CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

24. Gemeente krijgt stempel hotspot Pluimveeindustrie ANONIEM.pdf

Gemeenteraad 29 februari 2024, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 13: Lijst ingekomen stukken7.391 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Page 1 From: Date: Mon, 5 Feb 2024 16:00:52 +0100 Subject: Gemeente krijgt stempel ''Hotspot'' Attachments: Sectorplan-Aanpak-van-de-pluimveesector-voor-reductie-van-de-emissie-vanfijnstof-PM10_Definitief.300621.pdf,Gemeente en hotspot 05022024.pdf

Geachte College van Burgemeesters en Wethouders, wij willen uw Gemeente graag op de hoogte stellen van het feit das uw Gemeente aangemerkt wordt als ''Hotspot''. De NVP is een belangenbehartiger voor Nederlandse Pluimveehouders en voelen ons als sector verantwoordelijk voor de gezondheid van mens en dier. Graag willen wij middels deze brief uw Gemeente informeren. Wij stellen het zeer op prijs als deze brief in uw College behandeld wordt. Voor vragen staan wij u vanzelfsprekend te woord. Met vriendelijke groet, De Nederlandse Vakbond voor Pluimveehouders

Geachte College B en W, t.a.v. de Griffie

Dronten, 05 Februari 2023

Betreft: Gemeente krijgt stempel ‘’Hotspot’’ Bijlage: het sectorrapport

Graag informeren wij uw gemeente over de ‘’ hotspots’’. Er is veel onduidelijkheid over de werkelijke hotspot gemeenten. Die onduidelijkheid ontstaat vanuit de betrokken Ministeries in Den Haag. De Pluimveehouderij neemt haar verantwoordelijkheid en levert reeds een bijdrage aan het behalen van de WHO-norm in de zogenaamde hotspotlocaties, die groter is dan haar aandeel in de PM10belasting. De Pluimveehouderij werkt al vanaf 2022 samen met betrokken gemeenten met een definitieve versie van het Fijnstof Emissie Plan. Daar waar in een gemeente de SHO-norm (20 ug/m3) wordt overschreden en de pluimveesector daaraan ook een substantieel aandeel heeft, zorgt de pluimveesector vóór 2028 voor minimale halvering van de fijnstofuitstoot ( PM10 ) van pluimvee t.o.v. de situatie van 2016. Dit sectorplan is door het Ministerie van I&W omarmd. Maar nu blijkt het Ministerie hier een heel andere draai aan te geven. Het Ministerie lijkt nu alle pluimveedichte gebieden als hotspot aan te merken. Hetgeen een totaal eigen plan van aanpak is. De sector zet in op stevige reductie van PM10 fijnstof in werkelijke hotspots, waarbij zelfs is uitgegaan van de WHO-norm die 100% strenger is dan de formele EU-norm. Uit informatie van RIVM komt sterk naar voren dat de bijdrage van Pluimvee aan PM10/ > 20ug m3 het overgrote deel onder de 10% ligt. Vanuit de NVP streven we naar transparantie en duidelijkheid.

Als pluimveesector nemen wij onze verantwoordelijkheid. Ook daar waar het daadwerkelijk gezondheidswinst oplevert.

Wij hopen op uw medewerking.

Met vriendelijke groet, Nederlandse Vakbond Pluimveehouders

Heeft u vragen:

2021

Aanpak van de pluimveesector voor reductie van de emissie van fijnstof (PM10)

Aanpak van de pluimveesector voor reductie van de emissie van fijnstof (PM10)

LTO/NOP en NVP Juni 2021

Voorwoord In 2017 heeft de landelijke overheid aangekondigd een wettelijke regeling voor de fijnstofemissie (PM10) uit de pluimveehouderij te willen vaststellen waarin landelijk 50 % reductie in bestaande stallen en 70 % reductie bij nieuwbouw wordt opgelegd, uiterlijk te realiseren in 2030. Na het nodige overleg is de pluimveesector de mogelijkheid geboden een eigen sectorplan, als mogelijk alternatief, op te stellen, dat zou moeten leiden tot een vergelijkbare gezondheidswinst als met de wettelijke regeling wordt beoogd. In oktober 2020 is de pluimveesector hier actief mee aan de slag gegaan, na goedkeuring door de ministeries van LNV en I&W van een door de sector opgesteld Plan van Aanpak. Vanuit de pluimveesector is een kernteam samengesteld voor de uitwerking van het sectorplan. Dit team bestond uit: Ernest Bokkers (LTO/NOP), Hennie de Haan (NVP), Aalt den Herder (NVP), Eric Hubers (tot einde 2020; LTO/NOP), Kees de Jong (vanaf 2021; LTO/NOP) en ondergetekende. Marloes Busscher en Jette Visser (beiden AVINED) hebben tijdens het gehele traject de secretariële ondersteuning verzorgd. Ferry Leenstra (voorheen WUR) was bereid de verwoording van het sectorplan op zich te nemen. Allen: hartelijk dank voor de prettige en efficiënte manier van samenwerken! Het vele overleggen en de vele besprekingen met externen, alles via online vergaderen, heeft m.i.

geresulteerd in een plan dat, met een landelijke regeling en aanvullend een gebiedsgerichte aanpak, leidt tot een doelmatige en gerichte bijdrage aan het Schone Lucht Akkoord. Vanaf november 2020 is in diverse werkgroepen “het net opgehaald” met betrekking tot de beschikbare kennis en lopende initiatieven gericht op fijnstof. Vervolgens hebben diverse besprekingen plaatsgevonden met vertegenwoordigers van gemeenten, omgevingsdiensten, provincies en de sector. In totaal hebben 36 deskundigen een bijdrage geleverd, waarvoor hartelijk dank! Uw inbreng heef ons enorm geholpen in het verkrijgen van inzicht in deze complexe materie, waarbij het duidelijk werd dat er al heel veel kennis beschikbaar is, maar dat er ook nog sprake is van diverse kennisleemtes. Ook werd duidelijk hoe ingewikkeld de huidige wet- en regelgeving m.b.t. het vergunningenbeleid in elkaar steekt. In het korte tijdsbestek was het niet mogelijk alle aspecten tot in detail uit te werken, zoals bijvoorbeeld de definitieve vaststelling van “hotspots” en het vervolgens nauwkeurig doorrekenen van de te verwachten totale reductie in PM10 emissies. Dat zijn de eerste stappen die gezet gaan worden bij accordering van het sectorplan door de betrokken ministeries. Ik wens dat de pluimveesector de kans wordt geboden dit gedegen plan tot uitvoering te brengen.

