Bijlage 2. Was-wordt tabel
Tekst van het document
Bijlage bij wijziging Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJmond Was-wordt-tabel artikelen Leeswijzer Om de Was-Wordt lijst goed te interpreteren is het van belang dat u de leeswijzer goed doorneemt. De bestaande tekst is de tekst zoals die luidt na de 8e wijziging 19 juli 2024. De nieuwe tekst is de tekst zoals vast te stellen door de deelnemers. Deze is volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving opgesteld. In de bestaande tekst zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet. In de bestaande tekst is de tekst die vervalt omdat het al in een wet of AMVB staat, cursief en onderstreept gezet. In de nieuwe tekst zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt en ook onderstreept als de bestaande tekst al vet was gedrukt. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1 Begrippen
Artikel 1 Definities
In deze gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder: a. basistakenpakket: de activiteiten zoals genoemd in bijlage VI van het Omgevingsbesluit en de daarbij horende werkzaamheden zoals genoemd in artikel13.12 van het Omgevingsbesluit. b. belang van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit: zorg voor milieu, bodem, lucht, water(systemen), bouwwerken, infrastructuur, landschappen en natuur in ruime zin waarbij in samenspel met andere beleidsterreinen van de deelnemers aan duurzame ontwikkeling vorm wordt gegeven; c. colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten onderscheidenlijk het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland; d. deelnemer(s): de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende bestuursorganen van de gemeenten, te weten Beemster, Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort en van provincie Noord-Holland;
In deze gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder: - basistakenpakket: de activiteiten genoemd in bijlage VI van het Omgevingsbesluit en de daarbij horende werkzaamheden genoemd in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit. - colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie; - deelnemer(s): de aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van de gemeenten en provincie; - dienst: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2; - dienstverleningsovereenkomst: de overeenkomst tot opdracht die een deelnemer of derde partij met de dienst kan sluiten over de uit te voeren taken en de voorwaarden waaronder die uitvoering plaatsvindt; - facultatieve taken: taken die niet verplicht zijn om in de regeling onder te brengen; - gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van provincie; - gemeenten: gemeente Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan,
e. dienst: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2; f. dienstverleningsovereenkomst: de opdrachtovereenkomst die een deelnemer of derde partij met de dienst kan sluiten over door de dienst voor een deelnemer of derde partij uit te voeren taken en de voorwaarden waaronder die uitvoering plaatsvindt, daaronder mede begrepen de financiële voorwaarden; g. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van provincie NoordHolland; h. provincie: provincie Noord-Holland; i. milieutakenpakket: de adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Waaronder alle vergunningverlenende, toezichthoudende en handhavingstaken in het kader van de Omgevingswet en de Wetmilieubeheer en daaruit voortvloeiende regelgeving en taken op het gebied van milieu. Dit omvat ook de advisering op het gebied van klimaat, duurzaamheid, lucht, geluid, externe veiligheid, bodem, water, natuur en biodiversiteit bij beleidsplannen, omgevingsvisies, omgevingsplannen, regelgeving, programma’s en projectbesluiten; j. plustaken: taken op het gebied van de Omgevingswet, zoals bouwtaken, de Alcoholwet, de algemene plaatselijke verordening, het omgevingsplan en/of andere taken die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving; k. regeling: deze gemeenschappelijke regeling; l.
samenwerkingsgebied: het gezamenlijk grondgebied van de deelnemers aan deze regeling; m. uitvoering: het anders dan via algemeen verbindende voorschriften effectueren van genomen besluiten; n. Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.
-
-
Purmerend, Velsen, Waterland, Wormerland, Uitgeest en Zandvoort; provincie: provincie Noord-Holland; regeling: deze gemeenschappelijke regeling; samenwerkingsgebied: het gezamenlijk grondgebied van de deelnemende gemeenten aan deze regeling; verplichte taken: taken die alle deelnemers in de regeling afnemen, behalve de provincie. Het verplichte takenpakket omvat
het basistakenpakket en de gespecifieerde adviestaken voor de milieutaken. De omvang is in Bijlage I van deze regeling vastgelegd; -
wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2 Openbaar lichaam
Artikel 2 Openbaar lichaam
1. Er is een openbaar lichaam, genaamd “Omgevingsdienst IJmond”. 2. Het openbaar lichaam is rechtspersoon en gevestigd te Beverwijk. 3. Het openbaar lichaam is primair ingesteld in het belang van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke
1. Er is een openbaar lichaam genaamd Omgevingsdienst IJmond. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd in Beverwijk.
leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in het samenwerkingsgebied. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3 Bestuur van de dienst
[Geen nieuwe tekst: is geregeld in artikel 12 lid 1 van de wet.]
Het bestuur van de dienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Zie art 1 onder b]
Artikel 3 Belang De regeling is ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken en bevoegdheden voor de fysieke leefomgeving in het algemeen, de Omgevingswet in het bijzonder en vergunningverlening, toezicht en handhaving op grond van het omgevingsrecht.
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
ALGEMEEN BESTUUR
Paragraaf 2.1 Algemeen bestuur
Artikel 4 Samenstelling
Artikel 4 Samenstelling
1. Het algemeen bestuur bestaat uit vijftien leden. 2. De colleges wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan. 3. De colleges wijzen ieder uit hun midden één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in lid 1, bij afwezigheid. 4. Het in deze regeling ten aanzien van leden van het algemeen bestuur bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.
