1. Regionale doelstellingen Wet inburgering.pdf
Tekst van het document
Snel en volwaardig meedoen in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond Doelstellingen bij uitvoering Wet inburgering 2021
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Per 1 juli 2021 treedt de nieuwe Wet inburgering in werking. De reden hiervoor is dat het huidig inburgeringsstelsel te ingewikkeld en niet effectief is, de huidige wet schiet tekort1. De samenhang tussen inburgering en meedoen – in de samenleving en op de arbeidsmarkt – ontbreekt. Zelfstandig een weg vinden in het inburgeringsstelsel blijkt voor een grote groep inburgeringsplichtigen niet realistisch, zij zijn onvoldoende in staat om zelfstandig een inburgeringscursus- en instelling te kiezen die het beste past bij hun capaciteiten en leervermogen. Bovendien prikkelt het huidig stelsel niet om op het hoogste niveau de Nederlandse taal te leren en is het huidige systeem fraudegevoelig. 1.2 Doel van de nieuwe wet Uitgangspunt van de nieuwe wet is dat alle inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk en volwaardig meedoen in de Nederlandse samenleving, het liefst via betaald werk. Door nieuwkomers te stimuleren de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk niveau te leren en door participatie ook al tijdens de inburgering een belangrijke plek te geven, moet inburgering in het nieuwe stelsel effectiever worden. In het nieuwe stelsel gaan het leren van de taal en participatie hand in hand en gaat de taaleis omhoog van A2- naar B12-niveau.
1.3 Gemeentelijke regierol op uitvoering inburgering Met de nieuwe wet krijgen gemeenten de regie op de uitvoering van het inburgeringsproces van alle inburgeringsplichtigen. De inburgeringsplichtige blijft zelf wel verantwoordelijk voor het voldoen aan de inburgeringsplicht. De gemeente krijgt een centrale rol in de intake, begeleiding en advisering van inburgeringsplichtigen en het organiseren van drie leerroutes (B1-route, onderwijsroute en Z-route) in het nieuwe inburgeringsaanbod. Ook krijgt de gemeente de taak om de groep statushouders de eerste zes maanden financieel te ontzorgen. Het Rijk heeft ervoor gekozen om enkel de uitvoering van de inburgering te decentraliseren en niet het inburgeringsbeleid. De minister is en blijft verantwoordelijk voor de inrichting en de werking van het stelsel als geheel. 1.4 Waarom regionale samenwerking In de voorbereiding op de implementatie van de nieuwe wet trekken de 7 gemeenten in de arbeidsmarktregio Zuid-Kennemerland en IJmond gezamenlijk op. Regionale samenwerking ligt voor de hand vanwege het aantal inburgeringsplichtigen, de diversiteit van het aanbod dat gemeenten moeten bieden en de mogelijkheid om meerdere instapmomenten te hanteren in een jaar. De instroom van inburgeringsplichtigen blijft een onzekere factor.
Regionale samenwerking leidt tot lagere kosten voor inkoop en uitvoering en biedt meer mogelijkheden voor het regelen van passend inburgeringsaanbod bij lagere aantallen. Er is daarom gekozen om op onderdelen van de nieuwe wet
1 2
Inburgering: systeemwereld versus leefwereld, Evaluatie Wet inburgering 2013 (Significant, juni 2018). Taalniveau B1 kan vergeleken worden met het taalniveau van leerling einde vmbo en mbo1-2-3.
1
inburgering, waar dat noodzakelijk is, gezamenlijk in te kopen. Uitgangspunt is en blijft dat het inburgeringsaanbod zoveel mogelijk lokaal georganiseerd wordt waar dat kan en regionaal samengewerkt wordt waar dat moet. 1.5 Leeswijzer Voordat overgegaan wordt op de regionale ambitie en regionale doelstellingen wordt eerst beschreven wie de inburgeringsplichtigen zijn onder de nieuwe wet en welke onderdelen voor welke groep wettelijk verplicht zijn. Vervolgens wordt beschreven welke wettelijke taken de gemeenten moet gaan uitvoeren en hoe wij de beleidsruimte binnen de nieuwe wettelijke taken willen inkleuren.
