Bijlage 1. Ontwerp van de ‘Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond’
Tekst van het document
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING JEUGDREGIO ZUID-KENNEMERLAND EN IJMOND De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort, elk voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn; overwegende dat: de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg bepaalt dat de colleges van burgemeester en wethouders van de bij vast te stellen algemene maatregel van bestuur aangewezen Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond een gemeenschappelijke regeling treffen, waarbij een Jeugdregio wordt ingesteld of aangewezen; deze wet beoogt een toereikend aanbod van gespecialiseerde jeugdhulp en van gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering te bevorderen door regionale samenwerking; het aanbeveling verdient om, uit oogpunt van doelmatigheid, doeltreffendheid en samenhang in het jeugdhulpstelsel, de bovenlokale taken en de daarbij behorende regionale sturing en coördinatie in beginsel op regionaal niveau te beleggen, met ruimte voor lokale uitvoering en invulling waar dit, binnen de gezamenlijke kaders, bijdraagt aan passende en nabij georganiseerde ondersteuning; de colleges er eerder gezamenlijk voor hebben gekozen om alle vormen van jeugdhulp regionaal in te kopen; de colleges het wenselijk achten om, overeenkomstig artikel 30, eerste lid, van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, hun bevoegdheden met betrekking tot de bovenlokale taken op het terrein van jeugdhulp te delegeren aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam; de raden van de gemeenten van de Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond, op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, toestemming hebben verleend voor het treffen van deze gemeenschappelijke regeling; gelet op de Jeugdwet, de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet; besluiten: de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:
HOOFDSTUK 1 - ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 - Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. bovenlokale taken: gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet en de Wvbj waarvan de colleges hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd;
b. de colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; c. deelnemende gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten; d. delegatie: de overdracht door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander bestuursorgaan, als bedoeld in afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het algemeen bestuur oefent de overgedragen bevoegdheden uit in eigen naam. De colleges oefenen deze bevoegdheden niet meer zelfstandig uit zolang de delegatie voortduurt; e. directeur: de directeur van het lichaam die tevens secretaris is van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; f. Jeugdwet: de Jeugdwet zoals deze luidt ten tijde van de totstandkoming van deze regeling en zoals deze nadien komt te luiden; g. het lichaam: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 3; h. de raden: de raden van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; i. de regeling: de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond; j. regiovisie: de gezamenlijke visie van de raden op de beschikbaarheid van jeugdhulp in de regio als bedoeld in artikel 2.2 van de Jeugdwet; k. Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen; l. Wvbj: de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg;
HOOFDSTUK 2 - HET OPENBAAR LICHAAM Artikel 2 - Belang Het lichaam heeft tot doel het behartigen van de belangen van de colleges bij de uitvoering van bovenlokale taken op het terrein van de jeugdhulp, ter bevordering van een toereikend aanbod van specialistische jeugdhulp en een effectieve en doelmatige uitvoering van gemeentelijke taken. Artikel 3 - Openbaar lichaam 1.
Er is een openbaar lichaam, genaamd Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond.
2.
De Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond is gevestigd in Haarlem.
3.
Het rechtsgebied van de Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.
4.
Het lichaam kent de volgende bestuursorganen: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter.
Artikel 4 - Taken en bevoegdheden 1.
Ter uitvoering van artikel 2.18 van de Jeugdwet dragen de colleges, op grond van artikel 30 van de Wgr, aan het algemeen bestuur de bevoegdheden over die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Jeugdwet, met inachtneming van de regiovisies van de raden, te weten: a. het ten behoeve van alle jeugdigen in de regio contracteren of subsidiëren van:
1° de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vormen van jeugdhulp waarvoor samenwerking tussen gemeenten vereist is, als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Jeugdwet; en 2° gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; b. het verrichten van rechtshandelingen die noodzakelijk zijn bij het aangaan van overeenkomsten of het nemen van subsidiebesluiten als bedoeld onder a, waaronder: het opstellen en vaststellen van het inkoopkader en de inkoopdocumenten, het ongeldig verklaren van aanbiedingen of inschrijvingen, het onderhandelen met een inschrijver, het nemen van gunnings- en afwijzingsbeslissingen, het nemen van beslissingen naar aanleiding van een klacht en het nemen van subsidieverlenings- en vaststellingsbeschikkingen; c. het uitvoeren van het contractmanagement, waaronder in ieder geval wordt verstaan: het meten (monitoren) van de contractafspraken en het sturen op de kwaliteit en de kosten van de overeenkomsten en indien nodig, het voeren van escalatiegesprekken; d. het nemen van besluiten ten aanzien van aangegane overeenkomsten (althans gecontracteerde jeugdhulpaanbieders) of subsidiebesluiten, waaronder: het in gebreke stellen van een opdrachtnemer, wijzigen en ontbinden van overeenkomsten of herzien/beëindigen van genomen subsidiebeschikkingen; e.