1. Het algemeen bestuur bestaat uit vijftien leden. 2. De colleges wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan. 3. De colleges wijzen ieder uit hun midden één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het tweede lid, bij afwezigheid. 4. Bepalingen in deze regeling voor leden van het algemeen bestuur zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5 Zittingperiode en beëindiging lidmaatschap
Artikel 5 Zittingsperiode en beëindiging lidmaatschap
1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode gelijk aan de periode waarvoor het college wordt benoemd. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van het betreffende college afloopt. 2. Hij die ophoudt collegelid te zijn, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn. 3. Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na dit openvallen. 4. Een plaatsvervangend lid treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5. De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffendecollege niet langer bezit. Artikel 50 van de Gemeentewet onderscheidenlijk artikel 50 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit zijn artikel 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 6. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur alsmede de raad die onderscheidenlijk het college dat hen heeft benoemd, schriftelijk op de hoogte.
Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien. 7. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt tevens op het moment van uittreding uit de regeling van de deelnemer die het lid vertegenwoordigt.
1. Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na dit openvallen. 2. Een tussentijds benoemd lid treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd volgens de Gemeentewet of de Provinciewet aftreedt. 3. De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan, wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. 4. Een lid van het algemeen bestuur kan altijd ontslag nemen en deelt dit schriftelijk mee aan de voorzitter van het algemeen bestuur en het college of staten dat hem heeft benoemd. Een lid dat ontslag neemt, blijft de functie waarnemen, totdat in de opvolging is voorzien. 5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op het moment van uittreding uit deze regeling van de deelnemer die het lid vertegenwoordigt.
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6 Incompatibiliteit
Artikel 7 Incompatibiliteit
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege het bestuur van een deelnemer dan wel door of vanwege het bestuur van de dienst aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn voor een deelnemer of de dienst.
In aanvulling op de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar of werknemer bij een van de deelnemers van deze regeling of van de dienst.
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 7 Orde
Artikel 8 Orde
1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. 2. Het algemeen bestuur vergadert tenminste viermaal per jaar. 3. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. 4. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte der aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 5. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of worden besloten over: a. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening; b. het toetreden tot en het uittreden uit de regeling; c. het wijzigen en beëindigen van de regeling.
1. Het algemeen bestuur vergadert tenminste vier keer per jaar. 2. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over het vaststellen van de begroting en de jaarrekening.
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 8 Stemrecht
Artikel 9 Besluitvorming
1. In geval van stemming heeft ieder van de leden van het algemeen bestuur één stem. 2. Voor het nemen van een besluit geldt, indien de voorzitter of een van de leden om hoofdelijke oproeping verzoekt, een gewogen stemverhouding tussen de deelnemers.
1. Besluiten worden genomen bij tweederde meerderheid van stemmen met een gewogen stemverhouding per deelnemer, tenzij deze regeling anders bepaalt. 2. De gewogen stemverhouding per deelnemer wordt bepaald op basis van de jaarlijkse financiële bijdrage van de deelnemer aan de dienst. Dat zijn zowel de verplichte taken als de facultatieve taken van
3. De verhouding van de stemmen over de leden van de verschillende deelnemers wordt bepaald op basis van de jaarlijkse financiële bijdrage van iedere deelnemer aan het openbaar lichaam. 4. Het algemeen bestuur stelt deze verhouding vast op basis van de vastgestelde begroting voor het volgende jaar. Indien de begroting gedurende een jaar wordt gewijzigd, stelt het algemeen bestuur de stemverhouding opnieuw vast direct met het besluit tot vaststelling van de gewijzigde begroting.
3.
de deelnemer, als percentage van de totale begroting. Projecten worden hierin niet meegerekend. Deze gewogen stemverhouding wordt jaarlijks bepaald op basis van de vastgestelde begroting voor het volgende jaar. Als de begroting gedurende een jaar wordt gewijzigd, stelt het algemeen bestuur de stemverhouding opnieuw vast direct met het besluit tot vaststelling van de gewijzigde begroting.
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 9 Inlichtingen en verantwoording
Artikel 10 Inlichtingen en verantwoording
1. Het bestuur van de omgevingsdienst verstrekt aan gedeputeerde staten, de colleges, provinciale staten en de raden van de deelnemers alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De inlichtingen worden verstrekt bij de periodieke rapportages. 2. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat dit lid heeft aangewezen en de eigen raad verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 3. Een verzoek om inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd op grond van de Wet open overheid.
1. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat dit lid heeft aangewezen en de eigen raad of staten verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
2. In de dienstverleningsovereenkomsten kunnen afspraken worden vastgelegd over de manier waarop verantwoording en het verstrekken van inlichtingen plaatsvindt.
Artikel 9a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 9a Participatie
Artikel 11 Participatie
1. Inwoners van de deelnemers en belanghebbenden kunnen door de deelnemers bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van het openbaarlichaam betrokken worden. 2. Het algemeen bestuur kan in overleg met de deelnemer tot een participatieprocedure besluiten die afwijkt van het eerste lid.
1. Inwoners van de deelnemers en belanghebbenden kunnen door de deelnemers bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van het openbaarlichaam betrokken worden. 2. In afwijking van het eerste lid kan het algemeen bestuur in overleg met de deelnemers tot een participatieprocedure besluiten.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 12 Opdrachtgeversplatform 1. Het algemeen bestuur kan besluiten een opdrachtgeversplatform in te richten. 2. Het opdrachtgeversplatform richt zich op zaken die alle opdrachtgevers betreffen en dient als plek om de samenwerking tussen deelnemers en dienst te bevorderen. 3. Het opdrachtgeversplatform bestaat uit een (ambtelijke) vertegenwoordiging van alle deelnemers. 4. Als een opdrachtgeversplatform wordt ingericht, wordt ook een jaarplan opgesteld met daarin de voorgenomen activiteiten. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
DAGELIJKS BESTUUR
Paragraaf 2.2 Dagelijks bestuur
Artikel 10 Samenstelling
Artikel 13 Samenstelling
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden, inclusief de voorzitter, met inachtneming van de mogelijkheid tot benoeming van een vijfde lid op grond van het derde lid. 2. De in het eerste lid bedoelde leden worden, naast de voorzitter, door het algemeen bestuur aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten Beverwijk, Haarlem, Heemskerk en Velsen. 3. Het algemeen bestuur kan uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Waterland, Wormerland en Zandvoort en van provincie Noord-Holland een vijfde lid van het dagelijks bestuur aanwijzen.