2. Doelgroepen en aantallen De gemeenten worden met de invoering van de nieuwe wet verantwoordelijk voor een grotere groep. Alle inburgeringsplichtigen vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, ook degenen die in de meeste gevallen geen uitkering ontvangen, zoals de groep gezinsmigranten en overige migranten. De doelgroep van de nieuwe Wet inburgering is te verdelen in twee groepen: de groep statushouders (inclusief nareizigers) en de groep gezinsmigranten en overige migranten. Het is niet eenvoudig om vast te stellen hoe groot de groep is voor wie vanaf 1 juli 2021 aanbod gereed moet zijn. Het Rijk bepaalt elk half jaar het aantal statushouders dat gemeenten moeten huisvesten. Op basis van de taakstelling van dit jaar en het percentage statushouders dat boven de 18 jaar en dus inburgeringsplichtig is, is een inschatting gemaakt. Het gaat in deze arbeidsmarktregio om circa 160 statushouders en circa 200 gezinsmigranten- en overige migranten per jaar. (Zie bijlage 1 voor verdere beschrijving van de twee groepen en welke volumes bij welke gemeenten horen).
3. Wettelijke aanbodplicht door gemeenten In onderstaande tabel 1 staat het te realiseren aanbod door gemeenten uitgesplitst naar de groep statushouders en gezinsmigranten- en overige migranten. Het te volgen inburgeringstraject voor statushouders is veelomvattender dan voor gezinsmigranten. De wettelijke aanbodplicht verschilt namelijk voor de twee doelgroepen onder de nieuwe wet. Tabel 1. Overzicht verantwoordelijkheden gemeente per doelgroep nieuwe Wet inburgering Aanbod
Asielstatushouders
Brede intake en Persoonlijk plan Inburgering en X Participatie (PIP) X 2 Brugklas* incl. Participatieverklaringstraject (PVT) en Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) X 3 Maatschappelijke begeleiding X 4 Financieel ontzorgen X 5 3 leerroutes incl. alfabetisering en Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) *Brugklas is geen wettelijke taak van de gemeenten. De overige onderdelen zijn dit wel.
1
Gezinsmigranten- en overige migranten X X
2
De brede intake, Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) en de onderdelen Participatieverklaringstraject (PVT) en Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) zijn onderdelen die de gemeenten voor elke inburgeringsplichtige moeten aanbieden. Het onderdeel brugklas is geen wettelijke taak, maar een aanvullend en ondersteunend aanbod geïntegreerd programma met de wettelijke onderdelen PVT en MAP. Maatschappelijke begeleiding en het financieel ontzorgen zijn verplichte taken die de gemeente moet uitvoeren voor statushouders. Het volgen van een van de drie leerroutes is een verplicht onderdeel voor statushouders, maar niet voor de groep gezinsmigranten. Gezinsmigranten moeten dit onderdeel namelijk zelf bekostigen. Op basis van een inkomenstoets kunnen zij in aanmerking komen voor een lening via DUO. Via het PIP stuurt en monitort de gemeente gedurende de inburgering de inburgeringsplichtige.
4. Regionale doelstellingen De keuzes die zijn gemaakt ten aan zien van de samenwerking op gebied van het inhoudelijk inburgeringsaanbod en de verwerving van inburgeringsonderdelen, zijn gebaseerd op een gezamenlijke ambitie en doelen. Deze doelen zijn mede tot stand gekomen met input vanuit taalaanbieders, re-integratiepartijen, welzijnsorganisaties en betrokken vrijwilligers(organisaties) tijdens de regionale marktconsultatie. Ook is input opgehaald bij de doelgroep zelf, namelijk (ex)inburgeringsplichtigen (zowel statushouders als gezinsmigranten). In aanvulling op de landelijke wetgeving dienen de regionale doelstellingen als basis voor de gemeentelijke uitvoering van de nieuwe wet. Deze gezamenlijke doelstellingen dragen bij aan het hanteren van zoveel mogelijk uniform beleid op het gebied van inburgering en daarmee gelijke kansen te bieden voor inburgeringsplichtigen in onze regio. Op deze manier proberen de gemeenten transparantie te bieden naar partners, zoals taal- en re-integratieaanbieders, maatschappelijke organisaties, vrijwilligersorganisaties en werkgevers. Daarnaast kent elke gemeente haar eigen lokale beleid en accenten, vooral op het gebied van inpassing in lokale structuren.