Ik ben ervan overtuigd dat het voorgestelde beleid en de samenwerking met alle betrokken partijen leidt tot een optimaal resultaat, op korte termijn, met doelmatige inzet van middelen, afgestemd op de situatie en het investeringsritme van de ondernemingen. Jan Workamp, AviConsult, 30 juni 2021 Kartrekker Sectorplan Fijnstofreductie pluimvee

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

2

Inhoud Voorwoord

2

1. Inleiding

4

2. Sectorplan

8

3. Verwachte resultaten

18

4. Kennisbehoefte

20

Bijlagen 1. Uitgangspunten voor emissie van PM10

21

2. Lijst van pluimveedichte gemeenten

22

3. Uitwerking van het opstellen van Fijnstof Emissie

24

Plannen 4. Lijst met personen die een bijdrage hebben geleverd

26

aan de totstandkoming van het sectorplan

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

3

1. Inleiding 1.1 Inhoudelijk: achtergrond fijnstof problematiek Te hoge gehaltes aan fijnstof in de lucht zijn een risico voor de volksgezondheid. De Europese Richtlijn voor luchtkwaliteit bevat reductiedoelen voor de lidstaten, zie voor de Nederlandse

uitwerking

https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/lucht/nec-

stoffen/. Daarin is speciale aandacht voor PM2,5, omdat deze fijne fractie dieper in de luchtwegen terecht komt. Het aandeel PM2,5 in de totale PM10-emissie uit pluimveestallen is met ca. 4% (Aarnink et al., 2011: https://edepot.wur.nl/171536) gering. Het beleid voor reductie van emissie van fijnstof in de pluimveehouderij richt zich derhalve op PM10. De EU-richtlijn geeft aan dat PM10 onder de 40 µg/m3 moet blijven. De WHO hanteert 20 µg/m3. De lokale overheid heeft de verantwoordelijkheid in het vergunningenbeleid eisen te stellen aan de emissie van PM10 vanuit bedrijven (WABO, Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht). Fijnstof komt van diverse bronnen, waaronder de landbouw. Circa de helft van het fijnstof in de Nederlandse lucht is afkomstig uit het buitenland. Van de PM10, die in Nederland wordt geëmitteerd, was in 2019 circa 20% afkomstig van de landbouw in totaal en 14% van pluimvee (www.emissieregistratie.nl). Verkeer, houtstook en industriële processen zijn andere belangrijke bronnen. De pluimveesector wil meehelpen de emissie van fijnstof (PM10) te reduceren, om op die manier bij te dragen aan een nog gezondere leefomgeving. Er zijn enkele gemeenten in Nederland met pluimvee waar de WHO-normen voor fijnstof (PM10) worden overschreden. Tevens zijn er enkele gemeenten waar de 24 uurs-norm voor fijnstofconcentratie van PM10 één of meer dagen per jaar wordt overschreden.

Lokaal of regionaal overschrijden van de blootstelling aan de WHO norm (PM10) wordt in het vervolg aangeduid als ‘hotspot’ (zie paragraaf 2.2). De gemeenten met een of meer hotspots liggen in de provincies Limburg, Noord Brabant, Gelderland, Overijssel en Utrecht. Investeringen in reductie van de emissie van fijnstof uit de pluimveehouderij leveren per eenheid reductie daar de meeste gezondheidswinst op. Daarom wil de pluimveesector daar een extra reductie in emissie van PM10 realiseren, naast een reductie in emissie bij alle pluimveebedrijven in Nederland om mede verantwoordelijkheid te nemen bij het verlagen van achtergrondconcentraties van PM10. De rijksoverheid stelde in 2017 voor een wettelijke regeling aan de pluimveesector op te leggen, waarbij generiek bij nieuwbouw pluimveebedrijven 70% reductie in fijnstofemissie (PM10) moeten behalen en bestaande bedrijven (al dan niet bij renovatie) 50%. In 2030 zouden alle bedrijven aan deze wettelijke regeling moeten hebben voldaan. Aspecten

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

4

1. Inleiding als technische haalbaarheid en betaalbaarheid voor de pluimveebedrijven zijn daarbij niet benoemd. De pluimveesector wil in overleg met de nationale en lokale overheden afspraken maken hoe een voor gezondheidswinst gewenste reductie in emissie van fijnstof (PM10) zo efficiënt en snel mogelijk bereikt kan worden. Daarvoor stellen LTO/NOP en NVP een combinatie van nationale regelgeving en lokaal c.q. gebiedsgericht maatwerk voor. In dit sectorplan geeft de pluimveesector aan hoe de pluimveesector verantwoordelijkheid neemt voor gezondheidswinst door reductie van de emissie van PM10, welke condities nodig en stimuleringsmaatregelen wenselijk zijn, wat de verwachte resultaten zijn en hoe die gemonitord worden. Het sectorplan is opgesteld door een kerngroep van bestuurders van LTO/NOP en NVP en geaccordeerd na raadpleging van besturen en leden.

1.2 Proces en verzamelde informatie Plan van Aanpak De pluimveesector heeft in overleg met de Ministeries van I&W en LNV een plan van aanpak opgesteld om tot het sectorplan te komen. Dit plan is in oktober 2020 door betrokkenen vastgesteld en gestart. Het plan van aanpak voorzag in:

Werkgroepen en gesprekken Voor het opstellen van het sectorplan is in een aantal werkgroepbijeenkomsten de feitelijke situatie zo goed mogelijk in beeld gebracht. Daarnaast zijn in gesprekken met beleidsmedewerkers van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, medewerkers

van

omgevingsdiensten

‘pluimveegemeenten’

en

medewerkers

van

betrokken

gesprekken gevoerd over een mogelijke aanpak c.q. lokaal

maatwerk. De ‘oogst’ van de werkgroepen en de andere gesprekken is kort samengevat: •

De uitstoot uit de pluimveesector wordt berekend op grond van gegevens als weergegeven in de Omgevingsvergunning (incl. Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets) van het bedrijf. Voor een juiste weergave van de emissie is het belangrijk dat die (gemeentelijke) bestanden up to date zijn. Dat blijkt nu niet altijd het geval.

•

Pluimveehouders horen (net als alle andere ondernemers) hun vergunde situatie op orde te houden, zodat ze voldoende ruimte hebben en houden om te ondernemen. Echter, van ondernemers kan niet worden gevraagd dat ze legaal verkregen / vergunde ruimte inperken. De ervaring leert dat voorlopers nadeel en/of extra hinder ondervinden van toekomstige aanscherpingen van normen, o.a. ten aanzien van

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

5

1. Inleiding emissies. Er is nu nog geen (lokaal) instrument, om te zorgen dat bedrijven hun vergunning regelmatig updaten. •

Tot en met 2018 werd de emissie van pluimveebedrijven berekend op grond van het aantal dieren als vermeld in de vergunning. Vanaf 2019 wordt gerekend met de aantallen dieren uit de I&R-database (werkelijk aanwezig aantal).

•

Nu komen alleen brongerichte maatregelen voor subsidie in aanmerking, terwijl het aantal effectieve en betaalbare technieken daarvoor beperkt is. Echter, er zijn en worden klimaatbeheersingssystemen ontwikkeld, die zorgen voor aanzienlijke reductie van de emissie van (o.a.) fijnstof en in de praktijk tevens blijken te leiden tot verbetering van het binnenklimaat. Zulke systemen worden niet als ‘brongericht’ gezien. Het is wenselijk dergelijke kostbare systemen wel voor subsidie in aanmerking te laten komen in verband met integrale verduurzaming en om extra reductie in de emissie van fijnstof te realiseren. De ondernemer krijgt zo meer opties om fijnstof te reduceren en zal investeren in technieken en maatregelen die passen binnen zijn/haar bedrijfsvoering en exploitatie (groen doen, zonder rood te staan).

