02. Voorgestelde nieuwe EU regelgeving ANONIEM.pdf
Tekst van het document
Die doelstelling wordt ook bereikt wanneer het gebouw zelf reeds is uitgerust met een gigabitnetwerk waartoe onder transparante, evenredige en niet-discriminerende voorwaarden toegang wordt verleend aan elke aanbieder van een openbaar communicatienetwerk met een actieve abonnee in het gebouw. Dat zou met name het geval kunnen zijn in lidstaten die maatregelen hebben genomen krachtens artikel 44 van Richtlijn (EU) 2018/1972. Ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbieden of die gemachtigd zijn om deze aan te bieden, moeten, na beëindiging van het contract met de abonnee, hun netwerkelementen (zoals verouderde kabels, apparatuur) voor zover mogelijk verwijderen en het betrokken gebied herstellen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
17
NL
(48)
Om ertoe bij te dragen dat er gigabitnetwerken beschikbaar komen voor eindgebruikers, moeten nieuwe gebouwen en ingrijpend gerenoveerde gebouwen worden uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur, binnenhuisglasvezelbekabeling en een toegangspunt van het gebouw, tenzij in gevallen waarin dit onevenredig is in verhouding tot de totale kosten van de renovatiewerken. De lidstaten moeten over een zekere mate van flexibiliteit kunnen beschikken om dit te bereiken. Deze verordening strekt derhalve niet tot harmonisering van de regels met betrekking tot de kosten daarvan, met inbegrip van het terugverdienen van de kosten voor het uitrusten van gebouwen met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur, binnenhuisglasvezelbekabeling en een toegangspunt van het gebouw.
(49)
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en om rekening te houden met nationale omstandigheden, moeten de lidstaten de normen of technische specificaties vaststellen die nodig zijn om nieuw gebouwde of ingrijpend gerenoveerde gebouwen uit te rusten met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling; en nieuwe of ingrijpend gerenoveerde meergezinswoningen met een toegangspunt. Die normen of technische specificaties kunnen ten minste het volgende omvatten: de specificaties van het toegangspunt voor het gebouw; de specificaties van de glasvezelinterface; de kabelspecificaties; de contactdoosspecificaties; de specificaties voor buizen of microducts; de technische specificaties die nodig zijn om interferentie met elektrische bekabeling te voorkomen, en de minimale buigradius. De lidstaten kunnen de afgifte van bouwvergunningen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat nieuwe gebouwen of ingrijpende renovatiewerken waarvoor een bouwvergunning vereist is, voldoen aan de normen of technische specificaties op basis van een gecertificeerd testverslag, of zij kunnen een soortgelijke procedure instellen.
Naast de bouwvergunning, die door de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven nadat is nagegaan of het technisch bouwproject aan de geldende voorschriften voldoet, is in sommige lidstaten ook een vergunning vereist om gebouwen na voltooiing van de bouw ervan voor hun beoogde doel te gebruiken. De lidstaten kunnen ook certificeringsregelingen opzetten om aan te tonen dat aan de normen of technische specificaties wordt is voldaan en om voor het “glasvezelklaar”-label in aanmerking te komen. Om te voorkomen dat de administratieve rompslomp in verband met de krachtens deze verordening opgezette certificeringsregeling toeneemt, zouden de lidstaten bovendien rekening kunnen houden met de procedurele vereisten die krachtens Richtlijn 2010/31/EU op certificeringsregelingen van toepassing zijn, en tevens de mogelijkheid kunnen overwegen om het mogelijk te maken beide aanvraagprocedures samen in te leiden.
(50)
Gelet op het maatschappelijk nut van digitale inclusie en rekening houdend met de economische aspecten van de uitrol van VHCN’s, moeten alle aanbieders van openbare communicatienetwerken het recht hebben om, indien er voor de woningen van eindgebruikers geen passieve of actieve glasvezelklare infrastructuur aanwezig is en er geen alternatieven zijn om een abonnee van een VHCN te voorzien, hun netwerk op eigen kosten aan te sluiten op een particuliere woning, mits de gevolgen voor de private eigendom zoveel mogelijk worden beperkt, bijvoorbeeld door zo mogelijk gebruik te maken van de bestaande fysieke infrastructuur in het gebouw of door eventuele beschadigingen volledig te herstellen.
(51)
Verzoeken om toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur moeten onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, terwijl een verzoek om toegang tot glasvezelbekabeling onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2018/1972 moet vallen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
18
NL
(52)
De lidstaten kunnen richtsnoeren verstrekken over de toepassing van bepalingen inzake de toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur, onder meer, maar niet uitsluitend, over de voorwaarden daarvan. Bij het opstellen van de richtsnoeren moet terdege rekening worden gehouden met de standpunten van de belanghebbenden en de nationale instanties voor geschillenbeslechting.
(53)
Om de modernisering en flexibiliteit van administratieve procedures te bevorderen en de kosten van en de tijd besteed aan de procedures voor de uitrol van VHCN’s te beperken, moeten de diensten van centrale informatiepunten volledig online worden uitgevoerd. Daartoe moeten centrale informatiepunten op een gemakkelijke wijze toegang bieden tot de nodige digitale instrumenten, zoals webportalen, elektronische adressen, databanken, digitale platforms en digitale applicaties. De instrumenten moeten op efficiënte wijze toegang bieden tot de minimuminformatie over bestaande fysieke infrastructuur en geplande civiele werken, en moeten het mogelijk maken om informatie op te vragen. Deze digitale instrumenten moeten ook toegang bieden tot de elektronische administratieve procedures voor het verlenen van vergunningen en doorgangsrechten en tot gerelateerde informatie over de toepasselijke voorwaarden en procedures. Indien in een lidstaat meer dan een centraal informatiepunt is opgezet, moeten alle centrale informatiepunten gemakkelijk en naadloos elektronisch toegankelijk zijn via een centraal nationaal digitaal toegangspunt. Dit toegangspunt moet een gemeenschappelijke gebruikersinterface hebben die toegang biedt tot de online centrale informatiepunten.
Het centrale nationale digitale toegangspunt moet de interactie tussen exploitanten en bevoegde instanties die de functies van de centrale informatiepunten vervullen, vergemakkelijken.
