Toelichting bestemmingsplan "Rivierdijk 746-747 Hardinxveld-Giessendam".pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Rivierdijk 746-747 Hardinxveld-Giessendam’
Toelichting bestemmingsplan ‘Rivierdijk 746-747 Hardinxveld-Giessendam’
Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak Identificatiecode: NL.IMRO.0523.BP2023RIVDIJK746-ON01 Datum 06-12-2023 Status Ontwerp
2
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied .............................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan......................................................................... 6
1.4
Leeswijzer................................................................................................... 7
Bestaande situatie ................................................................................................................... 8 2.1
Ruimtelijke structuur .................................................................................. 8
2.2
Huidig gebruik ............................................................................................ 8
Nieuwe situatie ......................................................................................................................... 9 3.1
Planbeschrijving.......................................................................................... 9
3.2
Verkeer en parkeren ................................................................................. 11
Beleidskader............................................................................................................................ 13 4.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 13
4.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 15
4.3
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 24
Milieuaspecten ....................................................................................................................... 26 5.1
Milieueffectrapportage (m.e.r) ................................................................... 26
5.2
Watertoets ................................................................................................ 27
5.3
Geluid ....................................................................................................... 33
5.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 35
5.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 37
5.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 39
5.7
Ecologie .................................................................................................... 42
5.8
Bodem ...................................................................................................... 45
5.9
Archeologie .............................................................................................. 46
6. Juridische planopzet ............................................................................................................... 49
7
8
6.1
Inleiding ................................................................................................... 49
6.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 49
6.3
Bestemmingen .......................................................................................... 49
6.4
Aanduidingen ........................................................................................... 50
Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 51 7.1
Uitvoerbaarheid ........................................................................................ 51
7.2
Kostenverhaal ........................................................................................... 51
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 52 8.1
Participatie................................................................................................ 52 3
8.2
Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro .................................................................... 52
8.3
Zienswijzen............................................................................................... 53
# Bijlage 1 Verkennend (asbest-) bodemonderzoek 2 Ecologische quickscan 3 Akoestisch onderzoek wegverkeersen scheepvaartlawaai 4 Aanvullend onderzoek naar vleermuizen 5 Stikstofdepositieonderzoek 6 Dwarsprofieltekening
Auteur Adcim B.V.
Kenmerk 20220281-DVO-1.0 2022-0713 R-JVO/1844
Datum 06-10-2022
Blom Ecologie
2022-0821
23-11-2023
Van den Heuvel Milieuadvies Van der Padt & Partners Architecten
21080
06-12-2023
8020
05-12-2023
Blom Ecologie Voortman Ingenieurs
22-07-2022 14-12-2022
4
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op de woonpercelen Rivierdijk 746-747 zijn twee woningen gelegen. De twee woningen voldoen niet meer aan de huidige woon- en duurzaamheidseisen. De eigenaar is voornemens de twee woningen te slopen en een appartementengebouw bestaande uit drie appartementen te realiseren. Het plan is in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’ (vastgesteld op 30 maart 2017). Het is niet toegestaan om ter plaatse gestapelde woningen en hoofdgebouwen buiten het bouwvlak te realiseren. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld door Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied, de percelen Rivierdijk 746-747, is gelegen in de bebouwde kom van Hardinxveld-Giessendam. Het plangebied grenst aan de zuidwest aan de Rivierdijk. Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door kadastrale grenzen met de aangrenzende woonpercelen Rivierdijk 723 en 749. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Hardinxveld-Giessendam, sectie D, nummers 1760, 1761, 1762, 1763 (gedeeltelijk), 3659 en 3660.
Afbeelding 1: Ligging en begrenzing plangebied
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’ Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’ (vastgesteld op 30 maart 2017). Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Tuin; • Verkeer – Verblijfsgebied; • Wonen; De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologische verwachting 2; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding : specifieke bouwaanduiding – vrijstaande of twee-aaneen; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 1’.
