28z.h. Inwoner - Schriftelijke vragen inzake asielopvanglocatie Cruquiusbrug ANONIEM
Tekst van het document
1 Van: Verzonden: dinsdag 8 september 2026 22:09 Aan: Gemeente Heemstede CC: Raadsgriffier Heemstede Onderwerp: 28z.h. Inwoner - Schriftelijke vragen inzake asielopvanglocatie Cruquiusbrug Geacht college, Dit bericht bestaat uit drie delen: een rappel op vragen die sinds 29 augustus openstaan, zes bevindingen die daar nieuw bij komen, en één vraag over de totstandkoming van de rapportages. Ik verzoek u om beantwoording vóór woensdag 16 september 2026, zodat de raadscommissie erover beschikt. A. Rappel — de schaal van de milieuanalyses Op 29 augustus 2026 legde ik u onder A van mijn bericht bij het raadsvoorstel vier vragen voor over het gegeven dat Bijlage 7 uitgaat van "4.000 m2 BVO, en een plangebied van 4.000 m2" en bij parkeren rekent met "(50 kamers) 4 parkeerplekken", terwijl het voorstel over circa 160 opvangplekken op circa 10.000 m² gaat. Op 2 september verzocht ik u onder C van mijn bericht over de actuele versies om de stikstofberekening op 160 plekken, de parkeerbalans op 160 plekken, en de archeologische afweging op de werkelijke omvang van de bodemverstoring. Op geen van beide berichten heb ik op dit punt antwoord ontvangen. Van het bericht van 29 augustus is de gevraagde antwoordtermijn van 11 september nog niet verstreken; ik hecht eraan dat vast te stellen. Wel wijs ik erop dat de commissiebehandeling op 16 september plaatsvindt, vijf dagen later. 1.
Ik herhaal het verzoek om het stuk waarin de uitgangspunten van circa 160 opvangplekken en circa 10.000 m² zijn doorgerekend. Bestaat dat stuk niet, dan verzoek ik u dat te bevestigen. 2. Ik herhaal de vraag of, en zo ja wanneer, de indicatieve AERIUS-berekening en de parkeerbalans worden herzien op basis van 160 plekken. Wat hier nieuw bij komt. Bij nadere bestudering blijkt dat niet alleen Bijlage 7, maar ook Bijlage 5 (AWZI) en Bijlage 6 (Leidsevaartweg 73) van dezelfde uitgangspunten uitgaan. Alle drie verwijzen voor het ruimtegebruik naar de "Quick-Scan locatievoorziening Heemstede d.d. 07-10-2024" met 4.000 m² BVO, en alle drie hanteren bij parkeren de passage: "In het RFPvE voor opvanglocaties van het COA wordt voor 50 opvangplekken uitgegaan van 4 parkeerplaatsen." 3. Kunt u bevestigen dat de analyses milieu- en omgevingsaspecten van alle drie de overgebleven locaties zijn opgesteld op de schaal van 50 opvangplekken en 4.000 m², ontleend aan de quickscan van 7 oktober 2024? Dit is voor de beoordeling van de locatievergelijking van belang: de drie locaties zijn dan onderling vergeleken op een opgave die niet die van het voorstel is. 4. De genoemde passage verwijst naar het RFPvE van het COA.
Ik verzoek u dat Programma van Eisen te verstrekken, of mij de vindplaats ervan te geven, zodat de daarin opgenomen uitgangspunten over omvang en capaciteit van een opvanglocatie kenbaar zijn. 2 B. Zes bevindingen in Bijlage 7 die niet eerder zijn voorgelegd 5. In het hoofdstuk Stikstof staat: "Voor het onderzoeksgebied wordt uitgegaan van 5 parkeerplakken (zie hoofdstuk parkeren), waardoor de verkeersgeneratie uitkomnt op 4,7 x 6 = 28,2 / dag." Er staat vijf, er wordt met zes gerekend, en het hoofdstuk Parkeren komt op zes uit. Met welk aantal is de AERIUS-berekening feitelijk uitgevoerd? 6. Bij het thema Omgevingsveiligheid wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dat besluit is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen; voor nieuwe ontwikkelingen geldt het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat werkt met beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties. Bij de thema's Luchtkwaliteit en Geluid past hetzelfde document wél het Bkl toe. Welk toetsingskader is bij omgevingsveiligheid toegepast, en leidt toepassing van het Bkl tot een andere uitkomst? 7. Bij het thema Waterveiligheid wordt aangeraden aan de noordzijde van het terrein te bouwen, om afstand tot de waterkering te houden.