(54)
De lidstaten moeten kunnen vertrouwen op, en indien nodig verbeteringen aanbrengen aan, digitale instrumenten zoals webportalen, elektronische adressen, databanken, digitale platforms en digitale applicaties die mogelijk reeds op lokaal, regionaal of nationaal niveau beschikbaar zijn om de functies van het centrale informatiepunt te vervullen, mits zij de in deze verordening opgenomen verplichtingen nakomen. Dit omvat toegang via een centraal nationaal digitaal toegangspunt en de beschikbaarheid van alle in deze verordening beschreven functies. Om aan de eenmaligheidsbeginselen minimale gegevensverwerking en juistheid te voldoen, moet het de lidstaten worden toegestaan meer digitale platforms, databanken of applicaties ter ondersteuning van de centrale informatiepunten te integreren, naargelang het geval. Zo zouden de digitale platforms, databanken of applicaties ter ondersteuning van de centrale informatiepunten die informatie verstrekken over bestaande fysieke infrastructuur onderling kunnen worden verbonden of geheel of gedeeltelijk kunnen worden geïntegreerd met die voor geplande civiele werken en het verlenen van vergunningen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
19
NL
(55)
Met het oog op de doeltreffendheid van de centrale informatiepunten waarin deze verordening voorziet, moeten de lidstaten zorgen voor adequate middelen en voor direct beschikbare relevante informatie met betrekking tot een specifiek geografisch gebied. De informatie moet met de juiste mate van detail worden gepresenteerd om de efficiëntie met het oog op de toegewezen taken te maximaliseren, ook bij het lokale kadaster. In dit opzicht zouden de lidstaten de mogelijke synergieën en schaalvoordelen kunnen overwegen met het concept “één loket” in de zin van artikel 6 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad12 en andere geplande of bestaande e-overheidsoplossingen om voort te bouwen op bestaande structuren en de voordelen voor gebruikers te maximaliseren. Evenzo moet de “één digitale toegangspoort” waarin Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad13 voorziet, links naar de centrale informatiepunten aanbieden.
(56)
De kosten voor het opzetten van het centrale nationale digitale toegangspunt, de centrale informatiepunten en de digitale instrumenten die nodig zijn om aan de bepalingen van deze verordening te voldoen, kunnen geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor financiële steun uit fondsen van de Unie, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling – specifieke doelstelling: een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van innovatieve en slimme economische transformatie en regionale ICT-connectiviteit14, het programma Digitaal Europa15 – specifieke doelstelling: uitrol en optimaal gebruik van digitale capaciteiten en interoperabiliteit en de herstel- en veerkrachtfaciliteit16 – pijlers voor digitale transformatie en voor slimme, duurzame en inclusieve groei, met inbegrip van economische cohesie, banen, productiviteit, concurrentievermogen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en een goed functionerende interne markt met sterke kmo’s, mits zij voldoen aan de daarin vervatte doelstellingen en subsidiabiliteitscriteria.
12
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36). Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1). Artikel 3, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60). Artikel 8 van Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1). Artikel 3 van Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
13
14
15
16
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
20
NL
(57)
Bij een meningsverschil over technische en commerciële voorwaarden tijdens commerciële onderhandelingen over de toegang tot fysieke infrastructuur of over de coördinatie van civiele werken, moet elke partij een beroep kunnen doen op een nationale instantie voor geschillenbeslechting die de partijen een oplossing oplegt om te voorkomen dat ten onrechte wordt geweigerd aan het verzoek te voldoen of dat er onredelijke voorwaarden worden opgelegd. Bij het bepalen van de prijzen voor het verlenen van toegang tot of het delen van de kosten voor gecoördineerde civiele werken moet de instantie voor geschillenbeslechting ervoor zorgen dat de aanbieder van toegang en netwerkexploitanten die civiele werken plannen, een eerlijke kans hebben om de kosten die zij maken voor het verlenen van toegang tot hun fysieke infrastructuur of voor het coördineren van hun geplande civiele werken terug te verdienen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele specifieke nationale omstandigheden, tariefstructuren die zijn ingesteld en corrigerende maatregelen die door een nationale regelgevende instantie zijn opgelegd.
De instantie voor geschillenbeslechting moet ook rekening houden met de gevolgen van de gevraagde toegang of coördinatie van geplande civiele werken voor het bedrijfsplan van de aanbieder van toegang of netwerkexploitanten die civiele werken plannen, met inbegrip van hun gedane of geplande investeringen, met name investeringen in de fysieke infrastructuur waarop het verzoek betrekking heeft.
(58)
Om vertragingen bij de uitrol van netwerken te voorkomen, moet de nationale instantie voor geschillenbeslechting het geschil snel beslechten en in ieder geval binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek om beslechting in het geval van geschillen over de toegang tot bestaande fysieke infrastructuur en binnen twee maanden indien het gaat om transparantie over fysieke infrastructuur, coördinatie van geplande civiele werken en transparantie over geplande civiele werken. Het is mogelijk dat de instanties voor geschillenbeslechting geen controle hebben over uitzonderlijke omstandigheden die een vertraging bij de beslechting van een geschil rechtvaardigen, zoals onvoldoende informatie of documentatie die nodig is om een besluit te nemen, met inbegrip van de standpunten van andere bevoegde instanties die moeten worden geraadpleegd of de grote complexiteit van het dossier.
(59)
Bij geschillen over de toegang tot de fysieke infrastructuur, geplande civiele werken of informatie daarover om VHCN’s uit te rollen, moet de instantie voor geschillenbeslechting de bevoegdheid hebben om die geschillen door middel van een bindend besluit te beslechten. De besluiten van die instantie mogen in geen geval afbreuk doen aan de mogelijkheid van een partij om de zaak aan een rechter voor te leggen of om voorafgaand aan of parallel met de formele geschillenbeslechting een beroep te doen op een middelingsregeling die de vorm kan aannemen van bemiddeling of een extra uitwisselingsronde.
(60)
Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel mag deze verordening geen afbreuk doen aan de mogelijkheid van de lidstaten om regelgevende taken toe te wijzen aan de instanties die het meest geschikt zijn om die taken te vervullen in overeenstemming met de nationale grondwettelijke regeling voor de toewijzing van bevoegdheden en met de in deze verordening vastgestelde vereisten. Om de administratieve lasten te verlichten, moet het de lidstaten worden toegestaan een bestaande instantie aan te wijzen of de reeds op grond van Richtlijn 2014/61/EU aangewezen bevoegde instanties te behouden. Informatie over de aan de bevoegde instantie(s) toegewezen taken moet via een centraal informatiepunt worden bekendgemaakt en bij de Commissie worden aangemeld, tenzij dit reeds is gebeurd overeenkomstig Richtlijn 2014/61/EU. De vrijheid die de lidstaten behouden om de functies van het centrale informatiepunt aan meer dan een bevoegde instantie toe te wijzen, mag geen afbreuk doen aan hun vermogen om die functies doeltreffend te vervullen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
21
NL
(61)
De aangewezen nationale instantie voor geschillenbeslechting en de bevoegde instantie die de functies van het centrale informatiepunt vervult, moeten onpartijdigheid, onafhankelijkheid en structurele scheiding ten opzichte van de betrokken partijen waarborgen, hun bevoegdheden onpartijdig, transparant en tijdig uitoefenen en over de juiste competenties en middelen beschikken.
(62)
De lidstaten moeten voorzien in passende, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties bij niet-naleving van deze verordening of van een bindend besluit van de bevoegde instanties, mede in gevallen waarin een netwerkexploitant of een overheidsinstantie via een centraal informatiepunt bewust of door grove nalatigheid misleidende, onjuiste of onvolledige informatie verstrekt.
