Toelichting Bestemmingsplan "Brooshooftstraat naast 12".pdf
Tekst van het document
Conclusie Gelet op bovenstaande onderzoeken kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie geen belemmering vormt voor de beoogde functiewijziging.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'.
De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden
33
verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). De richtafstand geldt vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende functies) rust tot de uiterste situering van de gevel van een woning. 5.7.2
Toetsing
De te realiseren woningen betreffen een 'milieuhinder gevoelige functie' en geen 'milieubelastende activiteit'. In deze toets wordt derhalve uitsluitend getoetst of de te realiseren woningen als 'milieuhinder gevoelige functie' een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende activiteiten en of ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. Het plangebied ligt in een wijk met hoofdzakelijk woonbestemmingen. Ten westen van de planlocatie ligt een maatschappelijke bestemming (dat betreft een kerk met een grote parkeerplaats). Binnen deze bestemming is het mogelijk om voorzieningen ten behoeve van religieuze, medische, sociale of culturele activiteiten te realiseren. Voor deze activiteiten geeft de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt voldaan. De werkelijk afstand is namelijk circa 40 meter (vanaf de gevel van de appartementen tot aan de maatschappelijke bestemming). Op basis van het voorgaande kan ervan worden uitgegaan dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.8.1
Inleiding
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: -
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
34
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3. 5.8.2
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Brooshooftstraat te Hardinxveld-Giessendam. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij de realisatie van de woningen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als het plan een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op de realisatie van 7 woningen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
35
6
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
6.1
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan (het ‘moederplan’) rust er op het perceel een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Dat betekent dat er in beginsel een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, omdat de archeologische waarden van de gronden in beeld te brengen. Door Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect-rapport 4358, Hardinxveld-Giessendam, Brooshooftstraat 12, Gemeente Hardinxveld-Giessendam (ZH) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, d.d. 7 november 2022, zie bijlage VI). Uit het onderzoek blijkt dat er resten uit de Late Middeleeuwen in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Deze resten bevinden zich al vanaf 15 cm -Mv. De kans dat er dus resten vergraven zullen worden in het gebied is dus aanwezig. Daarom adviseert Transect in het kader van de planvorming een vervolgonderzoek uit te voeren om de aanwezigheid en waarde van eventueel aanwezige resten te bepalen. Dit vervolgonderzoek zal plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, karterende en waarderende fase, ter plaatse van de nieuwbouw.
De voorwaarden en doelen van dit onderzoek moeten vooraf worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), die door de bevoegde overheid moet worden goedgekeurd. Conclusie Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen zijn in dit bestemmingsplan de geldende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Zodoende vormt het aspect ‘archeologie’ geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6.2
Cultuurhistorie
Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
36
Uit het oogpunt van cultuurhistorie bestaan er dan ook geen aandachtspunten c.q. belemmeringen voor het plan. Conclusie Gelet op het voorgaande kan ervan worden uitgegaan dat deze aspecten geen belemmering vormen voor de beoogde functiewijziging.
37
7
UITVOERBAARHEID
7.1
Economisch
De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² brutovloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Hardinxveld-Giessendam met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente Hardinxveld-Giessendam en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan.
In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd. Ook het verhaal van planschade is geregeld, in die zin dat eventuele gerechtvaardigde claims worden afgewenteld op de initiatiefnemer.
7.2
Maatschappelijk
Vooroverleg Het ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. De ingediende reacties gaven geen aanleiding tot wijziging van het plan. Tevens is het plan aan omwonenden voorgelegd. Samenvattend kwamen daar de volgende reacties uit: a. Zoveel mogelijk groen handhaven, in ieder geval de grote boom achter Brooshooftstraat 12.
38
Reactie initiatiefnemer: in de uitwerking zullen we kijken naar de gezondheid en mogelijkheid van behoud van de grote boom achter Brooshooftstraat 12 en de rij bomen aan de westzijde naast Brooshooftstraat 30. b. Meer aandacht voor privacy/voorkomen van inkijk vanaf balkons op 1e verdieping. Reactie initiatiefnemer: in de uitwerking vragen de architect om de vormgeving/locatie van de balkon zo aan te passen dat er geen inkijk ontstaat naar de woningen tegenover het plan aan de Brooshooftstraat en de woning Brooshooftstraat 30. c. Zoveel mogelijk openbaar parkeren voorzijde handhaven Reactie initiatiefnemer: Op dit moment zijn er links en rechts van de huidige inrit 3 langsparkeervakken, dus in totaal 6 stuks. Door verschuiving van de inrit en de extra inrit voor de vrijstaande woning worden dit er in de nieuwe situatie: 1 + 4, dus totaal 5. d. Kan de oprit van de vrijstaande woning vervallen? In verband met het vervallen van een openbare parkeerplaats. Reactie initiatiefnemer: Het laten vervallen van een eigen oprit bij een vrijstaande woning vinden wij teveel concessie doen aan de verwachtingen van de koper van zo’n woning. Tegen het vervallen van 1 openbare parkeerplaats staat een parkeernorm van maar liefst 2,7 parkeerplaatsen per woning in het plan. e. Parkeren nieuwe bewoners zoveel mogelijk op het achterterrein.
Reactie initiatiefnemer: In het plan worden voldoende nieuwe parkeerplaatsen op het achterterrein voorzien. Zoveel mogelijk zullen wij ‘dwingen’ dat de nieuwe bewoners hier ook gaan parkeren (bijv. door deze verplichting in de huurovereenkomsten op te nemen). Zienswijzen Met de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging, van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024, kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. Er is een aantal zienswijzen ingediend. In de bij het vaststellingsbesluit als bijlage opgenomen zienswijzenota wordt een reactie gegeven op de zienswijzen en wordt aangegeven of en op welke wijze de zienswijze heeft geleid tot het aanpassen van het plan. Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking
39
Bijlagen: I. Zonnestudie, Herontwikkeling Buitendams & Brooshooftstraat, HardinxveldGiessendam, 2802ao, d.d. 11 oktober 2022 II. Akoestisch onderzoek, Brooshooftstraat, Hardinxveld-Giessendam, De Milieuadviseur, d.d. 23 november 2023 III. Quickscan Wet natuurbescherming Brooshooftstraat ong. te HardinxveldGiessendam, Blom Ecologie BV, d.d. 30 september 2022 IV. Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Herontwikkeling Buitendams & Brooshooftstraat, Langelaar Milieuadvies, Hardinxveld Giessendam, d.d. 27 november 2023 V. Verkennend bodemonderzoek, Brooshooftstraat, K1232, te Hardinxveld-Giessendam, Lawijn Advies & Management d.d. 31 januari 2023 VI. Transect-rapport 4358, Hardinxveld-Giessendam, Brooshooftstraat 12, Gemeente Hardinxveld-Giessendam (ZH) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, d.d. 7 november 2022
40