het uitvoeren van de bij ministeriële regeling te bepalen administratieve processen behorende bij de contractering of subsidiëring als bedoeld onder a, waaronder in ieder geval monitoring en relatiemanagement, en het maken van afspraken met jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen over door hen aan te leveren gegevens noodzakelijk voor de verantwoording over de geleverde prestaties of voor de evaluatie van de gesloten contracten of verstrekte subsidies, alsmede de wijze van aanlevering; f. het afstemmen met andere Jeugdregio’s teneinde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vormen van jeugdhulp die krachtens onderdeel a, onder 1º, door de Jeugdregio worden gecontracteerd of gesubsidieerd waarbij voor het kunnen bevorderen van een toereikend aanbod om aan de wettelijke taken te voldoen sprake is van onderlinge afhankelijkheid tussen regio’s, alsmede van gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; g. de organisatie van regionale expertteams. 2.
Bij het contracteren of subsidiëren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn geen verschillen in contractvoorwaarden of subsidievoorwaarden tussen de deelnemende gemeenten toegestaan.
3.
De colleges dragen daarnaast de bevoegdheden over die nodig zijn voor het uitvoeren van de volgende bovenwettelijke taken: a. het systematisch verzamelen van gegevens over de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen binnen het domein jeugdhulp en het rapporteren aan de colleges; b. het uitvoeren van taken ten behoeve van het kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht in de zin van de Regeling Jeugdwet (formele controles, materiële controles en fraudeonderzoeken) en de aangegane overeenkomsten of genomen subsidiebeschikkingen; c. het opstellen en vaststellen van het algemeen controleplan en, in de uitvoering van onderzoeken, specifieke controleplannen in de zin van de Regeling Jeugdwet; d. het ondersteunen van de raden bij het opstellen en actualiseren van de regiovisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Jeugdwet, en het adviseren van de colleges en raden bij
het opstellen of wijzigen van lokale verordeningen op het terrein van de jeugdhulp, voor zover deze raken aan de bovenlokale taken; e. het opstellen en vaststellen van beleidsregels op het terrein van jeugdhulp in zover het de overgedragen bevoegdheden betreft; f. het bevorderen van gezamenlijk overleg van de colleges inzake de uitvoering van jeugdhulptaken; g. het maken van samenwerkingsafspraken met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. 4.
Het lichaam kan tevens taken uitvoeren die binnen de doelstelling vallen, mits alle colleges daartoe besluiten en het algemeen bestuur daarmee instemt.
5.
Het algemeen bestuur stelt beleidsregels vast over de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en derde lid. Het algemeen bestuur betrekt de colleges bij de voorbereiding van deze beleidsregels.
6.
Het dagelijks bestuur kan met de colleges nadere afspraken vastleggen in een dienstverleningsovereenkomst over de wijze van uitvoering van de in deze regeling bedoelde taken en de verdeling van werkzaamheden tussen het lichaam en de afzonderlijke gemeenten.
HOOFDSTUK 3 - HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 5 - Samenstelling en benoeming 1.
Het algemeen bestuur bestaat uit zeven leden. Ieder college wijst uit zijn midden een lid aan.
2.
Ieder college wijst tevens een plaatsvervangend lid aan, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in de regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
3.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college van de betreffende gemeente afloopt.
4.
Het lidmaatschap van de leden die door de colleges van de gemeenten zijn aangewezen, eindigt tevens bij tussentijdse beëindiging van het wethouderschap of het burgemeesterschap.
5.
Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het derde of vierde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
6.
De colleges van de gemeenten beslissen aan het begin van elke zittingsperiode van het college, uiterlijk in de vergadering volgend op die waarin de benoeming van wethouders plaatsvindt, over de aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid.