(63)
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het faciliteren van de uitrol van fysieke infrastructuur die geschikt is voor VHCN’s in de gehele Unie, waardoor de interne markt wordt bevorderd, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt wegens aanhoudende verschillen in aanpak en de trage en ondoeltreffende omzetting van Richtlijn 2014/61/EU, maar vanwege de omvang van de uitrol van de netwerken en vereiste investeringen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(63 b) Deze verordening laat de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de nationale veiligheid te beschermen en hun bevoegdheid voor het beschermen van andere essentiële staatsfuncties, met name wat betreft de openbare veiligheid, territoriale integriteit en ordehandhaving, onverlet. Zulks indachtig moeten in dit verband gemaakte uitzonderingen op deze verordening als naar behoren gerechtvaardigd en evenredig worden beschouwd. (64)
Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Deze verordening beoogt met name de volledige eerbiediging van het recht op privacy en de bescherming van bedrijfsgeheimen, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Deze verordening moet overeenkomstig deze rechten en beginselen worden toegepast.
(65)
Deze verordening bevat bepalingen die betrekking hebben op alle inhoudelijke gebieden die onder Richtlijn 2014/61/EU vallen, die derhalve moet worden ingetrokken.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
22
NL
(66)
Een periode van 24 maanden tussen de inwerkingtreding en de toepassing heeft tot doel de lidstaten voldoende tijd geven om ervoor te zorgen dat hun nationale wetgeving geen belemmeringen voor de uniforme en doeltreffende toepassing van deze verordening bevat. Voor kleine gemeenten, met minder dan 3 500 inwoners, kunnen de lidstaten, onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, bepalen dat de termijn voor het verstrekken van informatie over verzoeken om toegang tot fysieke infrastructuur met twaalf maanden wordt verlengd. De periode van 24 maanden doet geen afbreuk aan de specifieke regels in deze verordening betreffende de uitgestelde toepassing van specifieke bepalingen ervan. De lidstaten moeten nationale bepalingen die met deze verordening overlappen of ermee in strijd zijn, intrekken op het moment dat de verordening van toepassing wordt. Wat de vaststelling van nieuwe wetgeving tijdens deze periode betreft, volgt uit artikel 4, lid 3, VEU dat de lidstaten verplicht zijn tot loyale samenwerking en geen actie mogen ondernemen die in strijd is met toekomstige rechtsregels van de Unie,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
23
NL
Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied 1. Deze verordening heeft tot doel de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit (very high capacity networks – VHCN’s) te faciliteren en te stimuleren door het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur te bevorderen en door een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk te maken, zodat deze netwerken sneller en goedkoper kunnen worden uitgerold. 2. Indien een bepaling van deze verordening in strijd is met een bepaling van Richtlijn (EU) 2018/1972 of Richtlijn 2002/77/EG, prevaleert de desbetreffende bepaling van die richtlijnen. 3. In deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen. De lidstaten kunnen in overeenstemming met het recht van de Unie regels handhaven of invoeren die strikter of gedetailleerder zijn dan die minimumeisen, indien zij dienen om het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke infrastructuur te bevorderen of een efficiëntere uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur mogelijk te maken. 4.
In afwijking van lid 3 mogen de lidstaten in hun nationale wetgeving geen regels handhaven of invoeren die strikter of gedetailleerder zijn dan die van artikel 3, lid 3, punten a) tot en met e), artikel 3 lid 6, artikel 4, lid 5, tweede alinea, artikel 5, lid 2, tweede alinea, artikel 5, lid 4, artikel 6, lid 2, en artikel 8, leden 7 en 8. 5. Deze verordening laat de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de nationale veiligheid te beschermen en hun bevoegdheid om andere essentiële staatsfuncties te beschermen, waaronder het verdedigen van de territoriale integriteit van de staat en het handhaven van de openbare orde, onverlet.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
24
NL
Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Richtlijn (EU) 2018/1972, met name de definities van “elektronischecommunicatienetwerk”, “netwerk met zeer hoge capaciteit”, “openbaar elektronischecommunicatienetwerk”, “netwerkaansluitpunt”, “bijbehorende faciliteiten”, “eindgebruiker”, “beveiliging van netwerken en diensten”, “toegang” en “exploitant”. Daarnaast gelden de volgende definities: 1)
“netwerkexploitant”: a)
een exploitant zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 29, van Richtlijn (EU) 2018/1972;
b)
een onderneming die fysieke infrastructuur aanbiedt die tot doel heeft diensten te leveren op het gebied van:
i) de productie, het transport of de distributie van: -
gas;
-
elektriciteit, met inbegrip van openbare verlichting;
-
verwarming;
-
water, met inbegrip van de verwijdering of verwerking van afval- en rioolwater, en
drainagesystemen; ii) vervoer, met inbegrip van vervoer via spoorwegen, wegen, waaronder stadswegen, havens en luchthavens; 2) “overheidsinstantie”: een nationale, regionale of lokale overheid, een publiekrechtelijke instantie of een verband gevormd door een of meer van deze lichamen of een of meer van deze publiekrechtelijke instellingen;
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
25
NL
3) “publiekrechtelijke instanties”: instanties die voldoen aan alle volgende kenmerken: a)
zij zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn;
b)
zij bezitten rechtspersoonlijkheid;
c)
zij worden geheel of grotendeels gefinancierd door nationale, regionale of lokale overheden of door andere publiekrechtelijke instanties; of hun beheer staat onder toezicht van dergelijke overheden of instanties; of zij hebben een bestuursorgaan, leidinggevend of toezichthoudend orgaan waarvan de leden voor meer dan de helft door nationale, regionale of lokale overheden of andere publiekrechtelijke instanties zijn aangewezen;
4)
“fysieke infrastructuur”:
a)
elk element van een netwerk dat bedoeld is om er andere elementen van een netwerk in onder te brengen zonder dat het zelf een actief element van het netwerk wordt, zoals buizen, masten, kabelgoten, inspectieputten, mangaten, straatkasten, antenne-installaties, torens en palen, alsmede gebouwen en de daken en delen van de gevels daarvan, of toegangen tot gebouwen, en elk ander actief dat zou kunnen dienen om elementen van netwerken in onder te brengen, met inbegrip van straatmeubilair, zoals verlichtingspalen, verkeersborden, verkeerslichten, aanplakborden, bus- en tramhaltes, tolpoorten en metroen treinstations;
b)
wanneer die geen deel uitmaakt van een netwerk en eigendom is of onder zeggenschap staat van overheidsinstanties: gebouwen en de daken en delen van de gevels daarvan, of toegangen tot gebouwen, en elk ander actief dat zou kunnen dienen om elementen van een netwerk in onder te brengen, met inbegrip van straatmeubilair, zoals verlichtingspalen, verkeersborden, verkeerslichten, aanplakborden, tolpoorten, bus- en tramhaltes, en metroen treinstations.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
26
NL
Kabels, met inbegrip van dark fiber, alsmede elementen van netwerken die worden gebruikt voor de verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water als bedoeld in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad17, zijn geen fysieke infrastructuur in de zin van deze verordening; 5) “civiele werken”: elk product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat bestemd is om als zodanig een economische of technische functie te vervullen en dat een of meer elementen van een fysieke infrastructuur omvat; 6) “fysieke binnenhuisinfrastructuur”: fysieke infrastructuur of installaties op de locatie van de eindgebruiker, met inbegrip van elementen die gemeenschappelijk eigendom zijn, die bestemd zijn om er vaste en/of draadloze toegangsnetwerken in onder te brengen, voor zover die netwerken elektronischecommunicatiediensten kunnen leveren en door middel waarvan het toegangspunt van het gebouw kan worden aangesloten op het netwerkaansluitpunt; of, in de lidstaten waar het is toegelaten het netwerkaansluitpunt buiten de specifieke locatie van de eindgebruiker te plaatsen, tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt om toegang tot het openbare netwerk te krijgen.
7) “binnenhuisglasvezelbekabeling”: glasvezelkabels op de locatie van de eindgebruiker, met inbegrip van elementen in gemeenschappelijk eigendom, die bestemd zijn om elektronischecommunicatiediensten te leveren en het toegangspunt van het gebouw te verbinden met het netwerkaansluitpunt, of, in de lidstaten waar het is toegelaten het netwerkaansluitpunt buiten de specifieke locatie van de eindgebruiker te plaatsen, tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt om toegang tot het openbare netwerk te kunnen krijgen; 8) “glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur”: fysieke binnenhuisinfrastructuur die bestemd is om er glasvezelelementen in onder te brengen; 9) “ingrijpende renovatiewerken”: civiele werken op de locatie van de eindgebruiker die de gehele fysieke binnenhuisinfrastructuur of een aanzienlijk deel daarvan structureel wijzigen en waarvoor naar nationaal recht een bouwvergunning is vereist;
17
Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1).
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
27
NL
10)
“vergunning”: een expliciet of impliciet besluit of een reeks expliciete of impliciete besluiten
die gelijktijdig of achtereenvolgens door een of meer bevoegde instanties worden genomen en die een onderneming krachtens het nationale recht nodig heeft om bouwkundige of civieltechnische werken uit te voeren die nodig zijn voor de uitrol van elementen van VHCN’s; 11)
“toegangspunt van het gebouw”: een in of buiten het gebouw gelegen fysiek punt dat
gemakkelijk toegankelijk is voor meerdere ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn deze aan te bieden, en waar het netwerk op de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur kan worden aangesloten; 12)
“toegangsrechten”: rechten als bedoeld in artikel 43, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972, die
aan een exploitant zijn verleend om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom voor de uitrol van VHCN’s en bijbehorende faciliteiten.
Artikel 3 Toegang tot bestaande fysieke infrastructuur 1. Onverminderd lid 3, moeten alle overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur en alle netwerkexploitanten op schriftelijk verzoek van een exploitant voldoen aan alle redelijke verzoeken om toegang tot die fysieke infrastructuur onder billijke en redelijke voorwaarden, met inbegrip van de prijs, met het oog op de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten. Overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur voldoen ook onder niet-discriminerende voorwaarden aan alle redelijke verzoeken om toegang. In deze schriftelijke verzoeken worden de elementen van de fysieke infrastructuur waartoe toegang wordt gevraagd, alsook een specifiek tijdschema, gespecificeerd. De lidstaten kunnen voor deze verzoeken gedetailleerde voorschriften vaststellen. 2. Bij het bepalen van billijke en redelijke voorwaarden, met inbegrip van prijzen, voor het verlenen van toegang houden netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur zo nodig ten minste rekening met het volgende:
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
28
NL
a)
bestaande contracten en commerciële voorwaarden die zijn overeengekomen tussen exploitanten die toegang wensen en netwerkexploitanten of overheidsinstanties die toegang verlenen tot fysieke infrastructuur.
b)
de noodzaak om ervoor te zorgen dat aanbieders van toegang, met inbegrip van aanbieders van bijbehorende faciliteiten, een eerlijke kans hebben om de kosten die zij maken om toegang tot hun fysieke infrastructuur te verlenen terug te verdienen, rekening houdend met specifieke nationale omstandigheden, bedrijfsmodellen en eventuele tariefstructuren die zijn ingesteld om een eerlijke kans op het terugverdienen van de kosten te bieden; in het geval van elektronischecommunicatienetwerken wordt ook rekening gehouden met corrigerende maatregelen die door een nationale reguleringsinstantie zijn opgelegd.
c)
de gevolgen van de gevraagde toegang voor het bedrijfsplan van de aanbieder van toegang, met inbegrip van investeringen in de fysieke infrastructuur waartoe om toegang is verzocht, alsook de noodzaak om te waarborgen dat de aanbieder van toegang een billijk rendement van de investeringen ontvangt dat een afspiegeling is van de actuele marktomstandigheden en, met name voor ondernemingen die hoofdzakelijk towerinfrastructuur aanbieden en fysieke toegang bieden aan meer dan één onderneming die openbare elektronische netwerken aanbiedt of gemachtigd is die aan te bieden, van hun bedrijfsmodel;
In het specifieke geval van toegang tot fysieke infrastructuur van exploitanten kunnen geschillenbeslechtingsorganen, rekening houdend met de overeenkomstig lid 9 opgestelde richtsnoeren, bij het bepalen van de billijke en redelijke voorwaarden, met inbegrip van prijzen, voor het verlenen van toegang rekening houden met: -
de economische levensvatbaarheid van die investeringen op basis van hun risicoprofiel;
-
tijdschema’s voor het rendement van investeringen;
-
mogelijke gevolgen van de toegang voor de concurrentie in de downstreammarkten en bijgevolg voor de prijzen en het rendement van investeringen;
-
alle afschrijvingen van de netwerkactiva op het tijdstip van het verzoek om toegang;
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
29
NL
-
elke business case die ten grondslag lag aan de investering op het moment dat deze werd gedaan, met name in de fysieke infrastructuur die wordt gebruikt voor het aanbieden van connectiviteit; en
-
alle eerder aan de verzoeker om toegang geboden mogelijkheden om mee te investeren in de uitrol van de fysieke infrastructuur, met name overeenkomstig artikel 76 van Richtlijn (EU) 2018/1972, of om deze samen uit te rollen.
3. Netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur kunnen de toegang tot specifieke fysieke infrastructuur weigeren op basis van een of meer van de volgende voorwaarden: a)
de fysieke infrastructuur waartoe om toegang is verzocht, is technisch niet geschikt om er de in lid 1 bedoelde elementen van VHCN’s in onder te brengen;
b)
er is onvoldoende ruimte beschikbaar om er de in lid 1 bedoelde elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten in onder te brengen, ook nadat rekening is gehouden met de toekomstige behoefte aan ruimte van de aanbieder van toegang die voldoende is aangetoond zoals in de openbaar beschikbare investeringsplannen of door middel van een drempel voor toegestane capaciteit als percentage van de totale capaciteit;
c)
het bestaan van gerechtvaardigde redenen in verband met veiligheid, nationale veiligheid en volksgezondheid;
d)
het bestaan van gerechtvaardigde redenen in verband met de integriteit en veiligheid van een netwerk, met name kritieke nationale infrastructuur;
e)
het bestaan van een gerechtvaardigd risico van ernstige verstoring van de geplande elektronischecommunicatiediensten wanneer andere diensten via dezelfde fysieke infrastructuur worden verstrekt; of
f)
de beschikbaarheid van levensvatbare alternatieve middelen voor passieve fysieke wholesaletoegang tot elektronischecommunicatienetwerken, waaronder toegang tot dark fiber of ontbundelde toegang tot glasvezel die door dezelfde netwerkexploitant worden aangeboden en geschikt zijn voor het aanbieden van VHCN’s, mits die toegang onder billijke en redelijke voorwaarden wordt aangeboden.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
30
NL
De lidstaten kunnen bepalen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur de toegang tot specifieke fysieke infrastructuur kunnen weigeren indien levensvatbare alternatieve middelen beschikbaar zijn voor nietdiscriminerende open wholesaletoegang tot communicatienetwerken met zeer hoge capaciteit die door dezelfde netwerkexploitant of door dezelfde overheidsinstantie wordt aangeboden, op voorwaarde dat: i.
dergelijke alternatieve middelen voor wholesaletoegang worden aangeboden onder billijke en redelijke voorwaarden; en
ii.
het uitrolproject van de verzoekende exploitant betrekking heeft op hetzelfde dekkingsgebied en er geen ander glasvezelnetwerk is dat de gebouwen van de eindgebruiker met elkaar verbindt (FttP) voor dit dekkingsgebied.
Indien de toegang wordt geweigerd, deelt de netwerkexploitant of overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap heeft over de fysieke infrastructuur de verzoeker om toegang schriftelijk de specifieke en gedetailleerde redenen voor die weigering mee binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het volledige verzoek om toegang, behalve voor kritieke nationale infrastructuur, zoals gedefinieerd in het nationaal recht, waarvoor geen specifieke en gedetailleerde redenen vereist zijn in de mededeling van de weigering aan de verzoeker. 4. De lidstaten kunnen een instantie oprichten of aanwijzen om verzoeken om toegang tot fysieke infrastructuur die eigendom is of onder zeggenschap staat van overheidsinstanties te coördineren, juridisch en technisch advies te verstrekken tijdens de onderhandelingen over toegangsvoorwaarden, en de verstrekking van informatie via een centraal informatiepunt als bedoeld in artikel 10 te vergemakkelijken. 5. Fysieke infrastructuur waarvoor reeds toegangsverplichtingen gelden die door nationale reguleringsinstanties zijn opgelegd overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/1972, door andere bevoegde instanties of die voortvloeien uit de toepassing van staatssteunregels van de Unie, is, zolang deze toegangsverplichtingen van kracht zijn, niet onderworpen aan de in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde verplichtingen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
31
NL
6. Overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur of bepaalde categorieën fysieke infrastructuur kunnen ervoor kiezen de leden 1, 2 en 3 niet op die fysieke infrastructuur of categorieën fysieke infrastructuur toe te passen om redenen van architecturale, historische, religieuze of milieuwaarde of om redenen van openbare veiligheid, defensie en gezondheid. De lidstaten wijzen dergelijke fysieke infrastructuur of categorieën fysieke infrastructuur op hun grondgebied aan op basis van naar behoren gemotiveerde en evenredige redenen. De lijst met categorieën fysieke infrastructuur en de criteria die worden toegepast om deze te identificeren, worden via een centraal informatiepunt bekendgemaakt. 7. Exploitanten hebben het recht toegang tot hun fysieke infrastructuur aan te bieden met het oog op de uitrol van andere netwerken dan elektronischecommunicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten. 8. Dit artikel doet geen afbreuk aan het eigendomsrecht van de eigenaar van de fysieke infrastructuur indien de netwerkexploitant of de overheidsinstantie niet de eigenaar is, noch aan het eigendomsrecht van andere derden, zoals grondeigenaren en eigenaren van privé-eigendom, of, indien van toepassing, de rechten van huurders. 9. De lidstaten kunnen richtsnoeren verstrekken over de toepassing van dit artikel.
Artikel 4 Transparantie over fysieke infrastructuur 1. Om overeenkomstig artikel 3 om toegang tot fysieke infrastructuur te verzoeken, heeft elke exploitant het recht om op verzoek via een centraal informatiepunt elektronisch toegang te krijgen tot de volgende minimuminformatie over bestaande fysieke infrastructuur: a)
locatie en route met geografische componenten;
b)
type en huidig gebruik van de infrastructuur;
c)
een contactpunt.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
32
NL
Deze minimuminformatie is toegankelijk, onder evenredige, niet-discriminerende en transparante voorwaarden en in ieder geval uiterlijk 15 werkdagen na de indiening van het verzoek om informatie. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de termijn worden verlengd met 15 werkdagen. Exploitanten die om toegang verzoeken, worden via een centraal informatiepunt in kennis gesteld van de nieuwe termijn. Elke exploitant die overeenkomstig dit artikel om toegang tot informatie verzoekt, specificeert in welk gebied hij voornemens is elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten uit te rollen. De toegang tot de minimuminformatie mag alleen worden beperkt of geweigerd indien dat noodzakelijk is met het oog op de veiligheid van bepaalde gebouwen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van overheidsinstanties, de veiligheid en integriteit van de netwerken, de nationale veiligheid, de veiligheid van nationale kritieke infrastructuur, de volksgezondheid of de openbare veiligheid, indien de fysieke infrastructuur niet valt onder de toegangsverplichtingen overeenkomstig artikel 3, lid 6, of om redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen. 2. Netwerkexploitanten en overheidsinstanties stellen de in lid 1 bedoelde minimuminformatie niet later dan 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening in elektronische vorm beschikbaar via een centraal informatiepunt.
Onder dezelfde voorwaarden stellen netwerkexploitanten en overheidsinstanties elke actualisering van deze informatie en alle nieuwe in lid 1 bedoelde minimuminformatie onverwijld ter beschikking. Indien netwerkexploitanten of overheidsinstanties niet voldoen aan de in lid 1 vastgestelde verplichting, kunnen de bevoegde instanties verzoeken dat de in lid 1 bedoelde ontbrekende informatie binnen 15 werkdagen na ontvangst van het verzoek in elektronische vorm beschikbaar wordt gesteld via een centraal informatiepunt, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om sancties op te leggen aan netwerkexploitanten en overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur wegens niet-naleving van deze verplichting. 3. Netwerkexploitanten en overheidsinstanties voldoen op specifiek verzoek van een exploitant aan redelijke verzoeken om specifieke elementen van hun fysieke infrastructuur ter plaatse te inspecteren. In deze verzoeken worden de betrokken elementen van de fysieke infrastructuur met het oog op de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten gespecificeerd.
Verzoeken om inspecties ter plaatse van de gespecificeerde elementen van de fysieke infrastructuur worden onder evenredige, niet-discriminerende en transparante voorwaarden ingewilligd binnen één maand na de datum van ontvangst van het verzoek, met inachtneming van de in lid 1, vierde alinea, vastgestelde beperkingen. De lidstaten kunnen voor een dergelijk verzoek gedetailleerde voorschriften vaststellen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
33
NL
4. De lidstaten kunnen besluiten dat de leden 1, 2 en 3 om veiligheidsredenen niet van toepassing zijn op alle of delen van kritieke nationale infrastructuur zoals gedefinieerd in het nationaal recht. 5. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing: a)
in het geval van fysieke infrastructuur die technisch niet geschikt is voor de uitrol van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten; of
b)
in specifieke gevallen waarin de verplichting tot het verstrekken van informatie over bepaalde bestaande soorten fysieke infrastructuur overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onevenredig zou zijn op basis van een door de lidstaten uitgevoerde kostenbatenanalyse en na overleg met belanghebbenden; of
c)
indien de fysieke infrastructuur niet valt onder de toegangsverplichtingen overeenkomstig artikel 3, lid 6.
De rechtvaardiging, criteria en voorwaarden voor de toepassing van dergelijke uitzonderingen worden bekendgemaakt via een centraal informatiepunt. 6. Exploitanten die krachtens dit artikel toegang tot informatie krijgen, nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid en handels- en bedrijfsgeheimen worden gewaarborgd.
Artikel 5 Coördinatie van civiele werken 1. Overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur, alsook elke netwerkexploitant, hebben het recht met exploitanten te onderhandelen over overeenkomsten betreffende de coördinatie van civiele werken, met inbegrip van de verdeling van de kosten, met het oog op de uitrol van elementen van netwerken met zeer hoge capaciteit of bijbehorende faciliteiten.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
34
NL
2. Overheidsinstanties die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur, alsook elke netwerkexploitant, die direct of indirect civiele werken uitvoeren of voornemens zijn direct of indirect civiele werken uit te voeren die geheel of gedeeltelijk met overheidsmiddelen worden gefinancierd, voldoen aan elk redelijk schriftelijk verzoek van exploitanten om deze civiele werken onder transparante en niet-discriminerende voorwaarden te coördineren met het oog op de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten. De lidstaten kunnen voor een dergelijk verzoek gedetailleerde voorschriften vaststellen, ook met betrekking tot gedeeltelijke financiering. Dergelijke verzoeken worden ingewilligd, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: a)
dit brengt voor de netwerkexploitant die de betrokken civiele werken oorspronkelijk had gepland geen niet-recupereerbare extra kosten met zich mee, met inbegrip van de kosten als gevolg van extra vertragingen, onverminderd de mogelijkheid om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de kosten tussen de betrokken partijen;
b)
de netwerkexploitant die de civiele werken oorspronkelijk heeft gepland, behoudt de controle over de coördinatie van de werken;
c)
het verzoek om coördinatie wordt zo spoedig mogelijk ingediend en, indien een vergunning nodig is, ten minste twee maanden vóór de indiening van het definitieve project bij de bevoegde instanties die belast zijn met de afgifte van vergunningen.
3. Een verzoek om coördinatie van civiele werken dat is ingediend door een onderneming die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden, en dat is gericht aan een onderneming die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden, kan als onredelijk worden beschouwd indien aan de twee volgende voorwaarden is voldaan: a)
het verzoek heeft betrekking op een gebied dat het voorwerp is geweest van een van de volgende zaken: i)
een prognose van het bereik van breedbandnetwerken, met inbegrip van VHCN’s overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972;
ii)
een uitnodiging om het voornemen kenbaar te maken om VHCN’s uit te rollen overeenkomstig artikel 22, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/1972;
iii)
een openbare raadpleging bij de toepassing van staatssteunregels van de Unie;
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
35
NL
b)
de verzoekende onderneming heeft geen blijk gegeven van haar voornemen om in het onder punt a) bedoelde gebied VHCN’s uit te rollen in een van de recentste van de in dat punt genoemde procedures voor de periode waarin het verzoek om coördinatie is ingediend.
Indien een verzoek om coördinatie op grond van de eerste alinea als onredelijk wordt beschouwd, rolt de onderneming die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden en die de coördinatie van civiele werken weigert, fysieke infrastructuur uit met voldoende capaciteit om aan mogelijke toekomstige redelijke behoeften voor toegang door derden te voldoen. 4. De lidstaten kunnen besluiten dat de leden 2 en 3 niet van toepassing zijn op soorten werken van beperkte omvang, bijvoorbeeld in termen van waarde, grootte of duur, of op kritieke nationale infrastructuur. De lidstaten bepalen op basis van naar behoren gemotiveerde en evenredige redenen welk type civiele werken wordt geacht van beperkte omvang te zijn of, op grond van het Unierecht of het nationale recht, verband te houden met kritieke nationale infrastructuur. Informatie over deze typen civiele werken wordt via een centraal informatiepunt bekendgemaakt. De lidstaten kunnen besluiten informatie die verband houdt met kritieke nationale infrastructuur niet bekend te maken. 5. De lidstaten kunnen richtsnoeren verstrekken over de toepassing van dit artikel.
Artikel 6 Transparantie over geplande civiele werken 1. Met het oog op verzoeken om de civiele werken te coördineren als bedoeld in artikel 5.2, stelt elke netwerkexploitant via een centraal informatiepunt de volgende minimuminformatie in elektronische vorm beschikbaar: a)
de locatie met geografische componenten en het type werken;
b)
de elementen van de betrokken fysieke infrastructuur;
c)
de datum waarop de werken naar verwachting zullen aanvangen en de duur ervan;
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
36
NL
d)
de geraamde datum voor de indiening van het definitieve project bij de bevoegde instanties met het oog op het verkrijgen van vergunningen, indien van toepassing;
e)
een contactpunt.
De netwerkexploitant zorgt ervoor dat de in de eerste alinea bedoelde informatie voor geplande civiele werken in verband met zijn fysieke infrastructuur correct en actueel is en onmiddellijk beschikbaar wordt gesteld via een centraal informatiepunt. Dit moet gebeuren zodra de netwerkexploitant over de informatie beschikt en, in ieder geval en indien een vergunning wordt beoogd, uiterlijk drie maanden voordat de vergunningsaanvraag voor het eerst bij de bevoegde instanties wordt ingediend. Om overeenkomsten over de coördinatie van civiele werken te vergemakkelijken wanneer stedelijke wegen of trottoirs in eigendom of onder zeggenschap van overheidsinstanties worden gebouwd of gerenoveerd, stellen overheidsinstanties de in de eerste alinea bedoelde informatie in elektronische vorm beschikbaar via een centraal informatiepunt. Dit moet gebeuren zodra de overheidsinstantie over de informatie beschikt en, in ieder geval en indien een vergunning wordt aangevraagd, uiterlijk drie maanden voordat de vergunningsaanvraag voor het eerst bij de bevoegde instanties wordt ingediend. Exploitanten hebben het recht om op verzoek via een centraal informatiepunt toegang te krijgen tot de in de eerste alinea bedoelde minimuminformatie in elektronische vorm.
In het verzoek om toegang tot informatie wordt vermeld in welk gebied de verzoekende exploitant voornemens is elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten uit te rollen. Binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek om informatie wordt de gevraagde informatie onder evenredige, nietdiscriminerende en transparante voorwaarden beschikbaar gesteld. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de termijn worden verlengd met 15 werkdagen. De toegang tot de minimuminformatie mag alleen worden beperkt of geweigerd voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de veiligheid en integriteit van de netwerken, waaronder die van kritieke infrastructuur, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de openbare veiligheid, of om redenen van vertrouwelijkheid of handels- en bedrijfsgeheimen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
37
NL
2. De lidstaten kunnen besluiten dat lid 1 niet van toepassing is op informatie over soorten civiele werken die beperkt zijn in omvang, bijvoorbeeld in termen van waarde, grootte of duur, in het geval van kritieke nationale infrastructuur, of om redenen van openbare veiligheid, nationale veiligheid of in noodsituaties. De lidstaten stellen op basis van naar behoren gemotiveerde en evenredige redenen vast welke soorten civiele werken worden geacht van beperkte omvang te zijn of verband te houden met kritieke nationale infrastructuur, en welke noodsituaties of redenen van nationale veiligheid rechtvaardigen dat de verplichting om informatie te verstrekken niet van toepassing is. Informatie over dergelijke soorten civiele werken die van transparantieverplichtingen zijn uitgesloten, wordt via een centraal informatiepunt bekendgemaakt. De lidstaten kunnen besluiten informatie die verband houdt met kritieke nationale infrastructuur niet bekend te maken.
Artikel 7 Procedure voor het verlenen van vergunningen en doorgangsrechten 1. De bevoegde instanties mogen de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten niet onnodig beperken of belemmeren. De lidstaten stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat alle regels betreffende de voorwaarden en procedures voor het verlenen van vergunningen en doorgangsrechten, die vereist zijn voor de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten, op het gehele nationale grondgebied consistent zijn, hetgeen geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om regels en waarborgen voor de bescherming van de openbare veiligheid te handhaven. 2. De bevoegde instanties stellen alle informatie over de voorwaarden en procedures voor het verlenen van vergunningen en doorgangsrechten, die worden toegekend via administratieve procedures, alsook alle informatie over vrijstellingen van sommige of alle vergunningen of doorgangsrechten die krachtens nationaal recht of Unierecht vereist zijn, in elektronische vorm beschikbaar via een centraal informatiepunt. 3. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat exploitanten via een centraal informatiepunt in elektronische vorm aanvragen voor vergunningen of doorgangsrechten kunnen indienen en informatie over de status van hun aanvraag kunnen opvragen.
De lidstaten kunnen voor het opvragen van de informatie gedetailleerde procedures vaststellen.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
38
NL
4. Geschrapt 5. De bevoegde instanties verlenen of weigeren vergunningen, met uitzondering van doorgangsrechten, binnen maximaal vier maanden na de datum van ontvangst van een volledige vergunningsaanvraag. De bevoegde autoriteiten bepalen binnen 20 werkdagen na ontvangst van een aanvraag voor vergunningen of doorgangsrechten of deze volledig is. Tenzij de bevoegde instanties de aanvrager binnen die termijn hebben verzocht om ontbrekende informatie te verstrekken, wordt de aanvraag als volledig beschouwd. De eerste en tweede alinea doen geen afbreuk aan andere specifieke termijnen of verplichtingen die zijn vastgesteld voor het goede verloop van de procedure en die van toepassing zijn op de vergunningsprocedure, met inbegrip van beroepsprocedures, in overeenstemming met Unierecht of met nationaal recht dat in overeenstemming is met het Unierecht. Bij wijze van uitzondering en op grond van een gegronde reden kan de bevoegde instantie de in de eerste alinea en in lid 6 bedoelde termijn van vier maanden ambtshalve verlengen.
Een verlenging moet zo kort mogelijk zijn en mag niet langer zijn dan vier maanden tenzij dat nodig is om te kunnen voldoen aan andere specifieke termijnen of verplichtingen die zijn vastgesteld voor het goede verloop van de procedure en die van toepassing zijn op de vergunningsprocedure, met inbegrip van beroepsprocedures, in overeenstemming met het Unierecht of het nationaal recht dat in overeenstemming is met het Unierecht. De lidstaten vermelden de redenen die een dergelijke verlenging rechtvaardigen en maken deze vooraf bekend via centrale informatiepunten. Elke weigering van een vergunning of een doorgangsrecht wordt naar behoren gemotiveerd op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria. 6. Indien naast vergunningen rechten van doorgang op, over of onder openbaar of, indien van toepassing, particulier eigendom, met de voorafgaande toestemming van de eigenaar of overeenkomstig nationale wetgeving, nodig zijn voor de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten, verlenen de bevoegde instanties, in afwijking van artikel 43, lid 1, punt a), van Richtlijn (EU) 2018/1972, deze doorgangsrechten binnen de termijn van vier maanden na de datum van ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij er sprake is van onteigening.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
39
NL
7. Geschrapt 8. De lidstaten mogen overeenkomstig nationale wetgeving categorieën van uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten specificeren waarvoor geen vergunningsprocedure in de zin van dit artikel geldt. 9. De lidstaten mogen onder andere vergunningen eisen voor de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten op gebouwen of locaties met architecturale, historische, religieuze of milieuwaarde die beschermd zijn overeenkomstig nationale wetgeving of indien dit noodzakelijk is om redenen van openbare veiligheid, veiligheid van kritieke infrastructuur of om milieuredenen. 10. Voor vergunningen, met uitzondering van doorgangsrechten, die vereist zijn voor de uitrol van elementen van VHCN’s of bijbehorende faciliteiten, worden geen vergoedingen of heffingen in rekening gebracht die hoger zijn dan de administratieve kosten zoals mutatis mutandis bepaald in artikel 16 van Richtlijn (EU) 2018/1972.
