijn in drie boringen baksteenresten aangetroffen. Over de drie hopen zwart granulaat die in september 2026 op het terrein lagen, is inmiddels duidelijkheid, en die hoort hier te staan. Op onze melding van 7 september heeft Omgevingsdienst IJmond op 10 september ter plaatse gecontroleerd. De hopen bleken verwijderd; navraag bij de aannemer wees uit dat het ging om freesasfalt uit herstelwerkzaamheden aan het wegdek, tijdelijk opgeslagen en afgevoerd naar een erkend verwerker, met begeleidingsbrieven.

De omgevingsdienst beoordeelt de situatie als naar behoren en ziet geen nadelige gevolgen voor het milieu. Wij nemen dat over en handhaven dat punt niet. Wat daardoor wél concreter is geworden: voor het toepassen en opslaan van grond en voor het graven in de bodem zijn eerder meldingen gedaan. Die meldingen zijn documenten die wij nog niet hebben, en de vraag naar het eindsituatieonderzoek uit §8.3 is er niet mee beantwoord. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 38 9. De vragen voor 16 september en 1 oktober 9.1 Wat wij de commissie vragen op 16 september Wij vragen de commissie niet om een oordeel over asielopvang. Wij vragen om iets anders, en het is beperkt: stel het college in de gelegenheid de ontbrekende antwoorden te leveren vóórdat de raad op 1 oktober wensen en bedenkingen meegeeft. Op de peildatum van dit rapport staan 116 schriftelijk gestelde vragen open, verdeeld over zeventien onderwerpen. Twee vragen zijn beantwoord — die over de hopen granulaat, en die naar de kadastrale oppervlakte, die wij zelf hebben beantwoord door het uittreksel op te vragen. Beide handhaven wij niet. Negen vragen zijn deels beantwoord, waarvan zes door de beantwoording van 11 september 2026: die bevestigt telkens dát een onderzoek er nog niet is, zonder te zeggen wanneer het er wel is.

Van de vijf ingediende informatieverzoeken is er één gedeeltelijk beantwoord, één in verzuim, en lopen er drie waarvan de uiterste beslisdatum ná 1 oktober valt. Dat is de kern: de informatiepositie op 1 oktober is bij ongewijzigd beleid slechter dan die op 16 september, omdat drie termijnen pas daarna verstrijken. 9.2 De drie vragen die een raadslid kan stellen en die niet te ontwijken zijn Deze drie zijn zo geformuleerd dat er maar één soort antwoord op mogelijk is: een stuk, een datum, of de mededeling dat het niet bestaat. 1. Op welke opgave zijn Bijlage 5, 6 en 7 gebouwd? Als het antwoord "vijftig plekken en 4.000 m²" is — en dat staat er — dan berust niet alleen de beoordeling van deze locatie maar ook de vergelijking met de twee andere op een andere opgave dan die voorligt. Vraag dan wanneer die analyses worden herzien, en of het voorstel tot dat moment kan wachten. 2. Waarom viel deze locatie in maart 2025 af omdát zij in beschermd landschap ligt, en is zij in juli 2026 geselecteerd omdát zij daar ligt? Beide vaststellingen staan in gemeentelijke stukken. Vraag om de tussenliggende besluitvorming: welk besluit, op welke datum, heeft het uitgangspunt "buiten NNN en BPL" losgelaten? 3. Wat is het eindsituatieonderzoek en wie betaalt het herstel? Er ligt een nulsituatieonderzoek van januari 2024 waarin staat dat dit perceel nooit bebouwd of verhard is geweest.

Vraag of de eindsituatie is onderzocht, en of die en het herstel binnen de raming van € 50.000 tot € 100.000 vallen of daarbuiten. 9.3 Wat wij uitdrukkelijk niet vragen Wij vragen de commissie niet om de locatie af te wijzen. Wij doen ook geen uitspraken over de mensen die er zouden komen wonen: hun samenstelling is volgens Bijlage 11 niet bekend, het WODC onderzoekt die vraag zelf nog, en wat niet bekend is, kan geen argument zijn — niet vóór en niet tegen. 9.4 Wat het college nog kan leveren vóór 1 oktober Zes dingen, alle zes al schriftelijk gevraagd, alle zes binnen drie weken te leveren: 1. De stukken over het werkterrein: de titel van ingebruikname, de opname vooraf, het herstelplan en de kostenraming. Dossierrapport Cruquiusbrug · 14 september 2026 · 39 2. De bevestiging op welke opgave Bijlage 5, 6 en 7 zijn gebaseerd, en de planning van de herziening. 3. Het besluit waarmee het uitgangspunt van maximaal 50 plekken is losgelaten, met datum. 4. Het antwoord op welk aantal, welke termijn en welke openingsdatum gelden. 5. Het eindsituatieonderzoek, of de mededeling wanneer het wordt opgedragen. 6. De verslagen van de informatiebijeenkomsten, inclusief wat met de inbreng is gedaan. Blijven die uit, dan is dat zelf een gegeven dat de raad kan meewegen. Niet als verwijt, maar als vaststelling: over deze zes punten is op het moment van besluitvorming niets bekend.

Verantwoording Dit rapport berust uitsluitend op stukken en op schriftelijke antwoorden. Elk citaat is herleidbaar tot een document met een datum. Waar wij iets als waarneming opnemen — de markeringspalen, de toestand van het terrein op foto's — staat dat er uitdrukkelijk bij. Waar dit rapport gebreken vertoont, komt dat doordat de gevraagde informatie niet, niet volledig of niet tijdig is verstrekt. Wij hebben elk punt schriftelijk uitgevraagd en de antwoorden afgewacht. Waar wij zelf een fout hebben gemaakt, corrigeren wij die zichtbaar; zie §5.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/3223/documents/47848