7.
Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst het betrokken college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
8.
Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
Artikel 6 - Taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur 1.
Aan het algemeen bestuur behoren alle bevoegdheden die in de Wgr aan het algemeen bestuur zijn opgedragen, de bevoegdheden die op grond van artikel 4 aan het algemeen bestuur zijn overgedragen, alsmede alle bevoegdheden die in deze regeling niet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn overgedragen.
2.
Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid tot: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarrekening; c. het vaststellen van verordeningen; d. het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur; e. het instellen van adviescommissies; f. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, vennootschappen en andere rechtspersonen; g. het vaststellen van de verrekeningssystematiek voor de financiële bijdragen van de colleges; h. het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in artikel 4, vijfde lid.
3.
De raden kunnen hun zienswijze geven over de ontwerpbegroting en de ontwerpbegrotingswijzigingen overeenkomstig artikel 16. Het algemeen bestuur stelt vast over welke andere voorgenomen besluiten, vanwege hun ingrijpende beleidsmatige of financiële aard, de raden vooraf in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaand aan de besluitvorming schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de naar voren gebrachte zienswijzen.
Artikel 7 - Vergaderingen van het algemeen bestuur 1.
Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of ten minste drie leden van het algemeen bestuur dit nodig oordelen.
2.
De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar, tenzij het algemeen bestuur anders beslist.
3.
De voorzitter bepaalt in overleg met de directeur plaats en tijdstip van de vergaderingen.
4.
Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.
Artikel 8 - Besluitvorming 1.
De stemverhouding in het algemeen bestuur wordt bepaald door een formule die bestaat uit een gelijk deel en een gewogen deel. Het gelijke deel bedraagt 40% en is voor iedere deelnemende gemeente gelijk. Het gewogen deel bedraagt 60% en wordt verdeeld naar rato van het inwonertal van de deelnemende gemeenten volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het aan het begrotingsjaar voorafgaande kalenderjaar.
2.
Besluiten van het algemeen bestuur worden genomen indien: a. de meerderheid van de deelnemers instemt met het besluit, en b. die meerderheid meer dan 50 procent van de stemmen vertegenwoordigt.
3.
Besluiten over de wijziging van de verhouding tussen het gelijke deel en het gewogen deel als bedoeld in het eerste lid, en besluiten over de vaststelling of wijziging van de begroting, de vaststelling van de verrekeningssystematiek voor de financiële bijdragen en voorstellen tot wijziging van deze regeling worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen.
4.
Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger in een andere hoedanigheid eveneens betrokken is en waarbij belangenspanning speelt of de integriteitsvraag aan de orde zou kunnen zijn. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.
5.
Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
6.
Het vijfde lid is niet van toepassing: a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van het vijfde lid niet geldig was; b. voor zover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
7.
Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, voor zover de regeling niet anders bepaalt.
8.
Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
HOOFDSTUK 4 - HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 9 - Samenstelling 1.
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en maximaal twee andere leden, door en uit het algemeen bestuur aangewezen.
2.
De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur na aanvang van een nieuwe raadsperiode.
3.
Ter vervulling van plaatsen die door beëindiging van het lidmaatschap, overlijden of anderszins openvallen, vindt aanwijzing plaats uiterlijk vier weken na dat openvallen.
4.
Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.
5.
Artikel 5, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen, voor zover niet anders bepaald in de regeling.
7.
In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
8.
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
Artikel 10 - Taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur 1.
Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met: a. het dagelijks bestuur van het lichaam, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur of de voorzitter hiermee is belast; b. het voorbereiden en uitvoeren van beslissingen van het algemeen bestuur;
c. het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van het lichaam; d. het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten van ambtenaren, met uitzondering van de directeur; e. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het lichaam, met uitzondering van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder f; f. het besluiten namens het lichaam rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur in voorkomende gevallen anders beslist; g. het nemen van alle conservatoire maatregelen en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring van recht of bezit; h. het beheer van de activa en passiva van het lichaam; i. de zorg voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het lichaam. 2.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting en een ontwerpjaarrekening op ter vaststelling door het algemeen bestuur.
3.
Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan het algemeen bestuur.
Artikel 11 - Vergaderingen van het dagelijks bestuur 1.