•

Bij verplichten van maatregelen moet rekening gehouden worden met de investeringscyclus van een bedrijf en met een redelijke terugverdientijd van de investering, die voor die maatregel nodig is.

•

Pluimveebedrijven met meer dan 40.000 dierplaatsen zijn aangewezen als IPPCbedrijven. Conform Europese regelgeving, die Nederland moet implementeren, moeten deze bedrijven vanaf 01-01-2021 voor emissiereductie zgn. Best Beschikbare en Technieken (BBT)1 toepassen. Conform deze EU regelgeving geeft het bevoegd gezag (nationale of lokale overheid) richting aan de toepassing van BBT op basis van specifieke omstandigheden. De verantwoordelijkheid voor handhaving van deze richtlijn ligt bij de gemeenten.

•

In het Besluit Emissiearme Huisvesting (01-08-2015) zijn de randvoorwaarden voor BBT beschreven en wordt aangegeven welk percentage reductie bij nieuwbouw en renovatie haalbaar en betaalbaar is. De lijst met technieken met vastgestelde reductiefactoren (Rav-lijst/landelijke lijst fijnstof reducerende technieken) wordt regelmatig aan de stand van de technieken aangepast2.

•

PM10 is relatief grof fijnstof dat binnen hooguit enkele honderden meters van een stal neerslaat.

1 https://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzaamheid-energie/ippc-installaties/brefs-bbt-conclusies/intensieve-

veehouderij/ 2 https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/stof/nieuws-stof/nieuwsberichten-stof/emissiefactoren-fijnstof-

veehouderij-gepubliceerd/

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

6

1. Inleiding •

Er is een beperkt aantal gemeenten waar pluimvee op gemeentelijk niveau significant bijdraagt aan overschrijding van de WHO-norm voor de fijnstofconcentratie op jaarbasis. Daarnaast zijn er enkele gemeenten waar pluimvee bijdraagt aan overschrijding van de etmaalconcentratie op meer dan 30 dagen/jaar. Gaandeweg de gesprekken is het beeld ontstaan dat additioneel in nog circa 30 gemeenten (zie Bijlage

2)

pluimvee

bijdraagt

aan

het

zeer

lokaal

overschrijden

van

luchtkwaliteitsnormen. •

Gezondheidswinst door reductie van fijnstofemissie is met name te behalen in gebieden met een hoge fijnstofconcentratie en gevoelige objecten (woningen, instellingen, waar mensen aan dat fijnstof worden blootgesteld). Bij lagere concentraties levert verdere reductie naar verhouding tot de daarvoor vereiste investeringen weinig additionele gezondheidswinst op.

•

Gemeenten hechten aan maatwerk binnen de gemeente, waarbij alleen die delen van de gemeente waar pluimvee significant bijdraagt aan de belasting van gevoelige objecten met fijnstof (woningen, scholen, instellingen, etc.) als hotspot worden aangewezen.

•

Provincies en gemeenten hebben met hun rol in het opstellen van een Omgevingsvisie (provincie) en een Omgevingsplan (gemeente) de wettelijke middelen om voor hotspots maatwerk te organiseren en te borgen, zoals beoogd met dit sectorplan gericht op reductie van emissie van PM10 uit de pluimveehouderij. Momenteel wordt in de regio Foodvalley met lokaal beleid geëxperimenteerd. Het Schone Lucht Akkoord en ook de Omgevingswet (OW) en het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) worden daarvoor als handvat gebruikt. De pluimveesector wil samen met ‘pluimveegemeenten’ en de provincies waar deze gemeenten liggen dit lokale beleid uitwerken. Dit zou ook als pilot onder het Schone Lucht Akkoord uitgevoerd kunnen worden.

•

Betrokken gemeenten en omgevingsdiensten geven aan, dat hun personele capaciteit momenteel (te) beperkt is voor het actualiseren van vergunningen en de aanpak van de fijnstofproblematiek met pluimveebedrijven en dat zij daarvoor dus graag samen willen werken met de pluimveesector.

•

Het Schone Lucht Akkoord (SLA) biedt goede aangrijpingspunten om de samenwerking tussen provincies, gemeenten en pluimveesector vorm te geven en te faciliteren.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

7

2. Sectorplan 2.1 Sectorplan concreet 2.1.1 Algemene aspecten en landelijke aanpak •

Er komt een wettelijke, landelijke, generieke regeling, waarbij ten opzichte van de huidige

standaardemissiefactor

voor

de

betreffende

pluimveesoort

en

huisvestingssysteem een minimaal percentage reductie van PM10 verplicht is. Bijlage 1 geeft een overzicht van de huidige standaardemissiefactoren voor de verschillende types pluimvee en houderijsystemen. In geval van nieuwbouw 3 (na 1 januari 2022) geldt een reductie-eis van 50 % voor de betreffende stal(len); voor bestaande stallen geldt dat uiterlijk 31 december 2030 minimaal 30 % fijnstof(PM10)reductie wordt gerealiseerd. Momenteel zijn niet voor alle diertypen (zoals bijv. eenden, opfok en kalkoenen) betaalbare technieken op de Rav-lijst beschikbaar. In dat geval wordt uitgegaan van maatwerk, rekening houdend met nieuwe technische ontwikkelingen. •

Het uitgangsniveau voor de berekening van de emissiereductie van fijnstof (PM10) van een bedrijf is de standaardemissie van PM10 per stalsysteem, zoals vermeld in de vergunning in 2016.

Alle maatregelen worden gebaseerd op dit uitgangsniveau.

Bedrijven die al voor de ingang van het sectorplan emissiereducerende technieken toegepast hadden, houden hun referentiewaarde en lopen niet het risico dat ze als voorloper uiteindelijk extra gekort worden. Dit wordt in de wettelijke regeling geborgd. Als voorbeeld: een pluimveehouder (buiten een hotspotgebied) die al eerder heeft geïnvesteerd in 30% of meer fijnstofreductie voldoet aan de nieuwe reductie-eis. •

De reductiedoelen m.b.t. emissie van PM10 worden per adres (postcode + huisnummer) gerealiseerd. Bedrijven met meer stallen op dat adres mogen reducties boven de 50% resp. 30% in een stal verrekenen met de taakstelling voor de andere stallen. Zo worden bedrijven gestimuleerd maximaal te investeren in sterk reducerende technieken in een passend investeringsritme.