Afbeelding 2: Uitsnede Bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’
Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad het ‘Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden’ vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening biedt de gemeente de mogelijkheid om bestemmingsplannen vast te stellen voor haar grondgebied. Daarbij is het gebruikelijk om begripsbepalingen op te nemen voor woningen en aanverwante begrippen. Gebleken is dat bij een aantal bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam deze begrippen niet op elkaar aansluiten en aanscherping behoeven. Het begrip 'wonen' en daaraan verwante begrip 'huishouden' worden in nieuwe bestemmingsplannen wel opgenomen om 6
bovenstaande zaken te verhelderen. De doelstelling van dit Paraplubestemmingsplan is de diverse begrippen (wonen, wooneenheid en huishouden) duidelijk te omschrijven en te verankeren in alle bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Hiermee wordt de begripsbepaling voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijkluidend op elkaar afgestemd.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • • •
Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; Hoofdstuk 4: Beleidskader; Hoofdstuk 5: Milieuaspecten; Hoofdstuk 6: Juridische planopzet; Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 8: Maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7
2
Bestaande situatie
2.1 Ruimtelijke structuur Hardinxveld-Giessendam is ontstaan als een van de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Deze bewoning heeft zich ontwikkeld langs de Giessen en heeft geleid tot de karakteristieke lintbebouwing op de oeverwallen: een reeks boerderijen die het ontgonnen land aan de achterzijde gebruikten voor agrarische productie. In de loop van de eeuwen is de ruimte tussen de boerderijen en de Giessen ingevuld met bebouwing. Op de dijken van de Merwede werd ook gebouwd. Uit deze linten is Hardinxveld ontstaan, genoemd naar de heerlijkheid ‘Hertingsvelt’. Hardinxveld-Giessendam bestaat uit twee kernen: Boven-Hardinxveld en NederHardinxveld/Giessendam (genoemd naar de ligging bovenstrooms en benedenstrooms van de rivier). Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing aan de Rivierdijk langs de BenedenMerwede. Door de historische groei van Hardinxveld-Giessendam kennen de linten een sterke functiemenging. Dit levert een divers en levendig beeld op. De specifieke situatie van de linten, met name de dijklinten, heeft voor veel woningen een specifieke typologie opgeleverd. Het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam, waar ook de Rivierdijk onderdeel van uit maakt, betreft een veenweidelandschap. Het ontstaan van het slagenlandschap is met name in het noordwestelijke deel van de gemeente en in het zuidoostelijke deel goed te herkennen.
De Rivierdijk is karakteristiek. Langs deze dijk is een belangrijk deel van de gemeente drooggelegd. Langs de Rivierdijk is van oudsher bebouwing te vinden en meer naar het oosten ook watergebonden bedrijvigheid. Op die plekken waar doorzichten vanaf de Rivierdijk richting het water aanwezig zijn, worden deze doorzichten dan ook bij voorkeur behouden, al vraagt dit wel steeds een zorgvuldige afweging.
2.2 Huidig gebruik Het plangebied betreft twee bestaande woonpercelen. De twee woningen voldoen niet meer aan de huidige woon- en duurzaamheidseisen en zijn aan vervanging toe.
Afbeelding 3: Bestaande woningen Rivierdijk 746-747 Hardinxveld-Giessendam
8
3
Nieuwe situatie
3.1 Planbeschrijving Het plan is om de twee bestaande woningen te slopen en een appartementengebouwen te realiseren bestaande uit drie appartementen. Het appartementengebouw wordt tegen de Rivierdijk gesitueerd en bestaat uit vier bouwlagen (incl. souterrain onder dijkniveau). Het appartementengebouw heeft een oppervlakte ca. 188 m2 en een bouwhoogte van ca. 11 meter.