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als een of meer van zijn leden dit nodig oordeelt.
2.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast.
HOOFDSTUK 5 - DE VOORZITTER Artikel 12 - Voorzitter 1.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan, met dien verstande dat als voorzitter wordt aangewezen het door het college van de gemeente Haarlem aangewezen lid van het algemeen bestuur.
2.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
3.
De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
4.
De voorzitter is belast met de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur.
5.
De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, tenzij hij aan de directeur het tekenen van bepaalde stukken heeft opgedragen.
6.
De voorzitter vertegenwoordigt de Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.
HOOFDSTUK 6 - DE DIRECTEUR Artikel 13 - Aanstellen, wijzigen en beëindigen arbeidsovereenkomst directeur 1.
Het algemeen bestuur beslist omtrent het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur van de Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond.
2.
Het dagelijks bestuur maakt voor de aanwijzing van de directeur een voordracht op.
Artikel 14 - Taken directeur 1.
De directeur is secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
2.
De directeur staat aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het lichaam.
3.
De directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van besluiten van het dagelijks bestuur.
4.
De directeur draagt zorg voor de voorbereiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
5.
De directeur verschaft het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur de gevraagde inlichtingen.
6.
De directeur woont de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bij en heeft daarin een adviserende stem.
Artikel 15 - Uitvoeringsorganisatie 1.
Het lichaam beschikt over een eigen uitvoeringsorganisatie onder leiding van de directeur.
2.
Het algemeen bestuur stelt, op voorstel van het dagelijks bestuur, de formatie en de organisatiestructuur van de uitvoeringsorganisatie vast.
3.
Op het personeel van het lichaam is de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO) van toepassing, aangevuld met arbeidsvoorwaarden zoals vastgesteld door het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur kan besluiten de arbeidsvoorwaardenregeling van een van de deelnemende gemeenten van overeenkomstige toepassing te verklaren.
4.
Het lichaam kan, ten behoeve van de uitvoering van zijn taken, personeel detacheren bij of detacheren vanuit de deelnemende gemeenten. De voorwaarden worden vastgelegd in een detacheringsovereenkomst.
HOOFDSTUK 7 - FINANCIËN Artikel 16 - Begroting 1.
Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks voor 15 maart een kadernota aan de colleges en de raden, met daarin de financiële en beleidsmatige kaders voor het volgende begrotingsjaar.
2.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks voor 1 mei een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar. De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een toelichting.
3.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, toe aan de raden.
4.
De raden kunnen binnen acht weken na toezending hun zienswijze over de ontwerpbegroting kenbaar maken aan het dagelijks bestuur.
5.
Het algemeen bestuur stelt de begroting vast met inachtneming van artikel 35 van de Wgr en de naar voren gebrachte zienswijzen.
6.
Het dagelijks bestuur stelt de raden voorafgaand aan de vaststelling van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de naar voren gebrachte zienswijzen.
7.
Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling toe aan de colleges en de raden en aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland.
Artikel 17 - Begrotingswijziging 1.
Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
2.
Artikel 16, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting die van invloed zijn op de omvang van de financiële bijdragen van de colleges.
3.
Het dagelijks bestuur zendt begrotingswijzigingen binnen vier weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland.
Artikel 18 - Financiële bijdragen 1.
De kosten van het lichaam worden gedekt door bijdragen van de colleges, rijksbijdragen, specifieke uitkeringen en andere inkomsten.
2.
Het lichaam kan specifieke uitkeringen aanvragen en ontvangen op grond van artikel 34a, eerste lid, van de Wgr.
3.
Het algemeen bestuur stelt met een meerderheid van ten minste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen de verrekeningssystematiek vast voor de vaststelling van de financiële bijdragen van de colleges, waarbij bijdrage naar inwoneraantal het uitgangspunt is.
4.
De financiële bijdragen van de colleges worden jaarlijks bij de begroting vastgesteld.
Artikel 19 - Rekening en verantwoording 1.
Het dagelijks bestuur legt jaarlijks voor 15 april een voorlopige jaarrekening voor aan de colleges.
2.
Het dagelijks bestuur stelt de ontwerpjaarrekening op over het afgelopen kalenderjaar en zendt deze toe aan de colleges en de raden.
3.
Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast met inachtneming van artikel 34 van de Wgr.
4.
Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na vaststelling toe aan de colleges en de raden en aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland.
Artikel 20 - Financiële administratie en beheer 1.
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer en de boekhouding van het lichaam.
2.
Bij deze regels wordt bepaald welke functionarissen van het lichaam met het doen van ontvangsten en betalingen worden belast.
3.
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de financiële administratie en het kasbeheer.
4.
Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast met betrekking tot: a. de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie; b. de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie.
5.
De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet, alsmede het Besluit Begroting en Verantwoording en de Wet financiering decentrale overheden zijn van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan bij of krachtens de Wgr niet is afgeweken.
HOOFDSTUK 8 - ARCHIEF Artikel 21 - Archief 1.
Het algemeen bestuur stelt een archiefverordening vast.
2.
De archiefbewaarplaats voor de op grond van de Archiefwet 1995 door het lichaam te bewaren archiefbescheiden bevindt zich bij het lichaam of een andere daartoe aangewezen plaats.
3.
Het algemeen bestuur kan besluiten tot het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met een van de colleges voor het archiefbeheer.
HOOFDSTUK 9 - INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 22 - Informatieverstrekking aan raden 1.
Het algemeen bestuur verstrekt de raden jaarlijks de begroting, de jaarrekening en een inhoudelijk jaarverslag.
2.
Het algemeen bestuur verstrekt de raden op hun verzoek alle inlichtingen die voor de uitoefening van hun taak nodig zijn.
3.
Het lichaam draagt zorg voor actieve informatievoorziening aan de raden en de colleges over relevante ontwikkelingen binnen het domein jeugdhulp. Het dagelijks bestuur zendt ten minste tweemaal per jaar een voortgangsrapportage aan de raden.
4.
Een of meer leden van de raad van een deelnemende gemeente kunnen het bestuur van het lichaam schriftelijk om inlichtingen verzoeken. Het bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen vier weken, mondeling of schriftelijk.
Artikel 23 - Verantwoording 1.
Het algemeen bestuur legt ten minste eenmaal per jaar verantwoording af aan de raden over het gevoerde beleid en de besteding van de middelen door middel van de jaarrekening en inhoudelijk jaarverslag.
2.
De raden kunnen het algemeen bestuur uitnodigen voor een mondelinge toelichting.
3.
Elk lid van het algemeen bestuur legt desgevraagd verantwoording af aan het college van de gemeente die het heeft aangewezen over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
4.
Elk lid van het algemeen bestuur verstrekt het college van de gemeente die het heeft aangewezen de inlichtingen die het college of een of meer leden van dat college verlangen voor de uitoefening van hun taak.
5.
Het college van de gemeente die een lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, kan dat lid ontslag verlenen indien dit lid het vertrouwen van het college niet meer bezit.
Artikel 24 - Openbaarheid en privacy 1.
Het dagelijks bestuur wijst een contactpersoon aan voor de behandeling van verzoeken op grond van de Wet open overheid.
2.
Het lichaam draagt zorg voor de bescherming van persoonsgegevens conform de Algemene verordening gegevensbescherming en wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan.
3.
Het dagelijks bestuur stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 10 - INSPRAAK EN EVALUATIE Artikel 25 - Inspraak 1.
Het algemeen bestuur stelt regels vast over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van het lichaam.
2.
Het algemeen bestuur kan adviescommissies instellen met vertegenwoordigers van jeugdigen, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en andere belanghebbenden.
Artikel 26 - Evaluatie 1.
Het algemeen bestuur zendt twee jaar na inwerkingtreding van deze regeling, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de raden een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
2.
Het in het eerste lid bedoelde verslag bevat ten minste: a. een beoordeling van de mate waarin de doelstellingen van deze regeling zijn gerealiseerd; b. een evaluatie van de samenwerking tussen de colleges; c. een beoordeling van de financiële ontwikkelingen; d. een beoordeling van het functioneren van het lichaam en van de formatie in verhouding tot de taken; e. indien nodig, voorstellen voor aanpassing van deze regeling.
HOOFDSTUK 11 - WIJZIGING EN TOETREDING Artikel 27 - Wijziging van de regeling 1.
Deze regeling kan worden gewijzigd indien de colleges daartoe besluiten, nadat de raden hiervoor toestemming hebben verleend.