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier andere leden. 2. In het dagelijks bestuur neemt tenminste één lid zitting uit
regio Zuid-Kennemerland (Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Zandvoort), één lid uit regio IJmond (Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest, Velsen) en één lid uit regio Zaanstreek-Waterland (Edam-Volendam, Landsmeer, Purmerend, Oostzaan, Waterland, Wormerland).
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 11 Zittingperiode en beëindiging lidmaatschap
Artikel 14 Zittingsperiode en beëindiging lidmaatschap
1. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling, volgend op de dag van aftreden van de colleges. 2. Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt daarmee tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn. Hij blijft, indien en voor zover hij nog lid is van het college, als lid van het dagelijks bestuur functioneren tot het moment waarop in zijn opvolging is voorzien. 3. Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na ditopenvallen. 4. Een plaatsvervangend lid treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou hebben moeten aftreden. 5. Het algemeen bestuur kan één of meer door hem aangewezen leden van het dagelijks bestuur ontslaan indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Artikel 50 van de Gemeentewet onderscheidenlijk artikel 50 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit zijn artikel 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 6. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.
Een lid dat ontslag heeft genomen, neemt zijn betrekking waar totdat zijn opvolger het lidmaatschap van het dagelijks bestuur heeft aanvaard.
1. De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling na de dag van aftreden van de colleges. 2. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt op het moment dat het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt. 3. Het aanwijzen van een lid ter vervulling van een plaats die door ontslag, overlijden of om andere reden openvalt, vindt plaats binnen twee maanden na dit openvallen. 4. Een lid van het dagelijks bestuur kan altijd ontslag nemen en deelt dit schriftelijk mee aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag neemt, blijft lid, totdat in de opvolging is voorzien.
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 12 Orde
Artikel 15 Orde
1. Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement wordt aan het algemeen bestuur medegedeeld. 2. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of wanneer twee leden hem dit schriftelijk verzoeken onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Indien een vergadering is gevraagd door het vereiste aantal leden, wordt zij binnen twee weken gehouden. 3. De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.
1. Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen. Dit reglement wordt aan het algemeen bestuur ter informatie toegezonden. 2. Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter dit nodig oordeelt of wanneer twee leden hem dit schriftelijk verzoeken onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Als een vergadering is gevraagd door twee leden, wordt zij binnen twee weken gehouden. 3. De vergaderingen van het dagelijks bestuur vinden achter gesloten deuren plaats.
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 13 Stemmen en besluitvorming
Artikel 16 Besluitvorming
1. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. 2. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 3. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. 4. Bij staking der stemmen heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
1. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. 2. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van het aantal leden aanwezig is. 3. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. 4. Bij staking van de stemmen heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 14 Inlichtingen en verantwoording
[Geen nieuwe tekst: Eerste lid is geregeld in artikel 19a, tweede lid van de wet Tweede lid is geregeld in artikel 19a, eerste lid van de wet Derde lid is geregeld in artikel 19b, eerste lid van de wet Vierde lid is geregeld in artikel 19b, tweede lid van de wet]
1. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 3. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop aan het eerste en tweede lid invulling wordt gegeven. 4. Over al hetgeen het openbaar lichaam betreft dient het dagelijks bestuur de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur desgevraagd van bericht en raad. 5. Het dagelijks bestuur doet mededeling van het in het vierde lid bedoelde verzoek en de inhoud daarvan aan de deelnemers. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 15 De voorzitter
Nieuwe tekst
1. Het algemeen bestuur wijst uit haar leden, aangewezen door de colleges van Beverwijk, Haarlem, Heemskerk en Velsen, de voorzitter aan. 2. Het algemeen bestuur wijst uit haar leden, aangewezen door de colleges van Beverwijk, Haarlem, Heemskerk en Velsen, een plaatsvervangend voorzitter aan. 3. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen. Indien het algemeen bestuur dit wenselijk acht, worden deze inlichtingen periodiek verstrekt. 4. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslaan indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Artikel 50 van de Gemeentewet onderscheidenlijk artikel 50 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit zijn artikel 4:8 en 7:1 van de Algemene wetbestuursrecht niet van toepassing. 5. Lid 3 is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend voorzitter. Lid 4 is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter in diens rol als lid van het algemeen bestuur.
[Geen nieuwe tekst: is geregeld in de artikelen 10:9 en 16 van de wet. Aanvullende regels over de plaatsvervangend voorzitter zijn verplaatst: Zie artikel 6 onder e en f (nieuw) bij artikel 20 (bestaand)]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
HOOFDSTUK III TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Hoofdstuk 3 Taken en bevoegdheden
Artikel 16 Taken en bevoegdheden dienst
Artikel 19 Taken en bevoegdheden dienst
1. De deelnemers uit de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest en Velsen dragen bij deze regeling de bevoegdheden beschreven in Bijlage I bij deze regeling aan het algemeen bestuur over. 2. Deelnemers en derden als bedoeld in artikel 18 kunnen aan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de directeur mandaat verlenen ter uitvoering van de bevoegdheden van de betreffende deelnemer. 3. Het nemen van zelfstandige besluiten op verzoeken om schadevergoedingen die veroorzaakt zouden zijn binnen het kader van de uitoefening van de onder de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde bevoegdheden, is aan de deelnemers voorbehouden. Het nemen van deze besluiten wordt noch aan de bestuursorganen van de dienst overgedragen, noch opgedragen.
