CConstaterende datHarlingen
Koppel je AI →
Document · PDF

15.3 Bijlage 3 - Ruimtelijke onderbouwing Harlingen - De Spiker

3. Besluitvormende Raadsvergadering (BR) 21 januari 2026, gemeente HarlingenBij agendapunt: Twee woningen Noorderkade20.023 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Harlingen - De Spiker Harlingen

DATUM IMRO IDN

27-02-2025 NL.IMRO.0072.20231406-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Harlingen - De Spiker T. de Jong

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Ingenieursbureau Hans Schaeffer 20231406

AUTEUR STATUS

N.M. van 't Noordende concept

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Planologische regeling

7

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

9

2.1

De bestaande situatie

9

2.2

Voorgenomen situatie

11

2.3

Verkeer en parkeren

12

Hoofdstuk 3

Beleidskader

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

15

3.3

Gemeentelijk beleid

17

Milieu- en omgevingsaspecten

19

4.1

Bedrijven en milieuzonering

19

4.2

Ecologie

20

4.3

Bodem

22

4.4

Geluid

23

4.5

Water

24

4.6

Luchtkwaliteit

26

4.7

Archeologie

28

4.8

Cultuurhistorie

29

4.9

Externe veiligheid

30

4.10

Kabels en leidingen

30

4.11

M.e.r.-beoordeling

31

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

32

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

32

5.2

Economische uitvoerbaarheid

32

Afweging en conclusie

33

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 6

3/268

Bijlagen toelichting

35

Bijlage 1

Stikstofonderzoek

37

Bijlage 2

Ecologische quickscan

77

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

99

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek industrielawaai

207

Bijlage 5

Watertoets

211

Bijlage 6

Archeologisch bureau- en veldonderzoek

221

4/268

Ruimtelijke onderbouwing

5/268

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op een perceel tussen de Noorderkade/De Spiker (noordelijk) en de Franekertrekvaart (zuidelijk) in Harlingen ligt een stuk onbebouwd grasland. De initiatiefnemer wil hier twee halfvrijstaande woningen met 4 bijbehorende parkeerplaatsen realiseren. De ontwikkeling van de woningen is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan 'Harlingen - De Spiker e.o.', omdat binnen de bestemming 'Groen' geen gebouwen mogen worden gebouwd en de gronden niet voor de woonfunctie gebruikt mogen worden. Parkeervoorzieningen zijn wel mogelijk. De gemeente Harlingen wil aan het bouwplan meewerken door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Dit is mogelijk omdat de vergunningsaanvraag voor 1 januari 2024 is ingediend. Per 1 januari maakt het hiervoor genoemde bestemmingsplan deel uit van het gemeentedekkende omgevingsplan dat van rechtswege is ingegaan. Voorafgaand aan deze juridisch-planologische procedure heeft de gemeente reeds een akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar de geluidzonering vanuit het industrieterrein aan de oostzijde van het projectgebied. Hieruit blijkt dat het project op dit punt uitvoerbaar is. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet verder worden aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen tussen de Noorderkade/De Spiker (noordelijk) en de Franekertrekvaart (zuidelijk) ligt ten oosten van het centrum van Harlingen. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Harlingen, sectie B, nummer 4.660. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.

6/268

Figuur 1.1

1.3

Ligging van het projectgebied (bron: PDOK Viewer)

Planologische regeling

1.3.1 Bestemmingsplan 'Harlingen - De Spiker e.o.' Het projectgebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan 'Harlingen – De Spiker e.o.', dat is vastgesteld op 7 december 2016 door de gemeente Harlingen. Dit bestemmingsplan is per 1 januari opgenomen in het gemeentedekkende omgevingsplan. Waar in het vervolg van de ruimtelijke onderbouwing 'bestemmingsplan' is genoemd, wordt tevens 'omgevingsplan' bedoeld. In het geldende bestemmingsplan heeft het projectgebied de enkelbestemming 'Groen' en de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting en speelvoorzieningen en ondergeschikt onder andere ook oor parkeervoorzieningen. Het voornemen is in strijd met de bouwregels, omdat binnen deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd en de woonfunctie niet is toegestaan. De 4 bijbehorende parkeerplaatsen zijn wel mogelijk op basis van de bestemming. De voor 'geluidzone - industrie' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten vanwege de geluidsoneringsplichtige inrichtingen op het ten oosten van het projectgebied gelegen industrieterrein Hermes te Harlingen. Een woning wordt aangemerkt als een geluidgevoelig object.

Het bouwen hiervan is op grond van deze gebiedsaanduiding alleen toegestaan indien de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. Dit is getoetst in hoofdstuk 4.4. Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.2.

7/268

Figuur 1.2

1.4

Uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Harlingen – De Spiker e.o.'