Afbeelding 4: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)
Aan de zuidoostzijde van het plangebied zal een stoep worden gerealiseerd, waardoor het achterterrein voor auto’s bereikbaar is. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost, waardoor in het kader van verkeer en veiligheid sprake is van een verbeterde situatie. Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In de stedenbouwkundige hoofdopzet van plan wordt aangesloten bij de karakteristieke kleinschalige lintbebouwing langs de Rivierdijk. De bebouwing volgt de rooilijn van de dijk. Hierdoor wordt het gebouw kleinschalig ervaren. Het appartementengebouw wordt op een passende wijze ingepast in het dorpse karakter van het gebied. De bouwmassa is evenwichtig, in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op historische bebouwingskenmerken van de omgeving. De detaillering heeft een eigentijds karakter. Materialen en kleuren zijn terughoudend en in samenhang met de omliggende bebouwing. Om te komen tot een prettig aanvoelend woonklimaat zal het gebied rondom het appartementengebouw voldoende groen bevatten. Er zal een groene afscherming worden gerealiseerd met de aangrenzende percelen. De groenstroken worden 9
ingezaaid met gras en/of ingeplant met streekeigen beplanting. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding (bv. grasbetontegels). De parkeerplaatsen langs de Rivierdijk hebben een openbaar karakter en mogen zowel door bewoners als bezoekers worden gebruikt.
Afbeelding 5: Gevelaanzichten
Afbeelding 6: Impressie nieuwe situatie
10
3.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via een trap op de Rivierdijk. Op de plaats van de trap wordt een stoep/in- en uitrit aangelegd, waardoor het achterterrein voor auto’s bereikbaar is. Het naastgelegen perceel Rivierdijk 749 heeft reeds eigen langsparkeerplaatsen langs de dijk. Met de aanleg van de nieuwe stoep en de trap aan de voorzijde van het gebouw zal het bestaande maaiveld niet worden verlaagd teneinde instabiliteit van de waterkering voorkomen. Voor de nieuwe stoep zullen de benodigde vergunningen worden aangevraagd. De exacte (civieltechnische) uitwerking van de nieuwe stoep zal in het kader van deze vergunningsaanvragen nader worden afgestemd met het waterschap Rivierenland en de gemeente Hardinxveld-Giessendam Verkeer Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van het recente landelijke CROW-beleid, de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een omgevingstype ‘rest bebouwde kom’ en een stedelijkheidgraad ‘weinig stedelijk gebied’. In het CROW-beleid wordt een bandbreedte aangehouden van een minimale tot een maximale verkeersgeneratie. In de berekening is uitgegaan van de maximale kencijfers.
Bestaande situatie Op grond van het vigerend bestemmingsplan zijn op de percelen Rivierdijk 746747 twee twee-onder-een-kapwoningen (in totaal vier wooneenheden) toegestaan. In de praktijk zijn twee vrijstaande woningen aanwezig. Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘koop, vrijstaand’, in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘weinig stedelijk gebied’ een maximaal kengetal van 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 18 verkeersbewegingen per etmaal. Nieuwe situatie Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘koop, appartementen, duur, in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘weinig stedelijk gebied’ een maximaal kengetal van 7,8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 24 verkeersbewegingen per etmaal. Verschil Per saldo is, wanneer wordt uitgegaan van de praktijksituatie, sprake van een zeer beperkte toename van 6 verkeersbewegingen per etmaal. De extra intensiteiten als gevolg van dit plan zijn dermate laag, dat het niet aannemelijk is dat de verkeersafwikkeling en de veiligheid buitenproportioneel wordt benadeeld.
11
Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van Beleidsregels parkeernormen Hardinxveld-Giessendam 2022. Hierin is vastgelegd dat de parkeerbehoefte van een nieuwbouwproject wordt berekend op basis van de parkeernormen in het meest recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW, de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de adressendichtheid. Op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) valt HardinxveldGiessendam binnen de categorie 'weinig stedelijk'. De CROW hanteert voor parkeerkencijfers een bandbreedte met een minimum en een maximum. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert als uitgangspunt voor de toe te passen parkeernormen de maximale bandbreedte van de CROWparkeerkencijfers. De drie appartementen kunnen worden geschaard in de categorie ‘koop, appartement, duur’. Het CROW-beleid stelt voor de categorie ‘koop, appartementen, duur, in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘weinig stedelijk gebied’ een maximale parkeernorm van 2,5 parkeerplaats per woning. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van afgerond 8 parkeerplaatsen. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost. Er worden 8 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd (zie afbeelding 4).