1. De dienst voert voor de deelnemers het verplichte takenpakket uit en kan daarnaast facultatieve taken uitvoeren. 2. De colleges kunnen het dagelijks bestuur of de directeur van de dienst mandaat geven voor hun bevoegdheden binnen het belang van deze regeling. 3. Voor de uitvoering van de verplichte taken is mandaat van de colleges aan het dagelijks bestuur en de directeur van de dienst nodig. 4. Voor het uitbreiden of afbouwen van taken is instemming van het algemeen bestuur vereist.
4. De dienst voert voor de deelnemers in ieder geval het basistakenpakket uit en kan daarnaast ook het milieutakenpakket en/of plustaken uitvoeren. Bijlage I benoemt welke taken de dienst uitvoert. 5. Voor een uitbreiding van de door de dienst uit te voeren taken en/of van de aan de dienst overgedragen bevoegdheden, is de goedkeuring van de raad, onderscheidenlijk provinciale staten van de betreffende deelnemer, alsmede unanieme instemming van zowel het dagelijks bestuur als het algemeen bestuur vereist. 6. Na besluitvorming als bedoeld in het vijfde lid wordt Bijlage I bij deze regeling aangepast zonder dat sprake is van een wijziging als bedoeld in artikel 37 van deze regeling. 7. Een deelnemer kan een verzoek tot vermindering van het takenpakket schriftelijk ter kennis brengen van de dienst, hetgeen wordt gelijkgesteld met een verzoek tot gedeeltelijke uittreding voor wat betreft deze taken zoals bedoeld in artikel 36 van de regeling. 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing, wanneer wijzigingen in nationale en bovennationale wet- en regelgeving nopen tot wijzigingen in de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van het takenpakket.
Artikel 20 Verplichte taken 1. De uitwerking van het verplichte takenpakket wordt overeengekomen in een dienstverleningsovereenkomst. 2. Voor aanpassing van deze dienstverlening is instemming van het algemeen bestuur nodig. Het dagelijks bestuur bereidt daar een voorstel toe voor. Artikel 21 Facultatieve taken 1. De uitwerking van de facultatieve taken wordt overeengekomen in een dienstverleningsovereenkomst. 2. Een deelnemer kan het algemeen bestuur schriftelijk verzoeken om aanpassing van de dienstverlening. Bij het verminderen van de dienstverlening worden de frictiekosten gedragen door de deelnemer die de dienstverlening wil verminderen. In de dienstverleningsovereenkomst worden hier afspraken over vastgelegd. Voor aanpassing van deze dienstverlening is instemming van het algemeen bestuur nodig als het financiële effect meer dan 3% van de facultatieve taken van de betreffende deelnemer is.
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 17 Relatie deelnemers – dienst
Artikel 22 Dienstverleningsovereenkomst
1. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 16 worden door of namens het dagelijks bestuur en de deelnemers schriftelijke afspraken gemaakt in de vorm van een afsprakenkader. 2. In het afsprakenkader kunnen bepalingen komen te staan inzake: a. de omvang en kwaliteit van de te verlenen diensten en te leveren producten door de dienst; b. de uitvoering in relatie tot de bepalingen in artikel 33; c. de samenwerkingsstructuur en het -overleg; d. informatieverstrekking en rapportages; e. verplichtingen en kwaliteitsborging, daaronder begrepen de verordeningen als bedoeld in artikel 18.23 van de Omgevingswet; f. mandaten en machtigingen;
1. De dienstverleningsovereenkomst bestaat in elke geval uit drie delen: a. Deel A: Algemeen juridische bepalingen en afspraken; b. Deel B: Product-dienstencatalogus verplichte en facultatieve taken; c. Deel C: Financiën. 2. De dienstverleningsovereenkomst wordt ten minste eens in de vijf jaar geëvalueerd door het algemeen bestuur. Artikel 23 Beleidskader
g. archivering; h. aansprakelijkheden en risico’s; i. gegevensbeveiliging en klachten; j. duur, wijziging en opzegging van het afsprakenkader. 3. Elke deelnemer stelt periodiek beleid vast, waarin de ontwikkelingsrichtingen in het te voeren beleid met betrekking tot de in deze regeling ingebrachte taken uiteen wordt gezet. Mede op basis van dit beleid stelt de dienst jaarlijks een uitvoeringsprogramma op. 4. In het uitvoeringsprogramma legt de dienst vast welke diensten en producten op grond van de dienstverleningsovereenkomsten bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geleverd aan de deelnemer of derde.
1. Op basis van het beleid van de deelnemers stelt de dienst jaarlijks een uitvoeringsprogramma conform artikel 13.8 van het Omgevingsbesluit op. 2. In het uitvoeringsprogramma legt de dienst vast welke diensten en producten op grond van de dienstverleningsovereenkomsten worden uitgevoerd voor de deelnemers of derden.
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 18 Taken op verzoek
[Zie artikelen 19-21 (nieuw) bij artikel 16 (bestaand)]
1. De in artikel 16 aangeduide taken kunnen door de dienst op verzoek voor deelnemers en derden op grond van een dienstverleningsovereenkomst worden uitgevoerd. 2. In de dienstverleningsovereenkomst worden in ieder geval bepalingen opgenomen met betrekking tot de kosten van de uitvoering van de taak en de bepalingen zoals genoemd in artikel 17 tweede lid. 3. In het uitvoeringsprogramma bedoeld in artikel 20 tweede lid onder b, legt de dienst vast welke diensten en producten op grond van de afsprakenkaders bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geleverd aan de deelnemer of derde. Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 19 Delegatie en mandaat door de deelnemers
[Geen nieuwe tekst]
Vervallen. Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Gewijzigde tekst
Artikel 20 Algemeen bestuur
Artikel 6 Taken en bevoegdheden
1. Bij het algemeen bestuur berusten alle bevoegdheden die niet bij of krachtens deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn voorbehouden. 2. Het algemeen bestuur is in ieder geval belast met en bevoegd tot: a. het vaststellen van het tweejaarlijkse strategische beleidsplan (inclusief organisatie-ontwikkelings- en kwaliteitsborgingsplan); b. het vaststellen van het jaarlijkse uitvoeringsprogramma; c. het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot, uittreding uit, wijziging van of opheffing van de regeling; d. het besluiten tot deelname aan en samenwerken met gemeenschappelijke regelingen en het (mede) oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen, nadat de raden en provinciale staten van de deelnemers in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen; e. het instellen van commissies met het oog op de behartiging van bepaalde belangen zoals bedoeld in artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; f. tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling indien en voor zover nieuwe wetten en/of regels hiertoe nopen en het uitsluitend technische wijzigingen betreft. Voor een wijziging als hier bedoeld behoeft niet de procedure als omschreven in artikel 37 te worden gevolgd. 3.
Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur of aan een bestuurscommissie als bedoeld in het tweede lid onder e bevoegdheden van het algemeen bestuur over- of opdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen deze overdracht verzet. Het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheden mandateren aan de directeur.
Het algemeen bestuur is in aanvulling op de wet bevoegd tot: a. het vaststellen van het strategische beleidsplan, inclusief organisatieontwikkelings- en kwaliteitsborgingsplan; b. het vaststellen van het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en evaluatieverslag; c. het doen van voorstellen aan de deelnemers over toetreden tot, wijzigen van of opheffen van de regeling; d. het doen van voorstellen aan de deelnemers naar aanleiding van een
besluit tot uittreding van een of meerdere deelnemers; e. f.
het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter uit haar leden; het ontslaan van de plaatsvervangend voorzitter als deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Dit geldt niet voor zijn rol als lid van het algemeen bestuur.
Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 21 Commissies
[Geen nieuwe tekst]
Vervallen. Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 22 Dagelijks bestuur
[Geen nieuwe tekst: is geregeld in de artikelen 57b van de wet en Boek 7, titel 710 van het Burgerlijk wetboek (overeenkomsten). Zie verder paragraaf 2.2 Dagelijks bestuur, artikelen 13 tot en met 16 (nieuw).]
1. Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd en/of belast met: a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de dienst; d. ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan; e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de dienst te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55avan de Wgr; f. te besluiten, namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. 2. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van bezit of recht. 3. In aanvulling op het eerste lid onder e kan het dagelijks bestuur slechts besluiten tot het aangaan van geldleningen tot een totaalbedrag van 113.445,- euro per jaar.
Voor het aangaan van geldleningen die dat bedrag overstijgen dient goedkeuring van het algemeen bestuur te worden verkregen. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 23 Voorzitter
Nieuwe tekst
1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 2. De stukken die van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter ondertekend. Het dagelijks bestuur kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van dit bestuur, aan de secretaris-directeur of aan een of meer andere ambtenaren van de dienst. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is in een geding waarbij de dienst betrokken is, oefent een ander door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid deze bevoegdheid uit.
[Geen nieuwe tekst: is geregeld in de artikelen 12 en 57d van de wet en voor het verlenen van mandaat in de Algemene wet bestuursrecht.]
Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Paragraaf 2.4 Secretaris
Artikel 24 Secretaris
Artikel 18 Secretaris
1.
1. Het algemeen bestuur benoemt de secretaris en kan de secretaris schorsen of ontslaan. 2. De secretaris ondersteunt het algemeen en dagelijks bestuur, de voorzitter en eventuele commissies in de uitoefening van hun taak. 3. Alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend. 4. De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of dagelijks bestuur bepaalt dat de secretaris bij bepaalde (delen van) vergaderingen niet aanwezig is. 5. De secretaris zorgt voor de verslagen van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.
2.
3. 4.
5.
Het algemeen bestuur benoemt de secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur en kan hem tevens schorsen en ontslaan. De secretaris staat het algemeen, en het dagelijks bestuur, de voorzitter en eventuele commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde. Alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend. De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen en/of dagelijks bestuur bepaalt dat de secretaris bij bepaalde (onderdelen van) vergaderingen niet aanwezig dient te zijn. De secretaris is verantwoordelijk voor het opmaken van de verslagen van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
HOOFDSTUK IV DIRECTIE EN PERSONEEL
Hoofdstuk 4 Directie en personeel
Artikel 25 Directeur
Artikel 24 Directeur
1. De directeur is het hoofd van de dienst. 2. De secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur wordt door het dagelijks bestuur benoemd en ontslagen als directeur. 3. De directeur kan worden geschorst door het dagelijks bestuur. 4. De directeur kan zich in zijn taken en onder zijn verantwoording laten bijstaan door door hem aan te wijzen personen.
1.
De dienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur leiding geeft aan de ambtelijke organisatie en zorgt voor een juiste uitvoering van de taken van de dienst.
2. De directeur fungeert als secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur, nadat hij door het algemeen bestuur is benoemd tot secretaris.
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 26 Rechtspositie en bezoldiging
Artikel 25 Rechtspositie en bezoldiging
1. Het algemeen bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de rechtspositie vast conform de CAR/UWO voor het gemeentepersoneel. 2. Met betrekking tot tussentijdse wijzigingen van de CAR/UWO is het dagelijks bestuur bevoegd deze reeds toe te passen voor het personeel. Het algemeen bestuur stelt deze tussentijdse wijzigingen in de rechtspositie periodiek vast, waar nodig met terugwerkende kracht. 3. Het algemeen bestuur beslist op voorstel van het dagelijks bestuur over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.
Het algemeen bestuur beslist op voorstel van het dagelijks bestuur over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden.
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
HOOFDSTUK V FINANCIËLE BEPALINGEN
Hoofdstuk 5 Financiële bepalingen
Artikel 27 Financieel beheer
[Geen nieuwe tekst. Is geregeld in de Provinciewet.]
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot: a. de organisatie van de administratie en het kasbeheer; b. de controle op het geldelijke beheer en de boekhouding.