Leeswijzer

Na deze inleiding gaat hoofdstuk 2 in op de bestaande situatie en het voorgenomen project. Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 toetst dit aan het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 verantwoordt waarom de gewenste ontwikkeling economisch en maatschappelijk passend is. Tot slot maakt hoofdstuk 6 een afweging en een conclusie.

8/268

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

Het belangrijkste uitgangspunt van een ruimtelijke onderbouwing is aantonen dat de gewenste ontwikkeling goed inpasbaar is in de omgeving. Dat wordt in dit hoofdstuk onderbouwd. De huidige situatie van het projectgebied zal eerst worden beschreven, waarna wordt beschreven op welke wijze de ontwikkeling in de omgeving wordt ingepast.

2.1

De bestaande situatie

Het perceel waar de ontwikkeling betrekking op heeft, is momenteel in gebruik als onbebouwd grasland. Het projectgebied heeft een oppervlakte van 1.240 m2. Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Harlingen - De Spiker e.o.' maakt het projectgebied deel uit van het gebied 'bedrijventerrein met bebouwingslint'. Het projectgebied grenst aan het woongebied, zie figuur 2.1. Het bedrijventerrein Hermes, ten oosten van woonbuurt De Spiker, dankt haar bestaan aan de aanleg van het Van Harinxmakanaal dat is gegraven ter vervanging van de Oude Trekvaart naar Franeker. Op het bedrijventerrein Hermes zijn verschillende soorten productiebedrijven gevestigd.

Figuur 2.1 Ruimtelijk-functionele opsplitsing o.b.v. 'Harlingen - De Spiker e.o.'. Geel: woongebied. Rechts: bedrijventerreinen met bebouwingslint Het projectgebied is gelegen tussen de Noorderkade/De Spiker (noordelijk) en de Franekertrekvaart (zuidelijk) en ligt ten oosten van het centrum van Harlingen. De directe omgeving van het projectgebied kenmerkt zich als een gemengd gebied, met overwegend de woonfunctie aan de noord-, west- en zuidzijde van het projectgebied. Het projectgebied wordt aan de noordzijde ontsloten door de Noorderkade. Verder ligt direct ten noorden van het projectgebied een groenstrook, die in eigendom is van de gemeente en is ingericht met dichte beplanting en

9/268

een bomenwal. Aan de zuidzijde ligt de Franekertrekvaart, met verder ten zuiden de Kanaalweg. Ten zuidoosten van het projectgebied ligt het voormalige Spaansenterrein, een 6 hectare groot braakliggend terrein waar woningbouw wordt ontwikkeld. Aan de oostzijde van het projectgebied ligt het industrieterrein Hermes. In figuur 2.1 is een luchtfoto van het projectgebied weergeven. In figuur 2.2 is een zijaanzicht op het projectgebied weergegeven.

Figuur 2.1

10/268

Ligging van het projectgebied (bron: PDOK Viewer)

Figuur 2.2

2.2

Vooraanzicht projectgebied vanaf de Franekertrekvaart

Voorgenomen situatie

Het voornemen bestaat uit de nieuwbouw van twee halfvrijstaande woningen. In de toekomstige situatie krijgen de woningen een oppervlakte van 165 m2 en 221 m2. De woningen bestaan uit één bouwlaag met een steile kap en een goot- en bouwhoogte van respectievelijk circa 3 en 9 meter. De voorgevels op de begane grond krijgen hoge ramen ten behoeve van lichtinval. In het projectgebied worden vier parkeerplaatsen gerealiseerd aan de oostzijde van de woningen. Een situatietekening van het toekomstige projectgebied is weergegeven in figuur 2.3. Een ontwerp van de gevels is weergegeven in figuur 2.4.

11/268

Figuur 2.3

Situatietekening projectgebied

Figuur 2.4

Gevels toekomstige woningen

2.3

Verkeer en parkeren

2.3.1 Verkeersstructuur en verkeersgeneratie De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers van CROW. De gemeente Harlingen betreft een matig stedelijke gemeente en de locatie ligt in 'schil centrum'. Voor de berekening van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van kencijfers op basis van een 2-onder-1-kapwoning. Op basis van twee 2-onder-1-kapwoningen bedraagt de toekomstige verkeersgeneratie 15,2 mvt/etmaal. Dit aandeel verkeer gaat op in het huidige verkeersbeeld. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling zullen daarom niet leiden tot belemmeringen in de verkeerssituatie.