Vanwege het gebrek aan benodigde ruimte om alle parkeerplaatsen parallel aan de dijk te situeren wordt één parkeerplaats haaks op de dijk gerealiseerd.
12
4
Beleidskader
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
13
4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Het plan voorziet per saldo een toevoeging van 1 woning aan de woningmarkt. De twee bestaande woningen worden vervangen door drie appartementen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de woningen Rivierdijk 746-747 conform het vigerend bestemmingsplan in twee wooneenheden mogen worden gesplitst (in totaal vier wooneenheden). Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.
14
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie is nadien een aantal keer herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4.
Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).
Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied (BSD). 15
Afbeelding 7: Uitsnede bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)
Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Het gaat daarbij onder andere om gebiedskenmerken zoals de aard en schaal, om duurzaam gebruik van de ondergrond, de versterking van de ruimtelijke opbouw en de inpassing in de wijdere omgeving. Waar binnen de provincie het beste bepaalde ontwikkelingen plaats kunnen vinden, ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’, is onderdeel van een integrale belangenafweging en bijvoorbeeld terug te vinden in de ruimtelijke hoofdstructuur. De richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ondergebracht bij de betreffende beleidskeuzes.
Omdat een groot deel van de richtpunten gaan over kwaliteiten van de bepaalde landschappen is een groot deel van de richtpunten te vinden in de beleidskeuze landschap. Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:
16
•
•
•
•
•
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling:
Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Ontwerp- optimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.
Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Door middel van een nieuw integraal ontwerp ontstaat er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van 17
provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’. Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Middels het plan is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat. De twee bestaande woningen die niet meer voldoen aan de woon- en duurzaamheidseisen worden vervangen door een appartementengebouw bestaande uit drie appartementen. Middels dit plan krijgt deze inbreidingslocatie een passende nieuwe invulling. Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In de stedenbouwkundige hoofdopzet van plan wordt aangesloten bij de karakteristieke kleinschalige lintbebouwing langs de Rivierdijk. De bebouwing volgt de rooilijn van de dijk. Hierdoor wordt het gebouw kleinschalig ervaren. Het appartementengebouw wordt op een passende wijze ingepast in het dorpse karakter van het gebied. Het plangebied is gelegen in de gebieden: ‘Stads- en dorpsranden’, ‘Steden en dorpen’, ‘Linten’ en ‘Veenweidelandschap’.
Plangebied
Afbeelding 8: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
18
Plangebied
Afbeelding 9: Laag van de stedelijke occupatie
Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten.
Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen;
19
• • •
Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Steden en dorpen Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Voor ontwikkelingen in steden en dorpen heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden); • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.
Het is het deel van het dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Voor ontwikkelingen in de stads- en dorpsranden heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In de stedenbouwkundige hoofdopzet van plan wordt aangesloten bij de karakteristieke kleinschalige lintbebouwing langs
20
de Rivierdijk. De bebouwing volgt de rooilijn van de dijk. Hierdoor wordt het gebouw kleinschalig ervaren. Het appartementengebouw wordt op een passende wijze ingepast in het dorpse karakter van het gebied. De bouwmassa is evenwichtig, in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op historische bebouwingskenmerken van de omgeving. De detaillering heeft een eigentijds karakter. Materialen en kleuren zijn terughoudend en in samenhang met de omliggende bebouwing. Om te komen tot een prettig aanvoelend woonklimaat zal het gebied rondom het appartementengebouw voldoende groen bevatten. Er zal een groene afscherming worden gerealiseerd met de aangrenzende percelen. De groenstroken worden ingezaaid met gras en/of ingeplant met streekeigen beplanting. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding (bv. grasbetontegels). Kortom, het plan sluit aan bij de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van het lint. Het plan levert een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd.