De artikelen 216 tot en met 219 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 28 Boekjaar 1. Het boekjaar van de dienst is gelijk aan het kalenderjaar. 2. Het eerste boekjaar loopt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december daaraanvolgend.
Nieuwe tekst Artikel 26 Boekjaar 1. Het boekjaar van de dienst is gelijk aan het kalenderjaar. 2. Het eerste boekjaar loopt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december daaraanvolgend.
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 29 Begroting
Artikel 27 Begroting
1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande dat waarvoor de begroting dient, toe aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het dagelijks bestuur zendt de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening vóór 30 april toe aan de raden van de deelnemende gemeenten resp. provinciale staten van de provincie. 4. Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting opgenomen ramingen en wijzigingen en wordt tevens rekening gehouden met de laatst bekende cao-afspraken zoals deze gelden voor de gemeentelijke overheid, het prijsindex-cijfer voor de overheidsconsumptie en inclusief autonome ontwikkelingen. 5. De begroting wordt voorzien van een memorie van toelichting waarin voldoende inzicht wordt gegeven in de kosten in relatie tot de te leveren diensten en/of producten.
1. Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting opgenomen ramingen en wijzigingen en wordt ook rekening gehouden met de laatst bekende cao-Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties, het prijsindexcijfer voor de overheidsconsumptie en inclusief autonome ontwikkelingen. 2. De begroting wordt voorzien van een toelichting waarin voldoende inzicht wordt gegeven in de kosten in relatie tot de te leveren diensten of producten en waarin de hoofdlijnen van de gewenste (beleids)ontwikkelingen in het samenwerkingsgebied worden aangegeven. 3. Aan de begroting wordt een meerjarenprognose toegevoegd. 4. De meerjarenprognose omvat een globale raming van uitgaven en inkomsten en wordt van een toelichting voorzien. 5. De in de meerjarenprognose op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loon- en kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting. 6. Op het wijzigen van de begroting zijn het tweede tot en met het vijfde lid zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, tenzij het technische begrotingswijzigingen betreft die niet zorgen voor een verhoging van de bijdragen van de deelnemers. Voor laatstgenoemde
6. De begroting gaat vergezeld van een beredeneerde toelichting, waarin de hoofdlijnen van de gewenste (beleids)ontwikkelingen in het samenwerkingsgebied worden aangegeven. 7. Aan de begroting wordt een meerjarenprognose toegevoegd. 8. De meerjarenprognose omvat een globale raming van uitgaven en inkomsten en wordt van een toelichting voorzien. 9. De in de meerjarenprognose op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loon- en kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting. 10. De raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie kunnen binnen twaalf weken na de datum van toezending van de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijze naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin die zienswijze is vervat, bij de begroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 11. Op het wijzigen van de begroting zijn de leden 2 tot en met 7 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, tenzij het technische begrotingswijzigingen betreft die niet zorgen voor een verhoging van de bijdragen van de deelnemers. Voor laatstgenoemde begrotingswijzigingen is het algemeen bestuur bevoegd deze vast te stellen zonder daarvoor een zienswijze van de deelnemers te verzoeken.
begrotingswijzigingen is het algemeen bestuur bevoegd deze vast te stellen zonder daarvoor een zienswijze van de deelnemers te verzoeken.
Artikel 29a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 29a Zienswijzen bij voorgenomen besluiten
Artikel 17 Zienswijzen bij voorgenomen besluiten
Buiten de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter, waarvoor aan de raden van de deelnemende gemeenten of provinciale staten van de deelnemende provincies een zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde lid jº artikel 52 eerste lid, van de wet wordt gevraagd.
Buiten de in wet- en regelgeving bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter waarvoor eerst aan de raden en staten van de deelnemers een zienswijze als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de wet wordt gevraagd.
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 30 Rekening
Artikel 28 Rekening
1. Van de baten en lasten van de dienst wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en het jaarverslag zonder uitstel en stelt haar vast vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de rekening en het verslag betrekking hebben. 2. De SiSa-verantwoordingsbijlage met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen maakt onderdeel uit van de toelichting op de jaarrekening. Het dagelijks bestuur verantwoordt zich door middel van de jaarrekening over de uitvoering van de regelingen van de specifieke uitkeringen overeenkomstig het bepaalde in artikel 17a van de Financiële- verhoudingswet uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag ter kennisneming aan de raden van de gemeenten en provinciale staten van de provincie.
1. Van de baten en lasten van de dienst legt het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording af aan het algemeen bestuur met de jaarrekening en het jaarverslag en de daarbij behorende bescheiden. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en het jaarverslag zonder uitstel en stelt haar binnen de wettelijke termijn vast. 2. De SiSa-verantwoordingsbijlage met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen maakt deel uit van de toelichting op de jaarrekening. Het dagelijks bestuur verantwoordt zich met de jaarrekening over de uitvoering van de regelingen van de specifieke uitkeringen volgens artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag ter kennisneming aan de raden en provinciale staten van de deelnemers.
Artikel 30a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 30a Tussenrapportage
Artikel 29 Tussenrapportage
1. Het algemeen bestuur stelt tweemaal per jaar een tussenrapportage vast met daarin informatie over het lopende begrotingsjaar. 2. In deze rapportage wordt ingegaan op de beleidsmatige en financiële tussenstand. 3. In de rapportage worden de afwijkingen in de geleverde prestaties ten opzichte van de geraamde prestaties benoemd en toegelicht. 4. In de rapportage wordt ingegaan op de overige zaken die van belang zijn om kennis te kunnen nemen van de stand van zaken. 5. De vastgestelde rapportages worden door het algemeen bestuur vóór 15 juli en 15 december aan de colleges gezonden.
