Bijlage 6. Wettelijke verplichtingen
Tekst van het document
GR Jeugdregio ZKIJ – Wettelijke verplichtingen
Wettelijke verplichtingen GR Jeugdregio ZKIJ Bepalingen die van rechtswege gelden en niet in de regeling zijn opgenomen Dit document inventariseert de wettelijke verplichtingen die van rechtswege van toepassing zijn op de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond en haar organen, zonder dat deze verplichtingen in de regelingtekst zelf zijn opgenomen. Het is een referentiedocument voor raadsleden, juristen en bestuurders. De achterliggende keuze is om herhaling van wettelijke bepalingen in de regeling te vermijden en de tekst compact te houden. Een gemeenschappelijke regeling is een aanvulling op de wet, geen kopie ervan. Waar de Wgr, de Jeugdwet, de Wvbj, de Gemeentewet of andere wetten zelf een verplichting bevatten, is opname in de regeling juridisch overbodig en redactioneel ongewenst. De regeling concentreert zich op eigen keuzes, bevoegdheidsverdeling en procedures die de wet aan de samenwerkende gemeenten overlaat.
1. Verplichtingen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen 1.1 Bestuurssamenstelling en besluitvorming De voorzitter van het openbaar lichaam wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde (artikel 13, negende lid, Wgr). Artikel 12 van de regeling bepaalt dat het algemeen bestuur uit zijn midden tevens een plaatsvervangend voorzitter aanwijst. De plaatsvervangend voorzitter is niet als zodanig in de Wgr geregeld; het betreft een bepaling in de regeling zelf. Leden van het dagelijks bestuur mogen gezamenlijk nooit de meerderheid vormen in het algemeen bestuur (artikel 14, derde lid, Wgr). Deze dualismetoets geldt van rechtswege en vereist geen opname in de regeling. De voorzitter van het algemeen bestuur is van rechtswege tevens voorzitter van het dagelijks bestuur (artikel 12, derde lid, Wgr).
1.2 Democratische legitimatie en raadsbevoegdheden De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gezamenlijk verzoeken om instelling van een gemeenschappelijke adviescommissie van raadsleden (artikel 24a Wgr). Indien alle raden daarom verzoeken, is het algemeen bestuur verplicht deze commissie in te stellen. De rekenkamers van de deelnemende gemeenten hebben onderzoeksbevoegdheid bij het openbaar lichaam (artikel 184 Gemeentewet). De Wgr-wijziging van 2022 heeft deze bevoegdheid verduidelijkt: lokale rekenkamers, waaronder gezamenlijke rekenkamers, kunnen onderzoek doen naar het door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling gevoerde beleid. Een rekenkamer die een dergelijk onderzoek start, stelt de rekenkamers van de overige deelnemende gemeenten daarvan in kennis. Deze bevoegdheid geldt van rechtswege.
Pagina 1
GR Jeugdregio ZKIJ – Wettelijke verplichtingen
De raden kunnen gezamenlijk besluiten tot een regionaal onderzoek naar het door het bestuur van de GR gevoerde beleid (artikelen 155g en 155h Gemeentewet). Het betreft een gezamenlijke enquêtebevoegdheid die vereist dat alle raden instemmen.
1.3 Bekendmaking en kennisgeving Bekendmaking van de regeling geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad van de vestigingsgemeente (artikel 26, eerste lid, Wgr, in samenhang met de Wet elektronische publicaties). De regeling treedt niet eerder in werking dan nadat zij is bekendgemaakt (artikel 26, derde lid, Wgr). Wijziging, verlenging, opheffing, toetreding en uittreding worden op dezelfde wijze bekendgemaakt (artikel 26, vierde lid, Wgr).
1.4 Financiële verplichtingen en toezicht Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus, aan Gedeputeerde Staten (artikel 34, tweede lid, Wgr). De vastgestelde jaarrekening wordt binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan Gedeputeerde Staten gezonden (artikel 34, vierde lid, Wgr). De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële huishouding van het openbaar lichaam (artikel 35, zesde lid, Wgr). Dit omvat de verordeningsplicht voor de financiële huishouding, de accountantscontrole en het provinciaal financieel toezicht. De regeling bevat in artikel 20, vijfde lid, een verwijzing naar deze bepalingen, maar de verdere uitwerking volgt rechtstreeks uit de Gemeentewet en aanverwante wetgeving (BBV, Wet Fido). Na vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur zendt het de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen (artikel 35, vierde lid, Wgr). Dit betreft de zogenoemde tweede zienswijzeronde, die buiten de reguliere zienswijze voorafgaand aan de vaststelling staat.