12/268

De voorgenomen woningen worden ontsloten op de Noorderkade, die in westelijke richting aansluit op het Franekereind en in oostelijke richting op De Spiker en het Hendstehof. Via het Franekereind richting de Kanaalweg kan de N31 worden bereikt. Via het Franekereind kan tevens het centrum van Harlingen worden bereikt. Daarmee is het projectgebied op goede wijze ontsloten. 2.3.2 Parkeren De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van publicatie 381 van CROW aan de hand van het aantal woningen. Op basis van twee 2-onder-1-kapwoningen geldt voor de toekomstige situatie een parkeerbehoefte van 3,6 parkeerplaatsen. Met een aandeel bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning is de totale parkeerbehoefte afgerond 4 parkeerplaatsen. In het projectgebied worden 4 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

13/268

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt bij het kiezen voor slimme combinaties van functies en bij het vaststellen van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De NOVI helpt om hier nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten gemaakt moeten worden met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio makkelijker te realiseren. Harlingen is niet aangewezen als NOVI-gebied. De regio waarvan gemeente Harlingen deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. De gewenste ontwikkeling raakt geen nationale belangen. 3.1.3 Ladder voor Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor Duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Hierin wordt bepaald dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarop en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toepassing Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017, geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Met de ontwikkeling worden 2 woningen toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Hierdoor is het niet noodzakelijk het voornemen te toetsen aan de Ladder.

14/268

Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De Romte Diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie 'Fryslân - De romte diele' vastgesteld, waarin de ambities voor de provincie voor 2030-2050 worden uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met negen principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het 'ja, mits-principe', aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. De insteek om de ambities te realiseren is niet door verandering tegen te houden, maar door de gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Toetsing Inhoudelijke principes Het project sluit aan op het principe van zuinig ruimtegebruik, omdat een braakliggend terrein wordt herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Het projectgebied ligt binnen het stedelijk gebied, waardoor de woningbouwontwikkeling niet ten koste gaat van het landelijk gebied. Verder past de projectontwikkeling binnen het principe van omgevingskwaliteit als ontwerpbasis. Dit houdt in dat nieuwe ontwikkelingen voortbouwen op bestaande omgevingskwaliteiten. Er is hierbij aandacht voor eigenheid en identiteit.

Hoewel het projectgebied officieel binnen het gebied 'bedrijventerreinen' valt op basis van het vigerende bestemmingsplan, grenst het aan woongebied en is in de directe omgeving overwegend de woonfunctie aanwezig. Met de herontwikkeling van een woningbouwlocatie sluit het projectgebied in de toekomstige situatie beter aan op de bestaande omgevingskwaliteiten (woningen). Dit draagt eraan bij dat de woonomgeving een sluitend en gaaf geheel wordt. Opgaven De projectontwikkeling is tevens in overeenstemming met de opgave 'Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar'. In sommige stedelijke wijken neemt de leefbaarheid af door een cumulatie van problemen en een eenzijdige bevolkingssamenstelling. De woningen sluiten qua oppervlakte en prijs vooral aan op de behoeften van gezinnen. Hiermee draagt het project bij aan aantrekkelijke huisvesting voor (nieuwe) doelgroepen. De herontwikkeling van een braakliggend terrein tot een woonperceel draagt bij aan de leefbaarheid van de omliggende wijken. Deze woonkwaliteiten kunnen wervend werken en nieuwe doelgroepen bewoners aantrekken. Zulke sociaaleconomische impulsen zijn goed voor de vitaliteit van gebieden en sluiten bij uitstek aan op de Friese context. Conclusie Het project sluit aan bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

15/268

3.2.2 Omgevingsverordening Romte Fryslân 2014 Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de 'Verordening Romte Fryslân 2014' vastgesteld. Deze verordening behelst een aanpassing van de op 15 juni 2011 vastgestelde verordening en is op 16 augustus 2014 in werking getreden en in 2018 partieel herzien. De verordening is per 1 januari 2024 met het inwerkingtreden van de Omgevingswet vervallen. Omdat deze omgevingsvergunning onder de Wro wordt beoordeeld, wordt het beleid zoals dat tot en met 2023 geldt als uitgangspunt genomen. Voor de volledigheid wordt de ontwikkeling wel aan de nieuwe Omgevingsverordening getoetst. In de verordening is het beleid vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. De volgende artikelen uit de Verordening Romte zijn van belang: Artikel 2.2 Archeologie In artikel 2.2.1 van de verordening is opgenomen dat in een plantoelichting van een ruimtelijk plan moet worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE. Deze onderbouwing is opgenomen in hoofdstuk 4.7.

Artikel 3.1.1 Dit artikel van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In paragraaf 3.3.1 is aangetoond dat de woningaantallen aansluiten op de behoeften uit de gemeentelijke woonvisie. Omgevingsverordening Fryslân 2022 Op 16 februari 2021 is de omgevingsverordening Fryslân als ontwerp ter inzage gelegd. Deze is op 21 september 2022 vastgesteld. Tegelijk met de Omgevingswet is de Omgevingsverordening Fryslân 2022 op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze Verordening sluit aan op de ambities en opgaven uit de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân 'De romte diele'. De inhoud van het oude artikel 3.1.1 staat nu in artikel 2.6. Het tweede lid is inhoudelijk gewijzigd, maar dit heeft geen betrekking op het project. De inhoudelijke principes uit beide verordeningen blijven verder grotendeels gelijk op het gebied van stedelijke functies, waardoor de voorgenomen ontwikkeling ook binnen het beleid van de nieuwe omgevingsverordening Fryslân past. Conclusie Het project is in overeenstemming met de provinciale omgevingsverordening.

