CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening op de heffing en de OZB.pdf

Gemeenteraad GHG 19 december 2024, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 14: Vaststellen belastingverordeningen en overige gemeentelijke tarieven 2025 - Raadsvoorstel1.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen gemeente Hardinxveld-Giessendam 2025 De raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 november 2024; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende: Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen gemeente Hardinxveld-Giessendam 2025.

Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente

gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet

krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een

onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2.

Bij de gebruikersbelasting wordt:

a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in

gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig

gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter

beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens

eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk Ill van de Wet waardering onroerende zaken.

3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op

grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan

woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering

onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het

kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de

heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geéxploiteerde

cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als b

voedingsbodem te gebruiken; glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare

eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van

levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d

één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van

de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in

artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met

uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e, natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met

volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

f

openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als

woning; werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van

publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt

toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.

j. Onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde

eigendommen niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter -

-

verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; |

.

plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of

beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen

van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. n. molens, een en ander met uitzondering van delen van zodanige

onroerende zaken die dienen als woning en met uitzondering van moderne windmolens. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde

onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de

heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Belastingtarieven

1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf.

Het percentage bedraagt: a. bij de gebruikersbelasting 0,2617 %; b. bij de eigenarenbelasting: |

.

voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1077 %

ll.

voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen

0,3444 %. 2.

Indien de heffingsmaatstaf beneden € 12.000 blijft, wordt geen belasting

3.

geheven. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro's.

4.

Voor bedragen tot € 9,- wordt geen aanslag opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde

verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het

aanslagbiljet. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door

middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de

aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de 3.

volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel

1. De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024" wordt ingetrokken met

ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking op

3.

januari 2025. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

4.

Deze verordening wordt aangehaald als de "Verordening onroerende-

2.

1

zaakbelastingen gemeente Hardinxveld-Giessendam 2025".

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardi De griffie

a

Id-Giessendam van 19december2024. De voorzitter,

ORINd

Dirk Heijkoop

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/945/documents/30922