Het provinciaal financieel toezicht op de begroting van de GR (repressief of preventief) volgt uit artikel 203 Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
1.5 Archief en openbaarheid De archiefverplichtingen vloeien voort uit de Archiefwet 1995 (respectievelijk de Archiefwet 2021, beoogde inwerkingtreding 1 januari 2027). Artikel 40, eerste lid, van de Archiefwet 1995 bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling een voorziening moet treffen omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. In de praktijk wordt het dagelijks bestuur als zorgdrager aangewezen. De Wet open overheid is van toepassing op het openbaar lichaam als bestuursorgaan. De Algemene verordening gegevensbescherming en de Uitvoeringswet AVG zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het lichaam.
Pagina 2
GR Jeugdregio ZKIJ – Wettelijke verplichtingen
2. Verplichtingen op grond van de Jeugdwet en de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg 2.1 Verplichte taken van de Jeugdregio (artikel 2.19 Jeugdwet) De Jeugdregio voert de in artikel 2.19, eerste lid, Jeugdwet genoemde taken uit met inachtneming van de regiovisies van de deelnemende gemeenten. Deze gebondenheid aan de regiovisies vloeit rechtstreeks uit de wet voort. Bij het aangaan van overeenkomsten of het nemen van subsidiebesluiten zijn geen verschillen in voorwaarden tussen de deelnemende gemeenten toegestaan (artikel 2.19, tweede lid, Jeugdwet). Dit is in artikel 4, tweede lid, van de regeling herhaald, maar het verbod zou ook zonder die herhaling gelden. De bij ministeriële regeling te bepalen administratieve processen behorende bij de contractering of subsidiëring door de Jeugdregio worden door de Jeugdregio uitgevoerd (artikel 2.19, eerste lid, onderdeel b, Jeugdwet). Het gaat om onder meer monitoring, relatiemanagement en het maken van afspraken met jeugdhulpaanbieders over door hen aan te leveren gegevens. De nadere uitwerking van deze processen geschiedt bij ministeriële regeling, niet door de colleges. Deze processen worden niet in de GR zelf opgenomen. De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van specialistische jeugdhulp die regionaal moeten worden gecontracteerd, staan in artikel 2.2.3 van het Besluit Jeugdwet (Stb. 2025, 357).
De vormen waarvoor bovenregionale afstemming vereist is, staan in artikel 2.2.4 van dat Besluit. De regio-indeling in 42 jeugdregio's is vastgelegd bij algemene maatregel van bestuur (artikel 2.2.2 Besluit Jeugdwet). Wijziging van de regio-indeling vereist wijziging van dat Besluit.
2.2 Regiovisie als raadsbevoegdheid De regiovisie is een verplicht onderdeel van het gemeentelijk beleidsplan dat elke gemeenteraad vaststelt op grond van artikel 2.2 Jeugdwet. Het vaststellen is en blijft een bevoegdheid van de individuele raad, niet van de GR. Artikel 2.2.1 van het Besluit Jeugdwet schrijft voor dat de regiovisie ten minste ingaat op inspraak van jeugdigen, afstemming met aanbieders over schaarste, aanpak van wachttijden met maximaal aanvaardbare normen, de verbinding tussen regionaal en landelijk gecontracteerd aanbod en aanpalende domeinen, en de wijze waarop regionale expertteams worden ingericht.
2.3 Toezicht door de Nederlandse Zorgautoriteit De NZa heeft op grond van de Wvbj drie taken op het terrein van de jeugdzorg die per 1 januari 2026 respectievelijk 1 januari 2027 in werking treden: Stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdhulp en verwachte ontwikkelingen (artikel 9a.1 Jeugdwet, in werking per 1 januari 2026).
Pagina 3
GR Jeugdregio ZKIJ – Wettelijke verplichtingen
Vroegsignalering van risico's voor een toereikend aanbod (artikel 9a.2 Jeugdwet). De Jeugdregio is per 1 januari 2027 verplicht op verzoek gegevens te verstrekken ten behoeve van deze vroegsignalering. Meldplicht continuïteit: de Jeugdregio meldt bij de NZa zodra zij een tekort signaleert of voorziet in het gecontracteerde aanbod van specialistische jeugdhulp (artikel 9a.2, vierde lid, Jeugdwet). De NZa heeft jegens de Jeugdregio geen toezichthoudende taken in strikte zin. Indien de NZa constateert dat een Jeugdregio onvoldoende handelt, informeert zij de minister, die via interbestuurlijk toezicht kan ingrijpen (artikel 9a.3, vierde lid, onder b, Jeugdwet).
2.4 Cliëntervaringsonderzoek Artikel 2.10 Jeugdwet verklaart artikel 2.5.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van overeenkomstige toepassing. Dat artikel verplicht gemeenten tot het jaarlijks uitvoeren van een cliëntervaringsonderzoek onder cliënten. Artikel 3 van de Regeling Jeugdwet werkt dit nader uit. De verplichting rust op de individuele colleges. Uitvoering van het onderzoek door de GR vereist geen afzonderlijke delegatie in de regeling. Artikel 4, derde lid, onderdeel a, van de regeling omvat materieel al het systematisch verzamelen van gegevens over kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen, waaronder het cliëntervaringsonderzoek valt. Delegatie in de zin van artikel 30 Wgr ziet op besluitbevoegdheden; het cliëntervaringsonderzoek is een feitelijke uitvoeringshandeling. De operationele afspraken over methode, doelgroepbenadering en rapportage worden vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst op grond van artikel 4, zesde lid, van de regeling.
3. Overige van rechtswege geldende verplichtingen 3.1 Personeel en rechtspositie Het personeel van het openbaar lichaam is overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en neemt op grond van artikel 21 van die wet verplicht deel in de Stichting Pensioenfonds ABP. Dit hoeft niet in de regeling te worden opgenomen. De Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is van toepassing op het personeel. De arbeidsverhoudingen worden beheerst door het arbeidsrecht van het Burgerlijk Wetboek en de toepasselijke cao. Op gemeenschappelijke regelingen is in beginsel de Cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO) van toepassing.
3.2 Bestuurlijke rechtsbescherming en klachtrecht Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over klachtbehandeling is van toepassing op het lichaam als bestuursorgaan. Artikel 24 van de regeling verwijst hiernaar. Bezwaar en beroep tegen besluiten van het openbaar lichaam volgen de reguliere bestuursrechtelijke procedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Het openbaar lichaam is zelf het bestuursorgaan dat op bezwaarschriften tegen zijn eigen besluiten beslist, niet het college van een deelnemende gemeente.
3.3 Geschilbeslechting door Gedeputeerde Staten
Pagina 4
GR Jeugdregio ZKIJ – Wettelijke verplichtingen
Artikel 28 Wgr voorziet in geschilbeslechting door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland. Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van gemeenten en het bestuur van het openbaar lichaam worden door Gedeputeerde Staten beslist. Artikel 30 van de regeling bouwt hierop voort met een getrapte procedure, maar het wettelijke kader blijft van toepassing.
3.4 Verordeningsbevoegdheid Het bestuur van het openbaar lichaam kan uitsluitend die verordeningen vaststellen waartoe het op grond van de Wgr of andere wetgeving bevoegd is. Bij een collegeregeling zoals de GR Jeugdregio ZKIJ is de raad geen deelnemer aan de regeling, waardoor de verordenende bevoegdheid van de raad niet kan worden overgedragen aan het openbaar lichaam. De verordeningen die het bestuur wel kan vaststellen betreffen de financiële verordening op grond van de artikelen 212 en 213 Gemeentewet (van overeenkomstige toepassing via artikel 35, zesde lid, Wgr) en, na inwerkingtreding van de Archiefwet 2021, een archiefverordening.
4. Slotopmerking Deze lijst is indicatief en niet uitputtend. De juridische praktijk leert dat nieuwe wetgeving en jurisprudentie voortdurend nieuwe verplichtingen met zich meebrengen die van rechtswege doorwerken in de taakuitoefening van een gemeenschappelijke regeling. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur dragen er zorg voor dat de uitvoeringspraktijk van het lichaam deze wettelijke verplichtingen volgt, ook zonder dat zij in de regelingtekst zijn herhaald.
Pagina 5