Raadsmemo Financiële ontwikkelingen specialistische jeugdhulp 2026
Tekst van het document
aan: datum: onderwerp: van: openbaar: registratienr.: aantal bijlage(n):
de raad 3 maart Financiële ontwikkelingen specialistische jeugdhulp 2026 het college ja D/2026/773908 1
Aanleiding Op 4 november 2025 heeft u een raadsmemo (D/2025/753822) ontvangen waarin de financiële ontwikkelingen in 2025 worden geschetst en de noodzaak van aanvullende financiële middelen is toegelicht. Ook voor 2026 wordt een financieel tekort op de specialistische jeugdhulp verwacht. Met deze raadsmemo informeren wij u vroegtijdig over het financiële beeld van de kosten voor specialistische jeugdhulp in 2026. Ook voor het college is het van grote zorg dat de kosten van Jeugdzorg blijven stijgen. Lokaal werken we hard aan het verstevigen van de preventie. We zien positieve resultaten, door bijvoorbeeld toename van het aantal POH’ers en het inzetten van de Gezinsadvocaat. Dit vertaalt zich nog onvoldoende door naar het verlagen van de kosten. Regionaal werken we aan het vernieuwen en efficiënter maken van de Jeugdzorg. Dit doen we onder andere in bestuurlijke overleggen en afspraken met de consortia. Landelijk wordt gewerkt aan nieuwe wetgeving die meer grip op de reikwijdte van de Jeugdzorg moet krijgen. Het college ziet toegenomen grip realiseren op de financiële ontwikkelingen van de Jeugdzorg als één van haar kerndoelen. Bij deze kosten kan onderscheid worden gemaakt tussen financiële effecten die uit 2025 voortkomen en doorwerken in 2026, en nieuwe financiële ontwikkelingen.
Bij de financiële effecten die voortkomen uit 2025 gaat het om het tekort als gevolg van excessieve casuïstiek en de kosten voor maatwerkcontracten. Het financiële tekort is in de Tweede Bestuursrapportage 2025 incidenteel verwerkt, waarbij is aangekondigd dat dit tekort een structureel karakter heeft. Bij de jaarrekening 2025 is gebleken dat van het aangevraagde bedrag van € 1.500.000 in totaal € 1.200.000 is besteed. Hierdoor is een incidenteel voordeel van € 300.000 ontstaan. In 2026 zijn er nieuwe ontwikkelingen die tot extra kosten leiden. Het gaat om het voorstel voor volumegroei bij de consortia van jeugdhulpaanbieders in perceel 1 en om de stijging van regionale kosten voor specialistische jeugdhulp als gevolg van het instellen van een gemeenschappelijke regeling.
pagina:
2 van 4
registratienr.:
D/2026/773908
Deze raadsmemo heeft een informerend karakter. Besluitvorming over de benodigde aanvullende middelen voor 2026 vindt plaats bij de eerste Bestuursrapportage 2026. De structurele financiële consequenties worden betrokken bij de Perspectiefnota 2027–2030. Voor Heemskerk geldt dat de voorgestelde volumegroei en de regionale regeling voor het fonds excessieve casuïstiek pas in werking treden nadat zowel de eerste bestuursrapportage als de perspectiefnota, inclusief deze voorstellen, door de gemeenteraad zijn vastgesteld. De gevraagde aanvullende middelen zijn daarbij, onder voorbehoud van de besluitvorming door de gemeenteraden, afgestemd met de andere gemeenten in de jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond (ZKIJ). Toelichting In onderstaande tabel is een overzicht van de verwachte tekorten opgenomen. Per onderdeel wordt aansluitend kort ingegaan op de oorzaak.
1. Regionale regeling fonds excessieve casuïstiek 2. Berichtenverkeer a. Correctie OVAindexatie totaal jeugdbudget b. OVA-indexatie berichtenverkeer c. Kleine maatjes naar Consortia Berichtenverkeer na wijzigingen.