De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. De ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele 21
gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het betreft een ontwikkeling die naadloos aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van de bebouwde kom van Hardinxveld-Giessendam. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van twee bestaande woonpercelen. De locatie wordt opgewaardeerd naar een hoogwaardig en duurzaam woongebied. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling in de bebouwde kom van HardinxveldGiessendam. Er vinden geen grote wijzigingen plaats in de ruimtelijke structuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren.
Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft een ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling.
Hierdoor is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist dan wel noodzakelijk.
22
Risico’s van klimaatverandering (klimaatadaptatie) In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Dit plan houdt hier rekening mee, door het plangebied zo groen mogelijk in te richten (bijvoorbeeld het uitvoeren van parkeerplaatsen in halfverharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet direct.
De appartementen wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Het appartementengebouw wordt gerealiseerd conform de eisen van het waterschap Rivierenland, waardoor het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de dijk/waterkering. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het appartementengebouw rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Bovendien is vanuit de BENGnorm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. De hittestress dient zoveel mogelijk beperkt te worden, door het plangebied zo groen mogelijk in te richten. In de groene inrichting dient te worden gekozen voor type beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Droogte Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. In de groene inrichting dient te worden gekozen voor type beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie tegengaan.
Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.
23
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 Op 19 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 vastgesteld. De gemeentelijke structuurvisie is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie HardinxveldGiessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid. Op de woningmarkt van Hardinxveld-Giessendam is sprake van een beperkte doorstroming. Op 27 juni 2019 heeft de raad de Lokale paragraaf Wonen vastgesteld.
Hierin staan vier overkoepelende thema’s centraal: 1. Voldoende woningen bouwen: onze inzet is minimaal voldoende bouwen voor de lokale behoefte, maar liefst meer om bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie. De groei moet aansluiten bij de schaal van HardinxveldGiessendam. 2. Kwalitatief goede woningen toevoegen: we willen meer doen voor midden- en hoger opgeleiden door het aanbod van kwalitatief hoogwaardige woonmilieus en duurdere koopwoningen. 3. Langer thuis: voor mensen met een zorgvraag faciliteren we dat zij lang thuis kunnen wonen. 4. Energie- en klimaatbestendig: We leveren onze bijdrage aan minder energieverbruik in de woningvoorraad, door bij nieuwbouw het maximale te doen en in de bestaande voorraad noodzakelijke stappen voorwaarts zetten. In 2035 zijn we aardgasvrij, in 2050 energieneutraal. Het toevoegen van voldoende kwalitatief goede woningen is van belang voor de leefbaarheid, voor de kenmerkende sociale cohesie van Hardinxveld-Giessendam en voor het behoud van werkgelegenheid. Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen, zet de gemeente waar mogelijk en gewenst in op herstructurering van bestaande wijken. Naast de grote uitbreidingslocaties komen er met regelmaat inbreidingslocaties vrij, bijvoorbeeld door het uitplaatsen van bedrijvigheid.
In en rond het centrum van Hardinxveld-Giessendam liggen een aantal locaties die aantrekkelijk zijn om te wonen, maar nu nog worden bezet door milieuhinderlijke bedrijven. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Rivierdijk. Dit gebied wordt niet specifiek benoemd in de structuurvisie wat betreft woningbouw. Het plangebied betreft een inbreidinglocatie in de lintbebouwing langs de Rivierdijk en is daarmee 24
geschikt voor een kleinschalige woningbouwontwikkeling Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling in de bebouwde kom van HardinxveldGiessendam welke inspeelt op de woningbehoefte. Het plan betreft de realisatie van een appartementengebouw bestaande uit 3 koopappartementen. De woningen zijn geschikt voor de doelgroep senioren en doorstromers. De sloop van de bestaande woningen en de zorgvuldige inpassing van de woningen in het plangebied leveren een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het woongebied. Het plan betreft een duurzame ontwikkeling. De bestaande woningen voldoen niet meer aan de huidige wooneisen en worden daarom vervangen door drie appartementen. De woningen wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met een warmtepompsysteem in combinatie met zonne-energie.