2.
Een voorstel tot wijziging van deze regeling kan worden ingediend door het algemeen bestuur of door ten minste twee colleges.
3.
Het voorstel tot wijziging wordt door het dagelijks bestuur aan de colleges gezonden.
Artikel 28 - Toetreding en uittreding 1.
Toetreding van colleges tot deze gemeenschappelijke regeling is mogelijk na wijziging van de verdeling van gemeenten in jeugdregio’s als bedoeld in artikel 2.17 van de Jeugdwet.
2.
Uittreding is mogelijk met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twee jaar, te rekenen vanaf het moment van schriftelijke kennisgeving aan het dagelijks bestuur. Eerdere uittreding is slechts mogelijk na wijziging van de regio-indeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Jeugdwet.
3.
Het algemeen bestuur stelt bij uittreding een uittredingsplan vast dat in ieder geval voorziet in de gevolgen voor personeel, lopende contracten, huisvesting, investeringen en financiële verplichtingen.
4.
Het uitgangspunt is dat het uittredende college de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding. De overige colleges ondervinden geen financieel nadeel van de uittreding.
HOOFDSTUK 12 - OPHEFFING Artikel 29 - Opheffing 1.
De regeling kan worden opgeheven indien de wettelijke verplichting tot het onderbrengen van de in artikel 4 genoemde taken in een gemeenschappelijke regeling komt te vervallen, en alle deelnemende colleges daartoe besluiten met toestemming van hun raden.
2.
In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels, waaronder het tijdstip van opheffing.
3.
Het algemeen bestuur stelt, na het horen van de colleges, ten minste zes maanden voor het tijdstip van opheffing, een liquidatieplan en een sociaal plan voor het personeel vast. Het liquidatieplan voorziet in de financiële gevolgen van de opheffing.
HOOFDSTUK 13 - GESCHILLENBESLECHTING Artikel 30 - Geschillen 1.
Geschillen tussen colleges onderling of tussen een of meer colleges en het lichaam worden in eerste instantie voorgelegd aan het algemeen bestuur.
2.
Indien het geschil niet binnen het algemeen bestuur kan worden beslecht, trachten partijen het geschil op te lossen door middel van mediation.
3.
Indien mediation niet tot een oplossing leidt, leggen partijen het geschil voor aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland.
4.
In afwijking van het derde lid kunnen partijen in gezamenlijk overleg besluiten het geschil voor te leggen aan een onafhankelijke bindend adviseur, een arbiter of de bevoegde rechter.
HOOFDSTUK 14 - OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 31 - Overgangsrecht 1.
Overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze regeling door of namens de colleges gezamenlijk zijn aangegaan op het terrein van de jeugdhulp, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling beschouwd als overeenkomsten van het lichaam, voor zover deze betrekking hebben op taken als bedoeld in artikel 4.
2.
Subsidiebesluiten die vóór de inwerkingtreding van deze regeling door of namens de colleges gezamenlijk zijn genomen op het terrein van de jeugdhulp, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling beschouwd als besluiten van het lichaam, voor zover deze betrekking hebben op taken als bedoeld in artikel 4.
3.
Besluiten die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn genomen in het kader van de regionale samenwerking op het terrein van de jeugdhulp, blijven van kracht totdat het algemeen bestuur anders besluit.
4.
Het dagelijks bestuur stelt, in afwijking van artikel 16, de eerste begroting van het lichaam op binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze regeling. Tot de vaststelling van de eerste begroting worden de kosten van het lichaam gedragen door de colleges overeenkomstig de verdeelsleutel die gold voor de regionale samenwerking voorafgaand aan de inwerkingtreding.
HOOFDSTUK 15 - SLOTBEPALINGEN Artikel 32 - Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2027, nadat deze op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 33 - Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio ZuidKennemerland en IJmond.
ONDERTEKENING Aldus vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van: de gemeente Beverwijk, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________ de gemeente Bloemendaal, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________ de gemeente Haarlem, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________ de gemeente Heemskerk, d.d. ________________ de burgemeester, ________________
de secretaris, ________________ de gemeente Heemstede, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________ de gemeente Velsen, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________ de gemeente Zandvoort, d.d. ________________ de burgemeester, ________________ de secretaris, ________________