CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-620.102.10 Bijlagenboek toelichting gecomprimeerd deel 4.pdf

Gemeenteraad GHG 30 juni 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Zwaluwpad24.171 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 8: Aanvullende bodemonderzoeken, Verhoeven Milieutechniek B.V., 3 september 2020

RAPPORT: Diverse aanvullende onderzoeken Zwaluwpad ong. te Hardinxveld‐Giessendam

PROJECTNUMMER: B20.7782NO Versie: 01

0

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam

PROJECTNUMMER: B20.7782NO Versie: 01

OPDRACHTGEVER: Blokland Bouwpartners

DATUM: 3 september 2020

Auteur:

Autorisatie:

M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B20.7782NO/R7782NO-01/MS

De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Blokland Bouwpartners heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse aanvullende onderzoeken, waaronder een nader grondonderzoek naar zware metalen en/of PAK en een nader onderzoek naar asbest voor de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van voorgaande onderzoeken in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd afgeleid van de NEN 5740:2009/A1:2016 en conform de nomen NTA 5755:2010, de NEN 5707:2015/C2:2017 en/of NEN 5897:2015/C2:2017. De diverse onderzoeken hebben tot doel de verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie volledig in beeld te brengen in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende saneringswerkzaamheden. Tevens dient aanvullend de grond op PFAS te worden onderzocht ter plaatse van de verontreinigingen en dient de grondwaterkwaliteit ter plaatse van de peilbuis PB08 te worden geverifieerd.

De doelen voor het nader onderzoek naar de grondverontreinigingen met zware metalen (lood en zink) en PAK zijn:  Verifiëren of en in welke mate sprake is van een sterke bodemverontreiniging met zware metalen (lood en zink) en PAK op het (zuid)oostelijk deel van de locatie (boringen B112 t/m B114 voorgaand onderzoek);  Eventueel horizontaal en verticaal afperken van de (ernstige) grondverontreiniging met zware metalen en PAK en daarmee het bepalen van de omvang van de grondverontreinigingen;  Het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en/of PAK. De doelen van het nader onderzoek naar asbest in de bodem zijn:  Het gemiddelde gehalte voor asbest vaststellen per ruimtelijke eenheid (RE) ter plaatse van de voormalige bebouwing;  Verifiëren of en in welke mate sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest in de bodem ter plaatse van en in de directe omgeving van proefgaten B111, B112, B119, AB129 en AB130 van voorgaand onderzoek;  Het horizontaal en verticaal afperken van een eventuele ernstige (grond)verontreiniging met asbest en daarmee het bepalen van de omvang van de asbestverontreiniging;  Het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Verhoeven Milieutechniek B.V.

(certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

3 Conclusies voorgaande onderzoeken en vervolgtraject Middels voorgaande onderzoeken (kenmerk VMT: B20.7782, d.d. 26 mei 2019) is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te HardinxveldGiessendam vooralsnog in onvoldoende mate vastgelegd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan, voor wat betreft de verhoogde gehalten voor metalen en PAK in de grond op het (zuid)oostelijk deel van de locatie, niet uitgesloten worden dat sprake is van een sterke grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde. De ernst en omvang van de eventuele verontreiniging is nog niet in beeld. Derhalve dient een nader onderzoek conform de NTA 5755:2010 te worden uitgevoerd om de omvang, ernst en spoedeisendheid te bepalen van de grondverontreiniging te bepalen. Daarnaast zijn in diverse proefgaten, op een groot deel van het terrein waar diverse opstallen aanwezig zijn geweest (recent gesloopt), asbesthoudende grondlagen aangetroffen waarbij de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. ruimschoots wordt overschreden. Om de exacte omvang van de ernstige asbestverontreiniging vast te stellen, dient een nader asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd middels proefsleuven.

Aangezien voor asbest geen omvangscriterium bestaat en de interventiewaarde reeds wordt overschreden is reeds sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Voor wat betreft de verontreiniging met zware metalen in het grondwater uit peilbuis PB108 wordt een nader onderzoek middels aanvullende peilbuizen ons inziens niet zinvol geacht. De grondwaterverontreiniging leidt in principe niet tot een saneringsnoodzaak. Wel wordt geadviseerd het grondwater uit de geplaatste peilbuis PB108 te herbemonsteren voor analyse op zware metalen. Wat betreft het overige deel van de onderzoekslocatie is de algemene bodemkwaliteit wel in voldoende mate vastgelegd. Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters is de kleigrond niet geschikt voor hergebruik. Op het moment kan deze grond door erkende verwerkers nog niet worden geaccepteerd. De gehalten voor PFOA (maximaal 13 μg/kg d.s.) blijven echter ruim onder de INEV- waarde van 1.100 μg/kg d.s. waardoor geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Conclusies en aanbevelingen Conclusies diverse aanvullende bodemonderzoeken Middels de uitgevoerde aanvullende en onderzoeken zijn de verontreinigingen met zware metalen en/of PAK in de grond voldoende mate onderzochte behoeve van de voorgenomen herontwikkeling.