4.1 Ambitie gemeenten De 7 gemeenten willen het nieuwe stelsel benutten om de kansen van inburgeringsplichtigen te vergroten om op een snelle en volwaardige manier mee te doen in de maatschappij. Op basis van de 5 subdoelen van de wet (tijdigheid, snelheid, maatwerk, dualiteit, kwaliteit) stellen we ons de volgende ambitie: Vanaf 1 juli 2021 krijgen alle inburgeringsplichtigen in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond een tijdig en passend inburgeringstraject aangeboden waarbij het leren van de taal gecombineerd wordt met participatie, zodanig dat zij zo snel mogelijk mee kunnen doen aan de samenleving en uiteindelijk volwaardig kunnen deelnemen. Meedoen betekent zo snel mogelijk meedoen naar vermogen (bij voorkeur via betaald werk). Ook wordt de ambitie gesteld dat zij aan het einde van de inburgering maatschappelijk zelfredzaam zijn. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige: 1. het inburgeringstraject op zijn of haar niveau succesvol heeft afgerond binnen de wettelijke termijn van 3 jaar.
3
2. een baan of opleiding heeft die leidt tot financiële onafhankelijkheid. En wanneer dit niet kan, een zinvolle dagbesteding heeft. 3. op andere leefgebieden zelfredzaam is. Onder zelfredzaamheid verstaan wij iemand die in staat is om weloverwogen keuzes te maken ten aanzien van zijn/haar leven, op zowel korte als lange termijn. Het betekent niet dat iemand alles zelf kan of moet organiseren, maar wel dat iemand weet wanneer en waar hij/zij hierbij om hulp moet vragen. 4.2 Regionale doelstellingen De volgende regionale doelen zijn met betrekking tot de nieuwe Wet inburgering geformuleerd: 1. Als onderdeel van de wettelijke brede intake wordt gestart met een brugklasperiode. Tijdens deze periode in de eerste weken na vestiging in de gemeente wordt verwacht zicht te krijgen op verschillende leefgebieden van de inburgeringsplichtige. Er worden een aantal wettelijke onderdelen geïntegreerd in de brugklas (tolkenvoorziening, leerbaarheidstoets, PVT en MAP) die bekostigd worden met rijksmiddelen. Deze periode wordt gebruikt om in samenspraak met de inburgeringsplichtigen een Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) op te stellen en een weloverwogen keuze voor de leerroute te maken. 2. De brugklas geeft informatie en haalt informatie op bij de inburgeringsplichtige om een zo compleet mogelijk klantbeeld te krijgen.
In de brugklas wordt via interactieve workshops aandacht besteed aan de 13 leefgebieden3, zoals bewustwording, competenties en taalniveau. Op deze manier wordt inzicht verkregen in het leervermogen, vaardigheden en eventuele belemmeringen. Voorwaarde is dat een deel van het brugklasprogramma lokaal georganiseerd wordt. Onderdeel is actieve kennismaking met lokale (welzijns)organisaties, sociaal wijkteams en de regelingen in de eigen gemeente. Ook dient de uitvoerder van de brugklas verbinding te leggen met aanbieder(s) voor de maatschappelijke begeleiding. En andersom dat de maatschappelijke begeleiding aansluit bij de thema’s uit de brugklas. 3. De brugklas wordt benut om te komen tot een gedragen PIP (persoonlijk plan inburgering en participatie) en een weloverwogen keuze voor de leerroute, en gebeurt in samenspraak met de inburgeringsplichtige. De opgedane kennis en ervaring met inburgeringsplichtigen tijdens de brugklas leidt tot een advies aan de gemeente, ten behoeve van het door de gemeente op te stellen PIP. De inburgeringsplichtige wordt actief betrokken bij het opstellen van dit advies.
3
De volgende onderwerpen komen in de brede intake naar voren: 1) leerbaarheid, 2) opleiding, 3) werkervaring/vrijwilligerswerk, 4) praktische competenties, 5) werknemersvaardigheden, 6) taalniveau, 7) motivatie/interesses, 8) mate van zelfredzaamheid, 9) digitale vaardigheden, 10) gezinssituatie, 11) fysieke gezondheid, 12) mentale gezondheid en 13) sociaal netwerk.