1. Het algemeen bestuur stelt een keer per jaar een tussenrapportage vast met daarin informatie over het lopende begrotingsjaar. 2. In de rapportage staan: a. de beleidsmatige en financiële tussenstand; b. de afwijkingen in de geleverde prestaties ten opzichte van de geraamde prestaties met een toelichting; c. overige relevante zaken voor de stand van zaken. 3. Het algemeen bestuur stuurt de tussenrapportage van het betreffende jaar aan de deelnemers.
Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 31 Rekeningresultaat
Artikel 30 Rekeningresultaat
Verrekening van het verschil tussen de betaalde voorschotten en het jaarrekeningresultaat vindt plaats onmiddellijk na vaststelling van de rekening, waarbij negatieve resultaten worden verrekend met de algemene reserve en positieve resultaten eerst dienen tot aanzuivering van de algemene reserve tot 260.000,-euro en waarna verrekening dient plaats te vinden met de deelnemers. Ophoging van de algemene reserve tot boven voornoemd bedrag ten gevolge van toetreding van nieuwe deelnemers of de uitbreiding van ingebrachte taken door bestaande deelnemers kan plaatsvinden bij besluit van het algemeen bestuur.
1. Verrekening van het verschil tussen de betaalde voorschotten en het jaarrekeningresultaat volgt meteen na vaststelling van de rekening. Negatieve resultaten worden verrekend met de algemene reserve. Positieve resultaten vullen eerst de algemene reserve aan tot door het algemeen bestuur vastgestelde weerstandsratio bereikt is en worden daarna verrekend met de deelnemers. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten tot verhoging van de algemene reserve tot boven voornoemd bedrag bij toetreding van nieuwe deelnemers of uitbreiding van ingebrachte taken door bestaande deelnemers.
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 32 Financiering
Artikel 31 Financiering
1. De dienst verantwoordt zich in de begroting en de jaarstukken over de in artikel 8 van de Wet financiering decentrale overheden genoemde gegevens, conform de bij of krachtens die wet gestelde normen en regels. Bij afwijkingen dan wel dreigende overschrijding van de in de Wet financiering de centrale overheden genoemde normen, wordt daarover afzonderlijk en onverwijld gerapporteerd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Als de garantstelling van één of meer deelnemers nodig is, in verband met het aangaan van geldleningen en/of rekening courantovereenkomsten, dan wordt het conceptbesluit tot het aangaan van een geldlening, een rekening-courant-overeenkomst of het uitlenen van geld, aan de desbetreffende respectievelijk aan alle deelnemers ter goedkeuring voorgelegd. 3. Voor het betalen van rente en aflossing van aan te gane geldleningen en in rekening-courant op te nemen gelden staan de deelnemers garant voor zover ter zake door andere overheidsorganen geen garantie is verstrekt. De deelnemers nemen aan de garantie deel in de
1. De dienst verantwoordt zich in de begroting en de jaarstukken over de in artikel 8 van de Wet financiering decentrale overheden genoemde gegevens, conform de bij of krachtens die wet gestelde normen en regels. Bij afwijkingen of dreigende overschrijding van de in de Wet financiering decentrale overheden genoemde normen, wordt daarover afzonderlijk en onverwijld gerapporteerd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Als garantstelling van één of meer deelnemers nodig is voor een geldlening of een rekening-courant overeenkomst of het uitlenen van geld, dan wordt het conceptbesluit hiervoor aan de betrokken deelnemer of aan alle deelnemers ter besluitvorming voorgelegd. 3. De betrokken deelnemers staan garant voor het betalen van rente en aflossing van de geldlening en in rekening-courant op te nemen gelden voor zover door andere overheidsorganen geen garantie is verstrekt. De betrokken deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding van de omzet van de deelnemer in het voorgaande jaar.
verhouding van het aantal inwoners op 1januari van het jaar voorafgaande aan dat waarin de garantie is verleend. Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 33 Verdeling van baten en lasten
Artikel 32 Verdeling van baten en lasten
1. De lasten van de dienst worden gedekt door: a. bijdragen van de deelnemers voor de uitoefening van taken zoals bedoeld in artikel 16; b. bijdragen van de deelnemers aan schadevergoedingen. Deze schadevergoedingen komen volledig ten laste van de deelnemer binnen wiens aan de dienst opgedragen of overgedragen takenpakket, besluiten als bedoeld in artikel 22 zijn genomen; c. inkomsten uit de uitvoering van dienstverleningsovereenkomsten, onder meer op grond van artikel 18; d. subsidies, andere bijdragen dan de onder a van dit artikel bedoelde bijdragen en schenkingen; e. overige inkomsten; f. reserves. 2. De hoogte van de bijdragen bedoeld in het eerste lid onder a wordt voor de gemeenten Beverwijk, Haarlem, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en de provincie Noord-Holland voor de uitoefening van taken als bedoeld in artikel 16 per deelnemer telkens voor een periode van 3 jaar op basis van de door de dienst jaarlijks vastgelegde tijdschrijfgegevens door het algemeen bestuur vastgesteld. 3. De hoogte van de bijdragen bedoeld in het eerste lid onder a wordt voor de gemeenten Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemstede, Landsmeer, Purmerend, Oostzaan, Waterland, Wormerland en Zandvoort voor de uitoefening van taken als bedoeld in artikel 16 gesteld op jaarlijks een bedrag in een keer. De som in een keer wordt jaarlijks door het algemeen bestuur vastgesteld.