16/268

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie Harlingen 2020-2030 In januari 2020 heeft de gemeente Harlingen de 'Woonvisie Harlingen 2020-2030' vastgesteld. Aanleiding voor de nieuwe woonvisie is de verouderde visie van 2013. Op dat moment zat Nederland op het dieptepunt van een economische crisis. Deze woonvisie gaat daarom uit van maatregelen die anno 2024 niet meer passen bij de huidige ontwikkelingen op de woningmarkt van Harlingen. De nieuwe visie richt zich op de periode van 2020 tot en met 2030. In deze woonvisie geeft de gemeente aan wat de huidige situatie rondom het wonen in Harlingen is en hoe zij op ontwikkelingen van buitenaf kan en wil reageren. Niet alleen als gemeente, maar ook als bewoners en professionals op het gebied van wonen. Hiervoor hebben de gemeente Harlingen en gemeente Waadhoek op 17 juli 2019 een woningmarktonderzoek uitgevoerd. Op basis van het regionale woningmarktonderzoek is de verwachting dat het aantal huishoudens in de stad Harlingen tot 2024 met 100 tot 135 toeneemt. ) Met het juiste woningaanbod, het benutten van kansen op specifieke woonmilieus én een goede marketing is er zelfs een plus van 50 huishoudens denkbaar, door extra instroom uit bijvoorbeeld Noord-Holland of van de Waddeneilanden. Het regionale marktonderzoek verwacht dat het grootste deel van de woningbehoefte in de koopsector landt: zo’n 60%.

De totale vraag naar koopwoningen schat de gemeente in op 60 à 105 woningen, mits een deel ervan in een bijzonder en hoogwaardig woonmilieu gerealiseerd wordt. De ontwikkeling past binnen deze behoefte. Verder past de ontwikkeling bij het uitgangspunt van de gemeente dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Het projectgebied ligt binnen stedelijk gebied. Uit de woonvisie volgt verder dat de gemeente Harlingen unieke eigenschappen heeft die ze wil benutten. Marktpartijen geven aan dat de behoefte om op een bijzondere plek te wonen steeds groter wordt. De gemeente wil deze unieke situatie benutten door nieuwe, bijzondere woonmilieus te ontwikkelen. Zo denkt zij aan 'wonen aan het water'. Een waterrijk woonmilieu met bijzondere, kwalitatief hoogwaardige woningtypes aan of op het water met eventueel onderscheid tussen wonen aan een binnenhaven (beschut, binnenstedelijk) of een buitenhaven (weids, uitzicht op zee). Met het project worden twee halfvrijstaande woningen aan het water gerealiseerd. Daarmee voldoet het voornemen aan de ambitie om bijzondere woonmilieus te ontwikkelen. Conclusie Het project past binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke woonvisie.

17/268

3.3.2 Structuurvisie gemeente Harlingen 2025 De 'Structuurvisie gemeente Harlingen 2025' is vastgesteld op 8 november 2012 en vormt het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Harlingen tot 2025. Deze visie geeft richting aan de ruimtelijke, economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkeling van de gemeente. In het kader van wonen geeft de gemeente aan zich op diverse doelgroepen te richten, zoals hoger opgeleide starters en diverse ouderen. Hiervoor zijn eengezinswoningen en 'flexibele', aanpasbare woningen noodzakelijk. Ook het bieden van ruimte voor woon-werklocaties voor mensen die vanuit huis werken zijn speerpunten. De beoogde woningen kunnen niet als geschikt worden aangemerkt voor alleenstaanden of ouderen, nu ze relatief groot zijn in oppervlakte en uit meerdere verdiepingen bestaan. Sinds de coronapandemie zijn geschikte woon-werklocaties echter nog belangrijker geworden dan ten tijde van het opstellen van de structuurvisie. De beoogde woningen zijn hier gezien hun oppervlakte wel geschikt voor. De structuurvisie verwijst verder naar een (ten tijde van opstellen van de visie) nader uit te werken structuurvisie wonen. Deze visie moet antwoord geven op de vraag hoeveel woningen benodigd zijn en voor welke doelgroepen. Aangenomen wordt dat de eerder behandelde woonvisie hiervoor dient, nu deze vragen hierin beantwoord worden.

Nu eerder is aangetoond dat het project aan de uitgangspunten van de woonvisie voldoet, wordt aangenomen dat de ontwikkeling ook in overeenstemming is met de structuurvisie. Conclusie Het project past binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

18/268

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn enkele wetten, bijvoorbeeld de Erfgoedwet, in deze wet overgegaan. Omdat de vergunningaanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, bestaat het toetsingskader uit de wet- en regelgeving zoals dat gold tot en met 2023. Dit betekent dat aan enkele wetten die formeel zijn vervallen, toch getoetst dient te worden.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing In de toekomstige situatie bestaat het projectgebied uit twee woningen. Woningen zijn gevoelige functies, waardoor moet worden beoordeeld of zich in de directe omgeving functies bevinden die hinder kunnen veroorzaken voor het beoogde gebruik. Gezien de ligging van het projectgebied nabij een bedrijventerrein is de omgeving van het projectgebied als een 'gemengd gebied' te karakteriseren. In de directe omgeving van het projectgebied zijn alleen woningen aanwezig. Aan de oostzijde van het projectgebied bevindt zich industrieterrein Hermes op meer dan 100 meter afstand. Dit betreft een gezoneerd terrein, waarbij het aspect geluid is geregeld in de Wet geluidhinder. Paragraaf 4.4 gaat hier specifiek op in. Op het terrein zijn primair mogelijkheden voor bedrijven uit milieucategorie 3.2.

Voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 50 meter. Hier wordt met minimaal 100 meter aan voldaan. Op circa 135 meter afstand staat het bestemmingsplan een scheepsbouw- en reparatiebedrijf toe met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw- en reparatiebedrijf 2'. Een dergelijk bedrijf valt in milieucategorie 5.1, met een richtafstand van 300 meter op basis van het maatgevende aspect 'geluid'. Aan deze afstand wordt niet voldaan. Uit het akoestisch onderzoek volgt echter dat de grenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden, omdat andere zonepunten en MTG-punten in de richting van de geplande woningen eerder 'vol' zijn, zodat op dat moment verdere toename van de geluidsemmissie niet meer mogelijk is. Dit betekent dat voor het aspect geluid feitelijk geen belemmeringen zijn. De richtafstand van 300 meter geldt niet voor de aspecten geur, stof en veiligheid. Ten zuiden van het projectgebied ligt de Spaansenlocatie. Formeel gezien is dit nog een gezoneerd terrein met mogelijkheden voor bedrijven uit milieucategorie 3 en een betonelementenfabriek. Omdat dit gebied op korte termijn wordt getransformeerd naar een woongebied en er geen bedrijvigheid meer aanwezig is, is de toetsing voor dit project achterwege gelaten. Conclusie

19/268

Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.2

Ecologie

Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 4.2.1 Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Onderzoek Stikstofdepositie Het projectgebied ligt op circa 1,5 km afstand van het NNN-gebied en het Natura 2000-gebied De Waddenzee. In dit kader is het van belang om na te gaan of het plan significant negatieve effecten heeft op de

20/268

instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Om dit te kunnen bepalen, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 1. Uit de berekening volgt dat het project geen stikstofdepositie met zich meebrengt. 4.2.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het project moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het project niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. In dat kader is in februari 2025 een ecologische quickscan uitgevoerd, die is opgenomen in Bijlage 2. Uit de resultaten volgt dat ten aanzien van algemene broedvogels wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken. Dit seizoen loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli.

De watergangen die langs het projectgebied lopen staan verder bekend als vliegroute voor de watergebonden vleermuissoort meervleermuis. Er wordt geadviseerd om de hoeveelheid kunstlicht die boven het wateroppervlak van de Franekertrekvaart en de Ried wordt uitgestraald, tussen zonsondergang en zonsopkomst gelijk te houden aan de huidige situatie. Voor overige soorten moet de specifieke zorgplicht worden nageleefd. Wanneer deze adviezen worden opgevolgd, is

21/268

nader onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het project brengt geen stikstofdepositie met zich mee. Nader onderzoek in het kader van soortenbescherming is niet noodzakelijk. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het project.

4.3

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij nieuwbouw dient te worden beoordeeld of de bodemkwaliteit voldoende is en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Toetsing en onderzoek De voorgenomen ontwikkeling betreft de nieuwbouw van twee woningen. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de nieuwe woonfunctie. Om dit aan te tonen, heeft in juli 2023 een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Het onderzoek levert de volgende resultaten op. Historisch gebruik De locatie heeft in het verleden deel uitgemaakt van een scheepswerf. Zintuiglijke waarnemingen Bij het uitvoeren van het veldonderzoek zijn er in de bovengrond zwak tot matige bijmengingen aangetroffen aan baksteen en puin. Deze grondlaag laat ook een zwakke olie-water reactie zien.

In de ondergrond is plaatselijk nog sprake van een zwak baksteenhoudende bijmenging. Verder zijn er zintuiglijk geen bijzonderheden aangetroffen. Er zijn zowel op het maaiveld als in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. Grond In de mengmonsters van de grond zijn licht verhoogde waarden aangetroffen aan (diverse) zware metalen, PCB en PAK. Verder zijn er geen verhoogde waarden aangetroffen. De resultaten zijn tevens indicatief getoetst aan het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de grond in de klasse ‘Industrie’ valt. Op basis van het indicatieve asbestonderzoek is er in puinhoudende grondlaag zowel zintuiglijk als analytisch (fijne fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond. Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde waarden aan nikkel en molybdeen aangetoond.

22/268

Bodemkwaliteitskaart De locatie is ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen. De bovengrond is ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse wonen, de ondergrond in bodemkwaliteitsklasse AW2000 (Achtergrondwaarde). In de bouwwetgeving is geregeld dat alleen gebouwd mag worden op grond die geschikt is voor het beoogde gebruik. Met andere woorden, bouwen op verontreinigde grond is niet zonder meer toegestaan. De gemeente Harlingen hanteert voor woningbouw het beleid dat de bodem moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wbb geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarden. Met dit onderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De gemeten waarden geven vanuit de Wbb geen milieuhygiënische belemmering voor de geplande werkzaamheden. De indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit wijst uit dat de grond in klasse ‘Industrie’ valt. Indien bij de graafwerkzaamheden grond van de locatie dient te worden afgevoerd, dient rekening te worden gehouden met juiste afvoer hiervan. Verder wordt geadviseerd met de gemeente te overleggen wat de consequenties zijn van de indeling in klasse ‘Industrie’ voor deze locatie met beoogde nieuwbouw van een woning.

In het opgeboorde materiaal (grond) zijn bijmengingen met puin aangetroffen. Het indicatieve asbestonderzoek wijst uit dat deze grond geen asbest bevat. Op basis van het onderzoek wordt verwacht dat de locatie niet verdacht is voor het voorkomen van asbest in de grond. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, mits de bodemkwaliteit geschikt wordt gemaakt voor het beoogde gebruik. Conform het beleid van de gemeente Harlingen moet de bodem voldoen aan bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de vergunningverlening wordt het geschikt maken van de bodem voor bewoning als voorschrift bij de vergunning opgenomen.

4.4

Geluid

Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen en rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeurgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Het projectgebied grenst aan De Spiker. Dit is een 30 km/uur-weg, waardoor een akoestisch onderzoek naar

23/268

wegverkeerslawaai wettelijk gezien niet noodzakelijk is. Jurisprudentie heeft echter uitgewezen dat bij de beoordeling van geluid, 30 km/uur-wegen in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing ook moeten worden meegenomen. Gezien de ligging aan een woonwijk en de verwachte verkeersbewegingen, is de verwachting dat in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat wat betreft wegverkeerslawaai. De Spiker wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer richting de woonwijk. Het projectgebied ligt ook in de geluidzone van industrieterrein Hermes. In dit kader heeft FUMO in november 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de grenswaarde van 50 dB(A) vanwege het gezoneerd industrieterrein niet kan worden overschreden, omdat andere zonepunten en MTG-punten in de richting van de geplande woningen eerder 'vol' zijn, zodat op dat moment verdere toename van de geluidsemmissie niet meer mogelijk is. Er is geen hogere geluidwaarde nodig voor het realiseren van de woningen. Conclusie Het aspect geluid staat de voorgenomen projectontwikkeling niet in de weg.

4.5

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk project. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 5. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen dient te worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente Tytsjerksteradiel nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

24/268

Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het Wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en het vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Toetsing Toename verharding Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. De verharding in het projectgebied neemt met circa 500 m2 toe, waarbij voor de woningen een footprint van toepassing is van 386 m2. Dit betekent dat watercompensatie noodzakelijk is. Omdat het project 'vrij voor de boezem' ligt (zie ook hierna), geldt een compensatienorm van 5% Dit houdt in dat circa 25 m2 nieuw oppervlaktewater gecreëerd zou moeten worden. In dit geval kan hemelwater afstromen richting de Franekertrekvaart. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren, moeten steden en dorpen ingericht

25/268

worden met het oog op de toekomst. Het is daarom belangrijk om kansen te benutten om het gebied klimaatrobuust in te richten. Bij dit project zijn daarom meerdere groenvoorzieningen opgenomen. Op die manier is meer infiltratie van water mogelijk bij bijvoorbeeld hevige regenbuien. Vrij voor de boezem Het projectgebied ligt vrij voor de boezem (streefpeil: -0,52 m NAP). Dit betekent dat het projectgebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Daarom moet rekening worden gehouden met hoogwater in het kader van regionale wateroverlast. Het is van belang om rekening te houden met de droogleggingsnorm of het maatgevend boezempeil (MBP). Het MBP, behorend bij een situatie met een kans van voorkomen van 1/100 per jaar, mag tot 1 meter voor de gevel voorkomen. Het Wetterskip adviseert nieuwe bebouwing voldoende hoog aan te leggen. Hoofdwater Het projectgebied raakt een hoofdwater. De Friese hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Het Wetterskip verzoekt hier rekening mee te houden. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit.