Artikel 8 Fysieke binnenhuisinfrastructuur en glasvezelbekabeling 1. Alle nieuw opgetrokken gebouwen of gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, met inbegrip van appartementsgebouwen met delen die gemeenschappelijk eigendom zijn, op de locatie van de eindgebruiker, waarvoor bouwvergunningen zijn aangevraagd na 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, worden uitgerust met een toegangspunt voor het gebouw, glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en de binnenhuisglasvezelbekabeling, inclusief aansluitingen tot aan de netwerkaansluitpunten of, in de lidstaten waarin het is toegestaan de netwerkaansluitpunt buiten de specifieke locatie van de eindgebruiker te plaatsen, tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met de toegang tot het openbare netwerk. 2.
Geschrapt
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
40
NL
3. Indien dit de kosten van de renovatiewerkzaamheden niet onevenredig verhoogt en het technisch haalbaar is, worden alle gebouwen op de locatie van de eindgebruikers, met inbegrip van delen daarvan die gemeenschappelijk eigendom zijn, die ingrijpende renovaties ondergaan als gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Richtlijn 2010/31/EU, uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening uitgerust met een toegangspunt voor het gebouw, glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en de binnenhuisglasvezelbekabeling, met inbegrip van aansluitingen op de netwerkaansluitpunten, of, in de lidstaten waar het netwerkaansluitpunt buiten de specifieke locatie van de eindgebruiker mag worden geplaatst, tot aan het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met de toegang tot het openbare netwerk. 4. De lidstaten stellen ten laatste 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de relevante normen of technische specificaties vast die nodig zijn voor de uitvoering van de leden 1 en 3. Die normen of technische specificaties kunnen het volgende omvatten: a)
de specificaties van het toegangspunt van het gebouw en de specificaties van de glasvezelinterface;
b)
de kabelspecificaties;
c)
de contactdoosspecificaties;
d)
de specificaties van leidingen of microducts;
e)
de technische specificaties die nodig zijn om interferentie met elektrische bekabeling te voorkomen;
f)
de minimale buigradius;
g)
technische specificaties voor de installatie van de bekabeling.
5. Gebouwen die overeenkomstig dit artikel zijn uitgerust, komen op vrijwillige basis en volgens de door de lidstaten vastgestelde procedures in aanmerking voor een “glasvezelklaar”-label, indien de lidstaten ervoor hebben gekozen een dergelijk label in te voeren.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
41
NL
6. De lidstaten mogen certificeringsregelingen opzetten om aan te tonen dat aan de in lid 4 bedoelde normen of technische specificaties is voldaan en om het in lid 5 bedoelde “glasvezelklaar”-label toe te kennen. De lidstaten mogen de afgifte van de in de leden 1 en 3 bedoelde bouwvergunningen afhankelijk stellen van de naleving van de in dit lid bedoelde normen of technische specificaties op basis van een technisch project en, in voorkomend geval, de vergunning om het gebouw na voltooiing van de bouw voor het beoogde doel te gebruiken, op basis van een gecertificeerd testverslag of een soortgelijke procedure die door de lidstaten is opgezet en een inspectie ter plaatse van de gebouwen of een representatieve steekproef daarvan kan omvatten. 7. De leden 1 en 3 zijn niet van toepassing op bepaalde categorieën gebouwen indien de naleving van die leden onevenredig is wat betreft de kosten voor individuele of gezamenlijke eigenaren op basis van objectieve elementen. De lidstaten wijzen dergelijke categorieën gebouwen aan op basis van naar behoren gemotiveerde en evenredige redenen. 8.
De lidstaten kunnen besluiten dat de leden 1 en 3 niet van toepassing zijn of van toepassing zijn met gedegen technische aanpassingen op bepaalde soorten gebouwen, zoals specifieke categorieën monumenten, historische gebouwen, militaire gebouwen en gebouwen die worden gebruikt voor nationale-veiligheidsdoeleinden, zoals omschreven in nationale wetgeving. De lidstaten wijzen dergelijke categorieën gebouwen aan op basis van naar behoren gemotiveerde en evenredige redenen. Informatie over deze categorieën gebouwen wordt via een centraal informatiepunt bekendgemaakt.
Artikel 9 Toegang tot fysieke binnenhuisinfrastructuur 1. Met inachtneming van lid 3, eerste alinea, heeft elke aanbieder van openbare elektronischecommunicatienetwerken het recht zijn netwerk op eigen kosten uit te rollen tot aan het toegangspunt van het gebouw. 2. Met inachtneming van lid 3 heeft elke aanbieder van openbare elektronischecommunicatienetwerken het recht om toegang te krijgen tot bestaande fysieke binnenhuisinfrastructuur met het oog op de uitrol van elementen van VHCN’s indien duplicatie technisch onmogelijk of economisch inefficiënt is. 16394/23
LAS/sp TREE.2.B
42
NL
3. Elke houder van een recht om gebruik te maken van het toegangspunt van het gebouw en de fysieke binnenhuisinfrastructuur voldoet aan alle redelijke schriftelijke verzoeken van aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken om toegang te krijgen tot het toegangspunt van het gebouw en de fysieke binnenhuisinfrastructuur onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, ook wat betreft de prijs, in voorkomend geval. De lidstaten kunnen voor deze verzoeken gedetailleerde voorschriften vaststellen. 4. Bij gebrek aan beschikbare glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur heeft elke aanbieder van openbare elektronischecommunicatienetwerken het recht zijn netwerk in de gebouwen van de abonnee aan te sluiten, mits de eigenaar of de abonnee daarmee instemt, met behulp van de bestaande binnenhuisinfrastructuur, in de mate waarin deze beschikbaar en toegankelijk is uit hoofde van lid 3, en de gevolgen voor het privé-eigendom van derden tot een minimum beperkt blijven. 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan het eigendomsrecht van de eigenaar van het toegangspunt van het gebouw of de fysieke binnenhuisinfrastructuur indien de houder van een recht om gebruik te maken van die infrastructuur of dat toegangspunt niet de eigenaar ervan is, noch aan het eigendomsrecht van andere derden, zoals grondeigenaren en gebouweigenaren. 6.
De lidstaten kunnen richtsnoeren verstrekken over de toepassing van dit artikel.
Artikel 10 Digitalisering van centrale informatiepunten 1. De centrale informatiepunten stellen passende digitale instrumenten ter beschikking, zoals webportalen, elektronische adressen, databanken, digitale platforms of digitale applicaties, om de online uitoefening van alle rechten en de naleving van alle verplichtingen uit hoofde van deze verordening mogelijk te maken. 2. De lidstaten kunnen verschillende digitale instrumenten ter ondersteuning van de in lid 1 bedoelde centrale informatiepunten onderling verbinden of geheel of gedeeltelijk integreren, naargelang het geval.
16394/23
LAS/sp TREE.2.B
43
NL
3. De lidstaten zetten een centraal nationaal digitaal toegangspunt op, bestaande uit een gemeenschappelijke gebruikersinterface die zorgt voor een naadloze toegang tot de gedigitaliseerde centrale informatiepunten.