4
4. Het duale karakter van de leerroutes wordt geborgd door het integreren van het (praktijkgericht) leren van de taal en participeren in een taalrijke leeromgeving. De drie leerroutes (B1-route, onderwijsroute, Z-route) zijn gericht op het behalen van de vooraf opgestelde doelen in het PIP. In alle leerroutes is in een passend taaltraject opgenomen, ook de mogelijkheid voor het inzetten van een analfabetiseringstraject. De gemeenten hechten veel waarde aan integraliteit en maatwerk voor de inburgeringslichtige. Het duale karakter van de leerroutes wordt geborgd door het integreren van het (praktijkgericht) leren van de taal en participeren in een taalrijke leeromgeving. Praktisch betekent dit voor de B1-route en Z-route dat taalscholing en werk/vrijwilligerswerk zo georganiseerd wordt dat aan beide trajecten in dezelfde periode deelgenomen kan worden. De elementen versterken elkaar hierdoor. De verschillende leerroutes worden zo veel mogelijk lokaal georganiseerd. 5. De onderwijsroute kan ook worden ingezet voor statushouders die ouder zijn dan 28 jaar. De onderwijsroute zorgt voor doorstroom naar een reguliere opleiding op tenminste MBO 2 niveau en kan in uitzonderlijke gevallen ook ingezet worden voor statushouders die ouder zijn dan 28 jaar. 6. De gemeente heeft de regie over het gehele proces van inburgering én (re)-integratie, waar mogelijk al gedurende de AZC-periode.
De regie van de gemeente vindt plaats door: • het uitvoeren van een brede intake, • het opstellen van een persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) en • het bewaken van de uitvoering van het PIP tijdens de periode van inburgering. Voor de brede intake maakt de gemeente gebruik van de informatie van het AZC zoals opgenomen in het TaakstellingsVolgSysteem (TVS) van het COA. Indien mogelijk is er al contact met de inburgeringsplichtige, voordat deze naar de gemeente verhuist. Bij het opstellen van het PIP krijgt de gemeente advies van de organisatie die de brugklas uitvoert en maakt gebruik van de landelijke onafhankelijke leerbaarheidstoets. De gemeente voert regelmatig gesprekken met de inburgeringsplichtige over de voortgang en stand van zaken van de inburgering. 7. De uitvoering van de Wet inburgering en de sociale basis sluiten op elkaar aan, zodat inburgeringsplichtigen van een zo breed mogelijk aanbod gebruik kunnen maken en daar ook actief naar worden verwezen. Voor de gemeente is het belangrijk dat de inburgeringsplichtige “landt” in de gemeente waar hij/zij zich vestigt. In elke inburgeringsroute moet daarom oog zijn voor een lokaal component. De lokale component gaat over de participatie en zorg. Het betreft de inzet van lokale vrijwilligers, het lokale welzijnswerk, de sociale teams, de bibliotheek en het lokale of regionale reïntegratiebedrijf.
Deze aansluiting vindt al plaats tijdens de periode van de brugklas en gedurende de leerroutes. 8. Bij de uitvoering van de wet worden inburgeringsplichtigen regelmatig geraadpleegd, om ons ervan te verzekeren dat de uitvoering aansluit en blijft aansluiten bij de doelgroep. Tijdens de voorbereidingsfase van de regionale verwerving zijn inburgeringsplichtige asielstatushouders en gezinsmigranten uit alle regiogemeenten betrokken door middel van gerichte gesprekken over verschillende onderwerpen uit de huidige en de nieuwe Wet inburgering. Inzichten zijn meegenomen in het advies voor de verwerving en bij het opstellen van deze regionale doelstellingen. Inburgeringsplichtigen worden betrokken in het verdere traject tot aan de nieuwe
5
wet – en bij de implementatie en evaluatie van de nieuwe wet. Op deze manier borgen wij dat het beleid aansluit en blijft aansluiten bij de realiteit van de inburgeringsplichtige. 9. Uitgangspunt ten aanzien van het proces van inburgering én (re)-integratie is dat de verschillende schakels binnen dit proces goed op elkaar aansluiten als het gaat om inhoud, kwaliteit en tijdigheid. De verschillende componenten van de inburgering (maatschappelijke begeleiding, begeleiding van financiële zelfredzaamheid, brugklas en leerroute) sluiten goed op elkaar aan. De verschillende partijen in de keten weten elkaar te vinden en maken effectief gebruik van elkaar. Informatiedeling hierin is belangrijk; inburgeringsplichtigen worden niet herhaaldelijk gevraagd op dezelfde onderwerpen. Verder kan er indien nodig geswitcht worden tussen leerroutes zonder dat dit lange wachttijden oplevert. Er wordt effectief gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning bieden. De gemeente overziet het proces en grijpt in wanneer de kwaliteit of de tijdigheid van het proces in het geding dreigt te komen. 10. Tijdens het inburgeringstraject is er specifieke aandacht voor de psychische gezondheid van inburgeringsplichtigen (met name statushouders), financiële zelfredzaamheid, digitale vaardigheden en het non-formele taalaanbod.