De verhoogde gehalten voor PFOA in kleiige bovengrond boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” zijn opnieuw bevestigd. Het sterk verhoogde gehalte voor nikkel in het grondwater ter plaatse van peilbuis PB108 is opnieuw bevestigd. Een ernstige asbestverontreiniging is tijdens het nader onderzoek middels proefsleuven echter niet opnieuw aangetoond.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

4 Nader grondonderzoek zware metalen en PAK Op basis van de onderzoeksresultaten is vastgesteld dat de bodemverontreiniging met zware metalen en/of, welke reeds verticaal was afgeperkt, binnen de onderzoeksgrenzen voldoende in beeld is. Op basis hiervan en de resultaten van huidig en voorgaand onderzoek is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood en/of zink in de bovengrond ter plaatse en in de omgeving van boringen B114, B202, B205, B207, B209 en B211. De verontreiniging is binnen de onderzoeksgrenzen aanwezig over een oppervlakte van circa 360 m2. Binnen de verontreinigingscontour zijn enkele boringen meegenomen waar in de bovengrond de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar wel wordt benadert. Buiten de contour wordt bij enkele boringen nog de index van 0,5 overschreden, maar zijn geen sterk verhoogde gehalten in omliggende boringen aangetroffen of wordt de interventiewaarde benadert De contour is weergegeven op de situatieschets in bijlage 2a. Uitgaande van een gemiddelde laagdikte van een 0,5 meter wordt de omvang van de sterke grondverontreiniging met lood en/of zink, binnen de onderzoeksgrenzen, geschat op circa 180 m3. Voor PAK zijn tijdens voorgaand en onderhavig onderzoek geen gehalten boven de interventiewaarde aangetoond.

De verhoogde gehalten voor zware metalen en PAK in de grond zijn vermoedelijk te relateren aan de aangetroffen bijmengingen met bodemvreemd materiaal in de ophooglaag (klei). Aanvullend onderzoek naar PFAS In de onderzochte kleiige bovengrond zijn wederom gehalten voor PFOA aangetoond die de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijden. De gehalten voor PFOA (maximaal 27 μg/kg d.s.) blijven ruim onder de INEV- waarde van 1.110 μg/kg d.s en vormen geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Dit houdt in dat de grond binnen de herontwikkelingslocatie vrij kan worden toegepast. De betreffende bodemlaag is echter niet geschikt voor toepassing buiten de herontwikkelingslocatie en kan momenteel nog niet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Aanvullend grondwateronderzoek. In het grondwater uit peilbuis PB108 is net als tijdens voorgaand onderzoek een sterk verhoogd gehalte voor nikkel aangetoond. Het sterk verhoogde gehalte voor nikkel is naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven aan een van nature aanwezig verhoogde concentratie. De aangetroffen gehalten aan nikkel in het grondwater vormen bovendien geen risico voor de functie wonen met moestuin. Voor nikkel betreft de risicogrens in het grondwater 1.500 µg/l voor humane risico’s (wonen en moestuin), terwijl in het onderzoek een gehalte van maximaal 93 µg/l is aangetroffen.

Op basis van de hierboven beschreven redenatie achten wij een nader onderzoek naar nikkel in het grondwater op de voorliggende onderzoekslocatie en eventuele sanerende maatregelen niet zinvol. Wel wordt geadviseerd om het ondiepe grondwater niet te gebruiken voor besproeiing van gewassen. Nader onderzoek naar asbest Tijdens het nader onderzoek naar asbest is op het maaiveld nog een kleine hoeveelheid asbestverdacht materiaal aangetroffen. Dit materiaal is direct dubbel verpakt en van de locatie verwijderd. In de gegraven proefsleuven zijn enkel in de vrijgegraven grond uit sleuven SL09 (RE-02) en SL20 (RE-04) asbesthoudende plaatmaterialen aangetroffen. Analytisch is in de betreffende sleuven geen asbest aangetoond. Het totaal gewogen gehalte, op basis van het plaatmateriaal in de grove fractie, blijft ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

5 In de overige proefsleuven (RE-01 t/m RE-04) is in geen van de onderzochte grond- en/of puinlagen zintuiglijk of analytisch asbest aangetroffen. Een ernstige asbestverontreiniging is tijdens het nader onderzoek middels proefsleuven derhalve niet bevestigd, waardoor voor asbest geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Mogelijk is de verontreiniging middels de proefgaten en verwijdering van het plaatmateriaal tijdens de verkennende onderzoeken reeds ‘’gesaneerd’’ en betroffen het toevalstreffers. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Bij het aantreffen van asbestverdachte materialen tijden grondwerkzaamheden dient het materiaal conform de richtlijnen te worden verwijderd middels handpicking. Algehele conclusie en aanbevelingen Verontreinigingssituatie Met het uitgevoerde aanvullende onderzoeken is de verontreinigingssituatie ter plaatse van het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged.

en 1749.) te HardinxveldGiessendam, binnen de onderzoeksgrenzen, in voldoende mate in beeld gebracht ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling. Buiten de onderzoeksgrenzen is de verontreinigingssituatie onvoldoende onderzocht (ten zuidoosten van boring B207). In onderstaande tabel is de verontreinigingssituatie met omvang schematisch weergegeven. Tabel 8.1:

Verontreinigingssituatie grond

Deellocatie Zuidoostelijk deel (boringen B114, B202, B205, B207, B209 en B211)

Stof Zware metalen (lood en/of zink)

Oppervlakte (m2)

>I ± 380

Traject (m-mv)

± 0,00 - 0,50

Gemiddelde dikte

0,5 meter

3

Omvang (m ) I:

± 190

Interventiewaarde.

Opgemerkt wordt dat de verontreiniging met zware metalen buiten de onderzoekslocatie, ten zuidoosten van boring B207 niet volledig is afgeperkt. Mogelijk is hier sprake van een grensoverschrijdend geval. De aangetroffen verontreinigingen zijn, gezien de historie van het terrein, ontstaan voor 1987, waardoor geen sprake is van Zorgplicht. Ernst en spoedeisendheid Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Op basis van voorliggende en voorgaande onderzoeksresultaten is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging voor zware metalen in de grond, aangezien meer dan 25 m3 grond met gehalten boven de interventiewaarde aanwezig zijn. Middels Sanscrit toetsing (V. 2.7.0) is bepaald dat bij huidig gebruik toekomstig gebruik (landbouw) onaanvaardbare risico’s voor de mens opleveren in verband met de verhoogde gehalten voor lood in de onbedekte bovengrond. Er is geen sprake van ecologische of verspreidingsrisico’s. Indien er een duurzame afdeklaag of leeflaag van 1,0 m wordt aangebracht zijn er geen onaanvaardbare risico’s voor de mens, het ecosysteem en verspreiding (voorgestelde toekomstige situatie bij wonen met tuin).

De Sanscrit rapportage voor de huidige situatie en de voorgestelde toekomstige situatie is opgenomen in bijlage 9. Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

6 Aanbevelingen Voor de voorgenomen herontwikkeling zijn sanerende maatregelen noodzakelijk met betrekking tot de sterk verhoogde gehalten met lood en zink in de bovengrond in verband met de toekomstige nieuwbouw en voorgenomen civieltechnische werkzaamheden in de verontreinigde bodem. Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voorgesteld wordt een BUS-melding op te stellen, waarbij uitgegaan wordt van het aanbrengen van een duurzame afdeklaag/leeflaag, en deze in te dienen bij het bevoegd gezag. Indien gekozen wordt voor een ontgravingsvariant dient rekening gehouden te worden met de verhoogde gehalten voor PFOA, waarvoor momenteel geen verwerkingslocatie is. Tevens wordt opgemerkt dat de kans bestaat dat, gezien de heterogeniteit, sprake is van een kleinere omvang van de sterke grondverontreiniging (grond > interventiewaarde) en dat een deel van de grond binnen de nu gestelde I-contour voldoet aan de klasse Industrie. Indien tijdens de sanering onder milieukundige begeleiding de grond gescheiden ontgraven kan worden en in depots geplaatst, kan middels aanvullende partijkeuringen de grondkwaliteit worden bepaald.

Indien de grond uit deze depots binnen het perceel wordt herschikt (gesloten grondbalans) dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de regels uit het Besluit bodemkwaliteit rekening houdend met toekomstige bestemming van de locatie. Aanvullend dient rekening te worden gehouden met aanwezigheid van een puinpad. De volledige puinlaag is niet ernstig verontreinigd met asbest, maar bij voorgaand onderzoek is wel gebleken dat de volledige puinlaag indicatief sterk verontreinigd is met PAK. Bij eventuele afvoer van deze puinlaag dient rekening gehouden te worden dat deze laag niet hergebruikt kan worden. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij het nader onderzoek naar asbest geen volledig efficiënte maaiveldinspectie heeft plaats kunnen vinden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een verdwaald stukje (zwerf)asbest op maaiveld mogelijk nog aanwezig is. Indien bij herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden toch nog asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, dient dit conform de geldende richtlijnen te verwijderd, middels handpicking. In de onderzochte kleiige bovengrond zijn gehalten voor PFOA aangetoond die de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijden. De gehalten voor PFOA blijven ruim onder de INEV- waarde en vormen geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu.

Dit houdt in dat de grond binnen de herontwikkelingslocatie vrij kan worden toegepast. De betreffende bodemlaag is echter niet geschikt voor toepassing buiten de herontwikkelingslocatie en kan momenteel nog niet worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

7 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 8

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 8

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 9 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 9 3.2. RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK EN VERVOLGTRAJECT ............................................................... 9

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................................ 11 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 11 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 11

5.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 12 5.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 12 5.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 13

6.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 15 6.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 15 6.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 16

7.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 17 7.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 17 7.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 18 7.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 23

8.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 25 8.1. CONCLUSIES DIVERSE AANVULLENDE BODEMONDERZOEKEN ................................................................ 25 8.2. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 27

9.

REFERENTIES .......................................................................................................................................... 29

BIJLAGEN

1. 2a. 2b. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Situering in de regio Situatieschets met (voorgaande) boringen en peilbuizen inclusief verontreinigingscontour Situatieschets met verdeling proefsleuven Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen PFAS in grond Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Asbestberekeningen Spoedeisendheidsbepaling (Sanscrit)

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

8

1.

INLEIDING Blokland Bouwpartners heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse aanvullende onderzoeken, waaronder een nader grondonderzoek naar zware metalen en/of PAK en een nader onderzoek naar asbest voor de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam. De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van voorgaande onderzoeken in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd afgeleid van de NEN 5740:2009/A1:2016 [1] en conform de nomen NTA 5755:2010 [2], de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en/of NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren ing. H.M.W. van der Donk en M. Schimmel MSc.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De diverse onderzoeken hebben tot doel de verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie volledig in beeld te brengen in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie en bijbehorende saneringswerkzaamheden. Tevens dient aanvullend de grond op PFAS te worden onderzocht ter plaatse van de verontreinigingen en dient de grondwaterkwaliteit ter plaatse van de peilbuis PB08 te worden geverifieerd. De doelen voor het nader onderzoek naar de grondverontreinigingen met zware metalen (lood en zink) en PAK zijn:  Verifiëren of en in welke mate sprake is van een sterke bodemverontreiniging met zware metalen (lood en zink) en PAK op het (zuid)oostelijk deel van de locatie (boringen B112 t/m B114 voorgaand onderzoek);  Eventueel horizontaal en verticaal afperken van de (ernstige) grondverontreiniging met zware metalen en PAK en daarmee het bepalen van de omvang van de grondverontreinigingen;  Het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en/of PAK.

De doelen van het nader onderzoek naar asbest in de bodem zijn:  Het gemiddelde gehalte voor asbest vaststellen per ruimtelijke eenheid (RE) ter plaatse van de voormalige bebouwing;  Verifiëren of en in welke mate sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest in de bodem ter plaatse van en in de directe omgeving van proefgaten B111, B112, B119, AB129 en AB130 van voorgaand onderzoek;  Het horizontaal en verticaal afperken van een eventuele ernstige (grond)verontreiniging met asbest en daarmee het bepalen van de omvang van de asbestverontreiniging;  Het vaststellen of sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

9

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De locatie is gelegen aan Het Zwaluwpad en staat kadastraal bekend als gemeente HardinxveldGiessendam, sectie K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 (ged.) en 1749. De locatie bestaat voor het overgrote deel uit weiland (met gerooide bomen) en wordt omringd en doorkruist door een aaneengesloten sloot. Daarnaast zijn er enkele schuren op de onderzoekslocatie aanwezig geweest (recent gesloopt). Op het zuidelijke deel van de locatie bevindt zich een dijk, waardoor de locatie daar omhoogloopt naar de dijk toe. Het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie (perceel K1650 (ged.) is voorbelast. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Resultaten voorgaand onderzoek en vervolgtraject

Voorgaande onderzoeken Op de locatie zijn recent door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) diverse (water)bodemonderzoeken uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling (kenmerk VMT: B20.7782, d.d. 26 mei 2019) en is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de betreffende percelen verkennend onderzocht. Verkennend bodemonderzoek In de (boven)grond zijn (na uitsplitsing) licht tot sterk verhoogde gehalten aangetoond, waarbij plaatselijk (B112 t/m B114) de gehalten voor lood, zink en/of PAK de norm voor nader onderzoek (> index 0,5), dan wel de interventiewaarden overschrijden. De verhoogde gehalten voor zware metalen en PAK in de grond zijn vermoedelijk te relateren aan de aangetroffen bijmengingen met bodemvreemd materiaal in de ophooglaag. Naar verwachting is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3 sterk verontreinigde grond). Nader onderzoek zal dit uit moeten wijzen. In het grondwater zijn daarnaast licht tot sterk verhoogde gehalten voor zware metalen aangetroffen, waarbij het gehalte voor nikkel in het grondwater uit peulbuis PB108 de interventiewaarde overschrijdt. De verhoogde gehalten voor zware metalen in het grondwater zijn niet te relateren aan de grondverontreiniging en zijn naar verwachting van nature verhoogd.

In de oorspronkelijke teeltlaag zijn maximaal verhoogde gehalten voor diverse OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De gehalten blijven beneden de index van 0,5, waardoor nader onderzoek naar OCB niet noodzakelijk is. De voormalige boomgaard heeft niet geleid tot ernstige verontreinigingen met OCB in de teeltlaag. In de onderzochte zandige bovengrond zijn voor PFAS geen gehalten voor PFAS aangetoond boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond. In de onderzochte kleiige bovengrond zijn gehalten voor PFOA aangetoond (13 μg/kg d.s.) die de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijdt. Tevens overschrijdt het gehalte voor PFOS de toepassingsnorm voor functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond. Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

10 De gehalten voor PFOA (maximaal 13 μg/kg d.s.) blijven ruim onder de INEV- waarde van 1.110 μg/kg d.s. De betreffende bodemlaag is niet geschikt voor hergebruik en kan momenteel nog niet worden afgevoerd naar een erkende verwerker, maar vormen geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Verkennend onderzoek naar asbest Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest is zowel op het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond zintuiglijk (fractie > 20 mm) asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Het betreft hechtgebonden chrysotiel asbest. Het asbestverdachte materiaal is volgens de opdrachtgever inmiddels verwijderd. In de onderzochte asbesthoudende proefgaten B111, B112, B119, AB129 en AB130 heeft het aangetroffen asbesthoudend materiaal geleid tot een ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Het hoogst berekende totaal gewogen gehalte van circa 1.000 mg/kg d.s. overschrijdt ruimschoots de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. en is enkel gebaseerd op het plaatmateriaal dat is bemonsterd (tot 700 gram). Ter plaatse van het puinpad is in de volledige puinlaag eveneens asbest aangetroffen. De berekende totaal gewogen gehalten blijven echter onder de norm voor nader onderzoek. De overige onderzochte proefgaten waar zintuiglijk geen asbest is aangetroffen, zijn niet ernstig verontreinigd met asbest.

Geconcludeerd is dat het asbesthoudende materiaal, afkomstig van de voormalige bebouwing, heeft geleid tot een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. De omvang van de verontreiniging is nog niet vastgesteld. Hiervoor dient nader onderzoek plaats te vinden. Verkennend waterbodemonderzoek Op basis van de resultaten van het waterbodemonderzoek blijkt de bestaande watergang watervoerend en slibhoudend. In de watergang is, binnen de locatie, circa 125 m3 slib aanwezig. Het slib geclassificeerd als klasse industrie voor toepassing op landbodem (T1) en als verspreidbaar op aangrenzend perceel (T5). Voor toepassing in zoet oppervlaktewater is het slib niet toepasbaar in verband met de verhoogde gehalten voor PFAS. Conclusies voorgaande onderzoeken en vervolgtraject Middels voorgaande onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam vooralsnog in onvoldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan vooralsnog bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling in verband met de aangetroffen verhoogde gehalten voor metalen, PAK en asbest in de grond.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan, voor wat betreft de verhoogde gehalten voor metalen en PAK in de grond op het (zuid)oostelijk deel van de locatie, niet uitgesloten worden dat sprake is van een sterke grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde. De ernst en omvang van de eventuele verontreiniging is nog niet in beeld. Derhalve dient een nader onderzoek conform de NTA 5755:2010 te worden uitgevoerd om de omvang, ernst en spoedeisendheid te bepalen van de grondverontreiniging te bepalen.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

11 Daarnaast zijn in diverse proefgaten, op een groot deel van het terrein waar diverse opstallen aanwezig zijn geweest (recent gesloopt), asbesthoudende grondlagen aangetroffen waarbij de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. ruimschoots wordt overschreden. Om de exacte omvang van de ernstige asbestverontreiniging vast te stellen, dient een nader asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd middels proefsleuven. Aangezien voor asbest geen omvangscriterium bestaat en de interventiewaarde reeds wordt overschreden is reeds sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Voor wat betreft de verontreiniging met zware metalen in het grondwater uit peilbuis PB108 wordt een nader onderzoek middels aanvullende peilbuizen ons inziens niet zinvol geacht. De grondwaterverontreiniging leidt in principe niet tot een saneringsnoodzaak. Wel wordt geadviseerd het grondwater uit de geplaatste peilbuis PB108 te herbemonsteren voor analyse op zware metalen. Wat betreft het overige deel van de onderzoekslocatie is de algemene bodemkwaliteit wel in voldoende mate vastgelegd. Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters is de kleigrond niet geschikt voor hergebruik. Op het moment kan deze grond door erkende verwerkers nog niet worden geaccepteerd.

De gehalten voor PFOA (maximaal 13 μg/kg d.s.) blijven echter ruim onder de INEV- waarde van 1.100 μg/kg d.s. waardoor geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Geadviseerd is om het noodzakelijke nader bodemonderzoek en nader onderzoek naar asbest gecombineerd uit te voeren, waarbij tevens de grond binnen de te verwachten verontreinigingen aanvullend onderzocht dient te worden op PFAS ten behoeve van de sanering. Tevens is geadviseerd direct de bestaande peilbuis PB108 te herbemonsteren voor analyse op zware metalen. Daarnaast is voorgesteld opnieuw een maaiveldinspectie uit te voeren om na te gaan of al het asbest inderdaad van maaiveld is verwijderd. 4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 11 meter dikke deklaag aanwezig [5]. De deklaag is een complexe eenheid van de Holocene afzetting, hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerende pakket is circa 28 meter dik en bestaat hoofdzakelijk uit midden en grof zand (Formaties van Kreftenheye en Sterksel). Hieronder bevinden zich slecht of matig doorlatende lagen, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, behorend tot de Formaties van Stramproy, Peize en Waalre. 4.2.

Geohydrologie

De grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerend pakket is globaal zuid- zuidwestelijk gericht. Het stromingspatroon wordt sterk beïnvloed door de infiltrerende werking van de rivier de Merwede. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is waarschijnlijk afhankelijk van de watergangen nabij. De onderzoekslocatie in niet gesitueerd in een grondwaterbeschermingsgebied.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

12

5.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 5.1.

Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken

Nader bodemonderzoek De werkzaamheden van het nader bodemonderzoek worden conform de NTA 5755:2010 uitgevoerd. Bij het uitvoeren van een nader onderzoek conform de NTA 5755:2010 wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. In tabel 5.1 is het conceptueel model uitgewerkt. Tabel 5.1: Conceptueel model bodemverontreiniging metalen en PAK in de grond Conceptueel model Oorzaak van de verontreiniging Ernst en/of omvang van de verontreiniging

Onbekend (mogelijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal in de ophooglaag) Tijdens voorgaand onderzoek zijn in bovengrond (0,0-0,5 m-mv) ter plaatse van boringen B112, B113 en B114 licht (> index 0,5) tot sterk verhoogde gehalten voor zware metalen en/of PAK aangetoond, waarbij in de bovengrond van boring B114 de interventiewaarde voor zink wordt overschreden. In de onderliggende ondergrond (0,5-1,0 m-mv) is een licht verhoogd gehalte voor zink aangetoond dat de index van 0,5 nog overschrijdt. Enkel in de bovengrond van boring B112 is voor PAK een gehalte aangetoond dat norm voor nader onderzoek overschrijdt. In de overige onderzochte bovengrond blijven de gehalten voor PAK beneden de index van 0,5. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en/of PAK aangezien in de bovengrond op het (zuid)oostelijk deel van de locatie licht (> index 0,5) tot sterk verhoogde gehalten voor zware metalen (lood en zink) en PAK zijn aangetoond in de bovengrond.

Spoed van de sanering / Zorgplicht

Onderzoeksopzet

Er kan niet worden uitgesloten dat 25 m3 sterk verontreinigde grond met gehalten > interventiewaarde aanwezig is. De aangetroffen verontreinigingen zijn, gezien de historie van het terrein, naar verwachting ontstaan voor 1987, waardoor geen sprake is van Zorgplicht. Tijdens eerder uitgevoerd in 2009 onderzoek zijn de betreffende grondlagen niet onderzocht i.v.m. de destijds nog aanwezig bebouwing, waardoor geen vergelijking mogelijk is. Naar verwachting is reeds sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De exacte omvang en spoedeisend dient nog te worden vastgesteld. Op basis van de resultaten van voorgaand onderzoek worden ten behoeve van de omvangsbepaling en horizontale afperking bij boringen B112 t/m B114, circa 18 boringen geplaatst tot circa 1,0 m-mv verdeeld rondom boringen B112 t/m B114. Aangezien de verontreiniging naar verwachting verticaal reeds is afgeperkt, kan worden volstaan met onderzoek van de bovengrond. Van de bovengrond van de aanvullend geplaatste boringen worden de monsters individueel onderzocht op lood, zink en/of PAK. In totaal worden in eerste instantie 12 grondmonsters geanalyseerd op lood en 4 grondmonsters op PAK. Aanvullend worden 2 monsters van de meest verdachte laag onderzocht op PFAS. Tevens zal de bestaande peilbuis PB108 worden herbemonsterd voor analyse op zware metalen.

Indien op basis van de tussentijdse resultaten daartoe aanleiding bestaat, zal een 2e fase onderzoek uitgevoerd worden middels extra boringen en/of analyses.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

13 Nader onderzoek naar asbest Het nader bodemonderzoek voor de verificatie en/of afperking van de aangetroffen verontreiniging met asbest in de bodem dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/C2:2017 en/of NEN 5897/C2:2017, nader onderzoek naar asbest, onderzoeksstrategie ‘Vaststellen gemiddeld gehalte per RE’ en/of ‘Vaststellen omvang’. Op basis hiervan worden zowel ter plaatse van en rondom de proefgaten waar tijdens voorgaand onderzoek asbest is aangetroffen alsmede verdeeld over het terrein waar asbest op maaiveld was aangetroffen (over een oppervlakte van circa 3.500 m2), in totaal circa 22 proefsleuven gegraven. Per 1.000 m2 (RE) dienen minimaal 5 sleuven gegraven. In totaal zijn derhalve (< 4.000 m = 4 RE’s) minimaal 20 proefsleuven noodzakelijk. In verband met de verdeling van de RE’s en de proefgaten waar tijdens voorgaand onderzoek asbest is aangetoond, zijn direct 2 extra proefsleuven opgenomen voor het vaststellen van de omvang. 5.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPRnormen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6) en protocol 2002 (versie 6). De veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest zijn, afgezien van de maaiveldinspectie, eveneens uitgevoerd conform de geldende NEN/NPR-normen, BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een graafmachine en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde / opgegraven grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 5.2 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 5.2: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data

Bedrijf

22 t/m 24 juni 2020 (1e fase)

Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker(s) De heer M.A.H. van Baal

8 juli 2020 (2e fase)

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer M.A.H. van Baal

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2002 (v. 6) 2018 (v. 6) 2001 (v. 6)

De puinlagen betreffen geen grond en vallen derhalve niet onder protocol BRL SIKB 2018. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Ten behoeve van het nader bodemonderzoek zijn in tijdens de 1e fase totaal 19 aanvullende boringen (B201 t/m B219) geplaatst tot circa 1,0 m-mv rondom de boringen B112 t/m B114. Op basis van de tussentijdse resultaten zijn tijdens een 2e fase nog 4 aanvullende boringen (B220 t/m B223) geplaatst voor de verdere afperking van de grondverontreiniging. Voor de verdeling van de geplaatste boringen wordt verwezen naar bijlage 2a. Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

14 Grondwater Het grondwater uit de bestaande peilbuis PB108 is na twee keer afpompen op 24 juni 2020 herbemonsterd voor analyse op zware metalen. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) van het grondwater in het veld zijn bepaald. Asbest Ten behoeve van het nader onderzoek naar asbest is, zoals geadviseerd, allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd om de situatie te herevalueren nadat de opdrachtgever het asbest op maaiveld heeft laten verwijderen. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie volledig bedekt is met vegetatie en snoeiafval (100 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, nog 2 plaatjes asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) waargenomen. De aangetroffen asbestverdachte (plaat)materialen zijn in het veld direct dubbel verpakt. Uiteindelijk zijn, ter plaatse van de vier RE’s, in totaal 26 proefsleuven gegraven (SL01 t/m SL26). Op basis van tussentijdse waarnemingen zijn derhalve direct 3 extra proefsleuven gegraven. Het terrein is hierbij onderverdeeld in vier Ruimtelijke Eenheden (RE’s).

In tabel 5.3 is de verdeling van de proefsleuven per RE weergegeven. Tabel 5.3: Indeling ruimtelijke eenheden met bijbehorende proefsleuven RE RE-01 RE-02 RE-03 RE-04

Proefsleuven SL01 t/m SL05 SL06 t/m SL11, SL24 en SL25 SL12 t/m SL16 en SL26 SL17 t/m SL22

Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per sleuf de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij is in de proefsleuven SL09 en SL20 asbestverdacht plaatmateriaal (fractie > 20 mm) aangetroffen in de bovengrond. Er is echter wel in veel mindere mater asbest aangetroffen in de bodem dan tijdens voorgaand onderzoek. In tabel 7.3 van hoofdstuk 7 zijn de waargenomen asbestverdachte plaatmaterialen (> 20 mm) weergegeven en de, in het lab bepaalde, hoeveelheid gram van het plaatmateriaal. Al het materiaal is dubbel verpakt en verstuurd naar het laboratorium voor analyse op de aanwezigheid van asbest conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). Ter plaatse van de proefgaten B111, B119, AB129 en AB130 zijn in de gegraven sleuven (SL06, SL13, SL17 en SL18) geen asbestverdachte materialen meer aangetroffen. Mogelijk is de verontreiniging middels de proefgaten en verwijdering van het plaatmateriaal tijdens de verkennende onderzoeken reeds ‘’gesaneerd’’. In de overige sleuven zijn in de grond en puinlagen ook geen asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen. Voor de verdeling van de gegraven proefsleuven wordt verwezen naar bijlage 2b.

De veldwerkformulieren met sleufprofielen en samenstelling asbestmonsters voor het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen als bijlage 7.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

15

6.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 6.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

16 Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [6] tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020), worden gehanteerd. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 6.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 eveneens geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels SEM analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

17

7.

RESULTATEN 7.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld tot circa 0,5 à 1,5 m-mv hoofdzakelijk uit zwak siltige, zwak humeuze klei. Ter plaatse van de proefsleuven SL03, SL04, SL15 en SL16, in het puinpad (voormalige weg), is vanaf het maaiveld tot circa 0,5 m-mv een volledige puinlaag aanwezig. Tijdens voorgaand onderzoek is deze puinlaag nabij sleuven SL15 en SL16 reeds onderzocht. Daarnaast zijn in sleuven SL12 en SL26 volledige betonlagen aangetroffen. Dit betreft ander materiaal dan de volledige puinlaag ter plaatse van het puinpad (voormalige weg). Daarnaast is ter plaatse van sleuf SL07 een put van minimaal 1,5 meter diepte met gestort hout en snoeiafval aanwezig. Mogelijk betreft dit een kelder van de voormalige bebouwing of een ontgraving ervan. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen waargenomen. In alle boringen (buiten het puinpad) ten behoeve van het nader bodemonderzoek (B201 t/m B223) zijn in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) sporen beton en sporen baksteen aangetroffen. Ter plaatse van het puinpad zijn in de aanvullende boringen onder de volledige puinlaag (0,0-0,3 m-mv) eveneens sporen beton en sporen baksteen aangetroffen tot maximaal 1,0 m-mv. In de gegraven proefsleuven ten behoeve van het nader onderzoek naar asbest zijn verschillende bijmengingen waargenomen.

Daarnaast is in sleuf SL09 (type A) en in sleuf SL20 (type B) asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden in de proefsleuven is weergegeven in tabel 7.1.De zintuiglijk schone proefsleuven zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Tabel 7.1: Zintuiglijke waarnemingen per proefsleuf Sleuf

RE-01 SL03 SL03 SL05 RE-02 SL06 SL07 SL08 SL09 SL10 SL11 SL24 SL25 RE-03 SL12 SL13 SL14 SL15 SL16 SL26 RE-04 SL17 SL18 SL19 SL20 SL21 SL22

Diepte sleuf (m -mv)

Traject (m -mv)

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Totaal bijmengingen

1,00 1,00 1,00

0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50

+ + Klei

Volledig puin Volledig puin Sterk puinhoudend

66 % 66 % 13 %

1,00 1,50 1,00 1,00 1,00 1,00 1,00 1,00

0,00-0,50 0,00-1,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50

Klei + Klei Klei Klei Klei Klei Klei

Sporen puin Volledig hout Sporen puin Sporen puin, ca.83 gr. asbestverdacht materiaal (type A) Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin

<1% 90 % <1% <1% <1% <1% <1% <1%

1,00 1,00 1,00 1,00 1,00 1,00

0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50

+ Klei Klei + + +

Volledig beton Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Volledig puin Volledig puin Volledig beton

72 % 3% 3% 66 % 66 % 72 %

1,00 1,00 1,00 1,00 1,00 1,00

0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50

Klei Klei Klei Klei Klei Klei

Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin, ca. 49 gr. asbestverdacht materiaal (type B) Sporen puin Sterk puinhoudend

<1% <1% <1% <1% <1% 13 %

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

18 Toelichting bij tabel 7.1: Sporen < 1 % bodemvreemd materiaal; Zwak ≥ 1 < 5 % bodemvreemd materiaal; Sterk ≥ 10 < 20 % bodemvreemd materiaal; Volledig > 50 % bodemvreemd materiaal; + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal) Niets waargenomen/aangetroffen.

In tabel 7.6 van hoofdstuk 7 zijn de waargenomen asbestverdachte plaatmaterialen (> 20 mm) weergegeven en de, in het lab bepaalde, hoeveelheid gram van het plaatmateriaal. Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde en opgegraven grond geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodem- en/of asbestverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. 7.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De toetsingsresultaten van de PFAS in grond analyses zijn opgenomen in bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. In tabel 7.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.

Tabel 7.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat -nummer Grond 13281429

(Meng-) monster

Parameter

Opmerking

Toelichting

B213-1a, B214-1a, B218-1a

Droge stof, organische stof en lutum

13286174

MMPFAS201

Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX, vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.

13286182

MMPFAS202

De gemeten gehalten voor zware metalen, welke op het lutumgehalte worden gecorrigeerd, welke op organische stof worden gecorrigeerd, zijn mogelijk overschat. Aangezien voor de gemeten zware metalen de interventiewaarde niet wordt overschreden in de betreffende monsters, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed. Aangezien de gemeten gehalten voor PFAS niet worden gecorrigeerd naar een standaard bodem, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

19 Vervolg tabel 7.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat -nummer Asbest 13272629

(Meng-) monster

Parameter

Opmerking

Toelichting

MMASB19, MMASB22

Asbest in grond

13276153

MMASB09

Het aangeleverde analysemonster voldoet niet aan de minimaal vereiste hoeveelheid volgens de eisen in NEN5898.

13272631

MMASB06

Er is minder dan 10 kg (grond) of 25 kg (puin) droge stof aan monstermateriaal aangeleverd waardoor de analyseresultaten mogelijk minder representatief zijn. Aangezien in de betreffende monsters geen asbest is gemeten (< 2 mg/kg d.s.), wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

Asbest in puin

Toelichting bij de tabel: PFAS Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur);

Nader bodemonderzoek Zware metalen en PAK in grond Op basis van de onderzoeksopzet, de bekende verontreinigingen en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden, zijn de onderstaande grondmonsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. In verband met de tussentijdse resultaten zijn na de 2e fase van het nader onderzoek aanvullende grondmonsters geanalyseerd op lood en zink. De grondmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 7.3 weergegeven. Tabel 7.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster 1e fase B201-1 B202-1 B203-1 B204-1 B205-1 B206-1 B208-1 B209-1 B210-1 B211-1 B212-1 B213-1 B214-1 B218-1 B219-1 2e fase B205-2 B207-1 B213-1a B214-1a

Omschrijving

Boringen (traject in m -mv)

Analysepakket

Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen

B201 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

PB, Zn*

-

B202 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*

Zn

B203 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn

-

B204 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*, Zn*

-

B205 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Zn*

Pb

B206 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn

-

B208 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn*

-

B209 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*

Zn

B210 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*, Zn*

-

B211 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*

Zn

B212 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, PAK

-

B213 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, PAK L en H PAK, L en H

PAK

-

B214 (0,00 - 0,50)

PAK, L en H

PAK

-

B218 (0,00 - 0,50)

PAK, L en H

PAK

-

B219 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn*

-

Bovengrond, klei Zintuiglijk: Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen

B205 (0,50 - 1,00)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn

-

B207 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb*

Zn

B213 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn

-

B214 (0,00 - 0,50)

Pb, Zn, L en H

Pb, Zn*

-

Diverse aanvullende onderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782NO versie: 01 datum: 3 september 2020

> AW < I

Resultaten >I

20 Vervolg tabel 7.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten Mengmonster

Omschrijving

Boringen (traject in m -mv)

2e fase B215-1

Bovengrond, klei B215 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen B216-1 Bovengrond, klei B216 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen B217-1 Bovengrond, klei B217 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen B218-1a Bovengrond, klei B218 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen B220-1 Bovengrond, klei B220 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen B221-1 Bovengrond, klei B221 (0,30 - 0,80) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen (grond onder volledige puinlaag) B222 (0,30 - 0,80) B222-1 Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen (grond onder volledige puinlaag) B223-1 Bovengrond, klei B223 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen beton, sporen baksteen Toelichting bij tabel 7.3: Pb en Zn Lood en zink PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen L en H Lutum en organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; 1 Gestandaardiseerde meetwaarde benadert de index van 0,5; * Gestandaardiseerde meetwaarde overschrijdt de index van 0,5; Niets waargenomen/aangetoond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/700/documents/22331