Ten behoeve van het project wordt daarom een vergunning aangevraagd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de projectontwikkeling.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijnstof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een

26/268

overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland blijkt dat in de omgeving sprake is van een goede luchtkwaliteit. In de omgeving van het projectgebied zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Ter plaatse van het projectgebied geldt een gemiddelde concentratie van 8-10 ug/m3 voor stikstofdioxide (NO2). De grenswaarde voor stikstofdioxide bedraagt 40 µg/m3 (sinds 2015). Ter plaatse van het projectgebied geldt een gemiddelde concentratie van 13-14 ug/m3 voor fijnstof (PM10).

De grenswaarde voor fijnstof bedraagt 40 µg/m3. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project komt hiervoor in aanmerking als het woningbouw betreft met niet meer dan 1.500 woningen. Het project bestaat uit de nieuwbouw van twee woningen, waardoor het project onder de NIBM-regeling valt. Stofhinder en geur In het licht van een goede ruimtelijke ordening moet verder worden gekeken dan de NIBM-toets. Ten aanzien van het naastgelegen industrieterrein kunnen stof- en geuruitstoot hinder opleveren voor de nieuwe woningen. Bij de beoordeling of hiervan sprake kan zijn, kan van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (2009' gebruik worden gemaakt, zie ook paragraaf 4.1. De richtafstanden tussen inrichtingen en gevoelige functies zijn gebaseerd op het aspect geur, stof, geluid en gevaar. Uit paragraaf 4.1 volgt dat op het terrein primair mogelijkheden zijn voor bedrijven uit milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter en hier wordt met minimaal 100 meter aan voldaan. Dit impliceert dat er wat betreft geur en stof geen belemmeringen zijn. Op 135 meter afstand bevindt zich een scheepsbouw- en reparatiebedrijf in milieucategorie 5.1, waarvoor een richtafstand van 300 meter geldt.

Dit is echter op basis van het maatgevende aspect geluid, waarvoor in paragraaf 4.1 reeds is aangetoond dat een verkorte richtafstand aanvaardbaar is. Voor de aspecten geur en stof kan een afstand van 50 meter worden aangehouden. Omdat hieraan wordt voldaan, zijn er wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen. Ten aanzien van mogelijke stofhinder van de bouwwerkzaamheden aan de overkant van het kanaal, geldt dat in het Bouwbesluit/Bbl specifieke regels zijn opgenomen om te waarborger dat geen onaanvaardbare stofhinder optreedt. Alle bouw- en sloopwerkzaamheden, waaronder transport, bewerken, laden of lossen van bijvoorbeeld puin en granulaat of andere afvalstoffen, moeten zodanig worden uitgevoerd dat stofverspreiding

27/268

naar de omgeving wordt voorkomen. Tevens zijn de bouwwerkzaamheden van tijdelijke aard. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de projectontwikkeling.

4.7

Archeologie

Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in deze wet overgegaan. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000-800 v.Chr.), en één voor de periode ijzertijd-middeleeuwen (800 v.Chr.-1500 n.Chr.). Op basis van de ijzertijd-middeleeuwen-advieskaart geldt voor een deel van het projectgebied de archeologische verwachting 'streven naar behoud'. Indien in dit gebied meer dan 50 m2 aan bodemingrepen zijn beoogd, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op basis van de steentijd-bronstijd-advieskaart geldt dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Toetsing Met de projectontwikkeling wordt 73,8 m2 van de bodem geroerd.

Omdat het projectgebied zich in een relatief hoge verwachtingszone voor archeologische resten vanaf de ijzertijd bevindt, is een gecombineerd archeologisch bureau- en booronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd in april 2024 en is opgenomen in Bijlage 6. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat vanaf 250 v.Chr. archeologische resten worden verwacht. Resten ouder dan de late ijzertijd worden niet verwacht. In de omgeving van het projectgebied staan meerdere archeologische onderzoeken geregistreerd. In 2020 is door MUG Ingenieurs BV ten zuidwesten van het projectgebied een opgraving, variant archeologische begeleiding uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek is een groot aantal archeologische sporen en vondsten aangetroffen. Op de kadastrale kaart uit 1832 van Fryslân zijn ter hoogte van het projectgebied een huis met erf, een boomgaard en een sloot aanwezig. Omstreeks 1908 vonden er ten zuiden van en in het projectgebied grote veranderingen plaats. De Franekertrekvaart die zich eeuwenlang een weg had gebaand door het Friese land werd vanaf 1856 grootschalig aangepakt. Vanaf 1910 liep de Franekertrekvaart direct langs het zuidelijke deel van het projectgebied. Rond deze periode is de bebouwing die in het plangebied aanwezig was, gesloopt. Vanaf dan is het projectgebied nooit meer opnieuw bebouwd geweest.