Begroot 2026 €0
Verwacht 2026 € 244.000*
Verschil 2026 € 244.000
€ 3.838.383
Verwacht 2027 € 487.000
Incidenteel /structureel S
N.n.t.b.
S
€ 220.000 N.n.t.b.
S S
€ - 498.000
€ 135.220 € - 56.582
€ 3.419.021
€ 4.344.021
€ 925.000
€0 € 135.000
€ 220.000 € 206.000
€ 220.000 € 71.000
OVA-indexatie is bijgeraamd in de begroting 2026 3. Volumegroei consortia 4. Bijdrage regionale inkoopfunctie Totaal verschil:
€ 1.460.000
* De bijdrage aan de regionale regeling ‘fonds excessieve casuïstiek’ kan nog wijzigen, omdat de peildatum voor het fonds nog wordt vastgesteld.
pagina:
3 van 4
registratienr.:
D/2026/773908
1. Regionale regeling fonds excessieve casuïstiek Bij excessieve casuïstiek gaat het om jeugdhulptrajecten met uitzonderlijk hoge kosten, als gevolg van de inzet van zeer intensieve en hoogspecialistische zorg. Deze kosten vallen nu nog buiten de reguliere lumpsumfinanciering van de consortia in perceel 1 en komen volledig voor rekening van de gemeente waar de jeugdige woonachtig is. Voor deze constructie is gekozen omdat anders deze hoge kosten bij de consortia terecht komen met als gevolg dat het reguliere aanbod wordt verdrongen en wachtlijsten ontstaan. In het kader van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdhulp, die inzet op regionale samenwerking tussen gemeenten om specialistische jeugdhulp duurzaam beschikbaar te houden en financiële risico’s te beheersen, wordt toegewerkt naar een regionale regeling voor excessieve casuïstiek. Dit draagt bij aan een meer structurele regie op de kosten en leidt op de lange termijn tot grotere voorspelbaarheid van de uitgaven. Door het financiële risico van toekomstige instroom van excessieve casuïstiek gezamenlijk op te vangen, worden individuele gemeenten, waaronder Heemskerk, beschermd tegen grote en onvoorspelbare financiële lasten. De kosten voor een excessieve casus kunnen voor een gemeente al snel oplopen tot een miljoen euro.
Met een regionaal fonds wordt voorkomen dat de gemeente Heemskerk onverwachts met een extreem hoge extra uitgave wordt geconfronteerd. Met deze regionale regeling wordt in 2026, binnen het lumpsumkader van perceel 1, een geoormerkt regionaal fonds voor meervoudige jeugdhulp ingericht. De omvang van het fonds is bepaald op basis van de historische uitgaven van de ZKIJ-gemeenten aan dit type casuïstiek en bedraagt jaarlijks € 5.000.000. Dit bedrag kan niet binnen het huidige financieel kader voor perceel 1 worden vrijgemaakt. Daarom wordt een hogere bijdrage van de gemeenten gevraagd. Het fonds kent een ingroeipad van twee jaar. 2. Berichtenverkeer In het berichtenverkeer worden alle betalingen verwerkt voor jeugdhulp die buiten de consortia om wordt verleend. Het betreft de betalingen voor enkelvoudige jeugdhulp in perceel 2, LWI, maatwerkcontracten en de hooggespecialiseerde jeugdhulp die zo specifiek is dat deze niet regionaal wordt ingekocht. Deze trajecten zijn kostbaar en één jeugdige meer of minder kan daardoor direct een groot financieel effect hebben. Het merendeel van de maatwerkcontracten betreft overeenkomsten die zijn afgesloten voor de invoering van de nieuwe contracten met de consortia. Een kleiner deel van de maatwerkcontracten vloeit voort uit de maatregel excessieve casuïstiek en de maatwerkregeling acute onveiligheid.
Nadere achtergrondinformatie over deze maatwerkregelingen is opgenomen in de raadsmemo ‘Financiële ontwikkelingen 2025 (D/2025/753822)’. Regionaal is afgesproken dat per 1 januari 2026 geen nieuwe maatwerkcontracten meer worden afgesloten en dat alle benodigde jeugdhulp door de consortia wordt geleverd. De afspraak om geen nieuwe maatwerkcontracten meer af te sluiten betekent niet dat de kosten voor maatwerk na 2025 volledig wegvallen. Voor contracten die voor 1 januari 2026 zijn afgesloten en waarbij jeugdigen ook in 2026 nog jeugdhulp ontvangen, is aanvullend budget nodig. Een onderzoek is gestart naar de integratie van de maatwerkcontracten binnen de lumpsumfinanciering. De overdracht van dit maatwerk heeft in 2026 hoge prioriteit, om te komen tot beter beheersbare en bestuurbare financiële kaders. De verwachting is dat de kosten voor maatwerk in 2026 gelijk blijven aan die van 2025, waarbij rekening is gehouden met de OVA-indexatie van 2026. In totaal betekent dit een bijstelling van € 925.000. De gevolgen en impact van de nieuwe financieringsafspraken in 2026 worden gemonitord.
pagina:
4 van 4
registratienr.:
D/2026/773908
Naar verwachting ontstaat in het derde kwartaal van dit jaar meer duidelijkheid over de ontwikkelingen in het jeugdbudget. De raad wordt hierover geïnformeerd. 3. Volumegroei consortia Sinds de invoering van de nieuwe werkwijze met consortia voor specialistische jeugdhulp is consequent uitgegaan van een nullijn voor volumegroei. Met volumegroei wordt niet alleen een stijging van het aantal jeugdigen bedoeld, maar ook de gezamenlijke ontwikkeling van omvang, duur en zwaarte van de ingezette trajecten. Voor 2026 wordt voorgesteld deze nullijn eenmalig los te laten en een volumegroei van 2,4% toe te staan. Aanleiding hiervoor is de aanhoudende structurele druk op het stelsel, onder meer door een zwaardere zorgvraag als gevolg van de afbouw van JeugdzorgPlus (gesloten jeugdhulp waar jeugdigen verblijven op basis van een machtiging van de kinderrechter), oplopende wachtlijsten en een beperkte beschikbare capaciteit. De voorgestelde volumegroei van 2,4% blijft ruim onder de landelijke groeiraming van 4,7% zoals vastgesteld door de commissie Van Ark. Door deze ontwikkeling voorzichtig in te ramen, blijft de prikkel voor alle betrokken partijen bestaan om doelmatig te werken, ruimte te geven aan innovatie en verder te investeren in alternatieve vormen van zorg en preventie.
De volumegroei is nodig om te voorkomen dat wachttijden verder oplopen en de inzet van niet-gecontracteerde en dus duurdere zorg toeneemt. Daarnaast draagt beperkte volumegroei bij aan het opvangen van de extra druk die ontstaat door het aflopen van de noodmaatregelen bij de gecertificeerde instellingen. Door het beëindigen van deze noodmaatregelen moeten de consortia op zeer korte termijn zelf de casuïstiek met een hoog veiligheidsrisico kunnen opvangen. Hiervoor moeten zij binnen hun aanbod capaciteit reserveren. 4. Bijdrage regionale inkoopfunctie Door de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdhulp moet de jeugdregio in 2026 belangrijke stappen zetten richting de oprichting van een Gemeenschappelijke Regeling. Deze oprichtingsopgave vraagt daardoor een aanzienlijk deel van de begroting. Een investering is noodzakelijk om in 2027 als nieuwe organisatie van start te kunnen gaan. Het betreft onder meer de kosten voor een kwartiermaker, het centraliseren van de backoffice, juridische ondersteuning en de uitvoering van het inrichtingsplan. Deze oprichtingskosten zijn incidenteel. Bijlagen Raadsmemo financiële ontwikkelingen 2025 (D/2025/753822).