Bij het thema Grondwater staat dat de grondwaterstand juist in het noordelijk deel het hoogst is — 0,8 tot 1,3 meter onder maaiveld, tegen 2,3 tot 4 meter in het zuiden — en bij Bodemgesteldheid dat in het noordelijk deel een zetting van 10 tot 20 centimeter wordt verwacht, tegen 3 tot 10 centimeter in het zuiden. Hoe zijn deze bevindingen tegen elkaar afgewogen, en waar is die afweging vastgelegd? 8. Bij het thema Nadeelcompensatie vermeldt Bijlage 7 als bevinding: "Er is nader onderzoek nodig in hoeverre nadeelcompensatie een risico is", en als conclusie: "Nader onderzoek is mogelijk nodig." Mijn bericht van vandaag over schade en nulmeting vraagt of een planschaderisicoanalyse is opgesteld. Deze passage voegt daaraan toe dat het onderzoeksbureau dat onderzoek zelf nodig acht. Is het verricht, en zo nee, wordt het alsnog verricht vóór de besluitvorming? 9. Uit de bestandsgegevens van de gepubliceerde pdf's volgt dat Bijlage 5, 6 en 7 alle drie zijn aangemaakt op 30 juni 2026, tussen 17:55 en 17:59 uur. Het kopblad van Bijlage 7 vermeldt echter "Datum: 26-07-2026" en "Versie: Definitief". Wat is de datum waarop de inhoud voor het laatst is geactualiseerd, waarop berust de datum op het kopblad, en zijn deze drie analyses na 30 juni 2026 inhoudelijk gewijzigd? 10.
In Bijlage 5 en in Bijlage 7 staat bij het thema Milieukwaliteit een verwijzing naar een bodemonderzoek van Omgevingsdienst IJmond met het adres "odijmond.nAZCa4u.nl". Het werkelijke adres is "odijmond.nazca4u.nl"; de verwijzing werkt niet zoals zij is afgedrukt. Ik verzoek u de juiste vindplaats van het genoemde onderzoek (OnderzoekId 104424) te verstrekken, dan wel het onderzoek zelf. Bijlage 7 stelt zelf dat het enige gevonden bodemonderzoek uit 2000 dateert en dat een onderzoek van die ouderdom op grond van artikel 16.5 van de Omgevingswet niet volstaat. C. De totstandkoming van de rapportages 11. In een gesprek met de wethouder is van de zijde van de gemeente meegedeeld dat een deel van de rapportages met behulp van kunstmatige intelligentie is samengesteld. Ik verzoek u te bevestigen of die weergave juist is. 12. Voor zover dat het geval is: bij welke stukken en voor welke onderdelen daarvan, en is dat in die stukken of in het raadsvoorstel vermeld? 13. Op welke wijze is vervolgens geverifieerd dat de daarmee tot stand gekomen bevindingen, verwijzingen en conclusies juist en volledig zijn, en wie heeft die verificatie uitgevoerd? Ik stel deze vragen zonder oordeel vooraf. Het gebruik van hulpmiddelen bij het opstellen van onderzoek is op zichzelf niet bezwaarlijk.
Waar het mij om gaat is dat het college op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verantwoordelijk blijft voor de juistheid en de volledigheid van de kennis waarop een besluit berust, ongeacht met welk hulpmiddel die kennis is vergaard. Gelet op de bevindingen onder A en B is de vraag hoe die verificatie heeft plaatsgevonden naar mijn oordeel gerechtvaardigd. 3 D. Tot slot Onderdeel A blijft voor mij het zwaarste punt, en het is inmiddels het punt dat het langst openstaat. Als de analyses milieu- en omgevingsaspecten van alle drie de overgebleven locaties zijn opgesteld voor een opvang van 50 plekken op 4.000 m², en die analyses niet zijn geactualiseerd naar circa 160 plekken op circa 10.000 m², dan berust zowel de conclusie dat er geen belemmeringen worden verwacht als de onderlinge vergelijking van de drie locaties op een andere opgave dan die welke aan de raad wordt voorgelegd. Ik verzoek u de raad daarover vóór de commissiebehandeling van 16 september 2026 te informeren, dan wel mij te laten weten waarom u dat niet nodig acht. Met vriendelijke groet, Namens een groep van circa 150 belanghebbenden uit de omgeving Slottuin en Cruquius