•

Bedrijven

die

omschakelen

naar

een,

bijvoorbeeld

vanwege

dierenwelzijn,

maatschappelijk gewenst systeem gaan voor hun reductietaak uit van de in 2016 geldende emissiefactor van dat maatschappelijk gewenste systeem. •

Het berekenen van de fijnstofemissie wordt in de toekomst mogelijk aangevuld met een systeem, waarbij de emissie van een bedrijf daadwerkelijk wordt gemeten. Het vergunningstelsel kan dan van middel- naar doelvoorschriften gaan (zie advies Taskforce versnelling innovatie stalsystemen), waarbij de pluimveehouder de keuze heeft tussen gemeten dan wel forfaitair berekende emissie van fijnstof. In het geval dat

3 Onder nieuwbouw wordt verstaan dat vanaf de fundering nieuw gebouwd wordt. Als de muren en/of

(spanten)constructie blijven staan is sprake van renovatie van een bestaande stal.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

8

2. Sectorplan later hogere emissiefactoren voor fijnstof vastgesteld zouden worden, wordt het referentieniveau van 2016 (de huidige standaard emissiefactor) daar op aangepast en dit wordt in de nationale regelgeving geborgd. •

De nationale regelgeving garandeert, dat het voor de emissiereductie gaat om einddoelen.

Het is niet wenselijk om ‘de finishlijn’ gaandeweg te verplaatsen

(bijvoorbeeld doordat de emissie van PM10 uit andere bronnen toeneemt), tenzij nieuwe algemeen aanvaardde wetenschappelijke inzichten daartoe ‘dwingen’.

Figuur 1 Opstelling meetapparatuur fijnstof bij een droogfiltersysteem in een leghennenstal, foto WUR

2.1.2 Hotspotbenadering, lokaal maatwerk •

Naast bovenstaande nationale regelgeving wordt door betrokken gemeenten een gebiedsgerichte benadering (hotspots) ingesteld, met als algemeen uitgangspunt: minimaal 50 % reductie per adres bij zowel nieuwbouw (vanaf 1-1-2022) als voor bestaande stallen (uiterlijk gerealiseerd per 1-1-2028). Daarnaast kunnen gemeenten voor lokale ‘knelgevallen’ (een of enkele bedrijven) specifiek maatwerk doorvoeren.

•

Via het SLA wordt getracht de lokale regelgeving waar mogelijk te uniformeren.

•

Deze benadering zal voor locaties, waar de WHO-norm wordt overschreden, leiden tot een doelmatige bijdrage vanuit de pluimveesector aan het behalen van de WHOnorm.

•

Pluimvee is momenteel in de gemeenten waar nu de WHO-norm wordt overschreden, verantwoordelijk voor 4% tot maximaal 12% van de totale fijnstof(PM10)belasting. Via het sectorplan neemt de pluimveehouderij haar verantwoordelijkheid en levert ze een bijdrage aan het behalen van de WHO-norm in de hotspotlocaties, die groter is dan

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

9

2. Sectorplan haar aandeel. Gegeven het aandeel van maximaal 12% van de totale fijnstofbelasting kan de pluimveehouderij niet alleen de verantwoordelijkheid nemen voor het halen van de WHO-norm. Daarom onderschrijft de sector het belang van het SLA en reductie vanuit alle PM10 bronnen. •

De pluimveesector wil met de gemeenten waar pluimvee significant bijdraagt aan een ‘hotspot’ voor emissie van fijnstof samenwerken. De gemeenten benaderen daartoe de pluimveebedrijven in de hotspots in hun gemeente en vragen hen een Fijnstof Emissie Plan (FEP) op te stellen 4 , dat is gericht op het tijdig halen van de reductiedoelen. Op grond van de zorgplicht uit de Omgevingswet valt dit binnen de bevoegdheden van gemeenten. De bedrijven kunnen bij het opstellen van hun FEP hulp krijgen via de pluimveesector. Het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij zou die ondersteuning uit kunnen voeren. De werkwijze voor het opstellen van een FEP wordt in een pilot uitgewerkt.

•

Als pilot wordt daarom in de 2e helft van 2021 met inzet van het eigen netwerk van de pluimveesector en in overleg met de betrokkenen en in samenwerking met het Praktijkcentrum

Emissiereductie

Veehouderij

(PEV)

voor

10-15

bedrijven

op

bedrijfsniveau een Fijnstof-Emissie-Plan (FEP) uitgewerkt. De bedrijven in deze pilot zijn verdeeld over de provincies Gelderland, Noord Brabant en Limburg. Doelstelling van dit FEP is tweeledig: enerzijds inzicht verkrijgen in de actuele situatie wat betreft emissie van fijnstof van bedrijven binnen de hotspots en anderzijds de pluimveehouder inzicht verschaffen in zijn/haar PM10 reductiedoel en de wijze waarop dit behaald kan worden binnen de gestelde termijn, rekening houdend met het investeringsritme en toekomstplannen van de ondernemer. Na evaluatie van de pilot en mogelijke aanpassingen wordt het opstellen van FEP’s vervolgens vanaf 2022 verder uitgerold naar alle pluimveebedrijven in de benoemde hotspots. Ook bedrijven buiten de hotspots kunnen het FEP-format en de beschikbare informatie gebruiken voor het realiseren van hun emissiereductie. •

In de tweede helft van 2021 zorgt de pluimveesector voor een informatiecampagne onder alle pluimveehouders in en buiten hotspots, zowel via media als via (digitale) bijeenkomsten gericht op specifieke doelgroepen. LTO/NOP en NVP benaderen daarvoor hun leden, maar de informatie en bijeenkomsten zijn ook toegankelijk voor ongeorganiseerde pluimveehouders. De pluimveesector maakt deze zomer een uitvoeringsplan en begroting voor de informatiecampagne.

4 Wij achten, vanwege privacywetgeving, de kans klein dat de pluimveesector zelf de NAW-gegevens van

pluimveebedrijven in de hotspots mag hebben en gebruiken. Daarom zal de gemeente de pluimveebedrijven moeten benaderen.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

10

2. Sectorplan •

De gemeenten met hotspots nemen het tijdig opstellen van een FEP voor betrokken pluimveebedrijven op in hun Omgevingsplan en nodigen tijdig de betrokken pluimveebedrijven uit hun FEP aan te leveren. In de uitnodiging wordt aangegeven dat het bedrijf ondersteuning vanuit de pluimveesector kan krijgen om het FEP op te stellen. De gemeenten houden een overzicht bij van aangeschreven bedrijven en van ingeleverde FEP’s.

•

Voor de ondersteuning van de bedrijven bij het opstellen van hun FEP maakt de pluimveesector op grond van de pilot en de aantallen pluimveebedrijven die een FEP op moeten stellen een uitvoeringsplan incl. begroting. Qua kennis en ervaring kan de uitvoering bij het PEV neergelegd worden.

•

In Bijlage 3 is de opzet, organisatie en uitvoering van het opstellen van de FEP’s samengevat.

•

De pluimveesector vraagt de bedrijven een kopie van hun FEP aan te leveren bij de pluimveesector en houdt daar een overzicht van bij. Jaarlijks rapporteert de pluimveesector over de resultaten van de begeleiding van bedrijven bij het opstellen van FEP’s en de aangeleverde FEP’s.