Er zijn randvoorwaarden om het maatschappelijke doel van inburgering te bereiken, namelijk vroegtijdig aandacht besteden aan psychische gezondheid, geldzaken, digitale vaardigheden en nonformele taalaanbod tijdens het inburgeringstraject. Gerichte workshops/voorlichting op de thema’s gezondheid, geldzaken en digitale vaardigheden worden geïntegreerd in de brugklas. Ook komen deze thema’s in de leerroutes terug. Klantmanagers/consulenten worden getraind om deze onderwerpen bespreekbaar te maken, te signaleren en waar nodig door te verwijzen. Het is belangrijk dat de uitvoerder(s) van de brugklas, de leerroutes en de maatschappelijke begeleiding aansluiting zoeken en gebruik maken van het lokale veld van welzijnsorganisaties, vrijwilligers, sleutelpersonen, bibliotheken en taalmaatjes. 11. Doelstelling bij de begeleiding van statushouders met een Participatiewet-uitkering is uitstroom naar betaald werk. Op grond van de Participatiewet is toeleiding naar arbeidsparticipatie van statushouders al een belangrijke taak van de gemeente. Statushouders zijn veelal in eerste instantie afhankelijk van een bijstandsuitkering. De leerroutes in het nieuwe stelsel bieden kansen om passend aanbod te bieden waarin het leren van de Nederlandse taal samengaat met een vorm van participatie.
Tijdens het inburgeringstraject worden statushouders voorbereid op participatie, maken zij kennis met de Nederlandse arbeidsmarkt en leren zij welke vaardigheden nodig zijn om mee te kunnen doen in het arbeidsproces. De uitvoerders van de leerroutes bieden intensieve begeleiding en krijgen de opdracht statushouders te stimuleren de Nederlandse taal -op voor hen hoogste haalbare niveau - te leren, en hen zo goed mogelijk voor te bereiden en toe te leiden naar betaald werk. Wanneer dat niet haalbaar is, zorgen zij voor een andere passende plek waar ze kunnen participeren. De klantmanager/consulent houdt de vinger aan de pols. Via het PIP en in de periodieke gesprekken met de statushouder stuurt hij bij waar nodig.
6
12. Bij het begeleiden van statushouders naar scholing en/of werk wordt zoveel mogelijk gekeken naar wat passend is, waarbij oog is voor de kansen op de arbeidsmarkt, de potentie van de statushouder en hetgeen in het land van herkomst al aan ervaring is opgedaan. De brugklas heeft tot doel een compleet klantbeeld te krijgen om samen met de inburgeringsplichtige een weloverwogen keuze te maken voor een leerroute. De uitvoerders van de leerroutes bieden een passende invulling van de leerroute aan, waarbij aandacht is voor vaardigheden en werkervaring van de statushouder, maar waar ook gekeken wordt naar de kansen die de huidige arbeidsmarkt biedt. Belangrijk hierbij is de verbinding met de praktijk (stages/participatieplek) en verwachtingsmanagement vanuit gemeente, uitvoerders van het aanbod en de statushouder zelf. Binnen de leerroutes is er ruimte voor maatwerk en het op- en afschalen. Soepel en snel kunnen switchen tussen de routes is mogelijk zonder dat waardevolle kennis, informatie of motivatie van de deelnemer verloren gaat.
13. De kwaliteit van het inburgeringsaanbod wordt geborgd door in aanvulling op de officiële keurmerken eigen kwaliteitscriteria te stellen en hierop toe te zien. Naast de officiële keurmerken die vanuit het Rijk leidend zijn, stellen wij eigen kwaliteitscriteria op en nemen deze mee in de uitvraag voor de inkoop van de verschillende inburgeringsonderdelen. We hanteren deze kwaliteitscriteria niet alleen bij de toegangspoort, ook tijdens de looptijd van het contract(en) of subsidieovereenkomst. Op deze manier ontstaat een dubbele borging.
5. Financiën Om per 1 juli 2021 de nieuwe taken van de Wet inburgering voor te bereiden, te implementeren en uit te voeren krijgen gemeenten financiële middelen van het Rijk. Het gaat grofweg om drie verschillende soorten middelen: 1) incidentele invoeringskosten, 2) structurele uitvoeringkosten 3) structurele inburgeringsvoorzieningen. In de meicirculaire 20204 zijn via de integratie-uitkering (via algemene uitkering gemeentefonds) zowel de incidentele bijdrage in invoeringskosten (2020) als de structurele bijdrage in de uitvoeringskosten (2021 en verder) beschikbaar gesteld. Het gaat om de volgende bedragen per gemeente: Tabel 2. Integratie-uitkering meicirculaire 2020 Gemeente Bedrag 2020 Bedrag 2021 Incidenteel Beverwijk €81.972 €65.847 Bloemendaal €46.604 €31.421 Haarlem €321.043 €262.586 Heemskerk €77.967 €58.468 Heemstede €54.320 €37.602 Velsen €136.606 €98.636 Zandvoort €33.865 €24.199
4
Bedrag 2022 €146.347 €69.835 €583.603 €129.946 €83.571 €219.222 €53.784
Bedrag 2023 en verder €160.999 €76.827 €642.034 €142.957 €91.939 €241.171 €59.169
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/circulaires/2020/05/29/meicirculaire-gemeentefonds-2020
7
5.1 Invoeringskosten Deze incidentele middelen zijn voor de inrichting van beleid en processen, inrichting van communicatie, werven en/of opleiden van klantmanagers/consulenten en eventuele overige aanloopkosten. De middelen zijn verdeeld op basis van inwonersaantal. De kosten voor ICT zijn nog niet geprognosticeerd, deze worden momenteel onderzocht via een uitvoeringstoets door VNGrealisatie. Vergoeding voor ICT wordt separaat door het Rijk beschikbaar gesteld. De inschatting is dat er voldoende middelen zijn om de invoering te kunnen bekostigen, aangezien de voorbereiding met bestaand personeel wordt opgepakt. 5.2 Uitvoeringkosten (structureel) De uitvoeringskosten zijn voor het uitvoeren van de brede intake en het opstellen van het persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP), voortgangsgesprekken (klantmanagement), handhaven van het PIP, het financieel ontzorgen incl. begeleiding naar financiële zelfredzaamheid en beleid- en sturingsprocessen. Deze middelen worden onder gemeenten verdeeld op basis van het aantal inwoners (78%) en het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond (22%). Bij zowel de incidentele bijdrage als de uitvoeringskosten zijn geen bestedingsvoorwaarden verbonden. 5.3 Inburgeringsvoorzieningen (SPUK-middelen) Gemeenten ontvangen ook geoormerkt geld via de specifieke uitkering, ook wel SPUK-middelen genoemd.
Met deze middelen moeten de leerroutes, maatschappelijke begeleiding, Participatieverklaringstraject (PVT), Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en de tolkenvoorziening gefinancierd worden. De inburgeringsvoorzieningen zijn volume-afhankelijk. Het Rijk stelt begin 2021 via een specifieke uitkering (SPUK) deze middelen beschikbaar. Voor deze middelen gelden bestedingsvoorwaarden. De verdeling van deze SPUK-middelen is momenteel nog niet bekend en wordt uitgewerkt in het Besluit Inburgering: de lagere wet- en regelgeving bij de Wet inburgering dat begin 2021 (uiterlijk 1 april 2021) gepubliceerd zal worden. Voorlopige ramingssystematiek inburgeringsvoorzieningen De kosten van de leerroutes worden uitgesmeerd over drie jaar. De ramingssystematiek beweegt mee met de volumes. Voorlopige vaststelling gebeurt op basis van volumeprognose. De definitieve vaststelling gebeurt pas achteraf op basis van de werkelijke volumes. Ministerie van SZW werkt met de volgende voorlopige ramingsbudgetten voor de inburgeringsvoorzieningen: Wat Maatschappelijke begeleiding Tolkenvoorziening Participatieverklaringstraject (PVT) Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) Leerroutes Totaal
Per Asielstatushouder €1.944 €417 €216 €136* €10.000 €12.712
Per Gezinsmigrant €179 €216 €195 €589
*gemiddelde bedrag is lager voor de groep asielstatushouders, aangezien daar alleen een vergoeding geldt voor de MAP in de B1-route, terwijl die bij de gezinsmigranten voor de B1- en Z-route geldt.
