CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan NL.IMRO.0523.BPRIVIERDIJK44-VG01.pdf

Gemeenteraad GHG 28 september 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 15: Vaststellen Bestemmingsplan Rivierdijk 44 - Raadsvoorstel11.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied zijn A-watergang 111969, B-watergang 125407 en C-watergang 047562 gelegen (zie afbeelding 15). Er vinden geen werkzaamheden plaats aan of in de beschermingszone van deze watergangen.

29

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart

Afbeelding 15: Uitsnede legger wateren

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het buitengebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Het plan betreft enkel een juridisch-planologische situatie. Er vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. De verharding ter plaatse blijft daarmee ongewijzigd. Waarbij wordt opgemerkt dat het plangebied in de bestaande situatie al 30

grotendeels is verhard en die verharding daarmee niet meer onevenredig kan toenemen. Waterkering Het plangebied is gelegen aan de Rivierdijk, hetgeen een primaire waterkering betreft. In onderstaande afbeelding is de legger waterkeringen weergegeven ter plaatse van het plangebied. De bestaande twee-onder-een-kapwoningen zijn gelegen in de kernzone van de waterkering. De overige bebouwing in de (buiten)beschermingszone of daarbuiten. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Vooralsnog vinden er geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats. Indien dit wel het geval gaat zijn, dienen de plannen te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving in het kader van de waterkering. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.

Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermings- en buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ en ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.

Afbeelding 16: Legger waterkeringen

Hemelwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

31

• • • • • •

Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

32

5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan betreft enkel een juridisch-planologische wijziging. Er vinden geen bouwen/of sloopwerkzaamheden plaatsen welke een negatieve invloed zouden kunnen hebben op beschermde flora en fauna. Stikstofdepositie Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000 vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie. De Raad van State heeft op 2 november 2022 in een tussenuitspraak beoordeeld dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Hoewel de bouwvrijstelling daarmee van tafel is, betekent dat niet dat er nu een algehele bouwstop geldt. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, blijft het mogelijk om per project onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof.

Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Het plan betreft enkel een juridisch-planologische wijziging. Er vinden geen bouwen/of sloopwerkzaamheden plaatsen welke een negatieve invloed zouden kunnen hebben op beschermde flora en fauna. Wat betreft de functiewijziging van agrarische bedrijfslocatie naar een functie voor wonen, zorg en recreatie kan er worden gesproken van een verbetering wat betreft stikstofuitstoot. Het plan volgt het beleid om agrarische bedrijven waar mogelijk te beëindigen, waarmee de stikstofuitstoot ter plaatse aanzienlijk afneemt.

33

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.

34

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf jan. 2015

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015

Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 17,2 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,1 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 8,9 μg/m3 PM2,5; Voor het plan kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. 35

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

36

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire risicobronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart externe veiligheid

Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig.

37

Vervoer gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Over de A15 vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, maar deze snelweg is op een afstand van ca. 700m gelegen. Waardoor er voor het plangebied geen sprake is van externe veiligheidsrisico’s. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Direct aan het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen het water plaats. Wel vindt er over de Merwede vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, welke wordt aangeduid als binnenvaartroute. De PR-10-6 contour van deze vaarweg ligt niet buiten de oever ervan. Doordat het plangebied is gelegen op ca. 300m van de oever en dus ver buiten de 30m contour ten behoeve van bestrijding van een plasbrand op het water is er geen sprake van een strijdigheid met het beleid.

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

38

5.10 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft aspect kabels en leidingen geen belemmeringen.

39

6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 44-45’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 44-45’ is conform de landelijke RO-standaard (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 44-45’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en de herzieningen daarop. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen De algehele bestemming ‘Agrarisch met waarden’ ter plaatse van de Rivierdijk 4445 te Hardinxveld-Giessendam wordt verwijderd. De vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing ter plaatse verkrijgt een nieuwe passende bestemming conform onderstaande uiteenzetting. Deze eerdere bestemming beschermde eventuele landschappelijke en cultuurhistorische waarde bestaande uit openheid, het verkavelingspatroon c.q. slotenpatroon, graslandvegetaties en griend. Daarnaast eventuele natuurlijke waarde bestaande uit weidevogelgebied. Gezien er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van al deze waarden, het is immers een volledig bebouwd en verhard voormalige agrarisch bedrijfsperceel, is er geen sprake van een aantasting van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit. Daarmee is het verwijderen van deze bestemming verantwoord. De agrarische bestemming wordt gewijzigd een aantal nieuwe enkelbestemmingen. Gemengd Ten behoeve van de dagbesteding, bed & breakfast en zorgboerderij wordt de enkelbestemming ‘Gemengd’ opgenomen. Functies welke middels de functieaanduidingen ‘zorgboerderij’, ‘verblijfsrecreatie’ e.d. worden toegekend ter plaatse. De loods en paardenbak blijven behouden, tevens middels twee specifieke aanduidingen. Waarbij de loods privé in gebruik wordt genomen en de paardenbak in gebruik wordt genomen ten behoeve van de eerder genoemde functies.

Recreatie Ten behoeve van de camperplaatsen wordt de enkelbestemming ‘Recreatie’ opgenomen.

40

Tuin Conform het moederbestemmingsplan van de gemeente Hardinxveld-Giessendam worden de gronden voor de voorgevel van de woningen bestemd met de bestemming ‘tuin’. Water De A-watergang aan de noordkant van het plangebied verkrijgt de bestemming ‘Water’. Wonen De bestaande woningen blijven behouden en verkrijgen daarvoor de bestemming ‘Wonen’. Voor de oostelijke woning in de twee-onder-een-kapper veranderd er daarmee niets. De westelijke woning wordt juridisch-planologische gewijzigd van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Leiding – Water De dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ blijft ongewijzigd. Waarde – Archeologische verwachting De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 2, 4 & 9’ blijven ongewijzigd. Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ wordt op de kernzone van de waterkering gelegd. De bijbehorende vrijwaringszones op de (buiten)beschermingszone van de waterkering.

6.4 Aanduidingen • • • • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding: twee-aaneen; Functieaanduiding: opslag; Functieaanduiding: rijbak; Functieaanduiding: verblijfsrecreatie; Functieaanduiding: zorgboerderij; Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – dijk – 1; Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – dijk – 2.

41

7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie Alvorens de bestemmingsplanprocedure is ten tijden van de principeverzoek procedure een informatieavond belegd voor de directe omgeving van het plan. Deze heeft 1 april 2021 plaatsgevonden aan de Rivierdijk 31 te HardinxveldGiessendam. Alle omwonenden (nr. 40 t/m 49) waren hierbij aanwezig. Het plan is over het algemeen positief ontvangen door de direct omwonenden, met uitzondering van het onderdeel camperplaatsen. De gemeente HardinxveldGiessendam hecht echter dusdanig waarden aan dit onderdeel van het plan, dat deze onderdeel blijft van het plan. Hetgeen de beleidsvisie (zie paragraaf 4.3) van de gemeente volgt in het kader van recreatie.

8.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeenten bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de overlegpartners van de gemeente. Naar aanleiding hiervan zijn enkele kleine opmerkingen van het Waterschap Rivierenland verwerkt in het bestemmingsplan.

8.3 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/799/documents/26609