•

In 2026 wordt een evaluatie van het sectorplan uitgevoerd door betrokken gemeenten. Daartoe wordt nagegaan of alle aangeschreven pluimveebedrijven een FEP ingeleverd hebben en waar dat wel en waar niet tot een aanpassing in de vergunning en in het bedrijf heeft geleid. Op grond van realisatie van die aanpassingen in de vergunning wordt de reductie in emissie van PM10 in de hotspots vanuit de betrokken pluimveebedrijven gerapporteerd. De landelijke bijdrage van pluimvee aan de emissie van PM10 in Nederland overall en per locatie volgt uit de landelijke monitoring door RIVM. In de tweede helft van 2025 wordt de werkwijze voor de evaluatie uitgewerkt in overleg tussen alle betrokken partijen.

•

In de hotspotgebieden worden uiterlijk in 2026 de pluimveehouders, die nog niet aantoonbaar zijn gestart met PM10 reductie, opnieuw door de gemeente aangeschreven en kunnen zij wederom hulp krijgen vanuit de pluimveesector.

•

De overheid wenst zekerheid over het behalen van de beoogde PM10 reductie. Daartoe bereidt zij regelgeving voor met generieke reductie-eisen voor overbelaste situaties. Die wordt van kracht wanneer blijkt dat de beoogde reducties op basis van het sectorplan niet zijn behaald. Deze regelgeving geldt dan alleen voor bedrijven, die hun fijnstofemissie van 2016 nog niet of onvoldoende hebben gereduceerd. Zij hebben dan vanaf 2026 nog twee jaar om te zorgen voor voldoende reductie van fijnstofemissie. Dit kan passen in een SLA pilot.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

11

2. Sectorplan 2.2. Definitie en selectie hotspots voor emissie van PM105 Gemeenten met veel pluimvee en lokale overschrijding van WHO-normen voor de PM10-concentratie hechten aan lokaal maatwerk en kiezen niet voor een generieke maatregel voor de hele gemeente. In de betrokken gemeenten moeten daarom de hotspots geselecteerd worden. Gemeenten van de lijst, die als pluimveedichte gemeente zijn aangewezen voor de investeringsmodule van de subsidieregeling brongerichte maatregelen veehouderij (Bijlage 2) vormen het uitgangspunt. Daarnaast kunnen gemeenten zich aanmelden om mee te doen als ze knelpunten hebben met pluimveebedrijven en fijnstof (PM10). Vervolgens zijn de selectiecriteria voor hotspots waar pluimveebedrijven verplicht worden tot opstellen en uitvoeren van een FEP: -

Gebieden met gevoelige objecten (woningen, scholen, instellingen, etc.) waarbij de PM10 concentratie op de gevel gemiddeld per jaar hoger dan 20 µg/m3 is en

-

Waarbij in dat gebied plus een schil van 250m daar omheen commercieel pluimvee wordt gehouden6 en

-

Waarbij die pluimveebedrijven gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor meer dan 0,4 µg/m3 PM10 (dus meer dan 2% van een concentratie PM 10 van 20 µg/m3 of hoger, de grens waarbij Niet in Betekenende Mate (NIBM) geldt).

Dat gebeurt door de kaart met pluimveelocaties (in beheer bij RVO) en de kaart met bebouwingsfuncties op de luchtkwaliteitskaart van 2019 (2020 is door Covid een te afwijkend jaar) van RIVM in de betrokken gemeenten te leggen. De betrokken gemeenten geven aan of zij instemmen met die hotspots en mee willen doen aan het sectorplan. Daarnaast kunnen gemeenten knelpunten aanwijzen. Knelpunten zijn locaties met een enkel pluimveebedrijf, dat bij gevoelige objecten bijdraagt aan een jaarconcentratie van PM10 boven de 20 µg/m3, of bijdraagt aan meer dan 30 dagen/jaar overschrijding van de toegestane piekbelasting van PM10 per dag. Alle pluimveebedrijven in vastgestelde hotspots en knelpunten zijn onderdeel van het sectorplan voor lokaal maatwerk. De gemeente schrijft vervolgens de bedrijven aan om een FEP op te stellen en uit te voeren. Vanwege privacywetgeving kan de pluimveesector zelf deze bedrijven niet rechtstreeks benaderen.

5 Kan nog aangepast worden op grond van uitvoering van de opdracht door RIVM om de hotspots te definiëren. 6 PM10 uit pluimveestallen kan ruim 200 m door de lucht reizen (https://edepot.wur.nl/385497, Tabel 14)

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

12

2. Sectorplan 2.3. Kritische succesfactoren en verwachte bijdrage per betrokken partij Succesvolle uitvoering van de aanpak van de pluimveesector voor reductie van de emissie van PM10 is afhankelijk van een aantal factoren buiten de directe invloedssfeer van de pluimveesector. Hieronder zijn zulke factoren benoemd. Vervolgens wordt aangegeven welke bijdrage van de betrokken partijen gevraagd wordt.

Algemeen •

Commitment voor de beoogde aanpak (landelijk en lokaal) van de betrokken partijen: gemeenten, omgevingsdiensten, provincies en ministerie van LNV en I&W en natuurlijk de pluimveehouders zelf is essentieel.

In de voorbereidende en de

afsluitende bijeenkomsten met (medewerkers van) gemeenten, omgevingsdiensten en provincies hebben wij ambtelijke en bestuurlijke bereidheid en enthousiasme ervaren, omdat er een werkbaar instrument ligt, waarmee aan de keukentafel de weg naar de toekomst herkenbaar en bespreekbaar wordt gemaakt. •

Betrokken gemeenten regelen via hun Omgevingsplan dat pluimveebedrijven in hotspots en knelpunten een Fijnstof Emissie Plan opstellen en uitvoeren.

•

Om pluimveebedrijven daadwerkelijk te stimuleren snel te investeren in emissiereducerende

technieken

zijn

subsidie-

en

belastingfaciliteiten

wenselijk.

De

investeringsmodule van de subsidieregeling brongerichte maatregelen veehouderij wordt voor reductie van emissie van fijnstof voor de pluimveesector jaarlijks opengesteld maar uiterlijk tot en met 2028 om bedrijven te stimuleren tijdig te reageren. De subsidiemogelijkheden moeten gelden voor zowel de bedrijven in de hotspots als voor de bedrijven daarbuiten. Een staffeling in de subsidie- en/of fiscale maatregelen, met voorrang voor de hotspots en voor hogere reducties dan het minimum is het overwegen waard. •

De lijst met subsidiabele technieken wordt uitgebreid, zowel met puur brongerichte maatregelen als met nieuwe klimaatbeheersingssystemen met een bewezen reductie van fijnstofemissie.

•

Bij verplichten van maatregelen moet rekening gehouden worden met de investeringscyclus van een bedrijf, met een redelijke terugverdientijd van de investering, die voor die maatregel nodig is en met de jaarlijkse exploitatiekosten van die maatregel.

•

Als bedrijven al emissiereducerende technieken hebben gerealiseerd, geldt dat voor hun taakstelling, zodat voorlopers niet gestraft worden.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

13

2. Sectorplan •

Als bedrijven omschakelen naar een maatschappelijk gewenst houderijsysteem met een hogere standaardemissie aan PM10, kunnen zij voor hun taakstelling uitgaan van dat houderijsysteem.