Met het toevoegen van de woningen wordt bijgedragen aan het in stand houden van het sociale netwerk, gemeenschapsleven, identiteit van een dorp, ruimtelijke kwaliteit en aan een levendig verenigingsleven.
25
5
Milieuaspecten
5.1 Milieueffectrapportage (m.e.r) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit drie appartementen. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt en niet substantieel genoeg om aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het besluit m.e.r. De activiteit die het plan mogelijk maakt is niet opgenomen in bijlage C en D van het besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-plicht is niet aan de orde. Conclusie Het plan is geen stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2. Dit betekent dat een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-plicht niet aan de orde is. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
26
5.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen In de omgeving het plangebied zijn geen watergangen gelegen.
27
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW043. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,25 meter NAP en een winterpeil van -1,30 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede peilgebiedenkaart
Plangebied
Afbeelding 11: Uitsnede Legger wateren
28
Waterkering Het plangebied ligt in de beschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Daarnaast het plangebied in een leggervlak en bouwgrens. Bij een bouwgrens geldt: achter een bouwgrens hoeft bebouwing alleen boven het leggerprofiel te blijven, en hoeft niet boven het PVVR (profiel van vrije ruimte) gebouwd te worden. Voor de bouwgrens mag ook binnen een leggervlak gebouwd worden, maar dan moet de ontwikkeling boven het PVVR plaatsvinden.
Plangebied Afbeelding 12: Uitsnede Legger waterkeringen
In de onderstaande tekening met dwarsprofiel van de waterkering (afbeelding 13) is aangegeven hoe de bebouwing zich verhoudt tot het leggerprofiel. Het nieuwe appartementengebouw wordt gerealiseerd boven het leggerprofiel. Op afbeelding 14 is tevens weergegeven dat het appartementengebouw achter de bouwgrens wordt gesitueerd (op deze tekening is tevens de bestaande bebouwing aangegeven). Hiermee wordt instabiliteit van de waterkering voorkomen en kunnen toekomstige dijkversterkingen mogelijk worden gemaakt. De exacte (civieltechnische) uitwerking van het appartementengebouw zal nader worden afgestemd met het waterschap Rivierenland in het kader van de watervergunning. Voor het aanplanten van beplanting dient rekening gehouden te worden met de waterkering.
Afbeelding 13: Dwarsprofieltekening (uitvergroot in bijlage)
29
Afbeelding 14: Bestaande en nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)
Nieuwe stoep/trap Het plangebied wordt ontsloten via een trap op de Rivierdijk. Op de plaats van de trap wordt een stoep worden aangelegd, waardoor het achterterrein voor auto’s bereikbaar is. Conform het beleid van het waterschap mag ten behoeve van de nieuwe stoep en de trap aan de voorzijde van het gebouw het bestaande maaiveld niet worden verlaagd. Hiermee wordt instabiliteit van de waterkering voorkomen.
30
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Tabel 1: Verhardingsbalans Bestaande situatie
Bebouwing Verharding Groen Totaal Nieuwe situatie
Bebouwing Verharding Halfverharding (grind/grasbetontegels) Groen Totaal
Verhard oppervlak (m²) 130 250 195 575
Percentage (%) 100 100 Totaal
Meetellend verhard oppervlak (m²) 130 250 380
Verhard oppervlak (m²) 188 50 282
Percentage (%) 100 100 50
Meetellend verhard oppervlak (m²) 188 50 141
55 575
Totaal Afname
379 1 m2
Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld (tabel 1). Het plan resulteert niet in een toename aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk.
31
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Het hemelwater zal worden geïnfiltreerd in de bodem of de gemeentelijke riolering. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente HardinxveldGiessendam. In het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen gelegen. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
32
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Het plan ligt binnen de onderzoekzones van rijksweg A15 en de Nieuweweg, alsmede binnen de invloedssfeer van enkele 30 km/h wegen en scheepvaart. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en scheepvaartverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: Wegverkeerslawaai • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de A15 ten hoogste 53 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt.