RO-BP-620.156.10 Toelichting Bestemmingsplan Woonarken 28 september 2022.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
24
Natte natuur/ verdroging Het plangebied is niet gelegen in een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden op afstand niet via het oppervlaktewater worden aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast. Kwel en hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. (Grond)wateroverlast De meest noordelijke kavel, van de blijvende woonark, heeft een laagste punt van ca. 1.50 +N.A.P en de dorpel van de schuur ligt op 1.90 +N.A.P. Dit perceel wordt tot +2.20 m NAP opgehoogd en de schuur wordt op hoogte gebracht. Hiermee is het risico van (grond)wateroverlast weggenomen. Het hemelwater dat op de bestaande en nieuwe bebouwing en de percelen valt stroomt oppervlakkig weg richting de bergingsvijver.
Deze sluit met een talud van 1:5 aan op de percelen, waardoor het water eenvoudig naar het laagste punt stroomt. Aanvullende maatregelen zoals een kwelscherm zijn niet meer nodig. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd. De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Ontwerpnormen In de Beleidsregels voor de Keur van het waterschap zijn ontwerpnormen voor het watersysteem opgenomen. Verder zijn er Algemene regels, bijvoorbeeld voor het planten van bomen langs sloten. Stilstaand water moet zoveel mogelijk worden voorkomen, door het onderling verbinden van sloten of bij doodlopende wateren door het plaatsen van lozingspunten vanuit het regenwaterriool. 5.3
Conclusie Het plan voldoet aan het geldende waterbeleid. Het mogelijk om binnen de nieuwe waterhuishouding van de woonarken voldoende bergingscapaciteit te realiseren. De aanvulling op het huidige HWA-systeem biedt de mogelijkheid om te lozen op de Peulen.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
25
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die, naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft kaarten vervaardigd waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland is vastgelegd.
Dit project is opgezet om het beleid en alle verantwoordelijkheden die de provincie heeft op het gebied van cultureel erfgoed - archeologie, nederzettingsgeschiedenis en landschapsbehoud - te onderbouwen en te integreren. Zo kan de waardering, de toetsing en de actieve bescherming van historische kwaliteiten worden verbeterd. De kaarten vestigen de aandacht op onder meer de landschapsvorming in het poldersysteem.
Afbeelding 6.1: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – landschap (plangebied in zwart)
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
26
Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijkt dat aan de noordrand van het plangebied een rivierdijk met een hoge waarde aanwezig is. Deze historische waardevolle lijn wordt echter door de planontwikkelingen niet aangetast.
Afbeelding 6.2: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – Archeologie (plangebied in zwart)
Uit de bovenstaande kaart van de CHS Zuid-Holland valt af te leiden dat er voor grote delen van het plangebied een zeer grote kans op het aantreffen van archeologische sporen geldt. Gemeentelijke Beleidsnotitie Archeologie Op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente HardinxveldGiessendam (BAAC 2009) is een nadere invulling gegeven van de archeologische (verwachtings)waarden. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden ‘in situ’ door deze in te passen in de ontwikkeling. Het plangebied kent op de gemeentelijke beleidskaart een middelmatige verwachting.
Afbeelding 6.3: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam, BAAC 2009
6.1.2 Onderzoek en conclusie In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied, in afwijking van de gemeentelijke beleidsadvieskaart, twee archeologische dubbelbestemmingen. In het noordelijke deel, tegen de Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
27
A15 aan geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’. Bij ingrepen die groter of gelijk zijn dan 250 m2 en op een diepte tussen de 1,5 m en 5m is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het grootste gedeelte van het plangebied ligt echter binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 8’. Hier is onderzoek nodig is bij ingrepen groter of gelijk aan 500m2 en dieper dan 30 centimeter. De toekomstige bouwvlakken vallen allen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 8’. Binnen deze bouwvlakken zal het aantal m2 bodemverstoring niet groter zijn dan 500 m2 of dieper reiken dan 30 centimeter beneden maaiveld. Bij eventueel toekomstige bouwplannen waarbij deze grens wél overschreden wordt, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Om dit te borgen zijn de bestaande dubbelbestemmingen overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het aspect ‘Archeologie’ staat de vaststelling van het plan dan ook niet in de weg. 6.2
Cultuurhistorie Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2.2 Onderzoek en conclusie In de Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland zijn voor het plangebied geen cultuurhistorische elementen of structuren aangeduid. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat de vaststelling van het plan niet in de weg.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
28
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkómen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. Het gewijzigde besluit Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer en een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De ontwikkeling/legalisatie van het plangebied valt onder de categorie ‘woningbouw’, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.
In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Op basis hiervan dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
29
de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 7.3.2 Onderzoek Ten behoeve van de planrealisatie dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige woonfunctie. Op de locatie is door onderzoeksbureau ABO-Milieuconsult een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 2 en 3. De belangrijkste resultaten zijn opgenomen in deze paragraaf.
Nader bodemonderzoek voormalige watergang (circa 4.500 m2) Geconcludeerd wordt dat de sterke verontreinigingen met zink over het algemeen in het bodemtraject van 1,0 tot minimaal 2,5 m-mv worden aangetroffen. De verontreinigingen zijn aangetoond vanaf 1,0 m-mv tot een diepte van circa 2,5 m-mv. Het volume sterk verontreinigde grond is berekend op circa 1.800 m3, daarmee is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de sterke verontreiniging met zink in de grond zowel horizontaal als verticaal niet volledig is afgebakend. Vooralsnog zijn de sterke verontreinigingen alleen in de ondergrond vanaf 1 m-mv aangetoond. Daarmee is er geen directe noodzaak deze sterke verontreinigingen te saneren. Aanvullende horizontale afbakening van de verontreiniging is vooralsnog niet noodzakelijk. De sterke verontreiniging met zink ter plaatse van de gedempte watergang (1,0 – 2,5 m-mv) is reeds afgedekt met een laag grond van voldoende kwaliteit en dikte om risico's uit te sluiten. Dit specifieke geval van ernstige bodemverontreiniging zou middels een pro forma saneringsplan/evaluatie kunnen worden beschikt.
Verkennend bodemonderzoek Rivierdijk 829A, perceel D 2349 (390 m2) Uit de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bovengrond van het gehele terrein met een oppervlakte van 390 m2 sterk verontreinigd is met zware metalen (met name zink, koper en lood). De verontreinigingen zijn aangetoond tot een diepte van circa 0,5 m-mv. Het volume sterk verontreinigde grond is daarmee berekend op circa 195 m3. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van het perceel D 2349 wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. De verontreinigingssituatie is voldoende in kaart gebracht.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
30
De verontreiniging kan worden gesaneerd middels een BUS-sanering, Categorie Immobiel. Het bevoegd is Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid namens provincie Zuid-Holland. Geadviseerd wordt de grondsanering gecombineerd uit te laten voeren met het bouwrijp maken van het terrein. De noodzaak van het eventueel saneren van de sterk verontreinigde ondergrond is afhankelijk de toekomstige inrichtingsplannen. De schone bovengrond van de gebieden met een gevoelige functie (o.a. wonen met tuin) dient in stand te worden gehouden. 7.3.3 Conclusie Bij toekomstige ontwikkelingen zullen de aangetroffen verontreinigingen gesaneerd moeten worden. Hiervoor zal ten zijner tijd een saneringsplan moeten worden opgesteld. Een eventuele omgevingsvergunning treedt pas in werking als het bevoegd gezag heeft ingestemd met een BUSmelding dan wel een saneringsplan. 7.4
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten (zoals een woning of school) of een nieuwe geluidbron (zoals een weg, spoorlijn of industrieterrein). De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld-Giessendam bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In tabel 1 is aangegeven wat de voorkeurswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor een nieuwe woning in stedelijk gebied door wegverkeerslawaai, waarbij sprake is van vervangende nieuwbouw in stedelijk gebied.
7.4.2 Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek beschreven. De volledige rapportage en berekeningen zijn opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
31
Wegverkeerslawaai In bijlage 9 zijn de berekeningsresultaten opgenomen voor de nieuwe/gelegaliseerde woningen binnen het bestemmingsplan “Woonarken”. Gepresenteerd is de geluidsbelasting van het verkeer op de A15 zonder de toepassing van de reductie ex artikel 110g Wgh. Deze reductie kan niet zonder meer worden toegepast omdat de hoogte van de reductie varieert al naar gelang de hoogte van de geluidsbelasting zonder reductie. De resultaten zonder reductie moeten als volgt worden geïnterpreteerd: - 50 dB en lager; reductie is 2 dB en de geluidsbelasting is gelijk aan of lager dan de voorkeursgrenswaarde; - 58 dB en hoger; reductie is 2 dB en de geluidsbelasting is hoger dan de maximale hogere waarde waardoor een dove gevel of gelijkwaardig moet worden toegepast; - 51 dB tot 57 dB; reductie varieert van 2 tot 4 dB; geluidsbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximale hogere waarde waardoor de vaststelling van een hogere waarde noodzakelijk is. Voor de gevels waar de geluidsbelasting 58 dB en hoger is op de afbeelding in bijlage 9 (zonder de reductie ex artikel 110g Wgh) moet een dove gevel worden toegepast. Een dove gevel is een dichte, gemetselde gevel of een gevel met ramen die niet kunnen worden geopend.
Een afbeelding met de zijden en de verdiepingen die moeten worden uitgevoerd met een dove gevel zijn aangeduid op de afbeelding in bijlage 3 van het onderzoek en gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting in de regels (bijlage 4 van de regels). Scheepvaartlawaai Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 51 dB. Dat is ruim lager dan de streefwaarde van 55 dB die in het gemeentelijke geluidbeleid is aangegeven, zodat scheepvaart geen akoestische belemmeringen oplevert. Railverkeers- en industrielawaai De ontwikkellocatie is niet gelegen in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar railverkeers- en industrielawaai niet aan de orde. Toetsing aan het hogere waarden beleid Verder blijkt dat op vrijwel alle gevels sprake is van een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit betekent dat voor alle woningen een hogere waarde moet worden aangevraagd. In dat geval moet ook worden getoetst aan de voorwaarden die in het hogere waarden beleid zijn beschreven. Gezien het beperkte aantal woningen in dit plan is het niet zinvol het bestaande scherm te slopen en een nieuw, hoger scherm te realiseren. Verder blijkt uit de resultaten dat geen van de woningen een geluidsluwe gevel heeft en de meeste woningen ook geen geluidsluwe buitenruimte.
Dit betekent dat moet worden afgeweken van de voorwaarden die in het hogere waarden beleid zijn opgenomen. Een motivering waarom zou kunnen worden afgeweken betreft: - De 6 woningen worden gebouwd/gelegaliseerd als vervanging van 4 bestaande woonschepen;
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
32
-
-
Woonschepen vallen niet onder de werking van het Bouwbesluit met betrekking tot de geluidwering van de gevels. Omdat woningen wel worden beschermd is in de nieuwe woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de orde; De oriëntatie van de woningen is op het zuiden gericht, de zijde die van de A15 is afgekeerd; De verblijfsruimten in de woning zoveel mogelijk aan de minst belaste zijden te situeren.
Uit dit onderzoek blijkt dat alleen het verkeer op de A15 een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat er geen andere bronnen zijn is geen sprake van cumulatie van geluid. Uit de resultaten van het onderzoek naar de rioolwaterzuivering blijkt dat sprake is van een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A). Omdat een scherm wordt toegepast dat er toe leidt dat kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde is ook vanuit deze kant geen sprake van cumulatie van geluid. 7.4.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor een deel van het plangebied wordt overschreden. Een hogere waarde besluit is noodzakelijk in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtring van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering wordt toegepast.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
33
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan worden maximaal 6 woningen mogelijk gemaakt / gelegaliseerd. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2019.
Afbeelding 7.1: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 25,4 μg/m3, 19,7 μg/m3 en 11,7 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
34
De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van de legalisatie/realisatie van 6 woningen. Deze ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de trend dat de emissies en achtergrondconcentraties zullen dalen worden er ook in de toekomst geen overschrijding verwacht. 7.6.
Milieuzonering
7.6.1 Kader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie ’Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken.
De meest voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk (rustig buitengebied) zijn weergegeven in de volgende tabel.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
35
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand tot 'rustige woonwijk' 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter
Richtafstand tot 'gemengd gebied' 0 meter 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter
Tabel 7.1: richtafstand per categorie
p7.6.2
Onderzoek
Door de omgeving, tot aan de gevoelige functies aan de andere zijde van de A15 en het woongebied ten oosten van de locatie, kan het plangebied worden gezien als een ‘gemengd gebied’, op basis van de brochure van de VNG. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat gelegen is nabij hoofdinfrastructuur. Het plangebied is gelegen in een gebied met verscheidene functies, waaronder de Rijksweg A15, een ontsluitingsweg (Rivierdijk naar de Nieuweweg en Peulenstraat-zuid), wonen, maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid. Kenmerkend voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gereduceerde richtafstand staat aangegeven in de 3e kolom van bovenstaande tabel. Er is onderzocht of de inrichtingen rondom het plangebied van invloed zijn op de toekomstige functies en andersom. In de nabijheid van de locatie bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie waarvan de milieucontour tot over het plangebied reikt. Rioolwaterzuiveringsinstallatie De rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) ligt ten westen van de locatie.
Op de RWZI zijn de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing welke thans bepalend zijn voor de maximaal toegestane geluidbelasting en geuremissie. De grenswaarden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn komen overeen met de richtwaarden behorende bij een ‘gemengd gebied’. Geluidbelasting Door Adromi B.V. is onderzoek gedaan naar de akoestische inpasbaarheid van de woningen nabij de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Het onderzoek toont aan dat, ten opzichte van het de maximaal toegestane geluidsemissie op grond van het vigerend recht, de plaatsing van een geluidsscherm met een lengte van 100 meter en een hoogte van 3,3 meter nodig is om ter plaatse van de geprojecteerde woningen binnen de van toepassing zijnde richt- en grenswaarden te kunnen blijven. Met het plaatsen van het geluidsscherm zal de aan de RWZI geboden geluidsruimte op grond van de maximaal toegestane geluidsemissie door de komst van de aanvullende woningen niet beperkt worden. Ter plaatse van de geprojecteerde woningen zal vanuit het oogpunt van een
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
36
goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat aan de orde zal zijn. Op de verbeelding en in de regels is een aanduiding ‘geluidsscherm’ opgenomen om ten minste een geluidscherm van 40 meter lang en 3,3 meter hoog te realiseren. Geuremissie Rondom de RWZI gelden verschillende geurcontouren, met verschillende grenswaarden. De contouren die van toepassing zijn op het plangebied zijn opgenomen in afbeelding 7.2 Binnen de binnenste contour zijn geen geurgevoelige objecten (woningen) toegestaan. Binnen de tweede contour zijn enkel verspreid liggende geurgevoelige objecten, buiten de bebouwde kom, toegestaan. Binnen de derde contour geldt dat geurgevoelige objecten zijn toegestaan na het nemen van bepaalde maatregelen.
Afbeelding 7.2: geurcontouren (bron: Waterschap Rivierenland)
Het plangebied valt grotendeels binnen de tweede zone. Hier is alleen vrijliggende bebouwing toegestaan. In overleg met het waterschap is bepaald dat er sprake is van een bestaande situatie. Daarnaast liggen de woonboten buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat de geurcontour van 7 g.e./m3 als 98-percentiel van toepassing is. Deze ligt op circa 40 meter en komt niet buiten de perceelgrens van de zuivering. De huidige situatie voldoet dus. Zodra de woonboten worden weggehaald en worden vervangen door woningen is sprake van een nieuwe situatie. De nieuwe bebouwing blijft buiten de bebouwde kom waardoor de 3 ge/m3 98-percentiel geldt. De bouwvlakken vallen hierbuiten, waardoor het plan voldoet. Om te verzekeren dat er binnen de zone van circa 70 meter geen gevoelige bebouwing wordt gerealiseerd is in de planregels een gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – geurzone’ opgenomen. Binnen deze zone mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten worden gerealiseerd, tenzij is aangetoond dat maatregelen aan de RWZI zijn getroffen waardoor de geurcontour niet langer over de betreffende bestemming reikt. 7.6.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de richtafstanden behorende bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. In de nabijheid van de locatie
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
37
bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie waarvan de milieucontour tot over het plangebied reikt. Ten behoeve van de akoestische inpasbaarheid wordt een geluidsscherm geplaatst. Daarnaast is in de planregels is geborgd dat er geen nieuwe gevoelige objecten mogen worden gerealiseerd ter plaatse van de geurcontour van 70 meter. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
38
Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b.
het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen van maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen te verhogen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
39
7.7.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. Het betreft de risicobronnen: ‐ Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A15; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede
Afbeelding 7.3: Uitsnede risicokaart en globale ligging plangebied
Rijksweg A15 Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied van 355 meter voor GF3 (LPG) transport over de weg. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de rijksweg A15 op ruim 30 meter van de woonbestemming van het plangebied. Aangezien de ontwikkellocatie binnen de 200 meter basisnetafstand van de Rijksweg A15 is gelegen, dient er een verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die over deze route vervoerd wordt. Het cijfer voor GF3 is afkomstig uit de Regeling basisnet weg. De overige cijfers zijn afkomstig uit de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. stofcategorie
omschrijving
aantal transporten
LF1
Brandbare vloeistof
28.104
invloedsgebied (m) 45
LF2
Brandbare vloeistof
50.618
45
LT1
Toxische vloeistof
2.478
730
LT2
Toxische vloeistof Brandbaar gas
2.384
880 40
Brandbaar gas
192 192
GF3 max
Brandbaar gas
13.059
355
GT3
Toxisch gas
245
995
GF1 GF2
Tabel 7.2: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Rijksweg A15
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
280
40
Plaatsgebonden risico en PAG zone De A15 heeft een PR 10-6 contour van 46 meter gemeten vanuit het hart van de weg en een PAG van 30 meter gemeten vanaf de buitenste kantstreep. De woonbestemming in het plangebied valt buiten deze zones. Mocht de veiligheidscontour wijzigen als gevolg van een tracéwijziging van de A15, dan is de minister van I&W gehouden om de nieuw gebouwde woningen binnen de contour aan te kopen.1 Groepsrisico In het document: ‘Onderzoek aspect externe veiligheid - Bestemmingsplan “IJzergieterij” Hardinxveld-Giessendam’, KuiperCompagnonas, d.d. 1 september 2020, is het groepsrisico voor de naastgelegen ontwikkeling (IJzergieterij) berekend in de huidige situatie en in de plansituatie. Hieruit bleek dat het groepsrisico zowel in de huidige situatie als in de plansituatie boven de oriëntatiewaarde uit komt. In de plansituatie neemt het groepsrisico licht toe. Het maatgevende punt van de berekening bevindt zich echter niet ter hoogte van het plangebied, maar ter hoogte van de kerk aan de Breedewaij 1a in Hardinxveld. Deze kerk is zeer dicht op de weg gebouwd en bevindt zich zelfs binnen de PR 10-6 contour van de rijksweg. Het gebouw heeft daarom een zeer groot effect op het groepsrisico. In voorgenoemde berekening waren binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan vier woningen meegenomen in de gemodelleerde populatie.
Deze woningen waren gemodelleerd in het noordoosten van het plangebied. Dit is als worst-case situatie te beschouwen, aangezien de woningen die met het plan Woonarken mogelijk worden gemaakt, meer verspreid liggen en ook op een grotere afstand van de A15. Vanwege de zeer beperkte wijziging in het plangebied t.o.v. de gemodelleerde populatie in het bovengenoemde rapport, is het aan te nemen dat het GR niet significant wijzigt en het maatgevende punt ter hoogte van de kerk aan de Breedewaij 1a in Hardinxveld gepositioneerd blijft liggen. Een nadere berekening van het GR wordt daarom als overbodig beschouwd. Beneden Merwede Het plangebied grenst aan de rivierdijk van de Beneden-Merwede. Deze rivier is volgens de risicokaart van provincie Zuid-Holland aangewezen is als vaarroute voor gevaarlijke stoffen. De Beneden-Merwede is onderdeel van de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland. In onderstaande tabel zijn de aantallen gevaarlijke stoffen die over deze route vervoerd worden weergegeven. Stofgroep LF1 LF2 LT1 GF3 GT3
Omschrijving Brandbare vloeistof Brandbare vloeistof Toxische vloeistof Brandbaar gas Toxisch gas
Jaarintensiteit 9.882 13.958 146 2.135 196
Invloedsgebied (m) 35 35 600 90 1.070
Tabel 7.3 Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Beneden-Merwede
1
Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 april 2015 nr. IENM/BSK-2015/69273, betref-
fende het verwerven van woningen langs basisnetroutes
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
41
Bij de analyse van vaarwegen worden volgens de “Handleiding Risicoanalyse Transport” drie routetypen onderscheiden. De vaarwegen zijn ingedeeld in bevaarbaarheidsklassen of CEMTklassen. De CEMT-klasse legt de maximale afmetingen vast van een schip dat op de vaarweg is toegestaan. De Beneden-Merwede heeft de bevaarbaarheidsklasse 6. Aangezien met onderhavig bestemmingsplan de ontwikkeling van nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen, mogelijk wordt gemaakt, zijn met behulp van de HART-methode de externe veiligheidsrisico’s bepaald. Toetsing plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen PR 10-6 contour. Toetsing oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar. Er worden over de Beneden-Merwede geen stoffen uit de categorie LT2 vervoerd en het aantal GT3 transporten is slechts 196, waardoor de 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico niet wordt overschreden. PAG De Beneden Merwede heeft een PAG van 25 meter landinwaarts.
Het plangebied bevind zich net buiten deze zone. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen. Vanuit volkshuisvestelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Maatgevende scenario vaarweg Het maatgevende scenario voor een vaarweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Door een incident op het water kan een breuk ontstaan in de grootste toevoerleiding boven de waterlijn van een gastanker met LPG, waardoor het gas uitstroomt en verdampt. Een ontsteking kan leiden tot een gaswolkontbranding en vervolgens een fakkelbrand op het schip. Andere scenario’s zijn een plasbrand met benzine (LF2) of een toxische wolk van acrylnitril (LT1) of ammoniak (GT3).
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
42
De Beneden Merwede is geheel aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen, maar in in de rivier zijn strekdammen geplaatst met een lengte van circa 165 meter ter hoogte van het plangebied. Dit betekent dat de werkelijke afstand van de schepen tot de bebouwing in het plangebied meer dan 200 meter bedraagt. Bij een incident bevindt het plangebied zich daarmee buiten de meest kritieke zone. Maatgevende scenario rijksweg BLEVE Het maatgevende scenario voor de rijksweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij het tankstation kan een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken.
Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Maatgevende scenario plasbrand Door een incident op de weg met een tankwagen met benzine kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de zone aangrenzend aan de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Maatgevende scenario toxische vloeistoffen/gassen Door een incident op de weg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied moeilijk worden ingeschat. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De rijksweg A15 loopt aan de noordkant langs het plangebied in west-oostelijke richting.
De rivier de Beneden-Merwede loopt aan de Zuidkant langs het plangebied. Men kan het plangebied ontvluchten via de oostzijde en via de noordzijde. Vervolgens kan men via het plangebied IJzergieterij (oostzijde) of de weg Rivierdijk (noordzijde) verder vluchten. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
43
De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van de gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. Het plangebied is conform regionaal dekkingsplan binnen de zorgnorm bereikbaar. Ook is risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat toekomstige gebruikers ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Rijksweg A15 Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015. Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen.
Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. 7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. 7.8
Duurzaamheid
7.8.1 Kader Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woongebied. Hiervoor zijn een aantal handvatten op zowel Rijks- als regionaalniveau. Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) regelt onder andere de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet zal verdwijnen. Op 1 juli 2018 is er een aardgasverbod ingegaan. De Wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
44
De Wet Vet is op 30 januari 2018 door de Tweede Kamer en op 3 april door de Eerste Kamer aangenomen. Per 1 juli 2018 is de wet inwerking getreden. Energiestrategie Drechtsteden Bedrijven, gemeentes, bewoners en organisaties in de regio hebben samen de 'Energiestrategie Drechtsteden' opgesteld. Het is een ambitieus plan van aanpak om te komen tot een energie neutrale regio vóór 2050. De regio wil op deze manier haar bijdrage leveren aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 dat Nederland heeft ondertekend. Met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gasloos bouwen is het van belang hier in vroeg stadium rekening mee te houden. De woonwijk zal gasloos worden aangelegd. Lokale Energieagenda In december 2018 is de Lokale Energieagenda Hardinxveld-Giessendam opgesteld. De opgaven die genoemd worden sluiten voor een groot deel aan bij de landelijke opgaven. Daarnaast zijn er nog een aantal gemeentelijke doelstellingen opgenomen op het gebied van energiebesparing, uitfaseren van aardgas en energieopwekking. Bij de uitwerking van de openbare ruimte wordt de Aanpak duurzaam GWW toegepast. Deze werkwijze maakt duurzaamheid in GWW-projecten concreet zonder vooraf voor te schrijven hoe de duurzaamheidswinst behaald wordt. Dat kan per project verschillen.
7.8.2 Onderzoek en conclusie Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in de legalisatie van bestaande woonarken en het splitsen van het plangebied in een zestal percelen. Wanneer er nieuwe woningen worden gerealiseerd moeten deze voldoen aan de wettelijke eisen omtrent duurzaamheid.
7.9
Overige belemmeringen
7.9.1 Kabels en leidingen Naast de in het kader van externe veiligheidsaspecten relevante leidingen, kunnen er ook andere leidingen zijn die planologisch relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om drinkwaterleidingen of riool(pers)leidingen. In het voorliggende plangebied liggen geen kabels en leidingen die planologische relevant zijn. 7.9.2 Explosieven In het kader van het lopende gemeente brede vooronderzoek Conventionele Explosieven (hierna: CE) van de gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft de gemeente Hardinxveld-Giessendam de locatie aangemerkt als ‘Prio locatie’, een locatie die prioriteit moeten krijgen bij het onderzoek. Om deze reden is onderzoek verricht door onderzoeksbureau BeoBom. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het archief- en literatuuronderzoek is gebleken dat er binnen het huidige grondgebied van de gemeente Hardinxveld-Giessendam gedurende de Tweede Wereldoorlog verscheidene oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden die CE achtergelaten kunnen hebben. Het betreft hier met name enkele bombardementen en beschietingen door geallieerde vliegtuigen. Grondgevechten hebben niet plaats gevonden.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
45
Op verscheidene locaties binnen de gemeente zijn door Duitse troepen verdedigingswerken aangelegd, waaronder verschillende loopgraven, wapenopstellingen en stellingen voor luchtdoelgeschut. Uit het bronnenmateriaal is niet gebleken dat ter plaatse van het projectgebied IJzergieterij oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor mogelijk sprake is van het achterblijven van CE. Het geraadpleegde bronnenmateriaal biedt onvoldoende aanleiding voor de (gegronde) afbakening van een verdacht gebied als gevolg van deze, of andere, oorlogshandelingen binnen de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Op basis van het geheel van geraadpleegde bronnen kan worden geconcludeerd dat er géén feitelijke aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van CE binnen het projectgebied. De binnen het projectgebied geplande werkzaamheden kunnen vanuit OCE-oogpunt op reguliere wijze plaatsvinden.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
46
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling wordt tussen de gemeente en de initiatiefnemers een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met dit bestemmingsplan worden bestaande woningen/woonarken gelegaliseerd en wordt het plangebied gesplitst in een zestal percelen. Dit gebeurt in overeenstemming met de huidige bewoners. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het Rijk, de provincie en gemeente. Daarnaast wordt in de procedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld
47
9
Procedure
9.1
Voorbereidingsfase Overleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse overleginstanties. Dit gebeurt gelijktijdig met de ter inzage legging. Van de eventueel te ontvangen overlegreacties wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan.
9.2
Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. Ook kunnen er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd worden. Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan belanghebbende diensten en instanties toegezonden (artikel 3:13 Awb) en is aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Door waterschap Rivierenland is een zienswijze ingediend. Deze is samengevat en beantwoord in de Zienswijzennota die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De waterparagraaf is naar aanleiding van de zienswijze gewijzigd. Daarnaast is een ambtshalve wijziging doorgevoerd met betrekking tot de twee zuidelijke bouwvlakken en de maximale toegestane bebouwingsoppervlakte binnen een bouwvlak.
9.3
Vaststellingsfase Nadat de ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, stelt het de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Bij ongewijzigde vaststelling wordt het vaststellingsbesluit binnen twee weken gepubliceerd. Bij gewijzigde vaststelling vindt dit na maximaal zeven weken plaats. Na publicatie start de beroepstermijn van zes weken. Het vaststellingsbesluit staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vastgesteld