•

Er komt voor betrokken gemeenten en de pluimveesector personele capaciteit en budget beschikbaar voor de pilot en de voorlichtingscampagne.

•

Er komt capaciteit beschikbaar voor betrokken gemeenten om het opstellen en implementeren van FEP’s toe te passen, qua organisatie, uitvoering en verwerking van de data en voor de pluimveesector om betrokken pluimveebedrijven te bezoeken, voor te lichten en te assisteren om hun FEP in te vullen.

Figuur 2 Stofafzetting bij een fijnstofreducerende techniek, foto Serutech

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

14

2. Sectorplan Welke bijdrage wordt van welke partij gevraagd voor een succesvolle uitvoering van het sectorplan? Landelijke overheid Van de ministeries van LNV en I&W wordt gevraagd: •

De onderdelen, waarvoor binnen dit sectorplan wordt uitgegaan van een wettelijke basis, vast te leggen in een wettelijke regeling.

•

Beleidsmatig en financieel te blijven faciliteren bij het ontwikkelen en onafhankelijk beoordelen van technieken voor reductie van fijnstof-emissie op effectiviteit en daarmee

bij

het

beschikbaar

komen

van

geschikte

technieken

voor

pluimveebedrijven om fijnstof te reduceren. •

Budget beschikbaar te stellen voor het ontwikkelen, organiseren en uitvoeren van het Fijnstof Emissie Plan voor de uitvoerende overheden en de ondersteuning vanuit de pluimveesector. Na vaststellen van de hotspots en knelpunten kan de pluimveesector een begroting opstellen voor hun aandeel in het begeleiden van het opstellen van Fijnstof Emissie Plannen voor de pluimveebedrijven in de hotspots en de knelpunten.

•

Pluimveehouders te stimuleren tijdig hun bedrijf aan te passen met subsidie- en fiscale regelingen.

Als

voorbeeld:

de

investeringsmodule

van

de

subsidieregeling

brongerichte maatregelen voor reductie van de emissie van fijnstof voor de pluimveesector tot in 2028 jaarlijks open te stellen. De fiscale- en subsidiefaciliteiten zijn beschikbaar voor zowel de bedrijven in de hotspots als voor de bedrijven daarbuiten. •

De lijst met subsidiabele technieken wordt zo spoedig mogelijk uitgebreid, zowel met puur brongerichte maatregelen als met nieuwe klimaatbeheersingssystemen met een bewezen reductie van fijnstofemissie.

•

Voor de nader te definiëren “knelgevallen” een subsidieregeling beschikbaar te stellen zoals eerder is toegepast, de zogenaamde “NSL-knelpunten regeling”.

Bevoegd gezag, gemeenten en provincies Van het bevoegd gezag (gemeenten in samenwerking met de provincies en als opdrachtgever voor omgevingsdiensten) wordt gevraagd: •

Samen met de pluimveesector te komen tot definitieve vaststelling van de hotspots, aan de hand van de beoogde RIVM analyse (zie paragraaf 2.2 Definitie en selectie van hotspots).

•

Het opstellen en uitvoeren van een Fijnstof Emissie Plan voor pluimveebedrijven in hotspots en knelpunten, te regelen in hun Omgevingsplan (of in een Omgevingsvisie van de provincie).

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

15

2. Sectorplan •

Het daadwerkelijk organiseren en uitvoeren van het FEP, zoals: o

meekijken en meedenken in de pilot fase waarin het FEP wordt opgesteld en getest

o

implementeren van het sectorplan als onderdeel van hun aanpak van de fijnstofuitstoot

o

mailing naar de betreffende pluimveebedrijven inzake het in te vullen FEP

o

bewaken van daadwerkelijke opstelling van het FEP per bedrijf(slocatie) en controle

op

de

implementatie

van

de

in

het

FEP

genoemde

maatregelen/technieken o

de resultaten van de uitvoering van sectorplan

te delen met de

pluimveesector, voor zover mogelijk binnen de privacy wetgeving, opdat de pluimveesector waar nodig gericht extra inzet kan leveren.

De pluimveesector zelf, via de organisaties voor belangenbehartiging LTO/NOP en NVP: •

Na het opleveren van de beoogde RIVM-kaartjes in overleg treden met het betrokken bevoegd gezag over de vaststelling van de hotspots

•

In de vakbladen, bij bijeenkomsten en via eigen pers aandacht voor het sectorplan en werken aan verder vergroten van de bewustwording en het draagvlak voor het uitvoeren van het sectorplan en in geval er sprake is van de hotspotbenadering: het opstellen en implementeren van een FEP

•

In overleg aanleveren van een bijlage voor de mailing van het bevoegd gezag naar de pluimveehouders, waarin wordt gewezen op het opstellen van het FEP en het benoemen van de mogelijke ondersteuning daarbij, vanuit een centrale organisatie, bijv. het PEV.

•

In overleg met partijen najaar 2025 een voorzet voor de evaluatieopzet maken. Na bespreking en goedkeuring door bevoegde gezagen kan dan in 2026 de evaluatie plaatsvinden.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

16

2. Sectorplan 2.4 Borging De pluimveesector wil met de gemeenten waar pluimvee significant bijdraagt aan een ‘hotspot’ voor emissie van fijnstof samenwerken. •

Betrokken gemeenten regelen daarom via hun Omgevingsplan, of sluiten aan bij de Omgevingsvisie van de provincie waarin dit wordt geregeld, dat pluimveebedrijven in hotspots en knelpunten een Fijnstof Emissie Plan opstellen en uitvoeren. Zij nodigen tijdig de betrokken pluimveebedrijven uit hun FEP aan te leveren. In de uitnodiging wordt aangegeven dat het bedrijf ondersteuning vanuit de pluimveesector kan krijgen om het FEP op te stellen. De gemeenten houden een overzicht bij van aangeschreven bedrijven en van ingeleverde FEP’s.

•

Om het proces te versnellen (de meeste Omgevingsplannen lijken nog even op zich te laten wachten), wordt bij accordering van het sectorplan door beide ministeries, door

de

sector

overleg

opgestart

met

de

betreffende

gemeenten,

omgevingsdiensten en provincies. Na het beschikbaar komen van de RIVM-kaartjes kan een concrete invulling worden gerealiseerd van het opstellen en uitvoeren van een FEP. •

Waar nodig, als het Omgevingsplan te lang op zich laat wachten, wordt in onderling overleg naar een passende oplossing gezocht, bijvoorbeeld door de opname van een verplichte

FEP

voor

bedrijven

in

hotspots

in

het

eerder

op

te

stellen

“Omgevingsprogramma” of in de ‘BAL fijnstof’.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

17

3. Verwachte resultaten •

Via het sectorplan neemt de pluimveehouderij haar verantwoordelijkheid en levert ze ten behoeve van de door experts verwachte gezondheidswinst een bijdrage aan het behalen van de WHO-norm in de hotspotlocaties, die groter is dan haar aandeel in de PM10-belasting.

•

Vanaf 2022 werkt de pluimveesector samen met betrokken gemeenten met een definitieve versie van het Fijnstof Emissie Plan.

•

Daar waar in een gemeente de WHO-norm (20 µg/m3) wordt overschreden en de pluimveesector daaraan ook een substantieel aandeel heeft, zorgt de pluimveesector voor 2028 voor minimaal halvering van de fijnstofuitstoot (PM10) van pluimvee t.o.v.de situatie van 2016.

•

Landelijk wordt de emissie van PM10 van pluimvee substantieel verlaagd t.o.v. de fijnstofuitstoot van pluimvee in 2016. Deze tendens wordt op korte termijn ingezet. Wij verwachten dat ook op nationaal niveau de emissie van fijnstof van de pluimveesector uit 2016 in 2028 minimaal gehalveerd is.

•

Door het maatwerk, initiatief en draagvlak vanuit de sector, en de samenwerking met gemeenten wordt werkelijk en sneller resultaat geboekt waar dat nodig is.

•

Via het FEP wordt het voor het bevoegd gezag eenvoudig te volgen of de pluimveehouder conform FEP het bedrijf heeft aangepast en daarmee heeft voldaan aan het reductiedoel.

•

Als RIVM de hotspotlocaties geïdentificeerd heeft, kan berekend worden wat de reductie in die hotspots betekent voor de PM10-concentratie, de blootstelling van gevoelige objecten aan PM10-concentraties boven de WHO-norm en wat de reductie betekent voor het aantal personen dat wordt blootgesteld aan te hoge PM10 concentraties. Dat gebeurt bij aanvang van het uitvoeren van het sectorplan.

•

Met het eigen sectorplan ontstaat een groter draagvlak bij pluimveehouders dan bij het wettelijk opleggen van reductie-eisen.

•

Het toepassen van een landelijke regeling en aanvullend een gebiedsgerichte aanpak met hogere eisen waar nodig, wordt als een eerlijker beleid ervaren dan een generiek beleid, waarin geen rekening wordt gehouden met de regio, ligging de PM10 concentratie en de mate van belasting op gevoelige objecten. Ook dat vergroot het draagvlak onder de pluimveehouders.

•

Uit het doorlopen proces blijkt dat de diverse betrokken partijen een vergelijkbaar doel m.b.t. fijnstofemissie nastreven en graag met elkaar, in een goede samenwerking, komen tot realistische plannen en uitvoering daarvan.

•

De ervaring leert, bij andere initiatieven, projecten en trajecten dat de benadering via ‘keukentafelgesprekken’ (zoals bij het FEP) leidt tot wederzijds begrip, onderling

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

18

3. Verwachte resultaten vertrouwen, verbetering van de samenwerking en grotere bereidheid tot het doorvoeren van aanpassingen. •

Het voorgestelde beleid leidt, via maatwerk, tot de meeste gezondheidswinst op korte termijn, met doelmatige inzet van schaarse middelen en een goede afstemming op de bedrijfssituatie en het investeringsritme van de ondernemer.

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

19

4. Kennisbehoefte Met betrekking tot fijnstof en pluimvee zijn er nog diverse kennisleemtes, zoals bijvoorbeeld de risico’s van pluimveestof relatief ten opzichte van andere fijnstofbronnen voor de humane gezondheid. Invulling van die leemtes kan consequenties hebben voor de prioritering van investeringen in de reductie van emissie van fijnstof. Daarnaast is behoefte aan innovatie op systeem-, technisch- en managementniveau om te komen tot een meer integrale aanpak van het stalklimaat en de beheersing van emissies.

Figuur 3 Meten van de fijnstofconcentratie in een vleeskuikenstal, foto PEV

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

20

Bijlagen Bijlage 1: Uitgangswaarden voor emissie van PM10 in g per dier per jaar en emissie bij reductie van 50%, resp. 30%. Referentie (g per

Type pluimvee

50% reductie

30% reductie

leg, 30

15

20

leg, 23

12

16

84

42

59

65

33

46

23

12

16

Vleeskuikenouderdieren

43

22

30

Vleeskuikens

22

11

16

Vleeskalkoenen

86

43

60

Vleeseenden

84

-

59

dier per jaar) Opfok grondhuisvesting Opfok volierehuisvesting Leghennen1, grondhuisvesting Leghennen1, volierehuisvesting Opfok vleeskuikenouderdieren

1Inclusief ouderdieren legsector

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

21

Bijlagen Bijlage 2: Lijst van pluimveedichte gemeenten In de investeringsmodule van de subsidieregeling brongerichte maatregelen veehouderij zijn

onderstaande

pluimveedichte

gemeenten

aangewezen.

Daar

bovenop

is

onderstaand aangegeven in welke gemeenten op gemeenteniveau de WHO-norm van een gemiddelde jaarconcentratie van 20 µg fijnstof per m3 lucht wordt overschreden en in welke gemeenten op meer dan 30 dagen per jaar de norm voor de 24-uurs concentratie wordt overschreden. Gemeente

Overschrijding WHO-norm

Overschrijding 24-uurs concentratie

Asten

+

+

Barneveld

-

+

Bergeijk

-

-

Bernheze

+

-

Best

-

-

Bladel

-

-

Boekel

-

-

Boxmeer

-

-

Cuijk

-

-

Dalfsen

-

-

De Wolden

-

-

Deurne

-

-

Druten

-

-

Ede

-

+

Eersel

-

-

Gemert-Bakel

-

-

Gilze en Rijen

-

-

Grave

-

-

Hardenberg

-

+

Harderwijk

-

+

Heeze-Leende

-

-

Helmond

-

-

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

22

Bijlagen Horst aan de Maas

-

-

Laarbeek

-

-

Landerd

-

-

Leudal

-

-

Leusden

-

-

Loon op Zand

-

-

Meierijstad

-

-

Mill en Sint Hubert

-

-

Neder-Betuwe -

-

Nederweert

+

+

Nijkerk

-

-

Oirschot

-

-

Oisterwijk

-

-

Overbetuwe

-

-

Peel en Maas

-

+

Putten

+

-

Raalte

-

-

Renswoude

+

-

Rhenen

-

-

Scherpenzeel

+

+

Sint Anthonis

-

-

Someren

+

+

Son en Breugel

+

-

Uden

-

-

Utrechtse Heuvelrug -

-

Veenendaal

-

Venray

+

-

Wageningen

-

-

Weert

-

+

West Maas en Waal -

-

Woudenberg

-

+

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

23

Bijlagen Bijlage 3: Uitwerking van het opstellen van Fijnstof Emissie Plannen (FEP’s) voor pluimveebedrijven in hotspots

Algemeen Het FEP wordt uitsluitend toegepast op de pluimveebedrijven die vallen onder de hotspotbenadering en heeft tot doel: •

inventariseren wat de bedrijfssituatie is (vergunningen en actuele situatie)

•

inventariseren wat de plannen van de pluimveehouder zijn voor de toekomst

•

aangeven/uitleggen welke inspanningen van de pluimveehouder wordt verwacht m.b.t. fijnstofreductie gegeven de ligging van het bedrijf

•

aangeven welke technische mogelijkheden beschikbaar zijn voor de betreffende bedrijfssituatie en hoe nieuwe ontwikkelingen zijn te volgen

•

uitleggen wat het verdere proces is.