28/268

Op grond van het bureauonderzoek geldt voor het projectgebied een middelhoge verwachtingswaarde voor vindplaatsen vanaf de late ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, bij een intacte bodemopbouw. De archeologische resten zullen vooral samenhangen met ophogings- en/of terplagen en nederzettingssporen op de kwelderafzettingen (paalkuilen, kuilen, water- en beerputten, vloeren, muren, kelders). Eveneens kunnen sporen worden verwacht die te maken hebben met huis-, erf- of landinrichting. In het projectgebied is sprake van een vindplaats ter hoogte van de boringen 1, 3 en 5: op een diepte vanaf 50 centimeter beneden maaiveld is een mogelijk archeologisch niveau aanwezig. Ter hoogte van boring 5 is de laag aangetast en door eerdere graafwerkzaamheden vergraven. Toch zijn archeologische waarden ter hoogte van deze boring niet uit te sluiten. In het westelijk deel van het projectgebied blijft er een hoge kans op (archeologisch) behoudenswaardige resten. Voor het westelijk deel van het projectgebied blijft het advies ongewijzigd: streven naar behoud. Voor dit deel wordt geadviseerd om geen graafwerkzaamheden te laten plaatsvinden die dieper gaan dan 25 centimeter onder maaiveld. Verwacht wordt dat de geplande werkzaamheden in de rest van het projectgebied zonder archeologisch onderzoek kunnen worden uitgevoerd. Hier zijn geen aanwijzingen gevonden voor archeologische waarden.

Wellicht is een planaanpassing mogelijk en kan de locatie van de nieuwbouw in oostelijke richting worden verplaatst, zodat de archeologische waarden in het westelijk deel van het projectgebied niet worden aangetast. Indien er toch dieper gegraven moet worden, of een indien planaanpassing onmogelijk is, dan is archeologisch vervolgonderzoek nodig in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het westelijk deel van het projectgebied dient dan nader te worden onderzocht met tenminste één proefsleuf. Indien bij dit proefsleuvenonderzoek archeologische (bewonings-)sporen worden aangetroffen, dient de vindplaats te worden gewaardeerd. Conclusie Uitwerken voor welke optie wordt gekozen.

4.8

Cultuurhistorie

Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent een integrale afweging van alle belangen die een effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden in het projectgebied is gebruikgemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat in de directe omgeving van het projectgebied geen cultuurhistorische waarden liggen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het project.

29/268

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over externe veiligheid om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Getoetst wordt aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 106/jr als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 106-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor de ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.

Hieruit volgt dat ten zuiden en zuidoosten van het projectgebied de N31 ligt. De N31 heeft een PR 10- 6 per jaar van 0 meter en geen brandaandachtsgebied. Verder ten noorden van het projctgebied liggen meerdere brandaandachtsgebieden en PR 108- en 10- 6-contouren omwille van verschillende buisleidingen waardoor het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied valt buiten deze gebieden en contouren. Daarmee is sprake van een aanvaardbare situatie. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het projectgebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het projectgebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningsverbindingen, waterleidingen of straalpaden aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling. Conclusie

30/268

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het project.

4.11 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van (meer dan) 100 hectare of indien een aaneengesloten gebied 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In de voorgenomen ontwikkeling worden twee woningen ontwikkeld. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden.

Voor ontwikkelingen die niet de drempelwaarde overschrijden, maar wel zijn aangewezen als categorie, is bepaald dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Daarbij rijst de vraag of dat in alle gevallen nodig is. Volgens vaste jurisprudentie is dit afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling, de vormgeving en opzet, de schaalgrootte, de ligging, de voorgenomen functie-wijziging en de vraag of er sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de ligging wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.

31/268

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een project. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. In het kader van vooroverleg wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning een zienswijze in te dienen. In een later stadium staat beroep open. Het definitieve ontwerp en de omgevingsvergunning worden ter inzage gelegd. Na beoordeling van de zienswijzen kan de vergunning worden verleend.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het project (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Dit project heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Financiële haalbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing vormt het toetsingskader voor de nieuwbouw van twee halfvrijstaande woningen aan De Spiker in Harlingen. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt over voldoende financiële middelen te beschikken om deze ontwikkeling te realiseren. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten waarmee de kosten voldoende zijn verzekerd.

32/268

Hoofdstuk 6

Afweging en conclusie

Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning, waarmee de nieuwbouw van twee halfvrijstaande woningen kan worden gerealiseerd. Afweging Het project past binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. Verder leveren de omgevingsaspecten en/of sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen op voor de ontwikkeling in het projectgebied. Andersom is ook nauwelijks sprake van impact van de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harlingen&id=4413a160-657b-4d7f-8353-1f3a2a6d9b2f