De basis voor de berekening van de som in een keer is de minimale afname van 1.115 uur voor gemeente Bloemendaal, 1.917 uur voor gemeente EdamVolendam, 1.115 uur voor gemeente Heemstede, 680 uur voor gemeente Landsmeer, 621 uur voor gemeente Oostzaan, 1.070 uur
1. De lasten van de dienst worden gedekt door: a. bijdragen van de deelnemers voor de uitoefening van verplichte taken, zoals vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst; b. bijdragen van de deelnemers voor de uitoefening van facultatieve taken, zoals vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst; c. bijdragen van de deelnemers aan schadevergoedingen. Deze schadevergoedingen komen volledig ten laste van de deelnemer voor wie de dienst de taak uitvoert. d. subsidies, andere bijdragen dan de onder a. bedoelde bijdragen en schenkingen; e. overige inkomsten; f. reserves. 2. Het algemeen bestuurt stelt de hoogte van de bijdragen in het eerste lid, aanhef en onder a en b steeds voor vijf jaar vast op basis van de door de dienst jaarlijks vastgelegde tijdschrijfgegevens.
voor gemeente Waterland, 1.384 uur voor gemeente Wormerland en 1.346 uur voor gemeente Zandvoort. Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
HOOFDSTUK VI ARCHIEFBESCHEIDEN
Hoofdstuk 6 Archiefbescheiden
Artikel 34 Archiefbescheiden
Artikel 33 Archiefbescheiden
1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de dienst, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling (Archiefverordening), die aan gedeputeerde staten moet worden medegedeeld. 2. Het dagelijks bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het samenwerkingsverbandgedelegeerde taken. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente waarbinnen de dienst is gevestigd. 4. Voor de door deelnemende gemeenten of provincie(s) gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten of provincie(s). 5. De secretaris (-directeur) is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 6. De archivaris is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7.
Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende gemeente of provincie. 8. Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.
1. Het dagelijks bestuur zorgt voor de archiefbescheiden van de dienst volgens de geldende Archiefwet en de door het algemeen bestuur vastgestelde regels op basis van de geldende Archiefwet. 2. Voor de bewaring van de op grond van de geldende Archiefwet over te brengen archiefbescheiden is de gemeente waar de dienst is gevestigd, aangewezen als archiefbewaarplaats. 3. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de archiefbescheiden bij deze deelnemers. 4. De archivaris van de deelnemers houdt toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken. 5. De directeur beheert de archiefbescheiden, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 6. De archivaris houdt toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
HOOFDSTUK VII TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 34 Toetreding
Artikel 35 Toetreding 1. Het algemeen bestuur doet naar aanleiding van een verzoek tot toetreding een voorstel omtrent toetreding aan de deelnemers en kan daarbij voorwaarden stellen. 2. Toetreding vindt plaats bij daartoe strekkende besluiten van de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers. 3. De toetreding gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en de nieuwe deelnemer, een en ander met inachtneming van bekendmaking van de benodigde besluiten conform artikel 44 van deze regeling.
Het algemeen bestuur doet na een verzoek tot toetreding een voorstel over toetreding aan de deelnemers en kan daarbij voorwaarden stellen. Toetreding is alleen mogelijk bij unaniem besluit van het algemeen bestuur.
Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 36 Uittreding
Artikel 35 Uittreding
1. Een deelnemer kan besluiten uit de regeling te treden. 2. De procedure van uittreding begint zodra het algemeen bestuur het uittredingsbesluit van de deelnemer heeft ontvangen. 3. De uittredingstermijn is drie jaar. De termijn begint te lopen na het uittredingsbesluit. De feitelijke uittreding gaat in op 1 januari. Het algemeen bestuur kan van deze termijn afwijken. 4. Uitgangspunt bij uittreding is dat de gevolgen voor rekening komen van de uittredende deelnemer. De gevolgen voor het vermogen bestaan in ieder geval uitpersoneelslasten en overige financiële lasten. 5. Uitgangspunt is dat het personeel, dat toe te rekenen is aan de werkzaamheden voor de uittredende deelnemer, in dienst treedt van de uittredende deelnemer. Als dit niet mogelijk is dan komen de afvloeiingskosten voor rekening van de uittredende deelnemer.
1. De procedure van uittreding begint zodra het algemeen bestuur het uittredingsbesluit van de deelnemer ontvangt. 2. De uittredingstermijn is drie jaar. De termijn start na ontvangst van het uittredingsbesluit. De feitelijke uittreding gaat in op 1 januari. Het algemeen bestuur kan van deze termijn afwijken. 3. Bij uittreding komen de gevolgen voor rekening van de uittredende deelnemer. De gevolgen voor het vermogen bestaan in ieder geval uit personeelslasten en overige financiële lasten. 4. Uitgangspunt is dat het personeel, dat toe te rekenen is aan de werkzaamheden voor de uittredende deelnemer, in dienst treedt van de uittredende deelnemer. Als dit niet mogelijk is dan komen de afvloeiingskosten voor rekening van de uittredende deelnemer. 5. Onder overige financiële lasten als bedoeld in het derde lid, wordt onder meer verstaan financiële, juridische, en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
6. Onder overige financiële lasten als bedoeld in het vierde lid, wordt onder meer verstaan financiële, juridische, en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 7. Het dagelijks bestuur geeft aan een onafhankelijke derde de opdracht om een impactanalyse op te stellen. Over deze opdracht heeft het dagelijks bestuur overleg met de uittredende deelnemer. 8. De kosten voor de impactanalyse zijn voor de uittredende deelnemer. 9. Na de impactanalyse wordt een projectgroep samengesteld die het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer op basis van de impactanalyse adviseert. 10. De projectgroep bestaat in ieder geval uit: a. de financiële controllers van de uittredende deelnemer; b. de financiële controller van de dienst; c. een afgevaardigde van het dagelijks bestuur; d. een afgevaardigde van de uittredende deelnemer. 11. De uittreedsom is gelijk aan de afvloeiingskosten als bedoeld in lid 4, de overige financiële lasten als bedoeld in lid 6. 12. Het algemeen bestuur stelt de uittreedsom vast met in achtneming van het advies van de projectgroep. 13. De uittreedsom kan door de uittredende deelnemer gespreid betaald worden gedurende een periode van drie jaar na vaststelling van de uittreedsom.