Het FEP beperkt zich tot de reductie in fijnstof emissie. Echter in het gesprek kan aan de orde komen in hoeverre voorwaarden aan andere emissies invloed kunnen hebben op de te maken keuzes in toekomstplannen en/of technieken.

Borging Voor de pluimveehouders in een gedefinieerde hotspot wordt door het bevoegd gezag het invullen van het FEP verplicht gesteld. Dit wordt geregeld via de ‘Zorgplicht’ (onderdeel Informatieplicht); qua opzet vergelijkbaar met trajecten, zoals het verplicht aanleveren, door een bepaalde groep ondernemers, van een plan met energiebesparende maatregelen. Na het invullen dient de pluimveehouder te ondertekenen voor ‘naar waarheid ingevuld’. Het ingevulde FEP wordt aangeleverd bij het lokale bevoegd gezag, de betreffende gemeente en/of omgevingsdienst (nader per hotspotgebied af te stemmen). Het laten invullen, de beoordeling en verdere uitvoering van het FEP is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. De verplichting tot het opstellen van een FEP wordt hiervoor opgenomen in het gemeentelijke Omgevingsplan of in de provinciale Omgevingsvisie.

Organisatie en werkwijze Het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij (PEV) te Barneveld heeft de kennis en competenties voor een organiserende, faciliterende en voorlichtende rol voor de totstandkoming van een format voor het FEP en het begeleiden van het invullen van het FEP op de bedrijven. In de 2e helft van 2021 wordt, in overleg met betreffende gemeenten en omgevingsdiensten en eventueel milieuadviseurs en kennisinstellingen, een format opgesteld. Hiermee wordt eind 2021 proef gedraaid op AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

24

Bijlagen 10-15 pluimveebedrijven, verdeeld over de verschillende pluimveetypen (opfok, leg, ouderdieren, vleeskuikens) en over drie provincies (Gelderland, Limburg en N-Brabant). Na deze pilot wordt eind december 2021 een definitief format opgesteld, waarmee in 2022 gestart kan worden met de definitieve uitrol. Na definitieve vaststelling van de hotspotgebieden en welke bedrijven onder de hotspotbenadering gaan vallen, worden deze bedrijven aangeschreven door het bevoegd gezag. In de communicatie wordt aangegeven dat de pluimveehouder gebruik kan maken van diensten van bijvoorbeeld het PEV voor het invullen van het FEP. Een persoonlijk keukentafelgesprek is daarbij het uitgangspunt. De pluimveehouder is vrij in de keuze hoe de invulling van het FEP tot stand komt: geheel op eigen initiatief, met inschakeling van PEV en/of met inschakeling, op eigen kosten, van een adviseur (bijv. van de voerleverancier of een milieuadviesbureau). Inschakeling van de aangewezen instantie is bij voorkeur kosteloos voor de pluimveehouder (al dan niet met een voucher).

Combinatie met andere initiatieven Vanwege de vele ontwikkelingen in de landbouw en de vele uitdagingen waarmee agrarische ondernemers worden geconfronteerd, zijn er allerlei landelijke en regionale initiatieven ontstaan om de agrarische ondernemers te ondersteunen bij het maken van keuzes: ‘waar wil ik met mijn bedrijf naar toe?’ Voorbeelden hiervan zijn het aanbieden van coaching-gesprekken (‘Zicht op de Toekomst’) door het Landbouwnetwerk (regio Foodvalley), het aanbieden van keukentafelgesprekken in Limburg (Stichting Keukentafel/provincie Limburg) en de kennisvouchers (SABE regeling LNV). Voor de pluimveehouders die het FEP dienen in te vullen, kan het volgen van een dergelijk traject nuttig zijn vòòr het invullen van het FEP. In de communicatie zal daarom vroegtijdig gewezen worden op dit soort mogelijkheden en bij gebleken interesse zal hiermee bij de planning rekening worden gehouden, dus eerst een traject waarin keuzes centraal staan en daarna FEP invullen.

Ten slotte / begroting Het opstellen van de FEP’s is een essentieel onderdeel van het sectorplan fijnstofreductie pluimvee. Het invullen van het FEP aan de keukentafel, met persoonlijke aandacht en uitleg, zal naar verwachting leiden tot meer draagvlak en meer bereidheid tot het werkelijk doorvoeren van aanpassingen op het bedrijf. Tevens wordt de openheid en samenwerking bevorderd tussen pluimveehouder, gemeente, omgevingsdienst en periferie (adviseurs). Voor het vergroten van het draagvlak en de bewustwording is goede communicatie essentieel. De pluimveesector zal hiervoor een communicatieplan opstellen, waarin o.a. de mogelijkheid van het houden van regionale bijeenkomsten met de betreffende pluimveehouders wordt beschreven. Na acceptatie van het sectorplan (als alternatief op een wettelijke regeling), consensus over de werkwijze voor het invullen en uitvoeren van het FEP en de vaststelling van het aantal pluimveehouders dat onder de hotspotbenadering gaat vallen, kan een begroting worden opgesteld. AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

25

Bijlagen Bijlage 4: Lijst met personen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het sectorplan De volgende personen zijn betrokken bij het sectorplan: Leo Blanken (provincie Gelderland) Bram Bos (Wageningen Livestock Research) Hans Corsten (gemeente Weert) Frans Deenen (gemeente Venray) Hilko Ellen (Wageningen Livestock Research) Hans Erbrink (Stacks Consult) Teun Fabri (GD) Mark Geurts (provincie Gelderland) Chantal Goos (gemeente Scherpenzeel) Paul Grefte (vleeskuikenhouder) Dick Heederik (Universiteit Utrecht) Peter Hermens (gemeente Barneveld) Ronald Hoogerbrugge (RIVM) Regina Jansen (gemeente Ede) Niels Joosten (gemeente Bernheze) Aart de Kruijf (oud wethouder gemeente Barneveld) Herman Litjens (ZLTO) Jori Meulendijks (gemeente Asten) Marian Moelands (provincie Utrecht) Wouter Moonen (provincie Noord-Brabant) Jurgen Neimeijer (provincie Overijssel) Pierre Raeven (provincie Limburg) Henk Roodenboog (De Heus) Dick Schieven (NVP) Henk Spruijt (Biologische sector) Fred Stouthart (omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) Frank Toemen (omgevingsdienst de Vallei) Jos van Lent (provincie Noord-Brabant) Rik van de Weerdt (GGD Arnhem) Esther van der Linden (gemeente Nederweert) Victor van Wagenberg (Vencomatic) Harold Veugen (gemeente Nederweert) Bertus Verbeek (leghennenhouder) Jan Vink (provincie Utrecht) Jos Willekens (provincie Limburg) Albert Winkel (Wageningen

Livestock Research)

AANPAK VAN DE PLUIMVEESECTOR VOOR REDUCTIE VAN DE EMISSIE VAN FIJNSTOF (PM10)

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/2536/documents/31737