Het verschil tussen asielstatushouders en gezinsmigranten wordt verklaard doordat de leerroutes en maatschappelijke begeleiding alleen voor de groep asielstatushouders geldt. Daarnaast zijn er minder uren tolkenvoorziening geraamd voor gezinsmigranten- en overige migranten.
8
Door op onderdelen regionaal samen te werken, is de verwachting voordeel te kunnen pakken en de wettelijke taken binnen de financiële kaders van de wet en begroting te kunnen uitvoeren. Gemeenten worden door het Rijk gefinancierd op basis van de wettelijke taken, de brugklasvoorziening is dit niet. De bedoeling is dat de uitvoering van de brugklas gefinancierd kan worden uit de rijksmiddelen, omdat de middelen voor de wettelijke onderdelen Participatieverklaringstraject, Module Arbeidsmarkt en Participatie en een deel van de tolkenvoorziening hiervoor ingezet kunnen worden.
9
Bijlage 1. Doelgroep wet inburgering en aantal inburgeringsplichtigen per jaar in de regio 1. Doelgroep nieuwe wet De doelgroep van de nieuwe Wet inburgering is te verdelen in twee groepen: 1. statushouders en 2. gezinsmigranten en overige inburgeraars. 1. Statushouders • Statushouders zijn vluchtelingen die door de IND worden erkend en een vluchtelingenstatus krijgen. Zij komen eerst in asielzoekerscentra (AZC) terecht. Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) vangt hen op en koppelt statushouders aan een gemeente. • Nareizigers zijn de nareizende familieleden van de statushouder die na inwilliging van de gezinshereniging in Nederland mogen verblijven. Zij komen dus terecht bij hun familielid die al woonachtig is in de gemeente. Op dit moment ondersteunt de gemeente vooral de groep statushouders naast hun eigen inburgeringstraject met maatschappelijke begeleiding, ondersteuning naar werk, onderwijs of participatie. De groep statushouders is vaak in eerste instantie bijstandsafhankelijk. 2. Gezinsmigranten en overige inburgeraars • Gezinsmigranten en overige migranten (hierna gezinsmigranten) zijn personen die hier voor gezinshereniging of gezinsvorming gekomen zijn. Het gaat om personen die een Nederlandse partner hebben. Inburgering start voor gezinsmigranten al met een basisexamen inburgering dat in het land van herkomst wordt afgelegd.
Ook geestelijk bedienaren (dominees, priesters en imams) en vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor een onbepaald verblijfdoel zijn onderdeel van deze groep. Gezinsmigranten zijn (veelal) niet bijstandsafhankelijk. Op dit moment zijn ze bij de gemeente vaak alleen in beeld via de participatieverklaringstrajecten die de gemeente voor deze groep moet aanbieden (en die voor gezinsmigranten, net als voor statushouders, verplicht is).
Figuur 1
10
De gemeente wordt met invoering van de nieuwe inburgeringswet voor een grotere groep verantwoordelijk. Het te volgen inburgeringstraject voor statushouders is veelomvattender dan voor gezinsmigranten. Dit betekent dat de wettelijke aanbodplicht verschilt per groep, zie figuur 1.
2. Aantal inburgeringsplichtigen per jaar in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond Gemeente
1e helft 2020
2e helft 2020
statushouders 60% volwassenen
Gezinsmigranten (circa)
DUO cijfers *
Beverwijk 13 16 17 16 28 Bloemendaal 8 9 10 10 5 Haarlem 50 59 65 100 104 Heemskerk 13 15 17 16 19 Heemstede 9 10 11 10 6 Velsen 22 26 29 26 31 Zandvoort 6 7 8 10 12 Per kolom 121 142 158 188 204 Totaal Statushouders circa 160 gezinsmigranten circa 200 Totaal aantal 360 inburgeringsplichtigen per jaar in onze arbeidsmarktregio inburgeringsplichtigen *Dit zijn gemiddelde cijfers van DUO over de jaren 2018 en 2019
11